Inloggen
DOELWIJK - ID 8683


In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:1850-10-12 / 1854-04-21 | Reden uitgevlagd: Verongelukt of vermist

Identification Data

Bouwjaar: 1850
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Sailing Vessel
Type: Bark
Masten: Three masts
Material Hull: Wood
Dekken: 2
Construction Data

Scheepsbouwer: Fop Smit, Kinderdijk, Zuid-Holland, Netherlands
Date Laid Down: 1849-07-26
Launch Date: 1850-09-18
Delivery Date: 1850-10-12
Technical Data

Net Tonnage: 730.00 tons (oude meting)
Net Tonnage 2: 383.00 lasts
 
Zeebrieven en Turksche passen

Record type Zeebrief
Zeebrief jaar: 1850
Datum agenda: 1850-11-08
Register nr: 18500717
Scheepsnaam: DOELWIJK
Type: Bark
Lasten: 383
Gebouwd in provincie: Zuid Holland
Gebouwd in binnen- of buitenland: Binnenlands
Zeebrief / Turksche pas verzocht door: Ruys J.D. Zn., W.
Plaats: Rotterdam
Kapitein op moment van verzoek: Kramer, D.H.
Opmerkingen: eerste zeebrief

Ship History Data

Date/Name Ship 1850-10-12 DOELWIJK
Manager: Willem Ruys Jan Daniëlszn, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Partenrederij onder boekhouderschap van genoemde manager, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder: Fop Smit (50%)
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands

Ship Events Data

1854-04-21: Final Fate: Wrecked

Op 21 april 1854 op het Kenn Rif, in positie 21º09’ ZB en 155º49’ OL gestoten en verloren gegaan. De timmerman van de DOELWIJK verloor hierbij het leven. De overige bemanning werd gered door de Deense brik COURIER, kapitein E. Crabb en behouden te Batavia aangebracht.

Gezagvoerders

Familiegegevens en opleiding

Douwe Hendriks Kramer werd geboren op 20 mei 1808 te Terschelling en overleed te Rotterdam op 03 mei 1874. Hij was de zoon van Hendrik Alkesz. Kramer, visiteur der Uit- en Inklaring, en Trijntje Jans Visser.

Hij huwde op 24 mei 1838 te Terschelling met Trijntje Gerrits Rotgans, geboren op 27 november 1811 te Amsterdam aan boord van het schip van haar vader "De Vrouwe Hester Cornelia", die in Amsterdam aan de werf Oranje Boom lag. Zij was eerder gehuwd geweest met Willem Cannegieter (08 mei 1800/24 mei 1835), van beroep marine-officier. Zij was de dochter van Gerrit Siebes Rotgans en Trijntje Jacobs Tjebbes. Ze overleed op 19 maart 1883 te Den Haag.

Schriftelijke informatie op 02 november 1998 door J.M.Rebel te Gouda, achter-achter-kleinzoon van moederszijde van Douwe Hendriks Kramer.

 

Douwe Hendriksz Kramer werd geboren te Terschelling op 20 mei 1808 als zoon van de Nederlands Hervormde Hendrik Kramer en Trijntje Visser. Hij vestigde zich op 29 mei 1856 te Rotterdam waar hij o.a. woonde aan de Karresteeg Wijk 3 nr.183 en aan de Melkmarkt Wijk 8 nr.50. Hij vertrok op 08 april 1861 maar Soerabaja.

Hij was getrouwd met Trijntje Gerrits Rotgans, geboren 27 november 1811 te Amsterdam, Nederlands Hervormd en overleden te Amsterdam op 17 augustus 1879).

Douw Hendriksz overleed te Rotterdam aan de Coolsingel op 03 mei 1875. Hij werd na zijn zeemansbestaan koopman005

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

D.H.Kramer was met vlagnummer R170 in de periode 1839 t/m 1874 effectief lid van het Rotterdamse zeemanscollege Maatschappij tot Nut der Zeevaart058.

D.H.Kramer was in 1850 en 1857 zg “afwisselend commissaris” van de Maatschappij058.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

Geen

 

De schepen van de kapitein

Douwe Hendriks Kramer was de eerste kapitein van het fregat de "Cornelis Wernard Eduard", 606 ton, in 1838/1839 gebouwd op de werf van Fop Smit aan de Kinderdijk. Deze mededeling werd gedaan in een brief dd. "Rotterdam 17 November 1838" van  W.Ruys J.D.zn. en Weiland & van Walcheren aan de Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Het schip voer op 27 oktober 1839 uit van Hellevoetsluis voor een retourreis naar Java024-p.31.

Uit dezelfde bron:

*    D.H.Kramer was lid van het Rotterdams Zeemanscollege met nr.170, blijkens de nummervlag op het schip waarvan een afbeelding op p.37

*    "De heer Hoynck van Papendrecht heeft in ons vorig gedenkboek een hier en daar gedetailleerd overzicht gegeven van de reizen gemaakt door de Cornelis Wernard Eduard ...".

      Douwe Hendriks Kramer was de eerste gezagvoerder van een aantal schepen van rederij W.Ruys J.Dz. te Amsterdam nl. in 1839 van de bark "Cornelis Wernard Eduard(I)", in 1842 van de bark "Margaretha Ida" en in 1850 van de bark de "Doelwijk (I)"024.

      D.H.Kramer was in 1859 gezagvoerder van het 3-mast campagne-fregat de "Ouderkerk aan de Amstel", 725 ton, gebouwd in 1852/1854 bij Fop Smit in Slikkerveer voor W.Ruys J.Dz. te Rotterdam. "... accomodatie voor passagiers en uitgebreide inrichting voor het vervoer van militairen (capaciteit 200); in de vaart op Indië en Australië; in 1859 tijdens Boni-expeditie in dienst als hospitaalschip ..."024 en 025.

 

“In het najaar van 1858 was de Ouderkerk aan de Amstel naar Indië gevaren en het schip is daar vervolgens voor langere tijd gebleven. Het fregat werd namelijk ingeschakeld bij de expeditie tegen de opstandige Boni-bevolking, die in het midden van het eiland Celebes leefde. De Ouderkerk aan de Amstel deed daarbij, samen met een schip dat Arcadia heette, dienst als hospitaalschip voor Nederlandse militairen.

De Boni’s waren in opstand gekomen tegen het Nederlands gezag en het Indische gouvernement tolereerde dit niet. Op 21 augustus 1858, toen de Ouderkerk aan de Amstel overigens nog in Amsterdam lag, besloot men een veldtocht tegen de Boni’s te beginnen : met infanterie, cavallerie, artillerie en een zeemacht die uit een korvet en een aantal stoomschepen zou bestaan. De Boni’s hadden de Nederlanders lange tijd reedds getard en het geduld was kennelijk op. De inlanders hadden niet geluisterd naar “vriendschappelijke vertoogen en raadgevingen, onze lankmoedigheid, ons dralen om de rampen des oorlogs te ontketenen voor zwakheid had aangezien en er ten laatste toe overgegaan was, om onze vlag smadelijk te hoonen”zo werd later in Nederland als een soort van verontschuldiging geschreven. Voor het vervoer van troepen, materieel, munitie en koelies werden 24 Nederlandse koopvaardijschepen gehuurd; transport-, paarden-, kolen- en ziekenschepen, zoals ze werden genoemd. Kapitein Kramer van de Ouderkekrk aan de Amstel en zijn bemanningsleden vertrokken eind januari 1859 van Java naar Celebes, met een schip dat was ingericht”tot opname van honderd lijders, zoo eerste als tweede klassse”. Aan boord waren onder meer kippen, eieren, aardappelen, specerijen, fruit, vlees, boter, wijn, suiker, scheepsbeschuit, blikken melk, koffie en jenever.

In februari begon de strijd tegen de Boni’s en vele Nederlandse militairen werden behalve voor verwondingen, aan boord van de twee hospitaalschepen ook verpleegd voor cholera, een ziekte waaran tallozen bezweken.. Op de Ouderkerk aan de Amstel en op de Arcadia werden op een gegeven ogenblik totaal dertien officieren, 193 soldaten, achttien Ambonezen en 16 inlanders verpleegd, veel meer dan de feitelijke capacitiet van de schepen.

Het doel van de expeditie – “tuchtiging van de Boni’s – werd glansrijk bereikt. In April was de veldtocht voorbij. Toch volgde er in het najaar van 1859 nog een expeditie, ndat de Boni bevolking voor de tweede maal in opstand was gekomen….”

Bron niet genoteerd

 

Kapitein D.H.Kramer was in 1834-1835 kapitein van de schoenerkof "Monnikendam" en had als matroos/bootsman aan boord de latere kapitein Tjebbe Albertus Wulp010-p.49.

 

In de Jaarverslagen van de Maatschappij (Maritiem Museum, Rotterdam) staat kapitein D.H.Kramer met vlagnummer R170 als gezagvoerder in de ledenlijsten van058:

*    1849                       van de bark “Margarethe Ida”                   343 last     varend voor W.Ruys J.Dz te Rotterdam

*    1851                       van de bark “Doelwijk”                              383 last     varend voor W.Ruys J.Dz te Rotterdam

*    1855, 1858, 1859 van het fregat “Ouderkerk a/d Amstel      383 last     varend voor W.Ruys J.Dz te Rotterdam

*    1862 t/m 1867      geen vermelding van schip en reeder

 

Douwe Hendriksz Kramer maakte met de “Ouderkerk aan de Amstel” in 1857 een reis van Batavia naar Rotterdam met een lading suiker005.

 

Bouma025 vermeldt D.H.Kramer als gezagvoerder gedurende:

*    1834 t/m 1838 van de schoonerkof “Monnikendam” (2), gebouwd in 1825 te Monnikendam, 116 ton o.m., rederij niet vermeld, maar waarschijnlijk J.G.Boerlage te Monnikendam;

*    1830 t/m 1837 van de kof “Verwachting”, gebouwd in 1808, bouwlocatie niet vermeld, 65 ton o.m., varend voor Boerlage te Monnikendam. (deze opgave klopt niet met de vorige. Is er nóg een kapitein D.H.Kramer?)

*    1839 t/m 1842 van de bark “Cornelis Wernard Eduard”, gebouwd in 1839 te Kinderdijk, 606 ton o.m., varend voor W.Ruys JDz te Rotterdam

*    1842 t/m 1849 van de bark “Margaretha Ida”, gebouwd in 1842 te Slikkerveer, 650 ton o.m., varend voor Wm.Ruys JDz te Rotterdam;

*    1851 t/m 1853 van het 3/mschip “Doelwijk”, gebouwd in 1850 te Kinderdijk, 730 ton o.m., varend oor W.Ruys JDz te Rotterdam;

*    1855 t/m 1857 van het 3/mschip “Ouderkerk aan de Amstel”, gebouwd in 1854 te Slikkerveer, 725 ton o.m., varend voor W.Ruys JDz te Rotterdam;

      *    1859 t/m 1860 van het 3/mschip “Ouderkerk aan de Amstel”, gebouwd in 1854 te Slikkerveer, 725 ton o.m., varend voor W.Ruys JDz te Rotterdam.

 

Overige bijzonderheden

Van mevr. E.C.Huizer-Sibinga Mulder te Naarden kreeg ik op 27 juni 2004 diverse informatie waaronder kleurenkopieën van schilderijen van Hendrik Alkes Kramer, Douwe Hendriks Kramer en Trijntje Gerrits Rotgans, geschilderd door Sybrand Altman (Den Haag 1822 – Amsterdam 1890). Deze portretten zijn in particulier bezit bij één van haar zonen (Pieter Douwe Huizer, Tarakan, 1938) te Grolloo

 

D.H.Kramer verzorgde per 12 november 1848 vanuit Hellevoetsluis met de “Margaretha Ida” een troepentransport van 2 officieren en 170 manschappen naar Indië. Hij arriveerde op 10 februari 1849 te Batavia na 90 dagen reis. Onderweg overleden 5 manschappen.

Hij vertrok op 21 oktober 1851 met de “Doelwijk” vanuit Hellevoetsluis met 6 landmachtofficieren en arriveerde te Batavia op 19 januari 1952 na 90 dagen065.

 

De Raad voor Tucht bij de koopvaardij deed op 17 oktober 1861 uitspraak inzake een klacht tegen kapitein Douwe Hendriks Kramer, gezagvoerder van het fregat “Ouderkerk aan de Amstel”, varend voor W.Ruys & Zonen te Rotterdam. Er zijn geen details van deze uitspraak vermeld. 104*

 

Harlinger Courant dd 07 maart 1878, Scheepvaartberichten096

Uitgegaan:

Maassluis 3 Maart Cornelis Wernard Eduard, J.Kuiper, Newcastle.”

 

In het Hannemahuis te Harlingen is een aquarel van het fregat “Doelwijk’, geschilderd in 1851 door J.Spin. Er is in de de toelichting geen kapitein genoemd, maar uit het jaartal blijkt dat het om kapitein D.H.Kramer moet gaan.

Foto dd juni 2009 in mijn bezit.

 

 

Portret door Spin, in het Gemeentehuis van Ouderkerk aan de Amstel

 

In het Gemeentearchief van Ouderkerk Amstel te Ouderkerk aan de Amstel bevindt zich een correspondentie dd Rotterdam 26 jli 1858 waarin Willem Ruijs JDzoon het portret van de Ouderkerk aan de Amstel aanbiedt aan het Gemeentebestuur van Ouder Amstel middels een bezoek aan het schip te Rotterdam.

In een brief dd Rotterdam 11 december 1852 vraagt Willem Ruijs toestemming om op het op stapel staande schip “Ouderkerk aan de Amstel” het wapen van de gemeente op de spiegel van het schip te mogen aanbrengen, waarop een instemmend antwoord van Ouder Amstel volgt.

 

Datum vanaf: 1850
Kapitein: Kramer, Douwe Hendriksz
College: Maatschappij "Tot Nut der Zeevaart", Rotterdam
Vlagnummer: 170
Overige informatie: 0

Familiegegevens en opleiding

Jan Hendrik Zeeman werd geboren te Rotterdam op 15 oktober 1797 als zoon van de Lutherse Frederik Zeeman en Christina Schell

Hij was getrouwd met Elisabeth van de Koppel, geboren 02 april 1804 (of 1809?) te ‘s Gravendeel en overleden 19 februari 1882. Jan veranderde van beroep op 01 mei 1855.

Het gezin woonde te Rotterdam o.a. aan de Lijnbaanstraat Wijk 15 nr. 223. Één van de kinderen was de latere gezagvoerder Christiaan Frederik Zeeman (zie aldaar)

Jan Hendrik overleed op 20 februari 1858 aan de Wijnbrugstraat Wijk 1 nr. 460. Bij zijn overlijden is als woonplaats Rotterdam opgegeven.003, 005 en 118

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

J.H.Zeeman werd met vlagnummer 395 per 19 augustus 1834 ingeschreven als effectief lid van het Amsterdamse zeemanscollege “Zeemanshoop” op voordracht van kapitein B.J.Martens. Toegevoegd is “overleden”.002

In de Algemene Vergaderingen van Zeemanshoop van 12/19 augustus 1834 werd voorgedragen/benoemd tot effectief lid Johan Hendrik Zeeman, oud 37 jaar, voerend het schip “Vasco de Gama”, wonend te Rotterdam en met als adres J.Bondix te Amsterdam, op voordracht van kapitein B.Martens. Zijn vlagnummer werd 395.023

Jan Hendrik werd per 06 juni 1837 deelnemer in het Weldadig Zeemans Fonds van Zeemanshoop.003

 

J.H.Zeemans was met vlagnummer R123 in de periode 1842 t/m 1849 effectief lid van het Rotterdamse zeemanscollege “Maatschappij tot Nut der Zeevaart. Van 1849 t/m 1858 was hij lid voor de vlag, hetgeen betekende dat hij wel de vlag mocht voeren, maar bepaalde rechten verspeelde.

 

 

Opmerkingen in verband met Zeemanscollege(s)

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 01 april 1858 vraagt de wed. J.H.Zeeman, geb. v.d Koppel om een uitkering, die haar in de vergadering dd 29 april 1858 wordt toegekend ingaande 01 mei 1858.042.

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 25 november 1875 wordt een verzoek om een extra toelage door de wed. J.H.Zeeman geb. van de Koppel afgewezen.042

 

In de notulen van de Algemene Vergadering dd 18 mei 1858 wordt gemeld dat aan de wed. van kapitein J.H.Zeeman geb. van de Koppel een uitkering is toegekend per 01 mei 1858.023

In de notulen van de Algemene Vergadering dd 28 december 1875 staat vermeld dat een verzoek van de wed. J.H.Zeeman geb. van de Koppel om een extra toelage is afgewezen.023.

 

In het Jaarverslag 1849 van de Maatschappij tot Nut der Zeevaart te Rotterdam staat vermeld dat hij honorair lid is geworden.

In het Jaarverslag 1858 staat zijn overlijden vermeld.058

 

De schepen van de kapitein

Op monsterrol nr. 468 in het Gemeentearchief van Dordrecht dd 26 november 1830 wordt gemeld J.H.Zeeman, oud 33 jaar, wonend te ’s Gravendeel met een gage van f 65,- per maand als 1ste stuurman op de “Stad Dordrecht”, varend onder kapitein Klaas Schinkel.

 

lidmaatschap college “Zeemanshoop” te Amsterdam:

vlag             jaren              type          scheepsnaam             reder/boekhouder

395           1834-1835         fregat        Vasco de Gama         geen opgave

                  1836-1838         fregat        Vasco de Gama         N.J. de Cocq te R’dam

                  1839-1841 `       bark          Java                             idem

                    1842              fregat        Emanuel                     idem

                  1844-1852         bark          Jan Daniél                   W.Ruys JDz te R’dam

                    1853              bark          Doelwijk                     idem

89            1854-1857         geen vermelding van schip en boekhouder

 

In de Jaarverslagen van de Maatschappij tot Nut der Zeevaart staat kapitein J.H.Zeeman met vlagnummer 123 als gezagvoerder in de ledenlijsten van058:

*      1849, 1851                 bark “Jan Daniël”      334 last           varend voor W.Ruys J.Dz te Rotterdam

*      1855                            geen vermelding van schip en boekhouder

 

J.H.Zeeman was in 1854 gezagvoerder van het 3/mastscchip de “Doelwijk”, 725 ton, gebouwd in 1849/1850 bij Fop Smit aan de Kinderdijk van rederij W.Ruys JDz te Rotterdam.

“… op 21 april 1854 op weg van Sydney naar Batavia bij zware storm op Kenn Rocks (Torres Strait – Great Barrier Reef) gelopen en verloren; Bemanning na veel lijden in open boten door een ander schip gered; één man verloor het leven”024.

 

Bouma025 vermeldt J.H.Zeeman als gezagvoerder gedurende:

*      1835 t/m 1838 van het fregat “Vasco de Gama”, gebouwd in 1823 te Antwerpen, 307 ton, varend voor N.J. de Cock te Rotterdam;

*      1840 t/m 1842 van het fregat “Java”, gebouwd in 1840, bouwlocatie niet vermeld, 500 ton o.m., varend voor N.J. de Cock te Rotterdam;

*      1842 t/m 1843 op het 3-m schip “Emmanuel”, gebouwd in 1834, 869 ton o.m., varend voor N.J. de Cock te Rotterdam. Het schip werd verkocht naar België;

*      1845 t/m 1854 van de bark “Jan Daniël, gebouwd in 1841 te Kinderdijk, 635 ton o.m., varend voor W.Ruys JDz te Rotterdam;

*      1854 van het 3/m schip “Doelwijk”, gebouwd in 1850 te Kinderdijk, 730 ton o.m., varend voor W.Ruys JDz te Rotterdam. Het schip verongelukte in 1854 op Kenn’s Rif in de Torresstraat.

 

Overige bijzonderheden

“De eerste jaren van zijn jeugd bracht Christiaan Frederik door te ’s Gravendeel, waar hij opgroeide in een milieu dat nauw bij de zeevaart betrokken was. Dit kwam vooral omdat zijn vader in deze jaren actief was als stuurman ter koopvaardij. Over financiële zorgen hoefde het gezin zich waarschijnlijk niet erg druk te maken, want de carrière van vader Johan Hendrik verliep voorspoedig. Diende deze in 1824 nog als derde stuurman op het schip “De Drie Gezusters”, enkele jaren later, in 1827, had hij reeds de rang van eerste stuurman bereikt; in die hoedanigheid maakte hij met het koopvaardijschip de “Jonge Jacob” een reis naar Oost-Indië. Nog weer later zou Johan Hendrik Zeeman de rang van gezagvoerder bereiken.

Het verblijf van de familie Zeeman in ’s Gravendeel duurde tot het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw.

Ergens tussen 1832 en 1835 vertrok het gezin naar Rotterdam; daar vond het een onderkomen in een woning aan de Leuvenhaven. Hier maakte Christiaan Frederik in het voorjaar 1835 een bewogen periode door: in een tijdspanne van enkele maanden verloor hij twee zussen, en kreeg er een broertje bij. In de navolgende jaren verhuisde het gezin Zeeman nog enkele malen, ondermeer naar een huis op nummer 101 in de Groote Draaisteeg en naar het adres Lijnbaanslaan nummer 223. Op het laatstgenoemde adres, in het begin van de jaren vijftig, was de welstand van het gezin al zo groot dat er twee dienstbodes in huis gehouden konden worden.

Ontleend aan een artikel van R.Rimkus in het blad “Maritiem Museum Prins Hendrik. Plaatsbepaling”, 48:4-5, 1994.

Het artikel werd geschreven naar aanleiding van de verwerving door het museum van drie portretten door de schilder Gijsbert Buitendijk Kuyk. De portretten zijn van Christiaan Frederik Zeeman senior, zijn vrouw Agatha Elisabeth van Olst en hun zoontje Christiaan Frederik junior.

 

“De Drie Gebroeders” op de rede van Batavia057:

01 januari 1839 “Alhier lagen ter Reede de navolgende Nederlandse schepen als volgens … kaptijn Zeeman … “

Van Sluijs013 vermeldt diverse personen met de naam Zeeman. Degene die in 1839 gezagvoerder was is J.H.Zeeman en wel op de bark “Java”.

 

Het Maritiem Museum te Rotterdam bezit een prent van het fregat “Canton”, dat het vlagnummer R123 voert. De tekening is waarschijnlijk van Izaak Schouman.

Bron: Bram Oosterwijk “Koning van de Koopvaart. Anthonie van Hoboken (1756 - 1859)”.

           Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 1996, 2e (aangevulde) druk. p. 216

 

 

Datum vanaf: 1853
Kapitein: Zeeman, Johan Hendrik
College: Maatschappij "Tot Nut der Zeevaart", Rotterdam
Vlagnummer: 123
Overige informatie: 0

Afbeeldingen


Omschrijving: DOELWIJK, aquarel gemaakt in 1851, kapitein D.H. Kramer (vlagnummer R170)
Gemaakt door: Spin, Jacob
Onderwerp: Storm

Omschrijving: DOELWIJK, op de Maas voor Rotterdam, aquarel gemaakt in 1853, kapitein D.H. Kramer (vlagnummer R170)
Gemaakt door: Spin, Jacob
Onderwerp: Havenopname
Algemene informatie

1849

NRC 240549.
Rotterdam, 23 mei. Heden is van de werf van de heer F. Smit aan de Kinderdijk te water gelaten het barkschip RESIDENT VAN SON, groot ca. 450 lasten en daarna de kiel gelegd voor een schip van dezelfde grootte, genaamd DOELWIJK, beide voor rekening van rederijen onder directie van de heer W. Ruys J.Dzn. alhier.

1850

NRC 190950.
Rotterdam, 18 september. Heden is van de werf van de heer F. Smit aan de Kinderdijk met het beste gevolg te water gelaten het barkschip DOELWIJK, groot ca. 400 lasten, gevoerd zullende worden door kapt. D.H. Kramer, terwijl onmiddellijk daarop de kiel is gelegd van een barkschip van ca. 300 lasten, hetwelk genaamd zal worden FOP SMIT, beide bestemd voor de grote vaart en voor rekening van de rederijen onder directie van de heer Wm Ruys J.Dz. alhier.
NRC 190950.
Advertentie. Te Rotterdam ligt in lading naar Batavia voor passagiers en goederen, om tegen ultimo oktober te vertrekken, het nieuw gebouwd en gekoperd barkschip DOELWIJK, kapt. D.H. Kramer, voerende een geëxamineerde scheepsdokter, hebbende uitmuntende inrichtingen voor passagiers en expresselijk tot de overvoer van machinerieën vervaardigde grote luiken. Adres ten kantore van Wm Ruys J.Dzn.

1854

NRC 040954
Rotterdam, 3 september. Door Javasche bladen wordt onderstaand omstandig bericht omtrent de schipbreuk, het barkschip DOELWIJK overkomen, medegedeeld: De 3de juni arriveerde op de buitenrede van Batavia de Deense brik COURIER, kapitein Krabb, aan boord hebbende de schipbreukelingen van het op de 21ste april jl., tegen het Kenrif, gelegen in de Stille Zuidzee op 21º 9’ Zbr. en 155º 49’ OL., verongelukte Nederlandse barkschip DOELWIJK, gezagvoerder J. H. Zeeman. De navolgende bijzonderheden, omtrent de redding der equipage, zijn door de gezagvoerder, stuurlieden en manschap, als vervolg van hun verklaring omtrent het verlies van voornoemde bodem, verhaald.
Nadat alle pogingen om het schip te behouden vruchteloos waren aangewend, het roer er af en het schip lek gestoten was, zodat het water er instroomde en reeds tot enige voeten gerezen was, en men alle ogenblikken verwachten konde, dat het door zou breken, of van elkander scheiden, door het vreselijk stoten en werken op de klippen, werd men op levensbehoud bedacht en nam men het besluit om de boten uit te zetten. De giek of sloep werd van onder de davids neergelaten, met twee man er in om dezelve vrij te houden, met het plan om enige der manschap van langs zijde op te nemen, maar deze poging werd verijdeld, doordien de giek, door de zee, achter het schip om en door de branding op het rif werd geworpen. De middelboot werd met veel moeite, door het ijselijk stoten en overhalen van het schip, buiten boord gehesen, en aan takels hangende gehouden, zoveel mogelijk met touwwerk tegen de scheepszijde gesteund. In allerijl werden er sextanten, kompas, kaarten, enige mondbehoeften en een blikken doos met scheepspapieren in geplaatst en zoveel meer als de omstandigheid zulks toeliet. Men begaf zich in de middelboot voornoemd, 14 man in getal; door een noodlottig misverstand werd de achterste takel te vroeg afgekapt, terwijl de voorste nog vast bleef; hierdoor stortte de boot bijna plotseling neer, en werd door de zee en het overhalen van het schip vol water geslagen, de gezagvoerder en zeilmaker er uitgeworpen, terwijl de overigen zich trachtten te redden door langs het voorste takel het schip weer te bereiken, de een de ander hulp betonende.
De gezagvoerder had, door de zee reeds voortgeworpen, een eind afhangend touwwerk van het schip gegrepen, en hield zich, niettegenstaande het zwaar overhalen van het schip, aan hetzelve geklemd, nu eens in de diepte neergedompeld, dan weer boven de golven tegen de zijde van het schip gesleurd, en door de armen van de zeilmaker om de benen gestrengeld; afgemat en op het punt van zich los te moeten laten, gevoelde hij zich bevrijd van de armen des zeilmakers en bespeurde, dat er aan boord van het schip aan het touw getrokken werd, en tevens dat een bocht van hetzelve hem in staat stelde een zijner armen er door te steken en alzo het opsleuren tegen de scheepszijde vol te houden; afgemat en uitgeput, gelukte het enigen der manschappen hem binnenboord te krijgen. Allen waren tot dusverre nog behouden, uitgezonderd de zeilmaker, die in de golven was omgekomen. Intussen was de middelboot ook uit het voorste takel gerukt, en werd door de zee, voor de boeg over, van het schip ten onderste boven op de branding geslagen.
Middelerwijl was de toestand van het schip hachelijker geworden, daar men het water in het tussendeks en achter in de kajuit kon zien rijzen. Nu werd een laatste toevlucht genomen, en getracht de barkas uit te zetten; na een paar vaatjes brood, enig water, riemen, een bovenbramzeil, benevens enig touwwerk er in geworpen te hebben (zijnde er door de omstandigheden geen mogelijkheid om het bootstuig er in te krijgen), gelukte het, met de uiterste inspanning, dezelve buiten boord te brengen, waarin de aan boord zijnde manschappen zich begaven, en na enige hevige stoten tegen de zijde van het schip, het geluk hadden dezelve te water te krijgen, en vrij van de zijde des schips te komen; men vormde toen het plan het tot de dag op zee en vrij van de branding te houden, om alsdan te kunnen zien wat van het schip en de op het rif geworpen boten geworden was, maar men ontdekte, dat de barkas lek geworden was, en het water er hand over hand in toenam, en het uitscheppen met putsen, niet meer hielp; men moest toen besluiten, door de branding heen op het rif te sturen, om zo mogelijk het leven te redden. Dit plan werd volbracht en men landde op een plek, waar slechts een paar voet water stond, en betrekkelijk veiliger voor de branding was, en alwaar ook de giek geland was, waarin de 1ste stuurman en de lichtmatroos zich bevonden; een eind verder, oostelijker uit, lag de ten onderste boven geslagene middelboot, aan de voorsteven ontramponeerd, de huid stukkend en uit de naden gezet. De boten werden met veel inspanning bij elkander gebracht, en in een allerhachelijkste toestand werd de nacht doorgebracht, door het rijzen van het water, en doordien men met groot gevaar de gedeeltelijk ontramponeerde boten, het enige middel op behoud des levens, vrij van de rotsen en branding moest houden om alsdan te zien waartoe men moest besluiten. Eindelijk brak de lang gewenste dag voor ons aan, en wij zagen alstoen dat het schip nog wel in zijn geheel, doch reeds doorgebogen was. Nu werd beraadslaagd wat te doen. De wil was goed, oim te trachten het schip weer te genaken, ten einde zo mogelijk nog enige mondbehoeften, drinkwater en een kompas te bekomen, zijnde het andere uit de boot geslagen of door de zee verbrijzeld, maar dan had men met de middelboot, ontramponeerd als dezelve was, de branding moeten trotseren, en zich blootstellen aan het gevaar, dezelve te verliezen; veel minder was er mogelijkheid om een en ander van het schip te bergen, hetgeen trouwens nutteloos mocht heten, dewijl met hoog water, het rif uitgezonderd, enige rotsen onder water stonden. Men besloot alzo, met de middelboot en sloep, de barkas geheel ontramponeerd, vol water weggedreven zijnde, het rif te verlaten, terwijl het water nog genoegzaam hoog was, en voor de wind af, over de noorderzoom, waar geen branding stond, de aftocht te bewerkstelligen.
Men ondernam alzo, met de beide boten voornoemd, de reis. In dezelve bevonden zich 15 man, en aan mondbehoeften 2 vaatjes doornat brood, 1 stuk gerookt vlees, 1 ham, 2 manden Seltserwater en een azijnanker, omtrent half vol met vers water gevuld, overigens enige benodigde kaarten, en twee instrumenten der stuurlieden, maar helaas, geen kompas. Na enige tijd roeien kwam men benoorden het rif, maakte van een der riemen een mast, waaraan een zeil gevoerd werd, en werd de sloep op sleeptouw genomen.
De gezagvoerder en stuurlieden vormden het plan, om zo mogelijk W.Z.Westwaarts de koers te nemen, ten einde een door Europeanen bezette haven, op de oostkust van Australië te bereiken, dewijl zij het ondoenlijk beschouwden, zonder kompas, de reis langs de gewone weg naar Torresstraat te nemen, in de hoop van door een of ander schip te worden opgenomen. De reis werd alzo in godsnaam voortgezet, en volgens gezicht van zon, maan of sterren, naar gissing de koers gehouden; men passeerde volgens de waargenomen breedte, ten noorden van het Wreck-rif, en hield toen meer zuidwaarts, omtrent ZW of ZwtenZ. Na verloop van drie dagen, werd in de sloep de kompasnaald gevonden, welke hoewel van roos ontbloot, een grote uitkomst gaf, om in de nacht bij gemis van het gezicht der sterren, ten naaste bij de koers te kunnen houden; dezelve werd in de kompasdoos, hoewel ontbloot van beugel, op de pen gezet en de noordpunt met krijt wit gemaakt. Het 5de etmaal ontwaarde men des nachts een schip, hetwelk een vuur toonde, en om de NNO hield; men beproefde door noodkreten aan te heffen, hetzelve opmerkzaam te maken, maar de afstand was te groot; een geruime tijd hield men met hetzelve koers, maar de afstand werd groter, en men verloor het weldra uit het gezicht. De koers werd vervolgd, en hadden de volgende dag de breedte van 23º 18’ bereikt, van de lengte echter niets wetende, dan gebrekkige gissing. Tot dusverre was het weder goed geweest, met tamelijk slechte zee. Den 27 april stak de wind op van het westen, met buien en hoge zee, waardoor de boten geen vordering maakten, en als overstelpt werden door de zee, en men genoodzaakt was het onder een klein gedeelte van het zeiltje te laten drijven. Twee dagen bleef het weder onbestendig en bevond men bij observatie aanmerkelijk om de noord gedreven te zijn. De wind weder ZO lopende, behielden gezagvoerder en stuurlieden echter nog altijd het plan, om, zo al niet Morton-baai, alsdan toch Port Curtis te bereiken, dewijl de kust ten noorden daarvan geen plaats bevatte, waar Europeanen gevestigd waren, en, bar en dor, niets opleverde, ontbloot was van vers water, en tevens door de wilde inboorlingen bewoond werd. Nu echter drong het lijden van bittere dorst de overige manschappen bij de gezagvoerder aan te houden, om meer rechtstreeks de koers naar de kust te houden ten koste van wat de uitkomst zou mogen zijn. Men hield aldus weer westwaarts voor en op zondag den 30 april, voor de middag, ontwaarde men het eerste land, The First Lump; de koers werd in de wal gehouden, maar met de avond werd het stil, waardoor wij noordwaarts met de stroom dreven; in de nacht kwam er een westelijke koelte door vanuit de wal, hetgeen belette de kust dicht aan boord te houden; de volgende morgen hield alle overreding van de gezagvoerder op en wilde de manschap volstrekt naar de wal roeien. Het zeil werd gestreken en men roeide met beide boten op de kust aan, ten noorden van Kaap Manyfold, en, ziende dat men weinig tegen de wind avanceerde, werd nog eenmaal weder, bij het enige streken variëren van de wind, besloten het zeil bij te zetten, af te houden en naar een baai meer noordwaarts gelegen en Port Bowen genaamd te stevenen, om aldaar te beproeven drinkwater te vinden en te zien of wellicht Europeanen zich daarin ophielden. Tegen de middag liep men de baai in, en besloot men na het passeren van een paar hoeken, in een bocht naar een vlak strand te roeien, alwaar men landde, en, na een kleine poos, was men gelukkig een put of holte aan de voet van een rotsgebergte met drinkwater te vinden, waaraan men zich laafde en alles wat water in zich kon bevatten opvulde; niets echter was er tot voedsel te vinden; men besloot om de baai verder op te komen, om zo mogelijk in een van de kust aflopende lagen afstroom iets wat tot nooddruft konde verstrekken, te vinden, maar niets werd ontdekt; de volgende morgen verliet men de baai met voornemen nog verder trachten zuidwaarts te komen. Stil zijnde werd er met veel inspanning zuidwaarts uitgeroeid, en tegen de avond met een zuid westelijke landwind, zuid oostwaarts uitgezeild. Hiermede maakte men goede vorderingen, tot omstreeks 10 uur, wanneer de wind meer opstak en de zee hoger begon te lopen, zodat men, na eerst nog met het gereefde zeil gezeild te hebben, hetzelve als een driehoek moest bijzetten en het moest laten drijven, dewijl de boten als door de zee overweldigd werden. Den volgende morgen waren wij verder noordwaarts uitgedreven, en ofschoon de wind bedaard en ruim genoeg was, om de baai den vorige dag verlaten, weder te bereiken, werd men hierin belet door de hoge zuidelijke zee tegen welke de ranke vaartuigen niet op konden werken; verkleumd, doornat en in beklagenswaardige toestand besloot men af te houden en beschutting te zoeken achter enige aan de kust gelegene eilandjes of klippen benoorden Port Bowen om zich enigszins te herstellen, en landde alzo op een vlak strand aan de voet van een rotsachtig gebergte, achter beschutting van gemelde eilandjes. Hier ontwaarde men een hond, en weldra overtuigden voetstappen van volwassen mensen en kinderen dat hier inboorlingen moesten zijn; ook ontdekte men daarna een kano van boomschors vervaardigd met enig vistuig en stukken van schildpad; niets anders was er te vinden wat tot voedsel kon strekken, alleen vers water werd, bij ingraving in het zand, gevonden, waarschijnlijk door de regens van het gebergte afgestroomd; tegen de avond hoorde men mensenstemmen in het bos, waarmede de steilte bewassen was, en bespeurde men daarna enige naakte wilden. Meer en meer nam hun schreeuwen toe en wij zagen een aantal derzelve, die onder het aanheffen van een oorlogskreet, samenschoolden. Geen wapens hebbende, besloot men veiligheidshalve de plaats te verlaten; het weder intussen bedaard geworden zijnde, gingen wij met de boten onder zeil en zagen gedurende den nacht verder om de zuid te werken. Met den dag bespeurde men dat de stroom de boten om de noord verzet had en men gaande weg verloor met kruisen. Men hield dus beraadslaging wat te doen; langer tijd te kruisen zoude onzen weinigen voorraad van eten en drinken verslonden hebben, voordat men een haven konde bereiken, waar hulp te bekomen was. Men had nog slechts voor 5 of 6 dagen proviand en berekende met het zeer schraal rantsoen te verminderen, 10 of 12 dagen nog het leven te kunnen rekken en hoopte hier of daar aan het strand wellicht enig voedsel te zullen vinden. Men kwam dus in het besluit over een, om hoe groot de afstand ook was van het punt waar wij ons bevonden, naar Torres Straat te stevenen, langs de kust 200 Duitse mijlen, in de hoop van door een schip gezien te worden, of de allerlaatste toevlucht naar Boby Eiland of het zogenaamde Port Office te nemen.
Dit aan wanhoop grenzende besluit werd de 5 mei 1854 bewerkstelligd; men hield af voor de wind en noordwaarts uit, in het gezicht der kust van Australië; tussen banken, eilanden, klippen, branding en talloze gevaren door, landden wij den 8 mei op Holborn-eiland, in de hoop van water of iets tot voedsel te vinden, maar werden teleur gesteld, er was niets; den volgende dag besloten wij te landen op een der Palm-eilanden, in de hoop van daar water te vinden, hetgeen ons gelukt zoude zijn, zo niet een verradelijke houding en handeling der daar zich bevindende wilden, ons weerhouden hadden. Wij besloten alzo de dorst, die ons folterde, te verduren, en in Gods naam verder te zeilen. Den 12 mei liep de zee geweldig hoog en woei er een stijve passaatwind met zware buien, en de boten werden als bedolven door de zee. Tegen den avond besloot men noord westwaarts van Kaap Bedford te lopen, in afwachting van beter weer en in de hoop aldaar iets te zullen vinden tot nooddruft; dit werd ondernomen, maar ook hier was niets; en weder werd men door wilden verjaagd.
Den volgende dag was het steeds buiig, de zee hoog en veel wind, men ging echter onder zeil en bracht de boten weder onder beschutting van de meer noordwaarts gelegen Kaap Flattery, alwaar wij zo gelukkig waren vers water en enige aan de klippen vastgehechte oesters te vinden. Den volgende dag, 14 mei, gingen wij weder onder zeil met goed weer, vervolgden onze voorgenomen koers, en na met afwisselend goed en onstuimig weer, hoge zee en talloze gevaren geworsteld te hebben, doornat en van alles ontbloot, met slechts weinig voedsel, bijna te gering om het leven te rekken en na nacht en dag geworsteld te hebben, bereikten wij de Torresstraat op den 15 mei, landden eerst op Sundy-eiland, alwaar men weder vers water in kloven der rotsen vond, echter anders niets. Onze weinige kledingstukken trachtten wij te drogen en tevens enige rust te genieten hetgeen door de afwisselende regenbuien verijdeld werd. Den volgende morgen werd er besloten, daar men enigen voorraad van vers water had opgedaan, naar Bird-eiland te stevenen, waar de meeste schepen hunne route langs nemen, en aldaar ons lot af te wachten, in plaats van naar de Sir Hardes Eilanden, alwaar wij heen gestevend zouden zijn, ingeval men op de Sundy-eilanden geen vers water had gevonden. Men ging dus onder zeil, met het steeds verminderde rantsoen, voor 4 of 5 dagen voedsel. Terwijl wij daarhenen zeilden en in de nabijheid der Bird-eilanden waren, ontdekte men dat een brik de straat instevende; met welk gevoel van uitkomst men dit vaartuig trachtte te naderen, is niet te beschrijven. Wij waren gelukkig genoeg door de gezagvoerder van gemelde brik, COURIER genaamd, gezien te worden; hij stuurde op ons aan, minderde vervolgens zeil, brastte tegen en wij werden door den edelmoedige kapitein E. Krabb aan boord genomen, alwaar ons onmiddellijk met de meeste bereidwilligheid alle mogelijke hulp verleend werd; de middelboot, als niet kunnende geborgen worden, liet men drijven; de giek werd echter overgehesen.
Op verzoek van den gezagvoerder, J. H. Zeeman, werd door den gezagvoerder E. Krabb voornoemd, bewilligd, hem en de manschappen van het verongelukte barkschip DOELWIJK te Batavia te brengen, werwaarts de brik COURIER bestemd was. Door een ieder aan boord van gemelde brik behorende, werden wij met onderscheiding behandeld en alles aangewend om het ongelukkig lot, ons overkomen, dragelijk te maken. Wij lieten met gemelde brik COURIER den 5 juni op de buitenrede van Batavia het anker vallen en verlieten den 4 juni genoemde brik, wordende de stuurlieden en doctor aan de wal, en de onder-officieren en manschappen op Z.M. wachtschip BOREAS gebracht, om aldaar verder gevoed en verzorgd te worden.
Overigens dient nog vermeld te worden, dat, in den nacht dien men op het rif doorbracht, enigen der onzen vermeenden te horen roepen vanuit een boot: “Is er nog volk aan boord;” dit konde niet anders als uit de boot of boten van het schip ESTHER zijn, welke buiten de DOELWIJK omvoer; wij konden ons echter tegen de windstreek niet doen horen, hoewel men zulks beproefde; den volgende morgen zagen wij niets, en aan boord der ESTHER bewoog zich geen mens, en hoewel de afstand van uit onze boot tot de ESTHER nog al ver was, twijfelde men niet, of de equipage had ook dien verloren bodem verlaten, en tot nog toe is er niets van hun bekend geworden.
Uithoofde het schip ESTHER in een voordeliger positie zat dan de DOELWIJK, om de boten buiten boords te krijgen, t.w. met de kop op het rif, terwijl wij er langs lagen, veronderstellen wij dat zij met de boten van daar zijn weggekomen. 

Kroniekberichten

Toon kroniekberichten
Akten

NA-Den Haag Archiefnummer Rott.3.03.17.01.3675.198
DVD VIII – 453, 454
BIJLBRIEF
Naam schip DOELWIJK

plaats en datum acte bijlbrief, Nieuw Lekkerland, 2 oktober 1850

type schip bark

bouwwerf/verkoper Fop Smit, scheepsbouwmeester te Kinderdijk, gemeente
Nieuw Lekkerland

gevoerd door kapt.

eigenaar/aankoper rederij onder directie van Willem Ruys J.Dzn, Rotterdam
(Fop Smit verklaart voor 1/2e part eigenaar te zijn)

te voeren door kapt.

grootte in tonnen 383 lasten (meetbrief Dordrecht, 30 september 1850)

tuigage / aantal dekken

afmetingen

kiellegging 26 juli 1849

tewaterlating 18 september 1850

plaats / datum registratie Papendrecht, 12 oktober 1850

nummer van registratie deel 115, blad 75, recto, vak 4

notaris Burgemeester van Nieuw Lekkerland

prijs

bijzonderheden: Fop Smit machtigt Willem Ruys J.Dzn om in zijn naam de eed af te leggen ter verkrijging van een zeebrief.






researcher/datum research: ML / 100308

Naam DOELWIJK
Archiefinstelling Nationaal Archief Den Haag
Jaar 1850
Toegang 3.03.17.01
Inventaris 3675

Bronnen


Jaar: 1850
Bron: NA-Den Haag
Omschrijving: BIJLBRIEF Archiefnummer Rott.3.03.17.01.3675.198

Jaar: 1933
Bron: Book
Omschrijving: De Zeilvloot van Willem Ruys J.Dzn en de Rotterdamsche Lloyd - door A.Hoynck van Papendrecht.
Documentatie Stichting Nederlandse Kaap Hoorn-vaarders (SKHV), w.o. collectie Hoedemaker/Smit/Suyk