Inloggen
MELISSA - ID 4200

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1936
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
Nat. Official Number: 5763 Z ROTT 1936
Categorie: Tanker
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: Tanker, Oil
Type Dek: Trunk deck
Masten: One mast
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: N.V. Industrieële Maatschappij 'De Noord', Alblasserdam, Zuid-Holland, Netherlands
Werfnummer: 560
Launch Date: 1936-00-00
Delivery Date: 1936-09-00
Technical Data

Engine Manufacturer: Humboldt-Deutz Motoren A.G., Cologne (Köln), Germany
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 8
Power: 400
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz Type (11-17 11/16)
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 540.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 252.00 Net tonnage
Deadweight: 717.00 tons deadweight (1016 kg)
 
Length 1: 181.80 Feet (British) ***Unknown***
Beam: 27.80 Feet (British) Breadth, moulded
Depth: 10.80 Feet (British) Depth, moulded
Ship History Data

Date/Name Ship 1936-08-29 MELISSA
Manager: N.V. Tank Kustvaart, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Tank Kustvaart, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PFXV

Ship Events Data

1936-00-00: “De Noord” was met ƒ 124.829,-- de laagste inschrijver. Voorjaar 1936 te water gelaten, 09-1936 officiële proefvaart op de Noordzee en opgeleverd (LR) als MELISSA aan N.V. Tank Kustvaart,Rotterdam.
1936-08-10: De Banier 10-08-1936: Ablasserdam. Van een der hellingen der N.V. Industrieele Maatschappij „De Noord" alhier is heden met goed gevolg te water gelaten het voor Nederlandsche rekening in aanbouw zijnde motortankschip „MELISSA". De hoofdafmetingen van dit schip zijn: lengte over alles 189 vt., lengte tusschen de loodlijnen 178.2 vt., breedte 27.9 i vt., holte 11.24 vt. Het laadvermogen bedraagt bij een diepgang van 10.8 vt., circa 675 ton; terwijl de totale tankcapaciteit 955 M 3 bedraagt. Ter voortstuwing zal in het schip worden gebouwd een 400-430 P.K. Deutz Dieselmotorinstallatie en twee stuks hulpaggregaten van 25 P.K. elk voor de aandrijving van 15 K.W. dynamo's en hulpcompressor. Verder zal in de machinekamer worden geplaatst een ballastpomp terwijl een tweede ballastpomp geplaatst wordt in de voorpiek. Voor het verwerken van de lading zal worden geplaatst een stoompomp met een capaciteit van 100 ton per uur, terwijl tevens geplaatst wordt een electrisch gedreven Houtuinpomp van 140 M 3 per uur. In de machinekamer zal geplaatst worden een „Cochran" donkeyketel van 600 Ft 2 welke met olie gestookt wordt, en welke stoom levert voor de speciale verwarmingsspiralen in de ladingtank. Het geheele schip zal electrisch verlicht worden, terwijl ook in de verblijven een centrale verwarming is aangebracht. Het is voorzien van Maier Form en gebouwd volgens Klasse Lloyds 100 Al en Nederlandsche Scheepvaartinspectie.
1936-09-01: Op 01-09-1936 als MELLISSA, zijnde een motortankschip, metende 1529.68 m3, liggende te Rotterdam, door B. Klop, scheepsmeter te Rotterdam, ten verzoeke van de N.V. Tank Kustvaart te Rotterdam, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 5763 Z ROTT 1936 op het achterschip midscheeps op het achterschot W.C. en wasplaats.
1939-11-09: Final Fate:
01-11-1939 vertrokken van Zelzate naar Lissabon met een lading creosoot. Op 09-11-1939 om 02:15 uur t.h.v. Kaap Raso, Portugal in slecht weer op de kust verdaagd, om 05:00 uur kwam hulp van de wal en konden de 9 bemanningsleden het schip verlaten, in tweeën gebroken en tot wrak geslagen. De kapitein is door de Raad van Scheepvaart de bevoegdheid ontnomen om voor één jaar en 6 maanden te varen als kapitein op een schip.

Verslag van de Raad voor de Scheepvaart: No. 36. St. Crt. 17 April 1941, no. 74.
Stranding van het motortankschip “MELISSA” op de Portugeesche kust ter hoogte van Kaap Raso; betrokkene: kapitein B.J. van B., B. en H; Klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen den kapitein van vermeld vaartuig, wegens het misbruik maken van sterken drank. Op 9 November 1939 is het motortankschip “Melissa” ter hoogte van Kaap Raso op de Portugeesche kust geloopen en wrak geslagen. De kapitein—betrokkene en aangeklaagde—is niet verschenen. Tegen hem wordt verstek verleend en de zaak buiten zijn tegenwoordigheid behandeld. Het motorschip “Melissa” was een Nederlandsch tankschip, metende 539,98 bruto, 252,43 netto-registerton, van de N.V.Tank Kustvaart te Rotterdam. Het in 1936 gebouwde vaartuig was op na te melden reis bemand met 9 personen. De verklaring van den eerste C.T., bij het voorlopig onderzoek afgelegd, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op den 1 November 1939 vertrok de “Melissa” van Selzate in Belgie met bestemming Lissabon; diepgang 11 voet. Het schip was geladen met creosoot. Reeds bij vertrek uit Schiedam—eind Ocktober—had hij er den kapitein opmerkzaam op gemaakt, dat er geen zeekaart van groot bestek van de Portugeesche kust aan boord was. De kapitein heeft moeite gedaan zulk een kaart te krijgen, doch heeft toen niets anders dan een blue back van het Engelsche Kanaal tot aan den de zuidkust van Spanje kunnen bemachtigen. Later, in Belgie, heeft hij geen moeite meer gedaan een behoorlijke kaart te verkrijgen en beweerde, dat hij de kust bij Portugal wel uit het hoofd kende. De kapitein maakte misbruik van sterken drank en verkeerde menigmaal in een benevelden toestand. Nog voor het passeren van Kaap Finisterre, terwijl het zwaar stormweer was, kwam een groot motorschip in zicht, dat de gewone lichten voerde. De kapitein meende met een in nood verkeerend vaartuig te doen te hebben en met veel moeite is gemanoeuvreerd om in de nabijheid te komen. Toen men dicht bij het schip genaderd was, seinde dit, dat geen assistentie noodig was. Op 7 November te 7 uur 's avonds bevond de “Melissa” zich op ongeveer 15 mijl afstand van Kaap Carboeiro. Om 6 uur 's middags hat getuige den kapitein reeds geadviseerd om uit te sturen, omdat hij oordeelde te dicht onder de kust te zijn en hij het gevaarlijk achtte met het slechte weer tusschen de Burlings door te varen, nu bovendien slechts een kaart van klein bestek aan boord was. De kapitein heeft, toen hij daarna op de brug kwam, eerst nog een paar streken ingestuurd en vervolgens weer den ouden koers. De tweede-stuurman,die hierna op wacht kwam, heeft het schip tusschen de Burlings door gestuurd. Den 9den November te 1 uur 's nachts kwam getuige weer op de brug. Hij zag het licht van Kaap Roca aan bakboord, dat te 1.40 uur op korten afstand werd gepasseerd. De koers was Z.t.W. (magnetisch),goed weer, helder zicht. De kapitein veranderde toen den koers tot Z.Z.O., waardoor Kaap Roca op ongeveer 5 streken aan bakboord kwam. Kort daarna kwam het licht van Kaap Raso op 1 streek aan bakboord in zicht. De kapitein vroeg hem naar het karakter van dit licht. Toen hij antwoordde; 'twee roode blinken', beweerde de kapitein, dat dit licht van een schip moest zijn, omdat het wit doorscheen. Niettegenstaande hij er den kapitein opmerkzaam op maakte, dat thans moest worden uitgestuurd, liet deze het schip nog steeds bakboord uitgaan tot Z.O.t.O., waarop het vaartuig omstreeks te 2.15 uur aan den grond liep. Even voordat het schip vastliep, was de kapitein van de brug gegaan, zeggende, dat hij koffie ging halen. Door een jongen werd koffie gebracht, doch de kapitein nam daar niet de minste notitie van; hij was weer geheel beneveld. Na de stranding nam hij dan ook niet de leiding. Seinen zijn gegeven om de aandacht te trekken. Omstreeks te 5 uur kwam hulp van den wal opdagen en is het schip verlaten. De kok,die gewond was, is naar het stuurhuis gedragen en later met behulp van lieden van den wal aan land gebracht. Het schip is geheel wrak geslagen. Bij het voorloopig onderzoek is o.m. Nog verklaard: Door den betrokkene / aangeklaagde: dat hij den 9den November 1939 omstreeks te 1.30 uur op de brug kwam, waar de eerste-stuurman de wacht had, die hem toen mededeelde, dat de afstand tot Kaap Roca ongeveer 2,5 mijl bedroeg; dat hij Kaap Roca daarop op de gis heeft gegrond en een kwartier later het licht van Kaap Roca ongeveer een streek aan bakboord in zicht kwam;dat hij met het doorzetten van dat licht geleidelijk den koers veranderde van Z.Z.O tot Z.O.t.O., dat hij gedurende deze koersverandering eensklaps een schok voelde, waarna, nadat de machine op halve kracht is gezet, hard s.b.-roer is gegeven, doch dat het schip kort daarop zwaar stootte en vast bleef zitten; dat hij van meening is, dat het vaartuig moet zijn ingezet; dat hij na het ongeval steeds de leiding heeft behouden en niet in benevelde toestand verkeerde, zulks in tegenstelling met hetgeen door den eersste-stuurman is verklaard; dat de eerste-stuurman het schip heeft verlaten en hij, kapitein, het laatst.En door den eerste-machinist A.W.: dat hij drie reizen met dezen kapitein heeft gemakt en geconstateerd heeft, dat de verhouding aan boord zeer slecht was, omdat de kapitein veel misbruik van sterken drank maakte en dan zeer lastig was, zoodat een ieder er voor zorgde geen verschil van meening met hem te krijgen; dat hij een reis voor deze noodlottige, daarvoor een klacht bij de rederij heeft ingediend, waarna de kapitein moest toegeven, dat de klacht gegrond was en beterschap beloofde; dat deze zich daaraan echter niet heeft gehouden en op de laatste reis na het passeren van Quessant opnieuw begon te drinken; dat hij den kapitein op den dag van de stranding omstreeks te 1.45 uur beschonken uit zijn hut zag komen en deze, toen hij hem (getuige) zorgelijk zag kijken, zeide, dat hij zich maar niet ongerust moest maken, want dat hij ter plaatse goed bekend was; dat de kapitein na de stranding geen leiding heeft genomen, maar het veiligste plaatsje aan boord heeft opgezocht. De ter zitting gehoorde getuigen hebben in hoofdzaak verklaard: Matroos J.K.: dat het zijn eerste reis was op de “Melissa”; dat het aan boord algemeen bekend was, dat de kapitein veel dronk; dat hij bij de koersverandering even voor de stranding den eerste-stuurman tot tweemaal toe heeft hooren zeggen: 'dat gaat verkeerd' , doch dat deze niet heeft ingegrepen; dat de kapitein na de stranding geen leiding heeft gegeven. Lichtmatroos A.C.v.d. B.: dat het ook voor hem de eerste reis op de “Melissa” was; dat hij uit eigen waarneming van het misbruik maken van sterken drank door den kapitein—iets,waarover aan boord veel werd gesproken—niets heeft bemerkt. Kok M.J.B.: Dat hij tijdens het ongeval te kooi lag en bij het naar boven gaan den enkel heeft gebroken; dat hij met behulp van een wippertoestel aan den wal is gebracht; dat de kapitein veel misbruik maakte van sterken drank; dat hij dat menigmaal heeft geconstateerd en geroken. Inspecteur H.J.V.: dat er inderdaad bij de rederij een klacht van den machinist tegen dezen kapitein is ingekomen; dat deze klacht toen is onderzocht, doch het onderzoek geen doorslaggevend bewijs heeft opgeleverd. De Raad is met den inspecteur-generaal voor de scheepvaart en op de door dezen aangevoerde gronden van oordeel, dat deze ramp te wijten is aan de schuld van den betrokkene. De Raad heeft zich nog afgevraagd, of de stuurman T. niet had behooren in te grijpen. Onder de gegeven omstandigheden kan de Raad echter geen vrijheid vinden den stuurman deswege eenig verwijt te maken. Dat de klacht gegrond is, neemt de Raad, op grond van de getuigenverklaringen, mede als bewezen aan.Daar hier verband bestaat tusschen het door den kapitein gemaakte misbruik van sterken drank en de door zijn schuld veroorzaakte ramp, meent de Raad voor beide zaken één straf te moeten opleggen. Deze straf moet zwaar zijn, daar hier geheel onnoodig een schip is verloren gegaan en de rederij van dezen kapitein alles in het werk heeft gesteld om hem van zijn drankmisbruik af te brengen. Mitsdien, rechtdoende bij verstek: Straft den betrokkene-aangeklaagde B.J.v. B.B. En H., door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van één jaar en zes maanden. Uitgesproken 4 April 1941.

Afbeeldingen


Omschrijving: Motortankschip 'Melissa' - krantenart. coll. H. de Groot
Gemaakt door: Unknown