Inloggen
SPES - ID 6081

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1930
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
Nat. Official Number: 444 Z ZWOLLE 1930
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Firma Gebr. Mittendorff, Dedemsvaart, Overijssel, Netherlands
Werfnummer: 225
Launch Date: 1930-02-05
Delivery Date: 1930-00-00
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 120
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 1622 Type C/D (280x350)
Speed in knots: 7
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 184.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 112.00 Net tonnage
Deadweight: 216.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 11600 Cubic Feet
 
Length 1: 33.28 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 31.47 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 5.92 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.34 Meters Depth, moulded
Draught: 2.15 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1930-05-14 SPES
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Harm Boon Harmszn., Zwartsluis, Overijssel, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Zwartsluis / Netherlands
Callsign: PSRG
Additional info: 1934 callsign PHQF. Sinds 1932 Rotterdam

Date/Name Ship 1940-02-09 VICTORIA
Manager: O.J.P. Larsen, Aarhus, Denmark
Eigenaar: O.J.P. Larsen, Aarhus, Denmark
Shareholder:
Homeport / Flag: Aarhus / Denmark
Callsign: OZPV

Ship Events Data

1930-00-00: Na de tewaterlating werd het schip afgebouwd bij de Scheepswerf Niestern te Delfzijl.
1930-05-09: Op 09-05-1930 als SPES, zijnde een motorschip, groot 184.44 ton van 2.83 m3, liggende te Delfzijl, door H. Mulder, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Harm Boon, Harmszoon, motorschipper te Zwartsluis,van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 444 Z ZWOLLE 1930 op het achterschip op de voorkant van het verhoogd achterdek, stuurboordzijde.
1930-06-20: Algemeen Handelsblad 20-06-1930: Scheepsbouw. Een op de scheepswerf der firma Gebr. Mittendorf te Dedemsvaart voor rekening van den heer H. Boon te Zwartsluis nieuw gebouwd stalen motorschip (384 bruto reg. tons) dat voorzien is van een Bronsmotor, zal onder den naam „SPES" in de kustvaart worden gebracht.
1932-10-31: Op 31-10-1932, tijdens de reis van Memel naar Zwolle en IJsselmonde met een lading gezaagd hout gestrand op Tat een eilandje bij Bornholm in de Oostzee.
1932-11-01: Het Volk 01-11-1932: De „SPES” wordt geborgen. Het Nederlandsche m.s. „Spes", thulsbehoorende te Zwartsluis, kapitein Boon, op reis van Memel naar Schiedam, dat bij Christianso strandde, heeft met de Svitzer Salvage Company te Kopenhagen contract gesloten, voor het bergen van het schip.
1933-01-00: Verslag Raad voor de Scheepvaart: No.4. St.-Ct. 20 en 21 Jan. 1933, no.15. De stranding van het m.z.s. “SPES” in de Oostzee op het eilandje Tat, bij Bornholm. Betrokkene de kapitein. Op 31 Oct. 1932 is het m.z.s.” Spes”, groot 184 BRT R.T., van Zwartsluis, in de Oostzee op het eilandje Tat, bij Bornholm, gestrand. Het schip is bemand met zes personen, waaronder de vrouw van den schipper. Op 29 Oct.1932 vertok het schip van Memel met een lading gezaagd hout, bestemd voor Zwolle en IJsselmonde. De deklast was 1.80 m hoog, het uitwateringsmerk was nog niet aangeladen. Des avonds te 7 uur werd buiten koers gesteld W1/2Z per kompas. In den nacht d.a.v. was de kapitein, nadat hij tot 12 uur de wacht had waargenomen, te 0.30 uur naar de kooi gegaan. Het was goed weer, helder zicht. De wacht was overgedragen aan den stuurman-bestman, een 21 jarige van den kapitein, die nog slechts ongeveer vijf maanden op zee had gevaren. Deze zou de wacht met een matroos waarnemen tot 's morgens 6 uur. De kapitein had hem, alvorens naar kooi te gaan, opgedragen hem te waarschuwen, zoodra een licht in zicht zou komen. Te 3.30 uur kwam de kapitein weer eens aan dek kijken. De stuurman deelde hem toen mede, dat juist vooruit, een halve streek aan bakboord, in peiling W.t.Z., een licht in zicht was gekomen, waarvan hij bezig was de schitteringen te tellen. Het bleek het licht van Christiansö te zijn. De kapitein schatte den afstand op nog wel twaalf mijlen. De kapitein liet den koers veranderen in W.N.W., overtuigd, dat het schip dan ruim op vier mijlen afstand van het licht zou passeeren. Nadat hij den stuurman had opgedragen hem te waarschuwen, zoodra dit licht dwars was. Ging hij, na ongeveer een kwartier, weer naar kooi. Te 5.05 uur kwam de stuurman den kapitein roepen. Tegelijkertijd voelde men het schip stooten. Het was vastgelopen, zooals later bleek, op het eilandje Tat. Met behulp van visscherlieden is de bemanning van boord gehaald. De kapitein bleef alleen op zijn schip, waarop hij nog gedurende drie dagen is gebleven. Vergeefs is door een bergingsvaartuig beproefd het schip vlot te brengen. Daarna is lading geworpen en ten slotte is het in den morgen van 15 Nov. gelukt het schip drijvende te krijgen en naar de haven van Christiansö te brengen, vanwaar het vervolgens naar Kopenhagen is gesleept. De kapitein verklaarde nog, dat de stuurman hem heeft medegedeeld, dat deze, alvorens hem, kapitein, te waarschuwen, eerst zelfstandig den koers heeft veranderd in west, hetgeen ook in de naderhand te Kopenhagen afgelegde scheepsverklaring is opgenomen. De Raad is van oordeel, dat dit ongeval is te wijten aan geheel onvoldoende en onbekwwame navigatie van den wachthebbende stuurman-bestman, die het licht van Christiansö op te korten afstand is gepasseerd, waardoor het schip op het eilandje Tat is gestrand. Hoogstwaarschijnlijk wist deze stuurman niet beter, en de Raad acht het zelfs waarschijnlijk dat hij van het geheele bestaan van het eilandje Tat niets afwist. Hoe dit echter ook zij, de kapitein is door de navigatie van dezen stuurman niet gedekt. Dit ongeval is, naast de onbekwaamheid van den stuurman te wijten aan een nalatigheid van den kapitein, die niet die maatregelen heeft genomen, welke in het gegeven geval geboden waren. Verreweg het beste ware het geweest, wanneer de kapitein, reeds dadelijk toen het licht in zicht was gekomen, langer aan dek ware gebleven en zelf het verloop van de peiling van het licht had nagegaan. Dan had hij zeer spoedig bemerkt, dat de afstand tot het licht bij het in zicht komen niet zoo groot was als hij meende. Dan zou hij zeker niet van dek zijn gegaan, voordat het licht veilig was gerond. De Raad acht het verzuim van den kapitein zeer ernstig. Geheel onnoodig is hier een schip gestrand. Een ernstige bestraffing is hier op haar plaats. Toch wil de Raad, ter verlichting van den betrokkene, laten wegen dde omstandigheden, vooreerst, dat de kapitein wel ten onrechte op zijn onervaren stuurman heeft vertrouwd, doch zelf oveerigens geenszins den indruk van zorgeloosheid of onbekwaamheid heeft gemaakt en voorts, dat hij na het ongeval als een ware schipper trouw gebleven is aan zijn schip en tot het laatste oogenblik op zijn schip is gebleven, waarvoor hem een woord van lof toekomt. Daarom meent de Raad ten deze met een schorsing van na te noemen duur te kunnen volstaan (veertien dagen).
Uitgesproken op 6 januari 1933.
1939-04-19: Tijdens een reis in ballast van Esbjerg naar Für aan het Thyboron kanaal in ballast bij Thyboron op de strekdam gelopen nadat de motor plotseling afsloeg. Door de zeegang werd het schip steeds hoger gezet, sloeg zelfs over de dam heen en zonk in de vroege ochtend van 20 april. De bemanning werd gered. De zet-kapitein kreeg twee maanden ontzegging omdat na het weigeren van de motor niet de juiste maatregelen waren genomen. In mei 1939 gelicht en geborgen.
Algemeen Handelsblad 21-04-1939: Nederlandsch m.s. „SPES” vergaan. Naar Lloyds meldt is het Nederlandsche motorschip „Spes" bij Agger op Jutland vergaan. Het schip was gebouwd in 1930, had een inhoud van bruto 184 en netto 112 ton en behoorde aan de reederij H. Boon Hzn. te Zwartsluis.
1942-11-20: Final Fate:
Op een mijn gelopen bij Soby (noordelijk gedeelte van het Kattegat) en gezonken. Het schip vertrok 's morgens 20 november om 9.00 uur op de reis van Aalborg naar Edsvalla in ballast. Het wrak werd gevonden op de Dvalegrunden bij Saeby. Bij een duikonderzoek is gebleken dat de bodem en de zijkanten zijn ingedrukt. De 5 bemanningleden zijn allen omgekomen. De slachtoffers zijn: Kapitein Herlev Kristensen, Bestman Jens Emil Rasmus Jensen uit Aarhus, Carl Ungmændene Jens Petersen uit Gordon en Tommi Iven Nielsen uit Struer en kok Georg Willi Bention Polholski, afkomstig uit Haderslev.

Afbeeldingen


Omschrijving: Spes 1930
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Spes 1930
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Spes 1930 in de haven van Ringkjøbing.
Gemaakt door: Unknown
Onderwerp: Havenopname
Algemene informatie

 

NNO 160839
Kapitein en bemanning verstonden elkaar niet - Waardoor de SPES verloren ging.
Angstige avonturen beleefde de Nederlandse kapitein en de uit drie leden bestaande Deense bemanning aan boord van het kustvaartuig SPES, een scheepje van ruim 184 bruto register ton en thuis behorende te Zwartsluis, toen hun schip op 19 april van dit jaar kort voor middernacht tegen de Noorderpier van het Thyboronkanaal in Jutland werd gedrukt, korte tijd later op de pier werd geworpen, vervolgens in tweeën brak en daarmede geheel verloren was. Slechts met de grootste moeite en met de hulp van een reddingsboot kon de bemanning zich in veiligheid stellen. Gistermiddag stelde de Raad voor de Scheepvaart een onderzoek naar de oorzaak van deze scheepsramp in. Daarbij werd tevens een klacht van de Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart behandeld, welke klacht tegen den toenmalige kapitein van het verongelukte vaartuig ingediend werd, omdat hij onvoldoende bemanning aan boord zou hebben gehad.
Deze kapitein afkomstig uit Alphen aan den Rijn, gaf de Raad gistermiddag een uitvoerig relaas van het ongeluk, zoals het zich in de voor hem zo gedenkwaardige nacht van 19 op 20 april heeft afgespeeld en waarbij zijn schip verloren ging. Op 2 maart was hij als gezagvoerder te Hamburg aan boord van de SPES gekomen. De overige bemanning, bestaande uit drie Denen, was toen reeds aan boord. Zestien april was het schip leeg te Esbjerg binnengelopen en vandaar vertrok men op 19 april naar Für om te laden. Omstreeks drie uur in de namiddag stopte de motor, vermoedelijk doordat er water bij de brandstof was gekomen. Nadat olie was afgetapt, wilde de machine weer lopen en gedurende de eerstvolgende tijd gebeurde er niets bijzonders intussen was het weer buiig geworden, de windkracht 4 tot 6 en de zee hoog. Omstreeks middernacht werd de ingang van het Thyboronkanaal bereikt. De kapitein was ter plaatse goed bekend en had het niet nodig geoordeeld een loods te nemen. Nog bezuiden de lichtenlijn sloeg de motor voor de tweede maal plotseling af. Nu echter was de toestand zeer kritiek. De vaart van het schip was ongeveer zes mijl, maar mogelijk door het feit, dat de SPES den krachtige wind schuin achter had, dreef de boot in de richting van de Noorderpier. Een order van de kapitein om het anker te laten vallen, scheen door de Denen niet te zijn begrepen, want zij werd niet uitgevoerd. De kapitein had intussen de brug verlaten en was naar de machinekamer gesneld om te trachten de storing zo vlug mogelijk op te heffen. De stuurman — ook een Deen — was aan het roer blijven staan, echter niet lang, want ook hij snelde naar de machinekamer. Van dat moment af was er dus niemand op de brug en aangezien men er niet in slaagde de motor weer op gang te krijgen, dreef het schip stuurloos tegen de pier met het reeds vermelde noodlottige gevolg.
De Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart merkte ten aanzien van de door hem ingediende klacht op, dat wel is komen vast te staan, dat er een veel te geringe en niet voor haar taak berekende bemanning aan boord is geweest. Kapitein en bemanning konden elkaar bovendien niet verstaan, hetgeen waarschijnlijk de ondergang van het schip heeft bevorderd. Spreker meende, dat er alle aanleiding is de vraag of de ramp mede aan de schuld van de kapitein is te wijten bevestigend te beantwoorden.
De Raad zal later uitspraak doen.

NNO 141139
Het vergaan van de SPES. De kapitein voor twee maand geschorst.
De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam deed heden uitspraak inzake de stranding van het m.s. SPES in de Westelijken toegang tot het Thyboronkanaal (Denemarken) op 20 april 1939 en de klacht van de inspecteur voor de scheepvaart tegen de kapitein wegens het varen met onvoldoende bemanning.
Het vergaan van de SPES – aldus het oordeel van de Raad -is te wijten aan de schuld van de kapitein. Vooreerst was de kapitein, wat de toestand van de motor betreft,  gewaarschuwd. Maar voorts was de toestand aan boord zodanig, dat een veilige navigatie geenszins was gewaarborgd. De kapitein is niet opgetreden als mocht worden verwacht. Ware dit wel zo geweest, en waren onmiddellijk de juiste maatregelen getroffen, dan had hoogstwaarschijnlijk, ondanks het weigeren van de motor de ramp nog kunnen zijn  voorkomen. Nadat de motor had geweigerd, werd het schip vrijwel aan zijn lot overgelaten. Immers, in plaats van op dit moeilijke ogenblik op de brug te blijven, liep de kapitein naar de motorkamer, waarheen de stuurman hem spoedig volgde. Toen was de brug geheel verlaten. Dit optreden van de kapitein moet ten zeerste worden afgekeurd. Ook het feit dat de kapitein enkele leden van de bemanning niet verstond, is van invloed geweest. De Raad acht de klacht gegrond, gelijk de aangeklaagde dan ook niet heeft tegengesproken. De Raad  straft de kapitein door hem de bevoegdheid te ontnemen om als gezagvoerder te varen voor de tijd van twee maanden.