Inloggen
TRUIDA - ID 6716

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1929
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
Nat. Official Number: 1140 Z GRON 1929
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Jac. Smit, Vierverlaten, Groningen, Netherlands
Launch Date: 1928-12-00
Delivery Date: 1929-01-00
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 90
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 1529 (275x340
Speed in knots: 6.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 175.98 Gross tonnage
Net Tonnage: 98.67 Net tonnage
Deadweight: 225.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 10241 Cubic Feet
 
Length 1: 34.55 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 31.97 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.26 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.34 Meters Depth, moulded
Draught: 2.15 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1929-01-00 TRUIDA
Manager: Edzo Heidema, Stadskanaal, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Edzo Heidema, Stadskanaal, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Wildervank / Netherlands
Callsign: PVDJ
Additional info: 1934 callsign PIBK

Ship Events Data

1928-10-24: NvhN 26-10-1928: Hoogkerk, 24 Oct. Heden namiddag werd van de werf van den heer J. Smit te Vierverlaten te water gelaten het zeemotorschip genaamd „Truida" voor rekening van kapt. E. Heidema te Stadskanaal. Het schip is 260 ton groot en zal worden voorzien van een Bronsmotor, 90 E.P.K. Een en ander wordt gebouwd voor de vaart op de Noord- en Oostzee met klasse I Germ. Lloyd, onder toezicht van de Nederl. Scheepvaartinspectie.
1929-04-05: Op 05-04-1929 als TRUIDA, zijnde een motorschip, groot 498.54 m3, liggende te Vierverlaten, door D. Loorbach, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Edzo Heidema, schipper te Wildervank, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1140 Z GRON 1929 op 't achterschip, achter tegen de stuurhut aan bakboordzijde.
1929-04-12: Maasbode 13-04-1929: Delfzijl, 12 April. Heden heeft met goed gevolg op de Eems proefgestoomd het nieuwe motorschip „Truida". Het schip, groot 498 M3. bruto en 279 113. netto is gebouwd op de werf van den heer Smit te Vierverlaten voor rekening van kapt. Heidema te Stadskanaal onder klasse Germ. Lloyd. Het is voorzien van een 90 P.K Brons motor en behaalde een snelheid van 7 mijl.
1929-05-23: Algemeen Handelsblad 23-05-1929: Scheepsbouw. Een op de scheepswerf der firma Jac. Smit te Vierverlaten nieuwgebouwde stalen motorboot (176 bruto-reg. tons) is thans eigendom van den heer E. Heidema te Stadskanaal, die het schip onder den naam "TRUIDA" zelf als kapitein zal bevaren.
1930-11-19: Voorwaarts 19-11-1930: Delfzijl, 17 November. De motorschepen TRUIDA, kapt. Heidema, en Capricornus, kapt. Lameyer, die resp. van hier naar Kopenhagen en Holbeck vertrokken, ankerden op de reede, wegens slecht weer.
1934-10-21: Algemeen Handelsblad 21-10-1934: Den Helder, 20 Oct. De Nederlandsche motorschoeners “TRUIDA” van Stadskanaal naar Londen en de “Delta” van Delfzijl naar Kinsley zijn met motorschade in de haven van Nieuwediep teruggekeerd.
1939-07-22: Algemeen Handelsblad 23-07-1939: Londen, 22 July. Het Nederlandsche motorschip “TRUIDA” is, terwijl het de Thames opvoer, tegen de Battersea-brug gebotst. Het schip kreeg aanzienlijke schade aan bakboordszijde en het stuurhuis.
1940-01-09: Final Fate:
Tijdens een reis van Zaandam naar Rochester met een lading stijfsel na een mijnexplosie in de Noordzee (Thames Estuary) gezonken in pos. 51.27.N. - 01.50.W. De mijnen waren twee dagen daarvoor door drie Duitse torpedojagers gelegd. De bemanning werd gered.
Eemsbode 09.01.1940 Kustvaarder 'TRUIDA' op mijn gelopen en gezonken. Amsterdam, 09.01.1940 (A.N.P.) Vanochtend is op de Noordzee bij de Noord Hinder het Nederlandsche m.s. 'Truida', thuisbehorende te Wildervank, op een mijn gelopen en gezonken. De gehele bemanning, welke uit vier personen bestond, is gered en aan boord genomen van het stoomschip 'Tiberius' van de K.N.S.M., dat zich toevallig in de buurt bevond. De 'Truida', een kustvaarder van 176 bruto ton, was met een lading stijfsel op weg van Koog aan de Zaan naar Londen. Het schip was gistermorgen om acht uur van IJmuiden vertrokken; kapitein was de heer H. Pinkster uit Groningen. Het schip behoort toe aan de heer E. Heideman uit Alkmaar. De 'Truida' werd in 1928 op de werf van J. Smit te Vierverlaten gebouwd. De 'Tiberius' bevindt zich op weg naar Amsterdam en wordt vandaag nog in IJmuiden verwacht.
De Banier 10-01-1940: De kustvaarder “TRUIDA” vergaan. Op mijn geloopen. De vier opvarenden zijn gered. Dinsdagochtend is op de Noordzee bij de Noord-Hinder het Nederlandsche motorschip “Truida”, thuisbehoorende te Wildervank, op een mijn geloopen en gezonken. De geheele bemanning, welke uit vier personen bestond, is gered en aan boord genomen van het s.s. “Tiberius” van de K.N.S.M., dat zich in de buurt bevond. De “Truida” een kustvaartuig van 176 bruto ton, was met een lading stijfsel op weg van Koog aan de Zaan naar London. Het schip was Maandagochtend om acht uur van IJmuiden vertrokken. Kapitein was de heer H. Pinkster uit Groningen. Het schip behoort toe aan den heer E. Heidema uit Alkmaar. De “Truida” was in 1928 op de werf van Jan Smit te Vierverlaten gebouwd. De geredden aan wal.
Om ruim half twee in den nacht van Dinsdag op Woensdag meerde het s.s.”Tiberius” van de K.N.S.M. aan de Surinamekade te Amsterdam en zoodra het trapje verbinding met den wal had gegeven, klommen de vier jongemannen, die hun schip met alles wat zij aan boord hadden, door een mijnontploffing hadden verloren, op de Amsterdamsche kade. Het was venijnig koud, een ijslaag bedekte de kade en onopgemerkt, zoo snel mogelijk, vertrokken de schipbreukelingen in de richting van de stad, waar zij bij vrienden of kennissen een onderdak zouden vinden en een zacht bed na een vermoeiende dag. Toch hadden zij gelegenheid hun ervaringen te vertellen. Het was slechts een sober verhaal, gedaan met korte woorden volgens den aard van de Groningers. Kapitein Pinkster verteld, dat hij Maandagochtend uit Koog aan de Zaan was vertrokken met een lading stijfsel voor Londen. Aanvankelijk verliep de reis uitstekend, het weer was goed en de lucht helder. De kapitein beschikte over kaarten van de zones, welke door mijnenvelden versperd zijn. Toch zag de bemanning in den loop van Maandag verscheidene drijvende mijnen, welke evenwel voor de “Truida” geen gevaar opleverden. Gisterochtend, ongeveer half acht bevond het schip zich op 51 graden 27 minuten Noorderbreedte en 1 graad, 50 minuten Oosterlengte, hetgeen wil zeggen: ongeveer 30 mijl voorbij de Noord-Hinder. De motorschoener “Friso”, toebehoorende aan den heer Klugkist te IJmuiden, passeerde op dat ogenblik de “Truida”, welke niet zoo snel liep. Een kwartier later deed zich plotseling een geweldige ontploffing voor bij de boeg aan stuurboordzijde. Het scheepje van 176 ton werd als het ware uit het water gelicht en maakte oogenblikkelijk zwaar slagzij, waarna het begon te zinken. Drie leden van de bemanning bevonden zich aan dek; de kok, die beneden was, kon slechts met de grootste moeite het dek bereiken. De anderen hadden inmiddels de reddingsboot, welke aan bakboord lag, gereed gemaakt. Het schip helde dermate sterk over, dat de reddingsboot over stuurboord in het water terecht kwam. Het was juist op tijd, want de “Truida” zonk binnen 5 minuten.... Van de “Friso” af had men het ongeluk zien gebeuren. De motorschoener draaide voorzichtig bij en tien minuten nadat de bemanning van de “Truida” in de reddingsboot was gegaan, kon zij veilig aan boord van de “Friso” worden genomen. Later op den dag passeerde de “Tiberius” van de K.N.S.M. Op de thuisreis. Opnieuw gingen de schipbreukelingen in een reddingsboot, doch nu om op dezen stoomer te komen, welke hen in Amsterdam aan wal zou brengen.
We zeiden het al: Het is een sober verhaal, dat de kapitein ons deed. Sober maar niet minder tragisch voor deze menschen, die thans alles hebben verloren. Wij vroegen den heer Pinkster nog of hij de mijn heeft gezien en of de plaats van het ongeluk op de kaart als gevaarlijk stond aangegeven. Geen van beide was het geval. Volkomen onverwacht onderging de “Truida” het lot van zoveel schepen, welke thans nog on deze uiterst moeilijke omstandigheden de zeeën blijven bevaren... Het is niet de eerste reis van den kapitein onder oorlogsomstandigheden, welke zoo ongelukkig eindigde, want de heer Pinkster is sedert September blijven doorvaren. Zestien jaar lang beoefent hij reeds de kleine handelsvaart met kustvaartuigen. Het klonk uitermate sober, toen wij vroegen: 'Kent u de kapitein van de “Truida” ?' en toen wij als antwoord kregen, bijna afgebeten: 'Ik was het'. Toch bleef er ook hier plaats voor blijdschap, omdat de zooveelste scheepsramp zonder verlies van menschenlevens mocht geschieden. Over eenigen tijd zullen deze mannen weer uitvaren, omdat zij van hun arbeid op zee, welke thans zoo onnoemelijk zwaar is, moeten leven.
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indie. 26-01-1940: Hoe de “Truida” ten onder ging. Vier mannen aan den dood ontsnapt. Aankomst te Amsterdam. Toen in den nacht van 9 op 10 Januari j.l.even na tweeën het s.s.”Tiberius” van de K.N.S.M. Aan de Sumatrakade te Amsterdam gemeerd was, stapten even later vier zeelieden van boord, die nog geen etmaal tevoren hun schip brandend ten onder hadden zien gaan; het waren de opvarenden van het motorkustvaartuig “Truida” uit Wildervank, aldus het Amst. “Alg.Hbl.” Het was een klein scheepje. Vandaar, dat het een bemanning van slechts vier koppen telde.. Het waren de 32-jarige kapitein H. Pinkster uit Groningen, stuurman A. Stuiver uit Oude-Pekela, motordrijver E. Rus, eveneens uit Groningen en de Amsterdamsche kok D. Schrik. 's Maandagochtend 8 Januari om 8 uur zijn we hiervandaan vertrokken ' vertelde de 32-jarige kapitein Pinkster aan den correspondent van het blad te IJmuiden, toen het schip 's avonds om elf uur in de sluis lag. ' Bijna een etmaal is daarna alles goed gegaan, maar Dinsdagochtend om kwart voor acht liepen we ter hoogte van den Noordhinder op een mijn,' “Moet je weten”, viel de 23-jarige motordrijver in, 'den vorigen avond lag ik in mijn kooi met een jeukende teen. Ik vroeg aan Schrik wat dat betekent. We tippelen op een mijn, zeid-ie, en laat deze pessimistische voorspelling nou uitkomen ook! “De kapitein lacht en vervolgt zijn verhaal: De explosie.“ We stonden met zijn drieën in de stuurhut, toen de explosie geschiedde. Alleen de kok was beneden om wat warms klaar te maken. We hadden niet eens tijd om te schrikken, zoo gauw ging alles. Ik heb nog geprobeerd mijn papieren van beneden te halen, maar dat ging al niet meer. Binnen drie minuten was de boot naar den kelder.” “ Maar de kok!” vroegen we; “die had daar zeker een kwaad nummer beneden?” “En of”, zeide deze, uit den grond van zijn hart. “ik Kan haast niet begrijpen, dat ik nog leef. Ik had net de kachel opgepord en opeens viel me dat hele ding ondersteboven. De brokken ijzer vlogen om mijn hoofd. Een stuk kwam tegen mijn been, maar het is een wonder dat ik er nog zoo goed ben afgekomen. Ik ben nog nooit zoo gauw aan dek geweest als ditmaal met mijn gewonde been.” “We zagen kans de sloep te strijken voor de schuit naar den kelder ging”, vertelde dan weer de kapitein. “En we hebben er niet langer dan een kwartier in gezeten. Toen pikte de kustvaarder “Friso”, ook een Groninger, ons op. Van dat schip zijn we overgestapt op de “Tiberius”, en dat is alles”... Nadere bijzonderheden. Zie daar het vluchtige gesprek in de sluis tijdens het schutten. Na aankomst te Amsterdam konden wij nog eenige nadere bijzonderheden uit den mond der schipbreukelingen vernemen. Zoo hoorden wij dan, dat dit de eerste reis als gezagvoerder was van den 32-jarige kapitein. Hij had zijn papieren goed in orde. De laatste berichten aan zeevarenden waren hem voor het vertrek Zondag ter hand gesteld. Ook beschikte hij over de tot de laatste dagen toe bijgewerkte kaarten van de Noordzee met de daarin zich bevindende mijnenvelden. De kapitein wist dus heel goed waar hij uit de buurt moest blijven. En hij bleef inderdaad uit de buurt van de gevaarlijke plekken. In een wijden boog voer hij om het mijnenveld heen, dat zich niet ver van den Noordhinder moet bevinden. Hij nam zijn koers zelfs extra ruim, omdat hij daar in de buurt wrakken meende te weten. Desondanks liep het scheepje op een mijn. “Hoe was dat mogelijk?” vroegen wij. “Het moet een drijvende zijn geweest”, werd ons nadrukkelijk verzekerd. Op het oogenblik van het ongeluk bevonden zich de kapitein, de stuurman en de motordrijver op de brug. En alle drie keken scherp uit. Er stond echter vrij veel zee, zoodat het niet zoo vreemd is, dat men niets heeft gezien. Met het oog op gevaar was er geen uitkijk op den bak; een maatregel die thans op vele schepen wordt toegepast. Goede maatregel. Vele gezagvoerders houden alle opvarenden zooveel mogelijk op het achterschip. Dat dit een goede maatregel is, bleek hier weer zonneklaar. Had er iemand voorop gestaan, dan was hij onherroepelijk mee de lucht in gevlogen. Nu bleven alle vier behouden. Behouden, ja! Mar op het nippertje. De drie mannen op de brug hoorden en zagen van alles en nog wat om zich heen vliegen. Het schip scheen aan splinters te spatten. Zoodra zij beseften wat er gebeurd was, renden zij achteruit en begonnen meteen de boot te strijken. Ondertusschen dook de kok op uit de kombuis, waar hij bezig was geweest het ontbijt te bereiden. Tot verbazing van de anderen was hij slechts licht gewond aan het linkerbeen. Gelukkig was alleen het voorschip kapotgeslagen. Achter was alles nog intact. Vandaar, dat de boot—de eenige aan boord!---zonder moeite kon worden gestreken. Het moest met de lier gebeuren, die met de hand bediend moest worden. Niettemin geschiedde alles vlot. De kok was slechts dun gekleed, de anderen beter. De boot werd gestreken en de vier mannen roeiden weg. Nu pas hadden zij gelegenheid om te zien naar andere schepen , naar redding. Weliswaar was er proviand in de boot, maar het was bitter koud. En er stond veel zee. Het geluk was nu wel met de schipbreukelingen. “Friso” komt te hulp. Want het motorschip “Friso”, dat kort na de “Truida” van IJmuiden uitgevaren was op weg naar Boston in de Verenigde Staten, was hen eenige uren tevoren voorbij gevaren. Het was nog slechts eenige mijlen vooruit. Natuurlijk had men daar den hevigen knal gehoord. Dus liet de gezagvoerder van dit schip onmiddellijk keeren. De “Friso” voer terug. Een klein half uur later hadden de schipbreukelingen alweer een schip onder hun voeten. Ook hun boot werd aan boord geheschen. Maar nu ”De “Friso” was op weg naar Amerika. Meevaren? Of was er kans in de Duins van boord te gaan? Nog werd er overwogen wat er te doen stond, of om de Zuid doemde een ander koopvaardijschip op. Dichterbij gekomen, bleek het de “Tiberius” te zijn, die uit de West huiswaarts keerde. De vlag “Ik wensch u te spreken” werd geheschen. De schepen naderden elkaar en stopten. Weer werd de sloep van de “Truida” gestreken en de vier roeiden over naar het thuisvarende schip. Nog even later en zij zetten koers naar het veilige vaderland. De ontvangst. Zoo kwamen zij Dinsdagavond te IJmuiden aan en 's nachts te Amsterdam. Daar werden zij hartelijk ontvangen door..... drie verslaggevers en den buurman van den kok. De eigenaar van het schip noch de reederij, die het gecharterd had, lieten iets van zich merken. De vier stapten van boord op de eenzame verre Surinamekade en waren aan hun lot overgelaten. Het werd aan de persmenschen overgelaten de mannen te vervoeren naar de adressen, waar zij misschien kennissen uit bed zouden kunnen bellen. Geld voor een hotel hadden zij niet en niemand had er voor gezorgd. Wel een contrast met de ontvangst aan boord van de beide schepen, waar men zich uitgesloofd had den mannen alle zorg te bieden, die er te bieden viel. Dat de vier niet erg ingenomen waren met deze behandeling, viel te begrijpen. Het had anders gekund..........
NvhN 09-01-1940: Het m.s. „Truida” op een mijn geloopen De bemanning gered. Het Nederlandsehe m.s. „Truida", dat met een lading stukgoederen van Zaandam naar Londen gisteren uit IJmuiden vertrok, is bij de Engelsche kust ter hoogte van de Duin op een mijn geloopen en gezonken. De bemanning, bestaande uit vier personen, werd gered door het s.s. „Tiberius" van de K. N. S. M., welk schip hedennacht te IJmuiden wordt verwacht. De „Truida" werd gebouwd in 1929, meet bruto 176 ton en behoorde aan Heidema te Alkmaar. Kapitein was de heer Pinkster, stuurman-machinist de heer Stuwer, matroos de heer Rus en kok de heer Schrik.
Leeuwarder Nieuwsblad 09-01-1940: Vvan Heinde en Verre: Groningsch kustvaartuig „TRUIDA” op een mijn gelopen en gezonken. De uit vier koppen bestaande bemanning gered. Vanochtend is op de Noordzee bij de Noord-Hinder het Nederlandsche motorschip „Truida," thuisbehoorende te Wildervank, op een mijn geloopen en gezonken. De geheele bemanning, welke uit vier personen bestond, is gered en aan boord genomen van het s.s. „Tiberius" van de K.N.S.M., dat zich toevallig in de buurt bevond. De „Truida," een kustvaartuig van 176 bruto ton, was met een lading stijfsel op weg van Koog aan de Zaan naar Londen. Het schip was Maandagochtend om acht uur van IJmuiden vertrokken. Kapitein was de heer H. Pinkster, uit Groningen. Het schip behoort toe aan den heer E. Heidema, uit Alkmaar. De „Truida" was in 1928 op de werf van Jan Smit te Vierverlaten gebouwd. De „Tiberius" bevindt zich op weg naar Amsterdam en wordt vanmiddag of vanavond te IJmuiden verwacht.
De Tijd 10-01-1940: Schipbreukelingen van de „Truida” behouden in ons land aangekomen. Dinsdagavond voer het s.s. „Tiberius" van de K.N.S.M, de sluizen van IJmuiden binnen met aan boord de bemanning van het s.s. „Truida", welk schip des morgens bij de Noord-Hinder op een mijn was geloopen en binnen 4 minuten gezonken. Het zal om ongeveer 7.45 geweest zijn, aldus de kapitein van de „Truida", de heer J. Pinkster. Toen ons kleine schip door een geweldige explosie omhoog werd gedrukt, stormden wij met zijn drieën de stuurhut uit en een van ons riep den kok, Dirk Schrik, die zich op dat moment alleen in de machinekamer bevond. Vlug werd de roeiboot neergelaten en eenige oogenblikken later zonk de „Truida". Gelukkig was het Nederlandsche motorschip „Friso" op ongeveer 500 meter afstand. De drenkelingen werden spoedig aan boord van dit schip genomen. Het stoomschip „Tiberius" van de K.N. S. M., dat eveneens in, de nabijheid was en van Londen op weg was naar IJmuiden, nam de vier geredden over. Het waren kapitein J. Pinkster, Groningen, de stuurman A. Stuiver, Oude Pekela, de motordrijver E. Rus, Groningen en de kok D. Schrik, Amsterdam. Aan boord van de „Tiberius" werden da schipbreukelingen hartelijk ontvangen en van het noodige voorzien. De bemanning- heeft al haar eigendommen verloren. Hedennacht is de „Tiberius" met de geredden te Amsterdam aangekomen.
NvhN 10-01-1940: De ondergang van de „Truida”. Kapitein Pinkster vertelt. De redding van de vier leden van de bemanning van het motorschip „Truida", dat gisterochtend op de Noordzee op een mijn is geloopen, is wel zeer voorspoedig verloopen, terwijl de bemanning daarenboven door gelukkige omstandigheden sneller in het land terug was dan gewoonlijk het geval is. Om ruim half twee hedennacht meerde het s.s. „Tiberius" van de K.N.SM, aan de Surinamekade en zoodra het trapje verbindig met den wal had gegeven, klommen de vier jongemannen, die hun schip met alles wat zij aan boord badden, door een mijnontploffing hadden verloren, op de Amsterdamsche kade. Het was venijnig koud. Een ijslaag bedekte de kade en onopgemerkt, zoo snel mogelijk, vertrokken de schipbreukelingen in de richting van de stad, waar zij bij vrienden of kennissen een onderdak zouden vinden en een zacht bed na een vermoeienden dag. Toch hadden zij gelegenheid hun ervaringen te vertellen. Het was slechts een sober verhaal, gedaan met korte woorden volgens den aard van de Groningers. Kapitein Pinkster vertelde, dat hij Maandagochtend uit Koog aan de Zaan was vertrokken met een lading stijfsel voor Londen. Aanvankelijk verliep de reis uitstekend, het weer was goed en de lucht helder. De kapitein beschikte over kaarten van de zones, welke door mijnenvelden versperd zijn. Toch zag de bemanning in den loop van Maandag verscheidene drijvende mijnen, welke evenwel voor de „Truida" geen gevaar opleverden. Gisterochtend, ongeveer half acht bevond het schip zich op 51 graden 27 minuten Noorderbreedte en één graad, 50 minuten Oesterlengte, hetgeen wil zeggen: ongeveer 30 mijl voorbij de Noordhinder. De motorschoener „Friso", toebehoorend aan den heer Klugkist te Urnuiden, passeerde op dat oogenblik de „Truida", welke niet zoo snel liep. Een kwartier later deed zich plotseling een geweldige ontploffing voor bij de boeg aan stuurboordzijde. Het scheepje van 176 ton werd als het ware uit het water gelicht en maakte oogenblikkelijk zwaar slagzij, waarna het begon te zinken. Drie leden van de bemanning bevonden zich aan dek, de kok, die beneden was, kon slechts met de grootste moeite het dek bereiken. De anderen hadden inmiddels de reddingboot, welke aan bakboord lag, gereed gemaakt. Het schip helde dermate sterk over, dat de reddingboot over stuurboord in het water terecht kwam. Het was juist op tijd, want de „Truida" zonk binnen 5 minuten Van de „Friso" af had men het ongeluk zien gebeuren. De motorschoener draaide voorzichtig bij en tien minuten nadat de bemanning van de „Truida" in de reddingboot was gegaan, kon zij veilig aan boord van de „Friso" worden genomen. Later op den dag passeerde de „Tiberius" van de K.N.S.M. op de thuisreis. Opnieuw ging-en de schipbreukelingen in een reddingboot, doch nu om op dezen stoomer te komen, welke hen in den afgeloopen nacht in Amsterdam aan wal bracht. Wil zeiden al: het is een sober verhaal, dat de kapitein ons deed. Sober, maar niet minder tragisch, voor de menschen, die thans alles hebben verloren. Wij vroegen den heer Pinkster nog of hij de mijn heeft gezien en of de plaats van het ongeluk op de kaart als gevaarlijk stond aangegeven. Geen van beide was het geval Volkomen onverwacht onderging de „Truida" het lot van zoovele schepen, welke ook thans nog in deze uiterst moeilijke omstandigheden de zeeën blijven bevaren — Het is niet de eerste reis van den kapitein onder de oorlogsomstandigheden, want do heer Pinkster is sedert September blijven doorvaren. Zestien jaar lang beoefent hij reeds de
kleine handelsvaart met kustvaartuigen. Het klonk uitermate sober, toen wij vroegen: — Bent u de kapitein van de „Truida?" En toen wij als antwoord kregen, bijna afgebeten: — Ik was het. Toch bleef er ook hier plaats voor blijdschap, omdat de zooveelste scheepsramp zonder verlies van menschenlevens mocht geschieden. Over eenigen tijd zullen deze mannen weer uitvaren, omdat zij van hun arbeid op zee. welke thans zoo onnoemelijk zwaar is, moeten leven.
Utrechts Volksblad 10-01-1940: Geredden van „Truida” weer thuis Blij, dat zij er zo goed zijn afgekomen. IJmuiden, Dinsdag. Hedenavond kwart voor elf voer het stoomschip „Tiberius" van de K.N.S.M. de sluizen van IJmuiden binnen met aan boord de bemanning van het Nederlands motorschip „Truida", welk schip bij de Noordhinder op een mijn is gelopen en binnen vier minuten zonk. Het zal ongeveer kwart voor acht geweest zijn, aldus de kapitein van de „Truida", de heer Jan Pinkster, toen ons kleine schip door een geweldige explosie omhoog werd gedrukt. Wij stormden met ons drieën de stuurhut uit en een van ons riep den kok Dirk Schrik, die zich op dat moment alleen beneden in de machinekamer bevond. Binnen enkele seconden was hij toen boven. Hij bleek gewond te zijn aan een zijner benen. De overigen in de stuurhut werden tegen de wanden geslingerd, doch gelukkig nagenoeg niet gewond. Wij renden naar de roeiboot, die wij gelukkig reeds zodanig gesteld hadden, dat wij hem elk moment konden laten vieren.
Tot ons groot geluk zag het Nederlands motorschip „Friso", kapitein A. Tiems, op ongeveer 500 meter afstand van ons dit ongeluk gebeuren en de „Friso" stoomde onmiddellijk naar ons toe. Hij pikte ons op en gaf ons kort daarop over aan de „Tiberius" ,welk schip juist van Londen op weg was naar Amsterdam. Mooier konden wij het niet treffen aldus de kok Dirk Schrik, uit Amsterdam, die blijkbaar van zijn schrik nog niet geheel bekomen was, daar hij ons allereerst om een cigaretje vroeg. „Maar komt dit ook in „Het Volk" te staan?" vroeg hij nieuwsgierig, „dan zie ik er ook nog wat van." De twee overige geredden der uit vier leden bestaande bemanning waren twee jonge robuuste mannen, van 23 jaar, namelijk de stuurman A. Stuiver uit Oude-Pekela en de motordrijver Rus uit Groningen, welke- laatste als noodhulp zijn eerste reis aan boord meemaakte. „Mijn likdoorn doet erg pijn, wat zou dat betekenen?" vroeg Rus na het vertrek uit IJmuiden zijn collega Schrik. „O, dan lopen we op een mijn", zei Schrik lachend en inderdaad werd deze voorspelling enkele uren later bewaarheid. „Ja, hoe bestaat het", zei Rus lachend. „Wij zijn alles kwijt, papieren, alles. Wij hebben niet anders dan deze armzalige plunje."
„Beste kerels", zeiden wij, „jullie moogt van groot geluk spreken, dat jullie met zon klein scheepje toch nog allen gered zijn. Van een IJmuider trailer van ongeveer gelijke grootte, die eveneens- op een mijn gelopen moet zijn, is niemand gered." „Ja", voegde Stuiver er aan toe, „over geluk hebben wij bij dit noodlot niet te klagen gehad. Aan boord van de „Tiberius" werden wij hartelijk opgenomen en we vinden het fijn weer in Holland te zijn. Wij gaan eerst naar huis en dan zullen wij wel weer verder zien.
Enkele minuten later voer de „Tiberius" met de vier geredde Nederlanders naar Amsterdam.
Utrechts Volksblad 22-02-1940: Kustvaartuig vergaan. Volgens een uit Concameau (ten zuiden van Brest) ontvangen telegram is het Nederlandse kustvaartuig „Alja", dat op weg was van de Portugese haven Centubal naar Nederland, op een wrak gestoten en nabij Glénan vergaan. Het schip had een lading stukgoed aan boord. Alle opvarenden zijn gered. Het zijn: kapitein W. Nooitgedacht uit Groningen, de stuurman E. J. Fokkens, de motordrijver Rus, de matrozen Pomp en Wijbel, de kok B. Eising en de machinist Velda. De motordrijver Rus vervulde dezelfde functie op het destijds vergane motorschip „Truida". „De „Alja" is een motorkustvaartuig van 385 ton. Het schip behoorde aan den reder J. van Dijk te Groningen.
Het Volk 07-03-1940: Varen in oorlogstijd. Hoe Groninger kustvaarders er over denken. Van een reis naar Oostindie en jonge kapiteins. Mijnengevaar voor grote en kleine schepen. (Van onzen specialen verslaggever.) Groningen, — Woensdag. „Nee, als je in een fabriek werkt en steekt de kop buiten de deur, dan zie je een huis of een andere fabriek. En als je twee uur later wéér eens naar buiten kijkt, dan zie je nog steeds datzelfde huis of diezelfde fabriek. Je bent niks, geen meter, vooruit gekomen. Dat mag ik niet hè? De hele tijd maar op diezelfde plek zitten — da's nou net niks voor mijn. Daarom ben 'k gaan varen en daarom blijf ik varen!" Ik teken deze zee-belijdenis op uit de mond van een man, die twee reizen achtereen schipbreuk heeft geleden. Het was de tiende Januari, toen hij met de „Truida" op een mijn en de twintigste Februari, toen hij met de „Alja" op een wrak liep. Beide schepen waren Groninger kustvaartuigen, kleine boten dus, waarmee — de naam wijst het uit — de Groningers langs de kust varen.. Neen, de naam wijst het niet uit! Tenzij men onder „de kust" zowel IJsland als Casablanca wil verstaan. Overal waar maar water staat, zwerft de Groninger rond met zijn nietige scheepjes. Vroeger deed hij het met zijn kofschip, een wel wat luie, maar secure zeiler, waarvoor geen zee te hoog was. Toen werd er nog niet op diploma's en dispensaties gelet. Je voer, omda,t je t van je vader geleerd had en tegen je vader kon geen zeevaartschool op. Je voer op gevoel. Daar kon je dan wel eens gek mee uitkomen, maar meestal kwam je toch behouden in Grönigerland weer aan.. Een oud verhaal. Er gaat een mooi verhaal uit die kofschiptijd: Een Groninger had een lading uien naar Oostende aangenomen, hoewel hij niet precies wist, waar dat wel lag. Bij Nieuwendiep praaide hij een groot schip en vroeg, waar dat heen ging. . „Naar Oostinjel" schreeuwden ze terug. „Mooi zo", zei de schipper. „Dat treffen we, hij moet óók naar Oostende."' : ! En ze bleven achter de Oostinjevaarder aan hangen. Tot in de Golf van Biscaye. „Daar zit me waarachtig die Groninger nog!",; verbaasde zich -de kapitein. „Waar moeten julli toch heen......?!" „Naar Oostende toch, net als jullie!" toeterde de kofschippper terug, „Welnee, wij gaan naar Oostinjel! en jullie zijn al veel te ver..;...!", riep de kapitein van het grote schip. „Hebben jullie dan geen kaarten aan boord?" .Jawel", antwoordde toen de Groninger, „maar schoppenboer is overboord gewaaid. Uit dit ras is de moderne kustvaarder gesproten. Kerels, die voor dood en duivel niet bang. zijn. En zo één zit nu tegenover me. „Heb je helemaal de schrik niet te pakken na die twee schipbreuken? „Nee — waarom?" , ,Nou..” „Ach nee man, 't is allemaal lang zo erg niet als 't er wel uitziet. Eerst kijk je natuurlijk wel gek op als je op een mijn loopt. Maar toen het me met de „Truida" gebeurde, had ik er al lol in, toen ik amper an in de sloep zat. 't Was zo'n gek gezicht hè? M"n motor was blijven draaien. „Tuk-tuk-tuk", zei de „Truida", stak even d'r kop omhoog en daar ging ze naar beneden, "k Had nog nooit zoiets meegemaakt. De eerste mijn. Ja, 'k was net uit de motorkamer gekomen. Daar blijf je tegenwoordig geen minuut langer dan nodig is. 'k Kwam bij den stuurman en die zei: „Neem jij even het roer, dan ga ik es op de kaart kijken.", „Even m'n jassie aantrekken", zeg ik, „want ik ben bezweet en het tocht hier als de hel" En net heb ik het roer vast, of we lopen troes op die mijn. Een klap meneertje! De stukken ijzer vlogen overal rond. En meteen begon de „Truida" te zinken. Wat wil Je......? Een scheepje van 240 ton. 't is allemaal kop en kont, wat er an is. Binnen de drie minuten was 't gebeurd, maar binnen de drie minuten zaten we ook in de boot. De spulletjes,waren in orde en dat's de hoofdzaak. Ik sprong het laatste in de sloep en riep: „Roeien maar!", want de „Truida" zonk als een stuk lood. De „Friso" nam ons boord en even later zagen we de „Tiberius" van de K.N.S.M. Daar zijn we toen heen geroeid en daar ben ik in een fijne hut es lekker gaan maffen. Nou — dat hadden we toen alweer gehad hè? 'k Heb meteen aangemonsterd op de „Al]a", En die liep bij vliegend stormweer in de golf van Biscaye op een wrak. Bom!, daar gingen we weer. Gelukkig niet zo snel als met de „Truida", anders was er geen mens levend afgekomen, want de boel stond niet klaar en er ging een zeetje om van te ijzen. We hebben nog geboft, doordat we aan de Normandlsche kust op een eilandje terecht kwamen, waar alleen een vuurtorenwachter met z'n vrouw woonde. Twee en een halve dag hebben we daar gebivakkeerd. k Heb er de koe nog gemolken. 'Beste mensen waren dat, maar ze hadden niet te veel levensmiddelen. Met vlaggen hebben we aan een visserman een sein gegeven en die heeft ons aan wal gebracht. Dat was schipbreuk nummer twee! En laat ik nou van de week willen monsteren en niet aangenomen worden! Die reder was bijgelovig en vertrouwde me niet op zijn schip, omdat ik ongeluk aanbracht...:.. Even goed vaar ik volgende week weer uit. Een behoorlijke motordrijver hoeft tegenwoordig niet om een job verlegen te zitten". ;' „is er te kort aan bevaren personeel?" „Dat zou 'k denken. Er blijven er vandaag de dag genoeg aan de wal. M'n vader bijvoorbeeld is een prima motordrijver, maar je krijgt hem er niet uit!" „Ze denken er dus niet allemaal zo over als jij?" „Nee — da's waar. Ach u moet rekenen, dat zo'n man getrouwd is en allicht een beetje huiveriger wordt. En dan voelt ie niks voor die jonge kapiteins van tegenwoordig, ls t niet vader?" ' De ouwe Rus komt er bij zitten en beaamt dit gretig. „Er varen me te veel jonge jongens lang de kust. Kapiteins van vier en twintig jaar, die amper zee hebben gezien, moet ik niet hebben. Ja. — ze hebben een fijn papieren diploma, maar daar ben je nog geen zeeman mee. Vooral nou niet. Je moet haarscherp kunnen varen, precies tussen de mijnenvelden door. En ze vergissen zich te vaak met het bestek dan dat ik me er aan toevertrouw. Jonger dan dertig moet je niet wezen om een schip kunnen commanderen....”” De vader, laat wel een ander geluld horen dan de zoon. Ze zijn het er beiden over eens, dat de kustvaart gevaarlijker is dan de grote vaart Je moet het vaarwater door en door kennen, omdat je door je weinige diepgang op plaatsen komt, waar een groot schip geen kans heeft. En als je wat gebeurt, ben je veel eerder weg. Vooral met die mijnen..””: Nu wordt de jonge kus weer wat optimistischer en beweert dat een klein schip minder kans heeft om op een mijn te lopen dan zo'n grote kast . „Als je maar een mijl of tien loopt heb je van de drijvende mijnen zo'n last niet. Grote schepen worden meestal midscheeps getroffen, omdat ze de mijn naar zich toe zuigen. Een scheepje van onder de vijfhonderd ton trekt ze achter zich langs". „En de „Truida"?" „Nou ja, dat was een ongelukje!" Het mijn-probleem wordt besproken, alsof het een interessant wiskunstig vraagstuk was en niet een aangelegenheid, waar het bestaan van het schip en het leven der bemanning, direct mee samenhangen. „Ja, wat wil Je? Gevaren moet er worden. Da's vast" zegt Rus Jr. Dan steven ik naar een volgend adres van een kustvaarder. 's Kijken wat die er van zegt! " Noot: Kapitein Pinkster verloor op 12 April 1940 als kapitein zijn schip de “Velocitas” na op een mijn te zijn gevaren.



Afbeeldingen


Omschrijving: Truida 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Truida 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Truida 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Meetbrief Truida 1929 (1)
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Meetbrief Truida 1929 (2)
Gemaakt door: Unknown