Inloggen
RAPID - ID 5414

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1929
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
IMO nummer: 5214905
Nat. Official Number: 1132 Z GRON 1929
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo, Paris trade-low air draft
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Rig: 2 derricks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Scheepswerf 'Gideon' J. Koster Hzn., Groningen, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 118
Delivery Date: 1929-04-05
Technical Data

Engine Manufacturer: Deutz A.G., Motorenfabrik, Cologne (Köln), Germany
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz Nr. 220603/5 Type SVMD 145 (280x450)
Speed in knots: 8
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 191.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 94.00 Net tonnage
Deadweight: 240.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 11896 Cubic Feet
Bale: 11000 Cubic Feet
 
Length 1: 35.65 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 32.99 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.30 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.52 Meters Depth, moulded
Draught: 2.43 Meters Draught, maximum
Configuration Changes

Datum 00-00-1971
Type: Propulsion/engine changed
Omschrijving: 1971 gehermotoriseerd: tew 3 cil 150 PK Stork Type (x)

Ship History Data

Date/Name Ship 1929-03-23 RAPID
Manager: N.V. Scheepvaart Maatschappij 'Globus', Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Motorschip 'Rapid', Scheveningen, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PQWL
Additional info: Adrianus Borstlap.

Date/Name Ship 1931-02-28 RAPID
Manager: N.V. Wm. H. Müller & Co.'s Erts- en Scheepvaartbedrijf, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Wm. H. Müller & Co.'s Erts- en Scheepvaartbedrijf, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PQWL

Date/Name Ship 1933-12-16 RAPID
Manager: Wm H. Müller & Co. N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Wm H. Müller & Co. N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PQWL
Additional info: Call sign 1934: PGYQ

Date/Name Ship 1955-07-06 LUTETIA
Manager: Maritima Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Roelf Pilon, Appingedam, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PFPP
Additional info: Op 20.6.1955 gekocht door Joh. Dijkstra, Norg, direct doorverkocht aan Pilon

Ship Events Data

1929-01-30: Voorwaarts 30-01-1929: Scheepsbouw. Aan de scheepswerf Gideon van J. Koster Hzn. te Groningen, is de bouw opgedragen door de N.V. Scheepvaart Mij. Globus, Rotterdam, van twee motorvrachtschepen met een deadweight van ca. 260 ton. De schepen zullen afm. hebben van 32,75 bij 6.25 bij 2.60 M. en worden voorzien van 150—180 P.K., compressorlooze Deutz Dieselmotoren ter voortstuwing. De bouw geschiedt onder toezicht van Bureau Veritas voor classificatie kleine kustvaart met uitbreiding tot de vaart op de Noord- en Oostzee en Engelsch Kanaal. (RAPID en EXPRESS.)
1929-03-26: Op 26-03-1929 als RAPID, zijnde een motorvrachtschip, groot 191.36 tonnen van 2.83 m3, liggende te Groningen, door D. Loorbach, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Adrianus Borstlap, reeder te Scheveningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1132 Z GRON 1929 op 't achterschip onder de ingang motorkamer.
1929-04-05: NRC 06.04.1929; Groningen, 6 april: Gisteren vond op de Eems de goed geslaagde proefvaart plaats met het door de Scheepswerf Gideon van de heer J. Koster Hzn. alhier voor rekening van de Scheepvaart Mij. Globus te Rotterdam gebouwde motorschip 'RAPID'.
1929-08-23: Algemeen Handelsblad 23-08-1929: RAPID. (Londen, 23 Aug.) Het Nederl. motorschip „Rapid"' is op de Theems in aanvaring geweest met een brug, waarbij het schip schade beliep aan den schoorsteen en bovenbouw.
1930-08-11: De Tijd 11-08-1930: Aanvaring in de Rotterdamsche haven. Twee motorbooten ernstig beschadigd. Zaterdagavond kwam in de Lekhaven te Rotterdam het s.s. „Rapid" bij het omzwaaien in aanvaring met het gemeerde s.s. „Algiba". dat op zijn beurt twee nevenliggende motorbooten, de "Janna" en de „Rival" raakte, welke ernstige schade opliepen. Persoonlijke ongevallen kwamen niet voor.
1931-07-12: Staatscourant 11-11-1931: No 114 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de motor schade aan boord van het motorschip Rapid gedurende de reis. Op 12 Juli 1931 is de motor van het motorschip Rapid gedurende de reis van Rotterdam naar King's Lynn onklaar geraakt. In overeenstemming met het voorstel van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste de bij art. 29 der Schepenwet bedoelde commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen, welk onderzoek ter zitting van den Raad van 24 Augustus 1931 in tegenwoordigheid van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij een rapport van den expert M. Robaard omtrent de averij en hoorde als getuige Fritz Menzel, motordrijver op de Rapid tijdens het ongeval. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Rapid, metende 191,36 bruto- en 94,13 nettoregisterton, van de Naamlooze Vennootschap Scheepvaart Maatschappij „Globus" (Wm. H. Müller & Co.), te Rotterdam, is in het jaar 1929 van staal gebouwd. In den avond van 11 Juli 1931 vertrok het schip van Rotterdam naar King's Lynn. De motordrijver, getuige Menzel, was deze reis voor het eerst aan boord. Zijn voorganger had hij niet gesproken, doch vóór het vertrek had hij met den motor onbelast proefgedraaid en daaraan niets bijzonders gemerkt. De walmachinist had hem medegedeeld, dat de motor in orde was en dat alle onderdeelen nog kort te voren te Parijs waren nagezien. Op zee bemerkte Menzel evenwel, dat de motor slechts 240 omwentelingen maakte; ondanks alle daartoe aangewende pogingen kon hij het normaale slagental, te weten 295, niet halen. Bovendien ontwikkelde de motor gedurende het draaien veel rook. Des nachts te 1.30 uur is hij een oogenblik gaan rusten en kwam 's morgens 4 uur weer in de motorkamer. De motor maakte nog steeds 240 slagen. Aanvankelijk meende hij Yarmouth nog te kunnen halen, hoewel te 5.30 uur de verbranding in den eersten cylinder ophield. Doch om 7 uur ‘s morgens stopte de motor uit zich zelf en was niet meer behoorlijk op gang te krijgen. De Rapid bevond zich toen ongeveer 37 mijl N.W. van het lichtschip Maas. De zeilen werden bijgezet, doch er was geen vooruitgang in het schip te krijgen. Sleephulp moest worden aangenomen en het schip is door een Engelschen trawler naar Yarmouth gesleept. ,, Aan voormeld rapport van den expert Robaard zij nog het volgende ontleend: ,,De Rapid wordt voortbewogen door een .3 cylinder Deutz compressorlooze Dieselmotor, enkelwerkend viertact, van 150 180 pk. Elke cylinder heeft een brandstof pomp, welke alle drie zijn ondergebracht in een gemeenschappelijk pompblok. De pompen zuigen de brandstof aan van uit een hooger liggende dagtank en in de zuigleiding der pompen bevindt zich een fijn-kopergaasfilter. De brandstof wordt door de pompklepjes geperst naar een brandstofsproeierplaatje, waarvan de opening wordt afgesloten door een brandstof naald, welke door den brandstofoliedruk tegen veerdruk in wordt geopend. Na opening van de brandstofnaald wordt de brandstofolie door vier fijne openingen (+ 0,3 mm diam.) onder een druk van + 30 at in den cylinder geperst en verstoven. Wanneer door de brandstof pomp meer brandstof wordt toegevoerd dan noodig is voor de vermogensontwikkeling, wordt door den regulateur een overstroomklepje geopend, waardoor brandstof uit de perszijde van de pomp overvloeit naar de zuigzijde. Verder kan bij de pomp en ook vanaf de brug de brandstoftoevoer naar de eylinders naar behoefte worden geregeld voor manoeuvreeren. De motor draait in één richting en is voorzien van een keerkoppeing, die vanaf de brug wordt behandeld. Op de brug bevindt zich een controledrukmeter voor de smeerolie en een koelwatercontrole. In de motorkamer is bovendien opgesteld een één-cyinder Deutz motor van 6 pk voor het drijven van een hulpcompressor, een ballast-, tevens koelwater- en lenspomp en een dynamo, welke laatste eveneens door den hoofdmotor kan worden gedreven. In Yarmouth is de walmachinist aan boord gekomen, die verschillende brandstofpomponderdeelen uit Rotterdam had medegenomen. Na onderzoek van het brandstofsysteem bleken de filtergazen geheel verteerd en de brandstofleidingen vanaf deze filters naar de motorcylinders vervuild door filtergaasdeeltjes, Volgens hem had de vorige machinist van het motorschip Bapul, van der Wind, hem bij het verlaten van den dienst verklaard de filtergazen de laatste reis te Parijs te hebben vernieuwd, hetgeen blijkbaar niet het geval geweest is. ,,Na aankomst van den walmachinist te Yarmouth is deze tot 16 Juli 6.30 uur D.W. bezig geweest met de herstelling van de brandstofinrichting en is het schip om 8 uur voormiddags van Yarmouth naar King's Lynn vertrokken, waarbij de walmachinist de reis medemaakte. Op deze reis heeft men weer last gehad van slechte verbranding, hoewel de motor het volle aantal slagen maakte. Te King's Lynn heeft men den stalen hefboom van de handpomp der brandstofpersleiding, welke hefboom te Yarmouth was gebroken, laten repareeren. Van King's Lynn naar Boston had men wederom last van slechte verbranding bij vol aantal omwentelingen. Na aankomst te Boston op 17 Juli 10.30 uur voormiddags zijn van cylinders 2 en 3 de verstuivers uitgenomen en bleken de verstuiverplaatjes weer verstopt en de brandstofnaalden en plaatjes beschadigd door nagekomen vuil. Nadat hierin weer was voorzien, is gedurende één uur onbelast en gedurende 20 minuten volbelast proefgedraaid en bleek de motor in orde. Van vertrek Boston op 17 Juli 9 uur E.W. tot aankomst Rotterdam op 19 Juli 1.30 uur H.W. heeft de motor goed gefunctionneerd en voorts nog: „Wanneer de machinist systematisch de geheele brandstofleiding van de drie brandstofpompen had schoongemaakt en de brandstof klepjes had opgeschuurd of verwisseld door waarlooze, had hij ongetwijfeld den motor weer in het gereede kunnen brengen, doch hiermede was zeer zeker geruime tijd gemoeid geweest." De hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat, wat de toedracht van het ongeval betreft, kan worden verwezen naar het rapport van den expert Robaard; dat de motorist, die hier met de zorg van den motor was belast, wel zeer bekwaam kan zijn geweest om den motor te drijven, doch hij niet de noodige opleiding had genoten om voorkomende gebreken te herstellen. De Raad is van oordeel, dat dit ongeval is veroorzaakt door een gebrek in de olietoevoerleiding. Bij onderzoek is gebleken, dat de verstuivers niet in orde waren, terwijl de naald lekte; de filtergaasjes bleken geheel verteerd te zijn. Uit hetgeen de motorist heeft verklaard, moet tevens worden afgeleid, dat de verstuiving reeds bij vertrek uit Rotterdam niet in orde was. Immers, zoodra het schip op zee was, werd bemerkt, dat het normale toerengetal niet kon worden gehaald, terwijl zich veel rook — een gevolg van vuile brandstof of na-verbranding — ontwikkelde. De motorist verklaarde, dat de olietoevoer bij het nazien van den motor ongemoeid was gelaten, omdat de vorige motordrijver had verzekerd, dat de olietoevoer in Parijs was nagezien en dat toen alles in orde was bevonden, nadat de filters waren vernieuwd. Het is wel te betreuren, dat deze mededeeling niet is gecontroleerd. Echter, ook al gaat men uit van de dadelijk bij den aanvang der reis opgedane ondervinding — niet halen van het normale toerengetal en rookontwikkeling —, dan ware het toch veel beter geweest, dat het schip onmiddellijk naar Rotterdam zou zijn teruggekeerd. Immers, de motorist bezat geen enkel diploma en miste de technische bekwaamheid om de oorzaak van de gebrekkige werking op te sporen en deze afdoende te verhelpen. Dit is duidelijk gebleken bij de hem ter zitting van den Raad gestelde vragen. De Raad heeft naar aanleiding van het verhoor van den motordrijver nog nadere inlichtingen aan de reederij verzocht. Bij deze inlichtingen wordt de verklaring van den motordrijver in hoofdzaak bevestigd. Wat het overnemen van den dienst betreft, verklaart echter de reederij, dat de motordrijver Menzel niet kort vóór vertrek aan boord is gekomen, doch reeds in den morgen van 10 Juli, zoodat hij vóór het vertrek van de Rapid anderhalven dag met den walmachinist, die van den motor geheel op de hoogte was, te zamen is geweest bij den motor. Voorts wordt bij die inlichtingen nog medegedeeld, dat bij vertrek van de Rapid last werd ondervonden van een verstopten verstuiver, waarop een reserveverstuiver werd ingezet en de brandstofpomp werd geperst, zonder dat de motordrijver Menzel den walmachinist daarvan op de hoogte heeft gesteld. Ware dit laatste wel geschied, dan zou wellicht tijdig de oorzaak van de verstopping van den verstuiver, te weten de toestand van de filtergaasjes, aan het licht zijn gekomen. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, G. J. Lap, A. L. Boeser, leden, E. M. Wissmann, B. C. van Walraven, plaatsvervangende leden, B. C. Weidenaar, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Baads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Baad van 27 October 1931. (Get .) B. M. Taverne, G. J. Lap, A. L. Boeser, E. M. Wissmann, van Walraven, R. C. Weidenaar, H. B. T.teenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1932-06-10: Het Vaderland 29-07-1932: Rechtswezen aanvaring op het IJ. De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam heeft een onderzoek ingesteld naar de aanvaring op het IJ voor Amsterdam op 10 Juni j.l. van het motorschip Rapid met de motorzolderschuit Hinde I welk laatste vaartuig dientengevolge is gekanteld. De schipper van de Hinde I. van Van Berkel's Oliefabrieken te Amsterdam, verklaarde, dat hij omstreeks 5 uur des middags van de Javakade was vertrokken. Hij had een deklading, bestaande uit balen bloedmeel (zes op elkaar). Achterop werd gestuurd. Zoodra hij den kop van de Javakade gepasseerd was liep een motorschip op. dat bij het passeeren van de Javakade één stoot gegeven had Getuige begreep hieruit, dat het motorschip wilde passeeren gaf twee korte stooten terug en liep bakboord over. Het andere vaartuig beef echter met een flinke vaart op de zolderschuit aanliggen. Getuige trachtte nog den handhoorn te krijgen om een sein te geven, maar voordat hij zulks doen kon raakte het motorschip reeds het stuurboord-achterschip van de schuit waardoor deze gekanteld en de deklast verloren gegaan is. Get. had steeds koers en vaart gehouden. De gezagvoerder van het m.s. Rapid van Müller on Co. te Rotterdam meent, dat de zolderschuit, die eerst naar bakboord overliep, plotseling naar stuurboord is gegaan. De president vond het onbegrijpelijk dat waar de Rapid met vijf koppen bemand was dezelfde die het roer bediende ook uitkijk hield. De Raad heeft besloten om te overwegen alsnog den loods van de Rapid te hooren.
Algemeen Handelsblad 08-09-1932: Aanvaring op het IJ. Uitspraak Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan in zake de aanvaring van het m.s. „Rapid" met de motorzolderschuit „Hinde I" op het IJ. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring is veroorzaakt door onvoldoende oplettendheid van de zijde van de „Rapid". Dit schip had te zorgen, dat het niet tegen het opgekropen schip aanvoer. Daartegenover is van ondergeschikt belang, of de „Hinde" wel aan hare verplichting heeft voldaan om b.b. uit te gaan. Op de „Rapid" is niet voldoende opgelet.
1940-05-00: Tijdens WO II uitgeweken naar Engeland.
16.05.1940: Overgenomen door de Netherland's Shipping & Trading Committee, Londen. Wm. H. Müller & Co. (London) Ltd., managers.
11.07.1940: In time-charter bij The Ministry of Shipping, London.
1941: In time-charter bij The Ministry of War Transport, London. (Freight Express Ltd., managers)
27.10.1945: Terug gegeven aan de eigenaar.
1951-12-15: Onderweg naar Rotterdam door dichte mist uit de koers geraakt en op de Maasvlakte aan de grond gelopen. Later zelf weer vlot gekomen.
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart naar aanleiding van het aan de grond lopen op de Maasvlakte tijdens reis van Kings Lynn naar Rotterdam, beladen met 26 ton(!!!) stukgoed. Men ondervond vrij goed weer maar wel met af en toe mistvlagen. Op 14 december 1951 werd om 20.00 uur aan bakboord het mistsein gehoord van Smith Knoll vuurschip. Van hier werd koers gezet recht naar Hoek van Holland. De vaart was volle kracht, 7 ½ mijl. Om 04.00 uur van 15 december gaf de kapitein de wacht over aan de bestman. Het was toen helder en volgens de gis was men 30 mijl van Hoek van Holland. De kapitein gaf de bestman de order hem om 06.00 uur te wekken. Het zicht bleek later toch tegen te vallen, de bestman nam zelf het roer daar de matroos niet zo goed stuurde. Hij gaf de matroos om 05.20 uur opdracht de motor te smeren en daarna de kapitein t e roepen. De bestman, die vanuit het stuurhuis, waarvan de ramen open stonden, een goed uitzicht had, zag toen recht vooruit een witte streep. Hij draaide terstond het roer bakboord aan boord, maar de Rapid liep aan de grond. Nadat de kapitein op de brug was gekomen trachtte hij tevergeefs het schip door achteruit slaan vlot te brengen. Er was branding voor en achter het schip en het lag geheel geboeid maar maakte geen water. Om 14.45 uur kwam het schip weer vrij. Oordeel van de Raad is dat het aan de grond lopen van de Rapid het gevolg is van het nalaten door de scheepsleiding van het nemen van de vereiste maatregelen van voorzorg bij het aanlopen van de kust. Hoewel de kapitein wist dat zijn afgevaren bestek bij Smith Knoll vuurschip niet zuiver was heeft hij te veel op zijn gis vertrouwd. De bestman heeft te laat de kapitein gewaarschuwd toen het zicht slecht werd. De kapitein had moeten zorgen om tijdig te loden, indien de kustlichten niet tijdig in zicht kwamen. De Raad is van mening dat deze stranding, waardoor ernstig gevaar is ontstaan voor opvarenden, schip en lading, het gevolg is van gebrek aan voorzorg van de kapitein en de betsman. De Raad straft kapitein Jacobus J. Korving, geboren 7 april 1920 en wonende te Scheveningen, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein op zeeschepen te varen voor de tijd van één maand. Bestman Leendert A. Rijkers, die niet in het bezet is van een diploma, geboren 25 januari 1898 en wonende te Rotterdam wordt bestraft door het uitspreken van een berisping. Gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant op 8 april 1952.
1954-12-01: Het Vrije Volk 01-12-1954: Rapid beschadigd bij aanvaring op de Theems. Het 191 brt. metende Nederlandse kustvaartuig „Rapid" van W. M. H. Muller en Co. te Rotterdam is Dinsdag ter hoogte van Gravesend op de Theems in aanvaring gekomen met het Zweedse schip „Atair", groot 1856 brt. De „Rapid", die onderweg was van Londen naar Rotterdam, heeft aan bakboordzijde lichte schade, opgelopen en is voor onderzoek voor anker gegaan. Persoonlijke, ongevallen deden zich niet voor.
1955-07-29: NvhN 29-07-1955: Rapid wordt Lutetia. Het motorschip Rapid van de rederij Wm. H. Muller & Co te Rotterdam, is verkocht aan de heer R. Pilon te Loppersum. die het schip onder de nieuwe naam Lutetia in de vaart zal brengen. De Rapid behoort tot het gladdektype en werd in 1929 gebouwd bij de scheepswerf J. Koster Hzn. te Groningen. Het schip heeft een deadweight van ca. 240 ton. In de machinekamer staat een 150 pk motor opgesteld.
1961-09-09: NvhN 09-09-1961: Met 250-ste lading naar thuishaven LUTETIA vaart al ruim drie jaar kalk van Itzehoe naar Delfzijl. (Van onze redacteur voor Noord-Groningen) Ruim drie jaar vaart de Delfzijlster coaster LUTETIA onafgebroken heen en weer tussen de thuishaven en de Noordduitse stad Itzehoe. Eén dag heen, een dag laden, één dag terug en dan nog eens een dag lossen. Dat wil zeggen, als alles zijn normale gang gaat. Niet alleen vaart dit schip al die tijd op dezelfde route, de lading op de thuisreis is ook altijd dezelfde: ongebluste kalk voor Groninger strokartonfabrieken. Donderdag of vrijdag zal het schip reeds voor de 250ste keer koers zetten naar de thuishaven. Ongebluste kalk is voor de strokartonfabrieken verreweg het belangrijkste hulpmiddel bij de produktie van strokarton. Voordat de LUTETIA deze grondstof ging halen werd zij per spoor en binnenschip betrokken uit het Roergebied. Het bleek echter voordeliger te zijn haar uit Noordduitsland te betrekken. De kalkcommissie, die een inkooporgaan is van de samenwerkende Nederlandse strokartonfabrikanten, besloot toen in samenwerking met de scheepvaartmij Maritima te Delfzijl over te gaan op zeetransport. Dezelfde route Sedertdien vaart de Lutetia, die een laadvermogen heeft van 240 ton, een pendeldienst tussen de thuishaven en het ten noordwesten van Hamburg gelegen Itzehoe. Dat betekent dus: ruim drie jaar via de route Oostereems, Noordzee, Elbe en de bijzonder bochtige rivier Stör. Soms wordt de heenreis in ballast gevaren, soms met kolen uit Emden. Twee-en-half jaar heeft het schip op deze route gevaren met als kapitein de eigenaar R. Pilon te Appingedam, die ongeveer een jaar geleden het commando over gaf aan kapitein W. Hamminga. Ondanks de regelmaat van de „dienst" heeft men bij de bemanning weinig met verloop te maken gehad. Als de LUTETIA in het laatst van deze week voor de 250ste keer de lading zai lossen is er sedert het begin in januari 1958 ruwweg 60.000 ton kalk voor 16 Groninger fabrieken met dit schip aangevoerd. Daarbij komen nog ongeveer zeventig ladingen van de AEGIR, welke coaster in het najaar extra wordt ingezet als de fabrieken meer kalk nodig hebben.
1970-00-00: Final Fate:
1970 met een kapotte krukas opgelegd in Delfzijl. 18.01.1973 voor de sloop verkocht aan Frans Rijsdijk, Hendrik Ido Ambacht maar doorverkocht. (De teboekstelling wordt pas 06.01.1984 doorgehaald.) 1973 als 'Quiet Waters II' in gebruik als sportvisser voor Frans Vandenbroeck en Hans Mittrach te Ostende, België. 10-1973 'Marcella II', Marcella Sportvissen (Gilbert van Nieuwenhuyze & Arthur Matagne), Ostende, België. In 1989 certificaten ingetrokken vanwege slechte staat en opgelegd en in 1990 gesloopt bij de Brugse Scheepssloperij te Brugge.
1971-02-17: NvhN 17-02-1971: Aegir, Lutetia en Forto verkocht. De in Delfzijl thuisbehorende motorkustvaartuigen Aegir, Forto en Lutetia van de heer R. Pilon te Appingedam zijn verkocht aan de Scheepssloperij en Schroothandel Frank Rijsdijk Holland NV in Hendrik Ido Ambacht. De Aegir werd in 1929 gebouwd bij de scheepswerf Gideon J. Koster Hzn„ te Groningen: zij behoort tot het gladdektype en heeft een draagvermogen van 250 ton bij 195 bruto register ton. Het schip is voorzien van een 150 pk Deutzdieselmotor. De Forto werd in 1927 bij dezelfde werf gebouwd en meet 515 ton bij 370 bruto register ton. Het schip, dat reeds eerder in de vaart was onder de namen Veenenburgh en Batavier VII, behoort tot het gladdektype en is voorzien van een 350 pk MAN-dieselmotor. De Lutetia heeft al eerder onder de namen Ameland en Rapid gevaren, werd in 1929 eveneens bij Gideon (Koster) gebouwd, meet 255 ton bij 191 bruto register ton en is voorzien van een 195 pk Deutz-dieselmotor.

Gezagvoerders

Datum vanaf: 1963
Kapitein: Stegmeijer, Jan
Overige informatie: *28.01.1934 en overl. 17.02.2015

Afbeeldingen


Omschrijving: RAPID
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: RAPID
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: LUTETIA
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: LUTETIA
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: LUTETIA uitgaand Delfzijl.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: LUTETIA
Gemaakt door: Hocquard, D.P. (Dave)

Omschrijving: LUTETIA in 1970 opgelegd te Delfzijl.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: LUTETIA in 1970 opgelegd te Delfzijl.
Gemaakt door: Goudriaan, J. (Koos)