Inloggen
PYLADES - ID 9255

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1834
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Steamship
Type: Schooner
Masten: Three masts
Material Hull: Wood
Construction Data

Scheepsbouwer: N.V. Nederlandsche Stoomboot Maatschappij, Fijenoord, Zuid-Holland, Netherlands
Delivery Date: 1834-12-00
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Nederlandsche Stoomboot Maatschappij, Fijenoord, Zuid-Holland, Netherlands
Number of Cylinders: 2
Power: 200
Power Unit: NHP
 
Gross Tonnage: 981.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 654.00 Net tonnage
 
Length 1: 190.00 Feet (British) ***Unknown***
Beam: 28.00 Feet (British) ***Unknown***
Depth: 16.00 Feet (British) ***Unknown***
Ship History Data

Date/Name Ship 1835-00-00 PYLADES
Manager: Nederlandsche Stoomboot Maatschappij N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Nederlandsche Stoomboot Maatschappij N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Additional info: opleveringsreis Nederlandse vlag

Ship Events Data

1834-12-00: De PYLADES, gebouwd voor rekening van de scheepswerf, werd in de tweede helft van december 1834 voltooid aan het Ministerie van Koloniën verkocht voor dienst in Nederlands-Indië. op conditie oplevering te Batavia. Kort na vertrek voor de opleveringreis is ze gezonken en verloren gegaan.
1835-01-02: Final Fate:
Op reis van Rotterdam naar Batavia ter oplevering is de PYLADES, kapt. J. Bunnemeijer, op 2 januari 1835, enige uren na vertrek van 's-Gravendeel, bij kalm weer gezonken en verloren gegaan. Van de opvarenden verloor één persoon hierbij het leven.

Gezagvoerders

Datum vanaf: 0
Kapitein: Bunnemeijer
Overige informatie: 0

Algemene informatie

1834

PGC 111134

Overgenomen uit de Arhemsche Courant van 8 november.

Een beschrijving van de stoomwerktuigenfabriek te Rotterdam. Geheel verwonderd stond ik, toen ik mij in de fabriek bevond. Ik zag geen prachtig of kostbaar gebouw, geen uiterlijke vertoning, geen overdaad van deze of gene soort van werktuigen, maar een eenvoudig en doeltreffend ingericht verblijf, voorzien van alle nodige werktuigen en, zo het mij toescheen, enig en alleen bestemd om goed werk tot billijke prijzen te kunnen leveren. Deze fabriek is gelegen op het eiland Fijenoord, recht tegenover de stad Rotterdam. Het hoofdgebouw is het voormalige pesthuis, terwijl op de daarbij behorende grond vele loodsen en andere gebouwen zijn bijeengebracht als dienende tot werk- en bergplaatsen. De fabriek en de daarbij behorende grond hebben een grootte van ca. 10 bunders; aan de ene kant is de rivier de Maas, aan de andere kant een grote haven, waarvan men aan beide zijden kan in en uit varen, gelijk ook deze grond nog door een andere haven is doorgesneden, welke beide havens behoren aan het etablissement. Over elk van deze havens staat een grote bok, voorzien van de nodige zware lijnen, blokken, spillen enz. Met één derzelve zou men volgens opgegeven informatie een zwaarte van 36 lasten of 72.000 Nederlandse pond zijn gelicht. De stoomboten kunnen onder dezelve heen varen; zij zijn dus bijzonder geschikt om het in- en uitzetten van stoomketels en andere zware stukken gemakkelijk, spoedig en min kostbaar te kunnen doen.

Ook is er in een van deze havens een grote en tegen regen beschermende kap gebouwd, waaronder de grootste der stoomboten liggen kan en welke kap is strekkende, om daaronder de schepen af te timmeren. In de haven lag toen een zeer groot zeestoomschip genaamd de PYLADES, hetwelk men bezig was af te timmeren, afmetingen pl.m. lang 190 voet, breed 28 voet en hol 16 voet, met een stoommachine van ongeveer 200 paardenkracht. (opm: het betreft hier de fabriek van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij)

 

AH 191234

Rotterdam, 17 december: Gisteren heeft het stoomschip de PYLADES, gebouwd en uitgerust door de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij op haar fabriek en werf van Fijenoord, een proefreis naar Den Briel en terug gemaakt en, zoals men verzekert, in alle opzichten aan de verwachting der bouwers beantwoord.

Dit fraaie stoomschip is ruim 56 el lang, heeft stoomwerktuigen van lage drukking van twee honderd paardenkracht, drie masten en voert een schoenerstuig. Men verneemt, dat het door de Maatschappij aan het departement van koloniën is verkocht en eerstdaags de reis naar Java zal aannemen, zijnde het bestemd om in de Oostindiën dienst te doen.

 

DC 271234

Dordrecht, 26 december. Het schone stoomzeeschip de PYLADES, door het departement van koloniën dezer dagen voor de dienst in Oost-Indië van de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij aangekocht, staat onverwijld, onder bevel van kapt. Bunnemeijer, de reis naar Java aan te nemen. Reeds heeft het de equipage aan boord, en maakt men zich gereed om binnen een paar dagen te kunnen vertrekken.

 

Op 28 december 1834 werd door het Ministerie van Koloniën te ’s Gravenhage voor het stoomschip  PYLADES onder kapitein F.A. Bunnemeyer een eerste zeebrief aangevraagd voor een reis naar Batavia. Aldaar aangekomen zou het schip door de scheepsbouwers aan het Ministerie worden overgedragen.

 

1835

 

DC 030135

Dordrecht, 2 januari. Gepasseerde woensdag is het door het departement van koloniën voor de dienst in Oost-Indië aangekochte stoom-zeeschip de PYLADES langs de Oude Maas en de Krap naar ’s Gravendeel gekomen, van waar hetzelve schip, na er nog uit een paar lichters steenkolen overgenomen te hebben, heden morgen ten 8 ure wederom vertrokken is om de reis naar deszelfs bestemming voort te zetten.

 

RC 030135

Rotterdam, 2 januari. De 2e, des morgens, zeilden Zr.Ms. stoomschip PYLADES, kapt. J. Bunnemeyer, naar Batavia en DE TWEE GEBROEDERS, kapt. W. Meeuwenoord, naar Bordeaux.


RC 060135 

Rotterdam, 5 januari. De 2e dezer, des avonds ten elf ure, is voor de wal, op 7 vademen water, door zware lekkage gezonken de uitgezeilde stoomboot PYLADES, gevoerd geweest door kapt. J. Bunnemeyer; de equipage is met de vissloep DE HOOP, stuurman De Waard, te Helvoetsluis aangekomen. (opm: eerste reis)

 

RC 060135 

Rotterdam, 5 januari. De 2e dezer, des avonds ten elf ure, is voor de wal, op 7 vademen water, door zware lekkage gezonken de uitgezeilde stoomboot PYLADES, gevoerd geweest door kapt. J. Bunnemeyer; de equipage is met de vissloep DE HOOP, stuurman De Waard, te Helvoetsluis aangekomen. (opm: eerste reis, zie diverse volgende berichten)

 

DC 060135  

Gisteren avond ontving men hier de droevige tijding, dat de PYLADES in zee gezonken, en daarin een man, alhier te huis behorende, en naar men verneemt een weduwe en twee kinderen achterlatende, omgekomen was. Zo het schijnt, werd, na 2 uren in zee geweest te zijn, in de machinekamer water ontdekt, en moest, in weerwil der massa van pompen die dadelijk in het werk gesteld werden, de equipage des nachts ten 11 ure het schip verlaten, en op een visserman, die op de noodschoten genaderd was, overgaan. Weinig tijds daarna zonk de PYLADES.

 

AH 070135  

Het ongeluk aan het stoomschip de PYLADES, de 2e dezer, op een geringe afstand van

de kust, bij gunstig weer, overgekomen, is een dier gebeurtenissen, die, vooral in de

gegeven omstandigheden, de aandacht en de belangstelling van het publiek in grote mate tot zich moeten trekken. De PYLADES, aan welks uitmuntende bouw en inrichting alle deskundigen recht lieten wedervaren, is in volle zee, terwijl alles wel was aan boord, de werktuigen regelmatig werkten en de snelle gang van het vaartuig iedereen bevredigde, eensklaps gezonken.

Tot dus verre zijn wij nog niet bekend met alle plaats gehad hebbende bijzonderheden, doch naar hetgeen we vernemen is er, bij weten der bevelvoerders, niets gebeurd, waaraan het ongeluk bepaaldelijk zou kunnen worden toegeschreven. Kan hetzelve beschouwd worden als het gevolg van een gebrekkige constructie, of van verzuim en zorgeloosheid, of van bekrompenheid en karigheid met betrekking tot de gebezigde materialen, of van de slechte hoedanigheid derzelve? Naar alles, wat ons vroeger ten aanzien van dezer boot, door deskundigen is medegedeeld, mogen wij deze vragen met een volmondig neen beantwoorden. De PYLADES is als het ware gebouwd onder het oog ener gehele bevolking; een groot gedeelte der scheepstimmerlieden te Rotterdam heeft er deel aan genomen; vele aanzienlijke reders en kooplieden hebben de met de meeste zorg ten einde gebrachte voltooiing kunnen gadeslaan. En zo hebben we van verschillende kanten de overtuiging verkregen, dat niets verzuimd is geworden en dat, wel verre van bekrompenheid, er in vele opzichten buitengewone zorg en geld aan de bouw en de gebezigde bouwstoffen is besteed; ja dat er, volgens het verslag der door de regering benoemde deskundigen, geen voorzorgen verzuimd zijn en dat er noch kosten noch moeite gespaard zijn ten einde de hechtheid van het schip tot de hoogst mogelijke trap van volkomenheid te brengen. De oorzaak van het ongeval moet derhalve elders gezocht worden, doch waar?

Gelijk wij reeds opmerkten zijn aan het schip geen zeeschade overkomen; het ongeval is daarenboven bijna in het gezicht der kust, te midden der af- en afvarende vissersschepen en andere vaartuigen gebeurd; maar de aandrang van het water moet zo sterk zijn geweest, dat de twee door de stoommachine in beweging gebrachte luchtpompen, benevens de overige vlijtig bewogen scheepspompen daartegen niets vermochten. Aan een gewoon geval, aan een gewoon lek of het indringen van water, zo als dat, hetwelk bij nieuwe schepen niet vreemd is, valt hierbij niet te denken. Er moeten verschillende lekken op zodanige punten hebben plaats gehad, waar men ze niet kon vermoedde en ook niet gemakkelijk kon opsporen. Kunnen die lekken bij toeval zijn ontstaan, terwijl het schip rustig stoomde en zeilde, in diep water, zonder iets van storm of hoge zeeën te lijden te hebben? Wij geloven het niet en er schiet, naar ons inzien, niets anders over dan de gedachte aan een misdadige handelwijs, die gewis te eniger tijd aan het licht zal komen en zo wij hopen naar verdienste zal worden gestraft. In alle gevallen verdient de zaak een nauwkeurig onderzoek en het laat zich verwachten, dat daartoe ook van hogerhand hulp zal worden geboden, te meer omdat, gelijk wij ons menen te herinneren, vroeger een dergelijk ongeluk heeft plaats gehad met een rivierboot, die beneden Nijmegen gezonken is en waarin men naderhand een groot aantal gaten geboord vond, welke, zo als uit sommage bleek, met loden proppen waren gestopt geweest.

In het tegenwoordige geval is, weliswaar, een onderzoek van het gezonken vaartuig en dus het leveren van een materieel bewijs van het gepleegde verraad hoogst moeilijk, ja misschien wel geheel onmogelijk; doch er zijn nog andere middelen om tot ontdekking der waarheid te komen en wij hopen dat deze met vlijt aangewend en door een gewenste uitkomst bekroond mogen worden. Daardoor zou dan tenminste enigermate het verdriet worden gelenigd, hetwelk ieder onzer ondervindt bij het zien mislukken ener grootste onderneming, waarin Nederland slechts enigermate de grootste zeemogendheid tot voorganger heeft.

 

DC 080134

Dordrecht, 7 januari. Omtrent het lot van de PYLADESzijn ons van een geachte hand uit Rotterdam, onder dagtekening van gisteren, nog medegedeeld de navolgende bijzonderheden:

Het was vrijdag namiddag ten half 3 ure, toen de loods het schip verliet, en omtrent een uur daarna ontdekte men water in de machinekamer, en 18 duim water bij de pompen. Deze, ten getale van 6, werden dadelijk aan de gang gebracht; doch niettegenstaande het aanhoudend pompen, was het schip des avonds ten 11 ure reeds vol water en moest verlaten worden, zonder iets hoegenaamd te kunnen bergen. Het schip zit nu aan de uiterste punt van de Ooster, waar deszelfs schoorsteen zichtbaar is, en men is stellig geresolveerd, alles te beproeven om het te lichten. Reeds heeft men alhier aanvraag gedaan naar kofschepen om voor lichters te dienen, doch tot hiertoe heeft men, zoveel mij bekend is, er nog geen kunnen bekomen, daar de schippers de expeditie in dit seizoen voor te gevaarlijk beschouwen. Het schip was grootdeels te Londen, ongeveer voor NLG 300.000,-, tegen alle gevaar, en zo te Amsterdam als Rotterdam voor ruim NLG 100.000,- op behouden varen verzekerd.

P.S. Zo op het ogenblik verneem ik, dat de Maatschappij 6 of 8 vissloepen van Middelharnis heeft aangenomen, welke met enige stoomboten naar buiten vertrekken, om de lichting te beproeven.

 

AH 090135

Ingezonden stukken. Amsterdam, 7 januari 1835.

Aan de redactie. Indien wij de alhier zo algemeen in omloop zijnde geruchten geloven mogen, waartoe veel grond schijnt te bestaan, dan zonde de gezonken stoomboot PYLADES, niet anders zijn, dan een der voor het Gouvernement, in der tijd gebouwde roverschepen, ORESTES en PYLADES genoemd, welke door hetzelve, nadat aan die schepen tonnen schats waren in kosten gelegd, uit hoofde van vervuring (opm: droogrot in de romp, waarbij het hout is aangetast door schimmels als gevolg van het gebruik van onvoldoende gedroogd hout op plaatsen met weinig of geen ventilatie) hebben moeten worden afgekeurd en ook, gelijk wij ons herinneren, voor vier à vijf jaren publiek geveild en tot een spotprijs, door de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij weer ingekocht zijn. Indien wij op die geruchten kunnen vertrouwen, dan, mijnheer de redacteur! Is het geschrevene in uw geacht blad van heden een zo fijne persiflage als ons nimmer is voorgekomen. Wij hebben lang in twijfel gestaan waarvoor wij het te houden hadden, doch het slot moest alle twijfeling doen ophouden; immers vernemen wij daarbij, dat ieder onzer verdriet zal ondervinden bij het zien mislukken ener grootse onderneming, waarin Nederland slechts enigermate de grootste zeemogendheid tot voorganger heeft.

Dit kan geen ernst zijn! Laten wij ere geven, wien ere toekomt en ons door geen zotte eigenliefde laten verblinden. In 1825 of 1826 heeft Engeland reeds een stoomschip van 500 ton naar Bengalen gezonden, hetwelk weliswaar een lange reis gemaakt heeft, maar er toch behouden gekomen is en nog geen goede diensten gedaan heeft. En wat is er bij ons gebeurd? De Nederlandse stoomboot-maatschappij heeft een stoomschip, de welbekende ATLAS en twee roverschepen de ORESTES en PYLADES gebouwd, welke allen door het Gouvernement hebben moeten worden afgekeurd en der Natie onmetelijke sommen gelds hebben gekost. Wij kunnen ons niet herinneren dat de grootste Zeemogendheid de Nederlandse Stoomboot-Maatschappij hierin slechts enigermate is voorgegaan.

Indien wij op de precedenten lette, dan kan het ongeluk aan de PYLADES, die de kanker wel met zich zal hebben meegevoerd, geen raadsel blijven. Gelukkig dat, zo wij vernemen, het land ten minste nu geen schade bij deze opnieuw mislukte onderneming lijdt, waarvoor de voorzichtige maatregel van onzen tegenwoordigen, werkelijk der zaak kundige Minister van koloniën, die de bepaling moet gemaakt hebben, dat het schip te Batavia zou geleverd worden, ons heeft bewaard.

De grootse onderneming om een stoomschip naar onze Oost-Indische koloniën te zenden is wederom mislukt; aan het Gouvernement is dit niet te wijten; dat heeft in waarheid toegevendheid genoeg betoond, adres aan de ATLAS, ORESTES en PYLADES en zou dat Gouvernement de man niet vertrouwen, die overal zo gunstig van zich doet spreken? Men leze slechts het uittreksel uit de Frankfurter Zeitung, in uw blad van de 3e dezer, op de eerste bladzijde medegedeeld; de man niet vertrouwen, welke het voor zijn rekening naar Engeland heeft gezonden en aldaar op de meest lucratieve en kostbare wijze doen verblijven, zonder dat iemand de kennis zelfs van het bestaan van enig rapport deswegens heeft verkregen? terwijl wij bezig zijn te onderzoeken of de vruchten van die reis door de agent voor zijn lastgever dan wel zich zelve zijn verkregen geweest en of hij zich al zo later al dan niet in de gelegenheid heeft gezien, die weer aan zijn eigen commitment ten duurste te verkopen.

Gelukkig dat het te hopen is, dat nu eindelijk de ogen geheel zullen opengaan, maar ook gelukkig dat de schade, door dit alles veroorzaakt, niet zal kunnen gebracht worden voor rekening der verzekeraars, ten ware er bewezen kon worden dat die schade het gevolg is van evenementen der zee en met van eigen gebrek in bouw van schip of werktuigen. Bij gelegenheid van het tot dat einde noodzakelijk onderzoek zal de waarheid wel uitkomen en evenzeer als wij niet wensen vooraf enig verder ongunstig vooroordeel tegen de PYLADES te doen ontstaan, hadden de officiële verdedigers der Rover-boten voor het ogenblik betere gedaan zich te onthouden van lofsprekende uitweidingen, blijkbaar ingericht om het publiek zo mogelijk voor in te nemen.

(Wij voldoen aan het verlangen der geachte inzenders van bovenstaande brief en nemen dezelve in ons blad op. Maar wij menen hierbij tevens te moeten aanmerken, dat hetgeen is in het A.H.B. van 7 januari over het verongelukken van de PYLADES is gezegd, niet moet beschouwd worden als een persiflage, wat wij zeiden, zeiden wij in goede ernst. Wellicht hebben wij ons bedrogen, doch dit moet de toekomst leren. Inmiddels gaat ons de zaak alleen in zo verre aan, dat het ons leed doet, dat de genoemde, in Nederland gebouwde stoomboot op een zo deerlijke wijze is verongelukt en wij zullen daarom aan allen, wie de zaak van naderbij betreft, de gelegenheid geven, om hun gevoelens in ons blad te ontwikkelen.)


LC 090135
Volgens ontvangen bericht is het stoomschip de PYLADES, kapt. Bunnemeijer, den 2 dezer van Hellevoetsluis naar Batavia uitgegaan, dien dag, des avonds ten 11 ure, op 12 vadem water buiten den Hindert, gezonken. De equipage is door ene visserssloep opgenomen, en te Hellevoetsluis aangebracht. Een man van dezelve wordt vermist. Ten 4½ uur van dienzelfden dag, toen de boot op 24 vaam water was, heeft men zo plotseling als onverwachts het indringen van het water ontdekt, waarop men getracht heeft, den Droogen of den Hindert weder te bereiken, dan op 12 vaam water gekomen, was zulks niet meer mogelijk, en is de boot ten 11 ure gezonken. Het Journal de la Haye voegt erbij, dat dit stoomschip eerst bij deszelfs komst te Batavia aan het gouvernement moest geleverd worden. Het was te Londen verzekerd voor NLG 300.000 en te Rotterdam voor NLG 80.000.

Het Handelsblad deelt hieromtrent het volgende mede:

Het ongeluk aan het stoomschip de PYLADES den 2 dezer, op enen geringe afstand van de kust, bij gunstig weder, overgekomen, is ene dier gebeurtenissen, die vooral in de gegeven omstandigheden, de aandacht en belangstelling van het publiek in grote mate tot zich moeten trekken. De PYLADES, aan welke uitmuntende bouw en inrichting alle deskundigen recht lieten wedervaren, is, in volle zee, terwijl alles wel was aan boord, de werktuigen regelmatig werkten en de snelle gang van het vaartuig iedereen bevredigde, eensklaps gezonken.

Tot dusverre zijn wij nog niet bekend met alle plaats gehad hebbende bijzonderheden, doch naar hetgeen wij vernemen is er, bij weten des bevelvoerders, niets gebeurd, waaraan het ongeluk bepaaldelijk zou kunnen worden toegeschreven. Kan hetzelve beschouwd worden als het gevolg van ene gebrekkige constructie, of van verzuim en zorgeloosheid, of van bekrompenheid en karigheid met betrekking tot de gebezigde materialen, of van de slechte hoedanigheid derzelve? Naar alles, wat ons vroeger ten aanzien van den bouw dezer boot, door deskundigen is medegedeeld, mogen wij deze vragen met een volmondig neen beantwoorden. De PYLADES is als het ware gebouwd onder het oog ener gehele bevolking; een groot gedeelte der scheepstimmerlieden te Rotterdam heeft er deel aan genomen; vele aanzienlijke reders en kooplieden hebben de met de meeste zorg ten einde gebrachte voltooiing kunnen gadeslaan. En zo hebben wij van verschillende kanten de overtuiging gekregen, dat niets verzuimd is geworden en dat, wel verre van bekrompenheid, er in vele opzichten buitengewone zorg en geld aan den bouw en de gebezigde bouwstoffen is besteed; ja dat er, volgens het verslag der door de regering benoemde deskundigen, gene voorzorgen verzuimd zijn, en dat er noch kosten noch moeite gespaard zijn ten einde de hechtheid van het schip tot den hoogst mogelijke trap van volkomenheid te brengen. De oorzaak van het ongeval moet derhalve elders gezocht worden, doch waar? Gelijk wij reeds opmerkten zijn aan het schip gene zeeschaden overkomen; het ongeval is daarenboven bijna in het gezicht der kust, te midden der af- en aanvarende vissersschepen en andere vaartuigen gebeurd; maar de aandrang van het water moet zo sterk zijn geweest, dat de twee door de stoommachine in beweging gebrachte luchtpompen, benevens de overige vlijtig bewogen scheepspompen daartegen niets vermochten. Aan een gewoon geval, aan een gewoon lek of het indringen van water, zoals dat, hetwelk bij nieuwe schepen niet vreemd is, valt hierbij niet te denken. Er moeten verschillende lekken op zodanige punten hebben plaats gehad, waar men ze niet konden vermoeden en ook niet gemakkelijk konden opsporen. Kunnen die lekken bij toeval zijn ontstaan, terwijl het schip rustig stoomde en zeilde, in diep water, zonder iets van storm of hoge zeeën te lijden te hebben? Wij geloven het niet en er schiet, naar ons inzien, niets anders over, dan de gedachte aan ene misdadige handelwijs, die gewis te eniger tijd aan het licht zal komen en zo wij hopen naar verdienste zal worden gestraft. In alle gevalle verdient de zaak een nauwkeurig onderzoek en het laat zich verwachten, dat daartoe ook van hoger hand hulp zal worden geboden, te meer omdat, gelijk wij ons menen te herinneren, vroeger een dergelijk ongeluk heeft plaats gehad met ene rivierboot, die beneden Nijmegen gezonken is en waarin men naderhand een groot getal gaten geboord vond, welke, zoals uit sommigen bleek, met loden proppen waren gestopt geweest. In het tegenwoordige geval is, weliswaar, een onderzoek van het gezonken vaartuig en dus het leveren van een materieel bewijs van het gepleegde verraad hoogst moeilijk, ja misschien wel geheel onmogelijk; doch er zijn nog andere middelen om tot de ontdekking der waarheid te komen, en wij hopen dat deze met vlijt aangewend en door ene gewenste uitkomst bekroond mogen worden. Daardoor zoude dan ten minste enigermate het verdriet worden gelenigd, hetwelk ieder onze ondervindt bij het zien mislukken ener grootse onderneming, waarin Nederland slechts enigermate de grootste zeemogendheid tot voorganger heeft.

 

AH 170135

Amsterdam, 16 januari. In een onzer dagbladen leest men nog het volgende omtrent de PYLADES:

Het kan wel niet anders, of een gebeurtenis, zo als die met de stoomboot, voor de vaart in de Indiën bestemd, voorgevallen, moet elks verwondering opwekken; van daar de menigvuldige geruchten en te dezen opzichte verspreid; terwijl men dit van de enen kant geheel aan kwaadwilligheid wil toeschrijven, zijn er wederom anderen die dit als een volkomen bedrog van de zijde van de Nederlandse Stoomboot-Maatschappij willen doen aanmerken.

Wij hebben geen redenen, om in deze voor iemand partij te kiezen, doch beschouwen de zaak ernstig genoeg, om te trachten in dezelve enig meer licht te bekomen, en zo als wij dit van de aanvang dachten, vernemen wij nu van goederhand, dat het contract omtrent de levering van de PYLADESte Java, niet door de tegenwoordige Minister van Koloniën, maar wel gedurende het bestuur van zijn voorganger gesloten is en hierbij is wel uitdrukkelijk bepaald, dat de constructie moest geschieden onder toezicht van de heer scheeps-ingenieur J.G. Glavimans, een man zo door zijn nauwgezetheid als uitstekende talenten algemeen geacht; hierdoor vervalt nu alle verdenking van gepleegd bedrog, te meer, daar men ons tevens verzekert, dat het roverschip de PYLADES, in der tijd door de Maatschappij gekocht, sinds lang werkelijk gesloopt is.

Wanneer nu al het bovenstaande op goede gronden rust, dan zou men zeggen, is het te vrezen, dat kwaadwilligheid alleen oorzaak kan zijn van het gebeurde met de PYLADES en daar het blijkbaar bewezen is, dat die kwaadwilligheid niet kan zijn geschied, zonder enige medehulp van een gedeelte van het scheepsvolk, zo moet het elk, die hierover nadenkt, verwonderen, dat het feit, sinds acht dagen geschied zijnde, men nog volstrekt niet verneemt, dat er enig gerechtelijk onderzoek in dezen heeft plaats gehad.

Want hoezeer de boot eerst na de aflevering in de Indiën moest betaald worden en er dien ten gevolge door het bestuur geen schade wordt geleden, is evenwel de opzettelijke kwaadwilligheid niet minder regelrecht tegen de regering gericht, daar deze in haar ontwerp, om ook op Java een stoomboot te hebben, op een bedroevende wijze teleurgesteld.

 

DC 170135

Dordrecht, 16 januari. Men schrijft uit Vlissingen, van den 12 dezer:

Men verneemt, dat Zr.Ms. stoomboot CURAÇAO, kapt. luitenant Le Jeune, alhier wordt verwacht, om zware kettingen in te nemen, welke, naar men gelooft, bij de pogingen, tot lichting van de gezonken stoomboot de PYLADES, zullen worden gebruikt.

 

DC 030235

Rotterdam, 30 januari. Op een heden alhier gehouden bijeenkomst van 28 assuradeuren van de verongelukte stoomboot PYLADES, hebben 22 derzelve een arbitrage verlangd, terwijl 6 derzelve zich genegen getoond hebben hun aandeel in de geledene schaden te willen voldoen.

 

JC 130635

Batavia, 12 juni 1835. Wij zijn thans in de gelegenheid, enige nadere mededelingen te doen omtrent het vergaan van het Nederlands stoomschip PYLADES, hetwelk voor rekening van het Indisch Gouvernement, van de te Rotterdam gevestigde Stoomboot-Maatschappij, overgenomen en bestemd was om, onder het bevel van kapt. F.A. Bunnemeijer, naar Batavia te vertrekken.

Dit fraaie schip, voorzien van twee stoomwerktuigen van lage drukking, van 100 paardenkracht ieder, was op de meest zorgvuldige wijze gebouwd, zo als blijkt uit een uitvoerig rapport, in dato 20 december jl., aan Zijne Excellentie de Minister voor de Koloniën, door de heren F.B. van den Bosch, kapitein ter zee, en A. Soetermeer, constructeur der eerste klasse bij ’s Rijks Marine.

De 16de december jl., deed het schip een proefreis, aan boord hebbende de hierboven vermelde commissie, en voldeed volkomen aan de verwachting. Hetzelve stuurde met groot gemak; had geen onaangename trilling; de werktuigen deden het bepaald getal omdraaiingen de minuut, en de snelheid was 8½ mijl. Een Engels stoomschip van goede reputatie, de SCOTIA, even na de PYLADES, van Rotterdam afgevaren, had op verre na die snelheid niet.

De 2de januari jl., aanvaardde de PYLADES, de reis naar Java. Met zeer gunstig weer, stoomde dezelve, de goede rede (opm: Goedereede) uit en was, te 2 ure na de middag, buitengaats. De loods wilde toen het schip verlaten, doch kapt. Bunnemeijer oordeelde het raadzaam, hem nog een eind weegs bij zich te houden. Een mijl verder zeewaarts, ’s namiddags te 4 ure, stapte de loods op een visserssloep, daar de loodsboot, de PYLADES niet had kunnen volgen. Enige tijd daarna, hoorde de loods een noodschot, hetgeen hem bewoog, de steven weder zeewaarts te wenden. Vervolgens de klok horende luiden en vuren ziende branden, in de richting waar hij de PYLADES verlaten had, begreep hij dat dit schip in gevaar was, en begaf zich derwaarts. Op het stoomschip overstappende, vernam hij dat hetzelve zinkende was, zonder dat men daarvan de oorzaak had kunnen ontdekken. Men besloot toen weder naar binnen te stomen, doch het binnendringende water doofde weldra de vuren uit en ondanks alle pogingen tot redding, zonk het vaartuig, te middernacht, op 12 vadem water, ongeveer twee mijlen uit de wal, met verlies van slechts een man equipage, zijnde de overigen door de vissers gered.

Volgens het gesloten contract, moest de PYLADES, door de Stoombootmaatschappij, voor haar risico, naar Batavia overgevoerd en aldaar aan het Gouvernement afgeleverd worden. Zij had het schip, in Engeland, voor NLG 326.400,- en, te Amsterdam en Rotterdam, voor NLG 100.000,- doen verzekeren. Zowel het departement der marine als de gemelde maatschappij, wendden alle pogingen aan om het schip te lichten, doch daartoe bestond weinig uitzicht.

De ontvangene berichten delen geen bijzonderheden mede over de waarschijnlijke oorzaken van dit ongeluk, Zo men zich deswege een gissing mag veroorloven, dan komt het voor, dat die oorzaken moeten worden gezocht in een onverwachte ontreddering der pijpen of kranen, bestemd om de ketels van water te voorzien. Immers een gewoon lek is niet waarschijnlijk, daar het schip tot vier palmen boven het eerste dek, geheel vol hout was, dat is, dat de inhouten zonder tussenruimte aan elkander sloten, terwijl een dubbel diagonaal verband van ijzer dezelve aan elkander bevestigde.

 

1838

 

ZP 280638

De procedures tegen de Engelse assuradeurs in de zaak van het stoomschip de PYLADES, kapt. Bunnemeijer, den 2 januari 1835 uit Helvoet naar Batavia vertrokken en even buiten gaats gezonken, zijn, naar men verneemt, bij minnelijke schikking ten einde gebracht.