Inloggen
LEERSUM - ID 3650


In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:1898-05-26 / 1914-12-26 | Reden uitgevlagd: Verongelukt of vermist

Identification Data

Bouwjaar: 1898
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Steamship
Type: General Cargo schip
Type Dek: Flush deck
Masten: Two masts
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Sunderland Shipbuilding Co. Ltd., Sunderland, Great Britain
Werfnummer: 194
Launch Date: 1898-03-21
Delivery Date: 1898-05-26
Technical Data

Engine Manufacturer: MacColl & Pollock, Sunderland, Great Britain
Motor Type: Steam, Triple Expansion
Number of Cylinders: 3
Power: 650
Power Unit: IHP (IPK)
Eng. additional info: 18 1/2, 30 & 49-33
Speed in knots: 8
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 1455.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 906.00 Net tonnage
Deadweight: 2400.00 tons deadweight (1016 kg)
 
Length 1: 73.15 Meters Registered
Beam: 11.28 Meters Registered
Depth: 6.10 Meters Registered
Draught: 5.36 Meters Registered
Ship History Data

Date/Name Ship 1898-05-26 LEERSUM
Manager: Firma Vinke & Co, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Stoomvaart Maatschappij 'Oostzee', Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Amsterdam / Netherlands
Callsign: PJDR

Ship Events Data

1898-00-00: Building History
In aanbouw voor Pile & Co., Londen en op 21.03.1898 naamloos te water gelaten. In de eerste helft van april 1898 door Vinke en Co. gekocht en als LEERSUM op 26.05.1898 opgeleverd.
1914-12-26: Final Fate: Mined

Het vrachtschip ss. 'LEERSUM' (1898) van de Stoomvaart Maatschappij 'Oostzee', onder kapitein G. Stekelenburg, dat hulp wil verlenen aan het Britse ss. 'Linarra', dat nabij Scarborough op een mijn was gelopen, loopt eveneens op een mijn en zinkt vervolgens binnen enkele minuten. Hierbij komen twee opvarenden om het leven.

Op reis van Rotterdam naar Newcastel on Tyne met een lading stukgoederen is de LEERSUM op 26 december 1914 om 18.30 uur bij pogingen om de bemanning van een op een mijn gelopen schip te redden, op 13 mijl ten noorden van Flamborough Head ook zelf op een mijn gelopen. De mijn ontplofte onder het voorschip van de LEERSUM dat geheel uit elkaar sloeg. De LEERSUM zonk in enige minuten, zodat de opvarenden in allerijl het schip moesten verlaten. Van de 19 opvarenden bleek bij telling twee leden der bemanning te zijn vermist, zodat deze bij de ramp het leven hadden verloren. De overige 17 man bereikten met de beide sloepen veilig Scarborough. De LEERSUM was verloren. De mijn was op 16 december 1914 daar gelegd door het Duitse oorlogsschip S.M.S. Kolberg.

Gezagvoerders

Familiegegevens en opleiding

Geen

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

A.Potjer was met vlagnummer R10 in de periode 1887 t/m 1899 lid voor de vlag van het Rotterdamse zeemanscollege Maatschappij tot Nut der Zeevaart.`Dat betekent, dat hij wèl de Maatschappijvlag mag voeren, maar geen recht had op financiële tegemoetkomingen058.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In het Jaarverslag 1899 van de Maatschappij  (Maritiem Museum, Rotterdam) staat vermeld dat hij in dat jaar heeft bedankt als vlaggelid058.

 

In de notulen van de Algemene Vergadering van het Amsterdamse zeemanscollege Zeemanshoop dd 31 januari/07 februari 1888 staat vermeld dat als honorair lid werd voorgesteld/benoemd kapitein A.Potje, gezagvoerder van het ss “Schiedam, wonend op de Westerdoksdijk te Amsterdam, op voordracht van J.C. v/d Poll.023.

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop dd 02 maart 1905 staat vermeld een: “Brief van Mevrouw E.H.Potjer-Venema, namens haren echtgenoot de goede ontvangst berichtende der bronzen medaille met bijbehoorend getuigschrift.”023 Dit betreft de wedstrijd voor de periode 1900/1901 voor gehouden kompasjournalen  uitgeschreven door de Commissie voor de Wetenschappelijke Zeevaart

 

De schepen van de kapitein

In de Jaarverslagen van de Maatschappij staat kapitein A.Potjer met vlagnummer R10 als gezagvoerder in de ledenlijsten van058:

*    1887                       van het ss. “Zaandam”           3063 ton           voor Ned.Amerik.Stoomv.Mij te Rotterdam

*    1888                       van het ss. “Amsterdam”       3361 ton           voor Ned.Amerik.Stoomv.Mij te Rotterdam

*    1890                       van het ss. “Amsterdam”       2681 ton net    voor Ned.Amerik.Stoomv.Mij te Rotterdam

*    1891 t/m 1896      van het ss. “Maasdam”          2729 ton net    voor Ned.Amerik.Stoomv.Mij te Rotterdam

*    1897 , 1898           van het ss. “Maasdam”          2729 ton net    voor de Holland-Amerikalijn te Rotterdam

 

 

Bouma025 vermeldt A.Potjer als gezagvoerder gedurende:

*    1887 van het ijzeren schroefstoomschip “Schiedam” ex San Marcos, gebouwd in 1874 te Dumbarton, 2850 ton o.m., varend voor de Ned. Amerik. Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1888 van het schroefstoomschip “Zaandam”, gebouwd in 1882 te Rotterdam, 3063, varend voor de Nederl. Amerik. Stoomv. Maatsch. te Rotterdam;

*    1889 van het schroefstoomschip “Amsterdam”, gebouwd in 1880 te Dumbarton op de werf van Mc Millan & Son, 3629 ton n.m., varend voor de Nederl. Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1890 op het schroefstoomschip “Edam”, gebouwd in 1883, 3000 ton n.m., 500 pk, varend voor de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1890 van het ijzeren schroefstoomschip “Maasdam”, gebouwd in 1885 te Belfast, 4036 ton n.m., varend voor de Nederl.Amerik.Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1891 van het schroefstoomschip “Amsterdam”, gebouwd in 1880 te Dumbarton op de werf van Mc Millan & Son, 3629 ton n.m., varend voor de Nederl. Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1892 van het schroefstoomschip “Dubbeldam”, gebouwd in 1891 te Rotterdam, 2700 ton n.m., varend voor de Ned. Amerik. Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1893 t/m 1894 van het stalen schroefstoomschip “Didam” gebouwd in 1891 te Feyenoord, 2751 ton n.m., varend voor de Ned.Amer.Stoomv. Maatsch. te Rotterdam; (klopt niet met de opgave uit de Jaarverslagen van het Rotterdams zeemanscollege - zie hiervoor).

*    1895 van het schroefstoomschip “Dubbeldam”, gebouwd in 1891 te Rotterdam, 2700 ton n.m., varend voor de Ned. Amerik. Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam;

*    1897 van het ijzeren schroefstoomschip “Maasdam”, gebouwd in 1885 te Belfast, 4036 ton n.m., varend voor de Holland-Amerikalijn te Rotterdam;

*    1897 t/m 1898 van het ijzeren schroefstoomschip “Hilversum” ex Isle of France, gebouwd in 1883 te Newcastle, 1473 ton n.m., varend voor de Stoomvaart Maatschappij “Oostzee” A.& W.Vinke te Amsterdam;

*    1899 van het schroefstoomschip “Leersum”, gebouwd in 1898 te Sunderland, 1430 ton n.m., varend voor de Stoomvaart Mij. “Oostzee”, A.& W.Vinke (1897) te Amsterdam.

 

Overige bijzonderheden

In het artikel “Mijn eerste reis naar Java met de bark “Senior” van Piet van Os in het Tijdschrift “Het zeilend schoolschip” dd december 1949 staat op p.15 een citaat van het verblijf van de auteur op “het vierkant getuigde stoomschip “Zaandam” v/de N.A.S.M onder kapitein A.Potjer, bijgenaamd : zwarte Potjer” … “ Deze kapitein was oorspronkelijk afkomstig uit de provincie Groningen.

In nr. 33 van december 1959 staat: “Zwarte kapitein Potjer is jarenlang nestor van de oud-N.A.S.M & Vinke’s-kapiteins geweest. Hij is te Overschie in december 1944 overleden 90 jaar oud. Jaren achtereen was hij bestuurslid van de Gezagvoerders en Stuurlieden Vereniging.”

 

In het tijdschrift De Zee Jaargang 1896, p. 14-21 staat de behandeling door de Raad van Tucht voor de Koopvaardij van een klacht ingediend door de kok Gerardus Johannes Cox aan boord van het ss “Maasdam” onder gezag van kapitein Aldert Potjer. De klacht werd opgemaakt op 26 juli 1895.

In een uitgbreide verslaglegging wordt door de klager gesteld, dat de kapitein schromelijk tekort is geschoten in zijn verantwoordelijkheid ten opzicht van het equipagelid en 2e stoomkok Huibertus Jelkman, die na een slopende ziekte tenslotte op 09 juli 1895 te New-York is overleden. Volgens artikel 4 van de monsterrol is de kapitein verschuldigd ieder equipagelid een “betamelijke behandeling” te geven en daaronder valt de “noodige geneeskundige behandeling en verpleging in geval van ziekte”.  Daarin zou hij in gebreke zijn gebleven.

De Raad komt na rijp beraad en het horen van diverse getuigenissen tot de slotsom dat “de aangeklaagde niet geheel voldaan heeft aan zijne verplichting om den tweede stoomkok Huibertus Jelkman tijdens diens ziekte eene betamelijke behandeling te verzekeren.” Maar tevens acht de Raad geen termen aanwezig de gezagvoerder in zijn bevoegdheid om als schipper van een Nederlands koopvaardijschip te schorsen.

 

 

Datum vanaf: 1898
Kapitein: Potjer, Aldert

Datum vanaf: 1914
Kapitein: Stekelenburg, G.
Overige informatie: 0

Afbeeldingen


Omschrijving: Leersum 1898
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Leersum 1898
Gemaakt door: Unknown
Algemene informatie

Algemeen Handelsblad 29-12-1914: De „LEERSUM". Het stoomschip „LEERSUM", dat op een mijn is gelopen en gezonken, was, volgens de N. R. Ct. 24 dezer, van Rotterdam naar Newcastle vertrokken, voor enige reizen (waarvan juist de laatste werd gemaakt) van Rotterdam naar Newcastle en terug door de firma D. Burger en Zoon te Rotterdam, van de Maatschappij Oostzee te Amsterdam (directie Vinke en Co.) gehuurd. Het schip had een lading van ongeveer 530 ton stukgoed aan boord, en het ongeluk gebeurde toen de „LEERSUM" hulp verleende aan een ander, in nood verkerend, stoomschip. Het telegram over het ongeluk, dat te Rotterdam werd ontvangen, luidde, "liep op mijn terwijl wij een ander schip trachtten te bergen. De bemanning, uitgezonderd twee tremmers, is gered."
 
NRC 020115
Omtrent het vergaan van het stoomschip LEERSUM, kapitein G. Stekelenburg, van de Stoomvaartmaatschappij Oostzee te Amsterdam, vernemen wij nader het volgende:
De 23sten december vertrok men van Rotterdam geladen met stukgoed naar New Castle on Tyne. Er werd hoofdzakelijk alleen bij daglicht gevaren en in peiling dicht onder de Engelse kust gestoomd. De 26e december ging te 07.30 uur voormiddag het anker op. Stomende langs de kust, passeerde men te 04.20 uur namiddag Flamboro Head op een kwart mijl afstand. Te 05.45 uur daarna ontwaarde men op ongeveer 13 mijl benoorden laatstgenoemde kaap op stuurboordsboeg een stoomschip, dat vermoedelijk op een mijn  gestoten had. De LEERSUM verminderde vaart en het stoomschip werd enige tijd ter plaatse gaande gehouden, ten einde te trachten iets van de equipage te ontdekken. Om het stoomschip, waarvan geen naam of nationaliteit ontdekt is kunnen worden, werd heengevaren. Men zag de lichten in de midscheepsverblijven alle nog branden. Het voorschip was echter reeds ondergedompeld, zodat het achterschip met roer en schroef boven water uitstak. Tevergeefs werd het schip door de scheepsroeper gepraaid, ten elnde enig teken van leven te verkennen. Wel werd waargenomen, dat aan boord met een lantaarn gezwaaid werd. Nu besloot men aan boord van de LEERSUM een sloep ter assistentie te zenden en de machlne te stoppen. De stuurboords-reddingboot werd te water gelaten en bemand door de 1e stuurman J.G. Lagerweij en vier matrozen. De boot roeide in de richting van het onbekende stoomschip, doch toen zij dicht genaderd waren, volgde een vreselijke ontploffing en verdween het stoomschip loodrecht in de diepte. De boot bleef enige tijd in de nabijheid, ontdekte evenwel niets van sloepen of drenkelingen en keerde, op een signaal met de stoomfluit van de LEERSUM gegeven, naar dat stoomschip terug. Halverwege het gezonken vaartuig en de LEERSUM gekomen, werd laatstgenoemd stoomschip plotseling onder het voorschip door een mijn getroffen en begon te zinken. Het voorschip werd opgenomen en vloog met een geweldige knal uit elkander, het geheel werd gehuld in een rookzuil, vuur en stukken van schip en lading.
Inmiddels had kapitein Stekelenburg aan boord van de LEERSUM de nodige bevelen gegeven. De reddingsboten, die op zijn bevel gedurende de ganse reis in de davids buiten boord gereed hingen, werden gevierd. Deze voorzorgsmaatregel bleek het behoud van de  bemanning te zijn. Het stoomschip zonk dieper en dieper en het achterschip was reeds geheel boven water. Een tremmer, een Belg, weigerde over boord te springen of zich langs de sloeptalies te laten vieren. Hij verdween met een andere tremmer in de diepte. Met de reddingsboten op ongeveer 60 meter van het schip verwijderd, verdween ook de LEERSUM met dof gesuis in de golven. De 1e stuurman was intussen met de andere boot nabij gekomen; de bemanning werd over de beide grote reddingsboeien verdeeld onder bevel van de gezagvoerder en de 1e stuurman. Ruim twintig minuten bleef men nog ter plaatse, trachtende door roepen en fluiten de aandacht van de beide vermiste tremmers te trekken. Zij werden niet meer gezien of gehoord. Nu werd besloten naar de wal te roeien. Ruim 10 uur werd men in de Scarboro Bay door de Scarboro reddingsboot opgepikt en ter plaatse geland. Tijd om iets te redden ontbrak ten enenmale, zodat ook de scheepspapieren verloren gingen.
Terwijl men in de sloepen zat, werd ver weg een grote vuurzuil waargenomen, blijkbaar een ontploffing van een mijn onder een derde stoomschipNog dient vermeld, dat men aan boord van de LEERSUM, terwijl dit stoomschip gestopt lag, pogingen in het werk stellende om een van de opvarenden van het onbekend gebleven stoomschip te redden, een vrachtschip opmerkte, dat gewoon doorvoer en niets deed om de opvarenden van het inmiddels gezonken eerstbedoelde schip te redden.
De bemanning van de LEERSUM is overtuigd, dat het aan de door de gezagvoerder kapitein G. Stekelenburg genomen voorzorgsmaatregel, om, voor de reis een aanvang nam, de reddingsboten in de davids buiten boord gereed te houden om gevierd te worden en deze uitstekende maatregel gedurende heel de reis te handhaven, het leven te danken heeft.

NNO 040115
We hebben reeds gemeld, dat de LEERSUM gezonken is terwijl pogingen werden gedaan tot redding van de bemanning van een ander schip. Men was met een boot naar dat schip geroeid en zag nog iemand daarop, doch, toen de boot dicht bij het schip was volgde een vreselijke ontploffing en verdween het stoomschip loodrecht in de diepte. De boot bleef enige tijd in de nabijheid, ontdekte evenwel niets van sloepen of drenkelingen en keerde op een signaal met de stoomfluit van de LEERSUM gegeven, naar dat stoomschip terug.
Halverwege het gezonken vaartuig en de LEERSUM gekomen, werd laatstgenoemd stoomschip plotseling onder het voorschip door een mijn getroffen en begon te zinken. Het voorschip werd opgenomen en vloog met een geweldige knal uit elkander, het geheel werd gehuld in een rookzuil, vuur en stukken van schip en lading. Inmiddels had kapt. Stekelenburg aan boord van de LEERSUM de nodige bevelen gegeven. De reddingsboten, die op zijn bevel gedurende de ganse reis in de davits buiten boord gereed hingen, werden  gevierd. Deze voorzorgsmaatregel bleek het behoud van de bemanning te zijn. Het stoomschip zonk dieper en dieper en het achterschip was reeds geheel boven water. Een tremmer, een Belg, weigerde over boord te springen of zich langs de sloeptalies te laten vieren. Hij verdween met een andere tremmer in de diepte. Met de reddingsboten op ongeveer 60 meter van het schip verwijderd, verdween ook de LEERSUM met dof gesuis in de golven. De 1e stuurman was intussen met de andere boot nabij gekomen; de bemanning werd over de beide grote reddingsboten verdeeld onder bevel van de gezagvoerder en de 1e stuurman. Ruim twintig minuten bleef men nog ter plaatse, trachtende door roepen en fluiten de aandacht van de beide vermiste tremmers, te trekken. Zij werden niet meer gezien of gehoord. Nu werd besloten naar de wal te roeien. Ruim 10 uur werd men in de Scarborough Bay door de Scarborough reddingsboot opgepikt en ter plaatse geland. Tijd om iets te redden ontbrak ten enenmale, zodat ook de scheepspapieren verloren gingen. Terwijl men in de sloepen zat, werd ver weg een grote vuurzuil waargenomen, blijkbaar een ontploffing van een mijn onder een derde stoomschip.

NRC 160115
Raad voor de Scheepvaart. De Raad heeft gisteren een onderzoek ingesteld betreffende  het nabij Scarborough op een mijn stoten en zinken, waarbij twee opvarenden het leven verloren, van het stoomschip LEERSUM, gezagvoerder G. Stekelenburg te Maarsen, rederij Stoomvaart Maatschappij Oostzee te Amsterdam. De gezagvoerder verklaarde, dat het schip, dat 906 netto reg. ton groot en met 19 koppen bemand was, op 23 december Rotterdam verliet. Het schip was goed zeewaardig en alle voorzorgsmaatregelen voor een eventueel ongeluk waren genomen.
De reddingboten waren steeds gereed en er was een voldoende aantal reddingsboeien en zwemvesten aan boord. Het schip had stukgoederen in en stevende naar Newcastle. Aanvankelijk werd recht naar de Engelse kust gevaren. Daar zag men, ter hoogte van Flamborough Head een ontredderd schip drijven, dat blijkbaar op een mijn was gelopen. Dit gebeurde buiten het officiële mijnenveld.
Er was een boot uitgezet om te trachten nog iets van het verongelukte schip te redden, maar zonder succes. Toen de boot terug was, was het inmiddels donker geworden. De LEERSUM lag stil, althans de machines werkten niet.
Opeens stootte het vaartuig op een mijn, het voorschip werd vernield. Het schip begon te zinken. De boten werden uitgezet, en de mannen gingen er in. In de boot werd appèl gehouden, er ontbraken twee tremmers.
Er was geen tijd geweest, nog voor het gaan in de boten appèl te houden, daar er tussen het ontploffen van de mijn en het zinken van het schip slechts enkele minuten waren verlopen. Een jonge tremmer zag men nog op het schip staan. Hem werd gevraagd over boord te springen; dan zou hij worden opgepikt. Hij durfde echter niet. De boot kon niet wachten, anders zou ze met het schip mee de diepte zijn ingezogen. De jongen is toen met het schip gezonken. Van de andere tremmer is niets meer gezien. Het was kalm weer, toen het schip zonk. Er kon niets meer van het schip worden gered. De boten zijn in Scarborough opgepikt.  De kapitein zei, dat hij, toen men in de boten was, een schip, vermoedelijk een mijnenlegger, zag varen, die blijkbaar ook de boten had gezien. Dit schip kwam echter niet te hulp, doch stevende snel om de oost. Het ongeluk is gebeurd buiten het officiële mijnenveld. De eerste stuurman, J.G. Lagerweij, verklaarde, dat hij met een sloep was uitgegaan om naar het ontredderde schip, dat men zag drijven, te gaan kijken. Hij had 20 minuten rondgedreven, doch niets kunnen redden. Toen werd hij teruggeroepen. Toen hij vlak bij de LEERSUM was gekomen, ontplofte dit schip. Hij zag het met de voorsteven naar beneden hellen. Vijf minuten later was het schip in de diepte verdwenen. De eerste machinist, O.B.H. Hansen, verklaarde, dat onmiddellijk na de ontploffing het gehele machinepersoneel naar boven is gegaan. Een tremmer was niet beneden. Deze is niet op het achterdek gekomen. Bij  navraag kon niemand vertellen, wat er van deze tremmer was geworden.

NRC 210115
Raad voor de Scheepvaart. Verder heeft zij heden uitspraak gedaan, inzake het zinken van het stoomschip LEERSUM ten gevolge van het stoten op een onderzeese mijn op 26 december 1914 nabij Scarborough. De Raad is van oordeel, dat de gezagvoerder alles in het werk heeft gesteld om een ramp, als waardoor de LEERSUM is getroffen, te vermijden. Hij heeft de route gevolgd, die door de Engelse Admiraliteit is aanbevolen, goed de uitkijk doen houden om drijvende mijnen tijdig te ontdekken en daarom slechts bij dag gevaren. Ook heeft hij de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om de gevolgen van een eventuele ramp zo gering mogelijk te doen zijn door alle reddingsmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed te houden. Deze reddingsmiddelen verkeerden in goede staat en waren in voldoende mate aanwezig. Dat bij deze ramp twee opvarenden het leven hebben verloren, is dus allerminst aan enig verzuim van de gezagvoerder te wijten. Deze en ook de equipage van de sloep hebben blijk gegeven van naastenliefde door te trachten de bemanning van het in nood verkerende vaartuig te redden.

 

Kroniekberichten

Toon kroniekberichten