Inloggen
GRUNO - ID 2602

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1930
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
IMO nummer: 5146251
Nat. Official Number: 1391 Z GRON 1930
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Rig: 2 derriocks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Scheepsbouw- & Reparatiewerf J. Vos & Zoon, Groningen, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 72
Launch Date: 1930-05-08
Delivery Date: 1930-10-23
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 4
Power: 120
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 1640 Type C/D (270x340)
Speed in knots: 7.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 198.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 126.00 Net tonnage
Deadweight: 255.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 12900 Cubic Feet
 
Length 1: 35.10 Meters ***Unknown***
Length 2: 32.71 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.30 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.75 Meters Depth, moulded
Draught: 2.49 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1930-10-09 GRUNO
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Hendrik Schuur & Engel Beck, Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NVHL
Additional info: Elk 1/2 deel. Call Sign 1934: PELL

Date/Name Ship 1939-00-00 GRUNO
Manager: Carebeka N.V., Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Hendrik Schuur & Engel Beck, Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PELL

Date/Name Ship 1948-03-09 HELEN
Manager: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Hessel Lugthart, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PEPS

Date/Name Ship 1959-00-00 HELEN
Manager: C. Holscher's Scheepvaartbedrijf (Holscher Shipping) N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Hessel Lugthart, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PEPS

Date/Name Ship 1965-04-09 HELEN
Manager: Helen Clifford Cherry (wed. Hessel Lugthart), Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Helen Clifford Cherry (wed. Hessel Lugthart), Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands

Ship Events Data

1930-10-10: Op 10-10-1930 als GRUNO, zijnde een motorschip, groot 562.09 m3, liggende te Groningen, door J. Gerrits, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Engel Beck, schipper te Oude Wetering en Hendrik Schuur, schipper te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1391 Z GRON 1930 op het achterschip op de luchtkap motorkamer stuurboordzijde.
1930-10-23: NvhN 24-10-1930: Delfzijl, 23 Oct. Op de Eems heeft met goed gevolg proefgestoomd het nieuwgebouwde motorschip "GRUNO". Dit schip is gebouwd onder klasse Germ. Lloyd en Scheepvaart-Inspectie op de werf van de heeren J. Vos en Zn. te Groningen voor rekening van den heer Schuur te Groningen. Het schip heeft afmetingen van 32.68 x 6 31 x 2.49 M. en is groot bruto 562.09 kub. M en netto 355.52 kub. M. De voortstuwing geschiedt met een 120 PK Brons motor, waarmee het een snelheid behaalde van 7 mijl. In de machinekamer is tevens nog een hulpmotor opgesteld voor aandrijving van een lenspomp en een compressor, terwijl zich op het mastdek nog een motordeklier bevindt. Het is alhier beladen met ijzeraarde en vertrok heden naar zijn bestemming Londen.
1932-10-06: Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Woensdag 10 Mei 1933, no.91.
No.31 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Gruno met de gesleepte tjalk Dwaal ik Wacht U op de Nieuwe Maas ter hoogte van de Leuvehaven te Rotterdam. Betrokkene: de kapitein van het motorschip Gruno Johannes Beek. Op 6 October 1932 is het motorschip Gruno in aanvaring geweest met de gesleepte tjalk Dwaal ik Wacht U op de Nieuwe Maas ter hoogte van de Leuvehaven te Rotterdam. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste de commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van het on geval zou instellen. Dat onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van den Raad op 20 Februari 1933 in tegenwoordigheid van dien inspecteur-generaal . De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde Johannes Beck kapitein van de Gruno tijdens het ongeval, aanvankelijk als getuige onder eede. Voorts werd ter zitting van den Raad voorgelezen de verklaring van den stuurman van de Gruno P. Sander, die van den schipper van de aangevaren tjalk A. Kap en die van den kapitein van de sleepboot, welke de tjalk tijdens de aanvaring sleepte H. Drooglever, welke verklaringen zijn afgelegd aan den expert der scheepvaartinspectie in het 2de district L. de Boer, blijkens diens op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal dd. 7 October 1932. Na het verhoor van den kapitein van de Gruno en na voorlezing van voormelde verklaringen besliste de Raad, dat het onderzoek tevens zou loopen over de vraag, of de aanvaring mede te wijten is aan de schuld van dien kapitein. De voorzitter heeft den getuige in kennis gesteld met die beslissing en hem ontheven van het verband van den eed, waarop de voorzitter hem doel en strekking van het verder onderzoek heeft uiteengezet en hem gelegenheid heeft gegeven tot zijn verdediging in te brengen, hetgeen hij daartoe dienstig zou oordeelen en om het laatst het woord te voeren. Uit het verhandelde op die zitting is den Eaad het navolgende gebleken. Het Nederlandsche motorschip Gruno is in 1930 te Groningen gebouwd van staal. Het is groot 198,41 bruto-, 125,50 nettoregisterton en behoort toe aan de Vrachtvaart „Gruno", te Groningen. Het voert de seinletters N V H L. Van de zijde van de Gruno is het volgende verklaard: Op 6 October 1932 had het vaartuig gelegen op een plaats naast den ingang van de Binnenhaven te Rotterdam; het moest even een plaats in de nabijheid van de aanlegplaats van de Spidobooten aan de Willemskade aldaar aandoen om papieren in ontvangst te nemen. Ongeveer te 3 uur in den namiddag voer het vaartuig weg van de Binnenhaven. Het was helder zicht met licht zuidwestelijke koelte. Er ging nog een weinig eb. Betrokkene stond als kapitein in het stuurhuis aan het roer. Het schip was leeg en lag hoog op het water. De stuurman en een matroos bevonden zich vóór op het schip om werkzaamheden te verrichten en tevens uitkijk te houden. Op ruimen afstand werd het Prinsenhoofd voorbij gevaren. Met het oog op het ebgetij was het de bedoeling met B.B.-zijde langs den wal te komen, zoodat, nadat het Prinsenhoofd was gerond, de rivier moest worden overgestoken. Nadat dit hoofd was gerond en de Gruno zich op een afstand van ongeveer 200 m van den noordwal ongeveer op de hoogte van de aanlegplaats der Spidobooten bevond, voorliggende O.N.O., zag betrokkene op een zelfden afstand even aan S.B.-zijde een tjalk, die later bleek de Dwaal ik Wacht U te zijn, welke werd gesleept door de sleepboot Neeltje. Om een aanvaring te voorkomen, gaf betrokkene dadelijk volle kracht achteruit met hard S.B.-roer, doch desniettegenstaande had des middags omstreeks te 3.30 uur een aanvaring plaats tusschen de Gruno en die tjalk. De Gruno kreeg een zware deuk aan S.B.-zijde en aan de voorpiek. Op de Gruno is geenerlei sein gegeven. Blijkens de verklaringen van den schipper van de aangevaren tjalk en van den kapitein van de sleepboot vertrok de tjalk, welk schip een binnenvaartuig is, metende 123 bruto-ton, en een lengte bezit van 21,96 m bij een breedte van 4,87 m, op 6 October 1932 van Puttershoek over Dordrecht niet een lading pulp, bestemd voor de Geestbrug bij den Haag. Het schip werd door de sleepboot Neeltje gesleept. Des middags op dien dag voer het schip onder de Maasbrug met gestreken mast en vervolgens onder de Boompjes langs, stijf aan den goeden wal, aan S.B.zijde van het vaarwater. Ongeveer ter hoogte van de Leuvehaven naderde het motorschip Gruno aan B.B.-zijde met flinke vaart, van welk motorschip, dat voor laatstgenoemde schepen overlag, geenerlei sein word vernomen. Even daarna kwam de Gruno, nadat op de sleepboot, om erger te voorkomen, de tros nog juist was losgegooid, tusschen de sleepboot en de tjalk, waarop het voorschip van de Gruno tegen het voorschip van de tjalk aanvoer. De tjalk werd zwaar beschadigd aan het voorschip, doch niet lek gestooten. De sleepboot heeft later de tjalk naar Delfshaven gesleept, nadat een zeil onder de tjalk was doorgehaald. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft ter zitting van den Raad als zijn meening te kennen gegeven, dat de kapitein van de Gruno een verzuim heeft gepleegd door niet voldoenden uitkijk te houden en door zonder eenig sein te geven te manoeuvreeren, zoodat de te gemoet varende schepen niet konden weten, welke manoeuvre de Gruno zou maken; dat deze kapitein aldus blijk heeft gegeven van slechte navigatie en geacht moet worden schuld aan de aanvaring te hebben. Betrokkene heeft ter zitting van den Raad nog verklaard — toegevende, dat hij onvoldoenden uitkijk heeft gehouden en heeft verzuimd een sein te geven —, dat het voorschip van de Gruno zóó hoog op het water lag, dat de uitkijk daardoor werd bemoeilijkt. De Raad voor de Scheepvaart spreekt het navolgende oordeel uit: Betrokkene wilde op een der drukste punten van de Nieuwe Maas voor Rotterdam de rivier oversteken, doch had zich vóór en bij die manoeuvre nauwgezet er van moeten vergewissen of hij deze veilig kon maken en wel in de eerste plaats door scherp uit te kijken. Toorts wilde hij tijdens of onmiddellijk na dat oversteken naar stuurboord uitdraaien, doch had alsdan het daarbij voorgeschreven sein moeten geven. In plaats van een en ander heeft betrokkene, hoewel het uitzicht volkomen helder was, bij voormelde manoeuvre niet voldoende uitgekeken, immers de sleepboot en de tjalk daarbij in het geheel niet opgemerkt, terwijl hij geenerlei sein heeft gegeven, zoodat door de te gemoet varende schepen, zooals de sleepboot en de tjalk, niet kon worden nagegaan, welke manoeuvre de Gruno zou maken. Voorts is de Gruno met flinke vaart tegen de tjalk aangevaren, hoewel de Gruno voor de zich aan S.B.-zijde van dat vaartuig bevindende tjalk, welk laatste vaartuig zich in de richting van het vaarwater bewoog en bovendien de goede zijde daarvan hield, had moeten uitwijken of tijdig moeten stoppen. Op de navigatie van de sleepboot en de tjalk is geenerlei aanmerking te maken. Ten gevolge van voormelde verzuimen aan de zijde van den kapitein van de Gruno is de aanvaring veroorzaakt, waaraan niet kan afdoen, dat, zooals betrokkene beweert, de uitkijk werd bemoeilijkt doordien de Gruno hoog op het water lag. De Raad is op grond van zijn onderzoek tot de overtuiging gekomen, dat de onderhavige scheepsramp te wijten is aan de schuld van betrokkene en dat die schuld een zóó ernstig karakterheeft, dat na te melden disciplinaire straf op hem moet worden toegepast. Straft den betrokkene Johannes Beek, geboren 13 Augustus 1906 en wonende te Groningen, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van veertien dagen. Aldus gedaan door de heeren mr. dr. F. C. van Geer, plaatsvervangend voorzitter, C. J. Canters, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, M. A. Hooykaas, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Baads secretaris, mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door den plaatsvervangend voorzitter prof. mr. B. M. Taverne ter openbare zitting van den Raad van 25 April 1933. (get.) F. C. van Geer, C. J. Canters, A. L. Boeser, van Walraven, M. A. Hooykaas. H. B, Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1933-10-11: Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatcourant van Dinssdag 19 December 1933, no.247.No.91 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Freerk Smid, kapitein van het motorschip Gruno, wegens het niet nakomen van zijn verplichting om aan de scheepvaartinspectie van een schadevaring kennis te geven. Op 25 October 1933 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud : , ,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart, verwijzende naar de stukken betreffende het aan het motorschip Gruno overkomen ongeval te Harlingen op 11 October 1933; overwegende, dat daaruit blijkt, dat kapitein Freerk Smid, toenmaals de haven van Harlingen verlatende, met zijn schip tegen het remmingwerk van het havenhoofd is geloopen, waardoor schade aan bakboordsvoorschip ontstond; overwegende, dat kapitein Freerk Smid, voornoemd, toenmaals verzuimd heeft van de beloopen schade en gedane herstellingen mededeeling te doen aan het districtshoofd van de scheepvaartinspectie en het betrokken klassebureau; overwegende, dat deze nalatigheden beschouwd moeten worden een misdraging op te leveren jegens de reederij en de schepelingen; gelet op de artt. 48 en 49 der Schepenwet, stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en kapitein Freerk Smid, voornoemd, te hooren." Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 49 der Schepenwet, besliste, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de gegrondheid van voorschreven klacht, welk onderzoek ter zitting van den Raad van 28 October 1933 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie naar het ongeval, aan het motorschip Gruno bij het verlaten van de haven van Harlingen op 11 October 1933 overkomen, en hoorde als getuige Hendrik Schuur, reeder, wonende te Groningen. De kapitein Freerk Smid, voornoemd, werd als aangeklaagde buiten eede gehoord. De voorzitter zette hem de beteekenis van de klacht uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren, hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Gruno is een Nederlandsch motorschip, metende 198,41 bruto-, 125,50 netto-registerton, onderscheidingssein N V H L, van de reeders H. Schuur en E. Beck, te Groningen. Nadat te Harlingen een lading aardappelen was ingenomen, vertrok het schip in den morgen van 11 October 1933 met bestemming Londen. Bij het verlaten van de haven liep het schip tegen het remmingwerk van het havenhoofd, waardoor schade aan b.b.-voorschip ontstond. Aangeklaagde heeft vervolgens de Onderlinge Vereeniging tot verzekering van schepen „Oranje", te Groningen, waarbij het schip verzekerd was, telefonisch kennis gegeven van de beloopen schade. De expert Visser van genoemde verzekeringsmaatschappij is daarop uit Groningen overgekomen en heeft de schade aan de Gruno en het remmingwerk opgenomen. Aangeklaagde vroeg den expert vervolgens of hij ook mededeeling van een en ander aan de scheepvaartinspectie moest doen. Expert Visser verklaarde zulks niet te weten. Aangeklaagde heeft hierop den heer Schuur opgebeld en stelde dezen dezelfde vraag, terwijl hij hem de beloopen schade uiteenzette, te weten eenige deuken in de platen en lekke nagels aan de hoekijzers Aan de bolders. De heer Schuur zou toen geantwoord hebben, dat het melden aan de scheepvaartinspectie in dit geval niet noodig was. Nadat de lekkage aan de hoekijzers der bolders met cement was gedicht en de keerkoppeling was hersteld, is op 12 October d.a.v. de reis naar Londen aanvaard, waar het schip op 14 October behouden aankwam. Na lossing is het ledig naar Groningen teruggekeerd voor volledig herstel der schade. Getuige Schuur, die, behalve reeder van de Gruno, tevens secretaris is van de Onderlinge Vereeniging tot verzekering van schepen „Oranje", bij welke vereeniging, gelijk reeds vermeld, het schip was verzekerd, bevestigt de verklaring van den aangeklaagde. Nadat een expert naar Harlingen was gezonden, belde kapitein Smid hem nogmaals, thans aan zijn woonhuis, op met de mededeeling, dat alles in orde was, terwijl hij vroeg of de scheepvaartinspectie ook moest worden gewaarschuwd. Getuige heeft daarop geantwoord, dat dit naar zijn oordeel niet noodig was. Voorts verklaarde deze getuige nog, dat het bestuur van de vereeniging „Oranje" steeds medewerkt, dat de kapiteins van de bij deze vereeniging verzekerde schepen hun verplichtingen volgens de wet nakomen, daar het bestuur dan ook gedekt is. Dit geval vond hij echter van te weinig belang. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat uit het onderzoek is gebleken, dat de klacht gegrond is, terwijl hier tevens is komen vast te staan, dat de Onderlinge Vereeniging tot verzekering van schepen „Oranje", die'haar medewerking had toegezegd, juist liet omgekeerde heeft gedaan, door liet schip te laten vertrekken zonder dat de scheepvaartinspectie met het ongeval in kennis was gesteld; dat het hier voor getuige Schuur zeer gemakkelijk ware geweest om, toen hij bericht van de schadevaring kreeg, de scheepvaartinspectie even te waarschuwen; dat dan nog de inspecteur, na een uiteenzetting van het geval te hebben vernomen, had kunnen beoordeelen, of het noodig was, dat de expert van de scheepvaartinspectie zich naar het schip zou begeven; dat trouwens hier ook art. 9 van het Schepenbesluit voorschrijft, dat aan het betrokken districtshoofd van de scheepvaartinspectie door of vanwege den eigenaar van herstellingen, welke aan het schip of aan de werktuigen zullen plaats hebben, kennis moet worden gegeven, hetgeen ook niet is gebeurd. De Raad is van oordeel, dat de klacht gegrond is. De kapitein heeft verklaard zeer goed te weten, dat hij verplicht was de scheepvaartinspectie in kennis te stellen met de plaats gehad hebbende schadevaring. Hij verklaarde, dat hij nog gevraagd had, of er niet kennis moest worden gegeven aan de scheepvaartinspectie, doch dat de getuige Schuur dit niet noodig vond. Getuige Schuur bezat in dezen de dubbele qualiteit van reeder en secretaris van de Onderlinge Vereeniging tot verzekering van schepen „Oranje". Van medewerking, welke in een met den voorzitter van den Raad voor de Scheepvaart in Mei 1932 gevoerde correspondentie door de vereeniging „Oranje" was toegezegd, is in deze zaak niet gebleken. Integendeel, het wordt den kapiteins wel moeilijk gemaakt hun wettelijken plicht na te komen, wanneer de verzekeraar verklaart zulks niet noodig te achten. De wet laat hier de beslissing niet aan den verzekeraar, maar aan de ambtenaren der scheepvaartinspectie, zoodat de omstandigheid, dat de verzekeraar het verantwoord achtte het schip te laten vertrekken voor de klacht in het geheel niet ter zake doet. Het gaat om de naleving van een wettelijke verplichting. In dit geval was de positie van den kapitein des te moeilijker, nu de secretaris van de vereeniging ..Oranje" tevens zijn reeder was. Het is om deze reden, dat de Raad meent ook thans nog met een berisping te kunnen volstaan. Mitsdien: Straft de Raad den aangeklaagde Freerk Smid, kapitein, geboren 25 Mei 1905, wonende te Groningen, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heer en prof. mi. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter, G. J. Lap, A. L. Boeser en B. C. van Walraven, leden, G. Botje, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 6 December 1933. (get.) B. M. Taverne, G. J. Lap, A. L. Boeser, van Walraven, G. Botje. „ H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1940-05-10: Te Harlingen en in een poging het schip voor de Duitsers te verbergen bij Franeker opgelegd. December 1941 door de Duitsers in beslag genomen. De teboekstelling bij het Kadaster wordt op 06.11.1941 doorgehaald. Op 07.03.1943 "Gruno" van H.J. Feldtmann, J.B. Block & J.H. Janke, Hamburg. In 1944 tijdens een luchtaanval op Kiel zwaar beschadigd en ten anker opgelegd. In 06.1945 te Kiel teruggevonden en na voorlopig herstel op eigen kracht naar Rotterdam gevaren voor reparatie’s bij Scheepswerf H. de Hoog. In 11.1945 weer terug aan de eigenaren.
1940-12-07: Op 7 december 1940 is het motorschip GRUNO in de Oostzee op de oostkust van het eiland Öland gestrand en met eigen middelen weer vlot gekomen. (zie Step 10)
1940-12-07: De Tijd 08-03-1941: Stuurman begreep order verkeerd Kapitein van gestrand motorschip staat terecht. De Raad voor de Scheepvaart heeft onder voorzitterschap van den heer B. M. Taverne behandeld de stranding van het motorschip „Gruno", metende 198,41 br.t. en toebehoorende aan H. Schuur en E. Beck te Groningen. Dit schip vertrok op 2 December 1940 van Delfzijl naar Marsviken. Op 7 December passeerde de „Gruno" om 5.20 uur den toren van Utklippen. Om 8 uur had de stuurman de wacht. Het was goed weer en helder zicht. De kapitein, die een langen dienst had gehad, wilde om negen uur naar kooi. Hij nam een peiling van het licht van Oelands Soedra Udde, op 9 mijl afstand, en gaf den stuurman opdracht, denzelfden koers door te sturen, totdat het licht west zou worden gepeild en daarna N.N.O. te sturen langs de kust. De stuurman, die niet gediplomeerd was, heeft echter verklaard, dat de kapitein order zou hebben gegeven om N.N.O. te sturen, wanneer het licht dwars was, hetgeen hij ook gedaan heeft. Den afstand tot den lichttoren, toen deze dwars was, schatte hij op ongeveer 5 mijl. Daarna passeerde de stuurman aan bakboord een baken met drie koppen. Om elf uur is de stuurman den motor gaan smeren. Een matroos stond toen aan het roer. Terwijl de stuurman in de motorkamer was, stootte het schip. De kapitein kwam, nadat hij wakker geworden was door het stooten, boven en constateerde dat het schip ongeveer 1% mijl uit de kust van Öland nabij Grasgard vast zat. Door ballast te werpen en de achterpiek leeg te pompen kwam het schip weer vlot. Hoewel ruim en machinekamer water maakten, gelukte het den kapitein de „Gruno" naar Kalmar te brengen. Uit het verhoor bleek, dat de 29-jarige stuurman, hoewel niet gediplomeerd, reeds vijf jaren stuurmanswerk doet. De 27-jarige kapitein, die zijn eerste reis met de „Gruno" maakte, kende den stuurman veertien dagen en had een goeden indruk van hem. De gezagvoerder was een avond en een nacht op de brug geweest en meende, dat hij nu wel het werk aan zijn stuurman kon overlaten. Hij had gewaarschuwd, dat het lichtschip er niet was en precies zijn orders gegeven. Volgens hem was er voldoende ruimte geweest, zoodat er niets te vreezen was geweest, als de stuurman zijn orders goed begrepen had De voorzitter vond het echter niet juist om de verantwoording te geven aan een ongediplomeerden stuurman, wanneer men op een plaats vaart, waar herhaaldelijk schepen aan den grond loopen, zooals dat bij Öland het geval is. De kapitein moet zelf in die oogenblikken op zijn post zijn. Daarom heeft de raad oek niet den ongediplomeerden stuurman, maar den kapitein aansprakelijk gesteld. De waarnemend inspecteur- generaal, de heer Mante, wees op het verschil tusschen de verklaringen van den kapitein en den stuurman. Volgens den inspecteur-generaal is de stranding te wyten aan de slordige navigatie van den stuurman. Deze had zeker niet de wacht mogen verlaten om den motor te gaan smeren. Hij zag het baken, toen het te laat was. Voor dien tijd had hij het reeds moeten zien. Den gezagvoerder treft geen schuld. Hij heeft immers de plaats bepaald en den veiligen koers aangegeven. Na een lange wacht moest de kapitein wel rusten. De stuurman, die toch ervaring genoeg had, had deze niet moeilijke taak naar behooren moeten kunnen vervullen. De inspecteur-generaal concludeerde tenslotte dat er geen sprake is van medeschuld van den gezagvoerder. De raad zal later uitspraak doen.
1948-03-11: Op 11-03-1948 als HELEN, zijnde een stalen motorvrachtschip, groot 564.98 m3 bruto inhoud volgens meetbrief afgegeven d.d. 05-02-1948 nr. 7237, liggende te Amsterdam, door S. de Jong, scheepsmeter te Amsterdam, voorzien van een nieuw brandmerk door het inbeitelen van 2332 Z GRON 1947 op het achterschip aan S.B. zijde in de lichtkap van de motorkamer, 7.25 m. uit hekplaat, 1.00 m. uit lengteas en 0.30 m. boven dek. (Opm.: De oude merken 1391 Z GRON 1930 zijn verwijderd.)
1949-01-29: Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant van Woensdag 27 Juli 1949, no.144
No.201 Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip ,,Helen" met het Engelse motorschip „Bucklaw" op de Noordzee. Op 29 Januari 1949 is het motorschip „Helen", op reis van New Castle naar Amsterdam, op 54 07' N.Br. en 00 36' O.L. tijdens mist in aanvaring geweest met het Engelse motorschip „Bucklaw" en is voor reparatie opgevaren naar Grimsby. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring. Bovendien besliste genoemde commissie, eveneens in overeenstemming met het desbetreffende voorstel van de inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, dat het onderzoek tevens zou lopen over de vraag of niet het ongeval mede te wijten is aan de schuld van de stuurman van de „Helen" J. Lugthart, wonende te Groningen. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 24 Mei 1949, in tegenwoordigheid van de inspecteur voor de scheepvaart J. H. Th. Eerman. De Raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie, waarbij processen- verbaal van de verhoren van de kapitein en de stuurman van de „Helen", zomede van een te Grimsby afgelegde scheepsverklaring, en hoorde de stuurman voornoemd als betrokkene buiten ede. Als getuige onder ede werd gehoord de kapitein H. Lugthart. De voorzitter zette de betrokkene, aan wie voormelde beslissing bij deurwaardersexploot was betekend, doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit de verklaringen en bescheiden is de Raad het volgende gebleken: Het motorschip „Helen" is een Nederlands schip, toebehorende aan de kapitein H. Lugthart, te Groningen. Het meet 199 brutoregisterton en wordt voortbewogen door een 120 pk. Brons-motor. Er bevonden zich totaal 7 man aan boord. Na een volle lading kolen te hebben geladen, vertrok de „Helen" op 28 Januari 1949 te 18.45 uur van Tynemouth met bestemming Amsterdam. De diepgang was vóór 6' 3", achter 9' 7". Het was aanvankelijk goed weer, maar op 29 Januari begon het bij vlagen mistig te worden. De kapitein, die de hondenwacht liep, verminderde vaart naar omstandigheden en gaf geluidseinen. Te 8 uur gaf hij de wacht over aan de stuurman. Vanaf 4 uur werd gestuurd Z.O.7/8 O., een koers, die leidde naar Texel- vuurschip. Op de voormiddagwacht werd het spoedig zeer dik. De stuurman nam het roer en had een matroos als uitkijk op de brug. De motor draaide langzaam; de voorgeschreven geluidseinen werden geregeld gegeven. Daar de kachel niet goed wilde trekken, veranderde betrokkene te 9.50 uur koers tot Zuid. Te 9.58 uur zag de uitkijk aan stuurboord een schip en meldde dit. Betrokkene zag het eveneens op 4 a 5 scheepslengten. Hij dacht, dat dit schip, dat later het Engelse motorschip „Bucklaw" bleek te zijn, Oost vóór lag en vrij snel voer. Tevoren had men geen sein gehoord. Betrokkene gaf terstond volle kracht vooruit en hard bakboord-roer, maar vergat twee korte stoten te geven. Tevens riep hij door middel van een bel de kapitein, die weldra op de brug was. Vrijwel onmiddellijk daarna trof de „Bucklaw" met de steven de stuurboordzijde van de „Helen", gleed er langs en kwam met haar bakboordzijde tegen de stuurboordzijde van de „Helen" te liggen en was weldra vrij. Geen van beide schepen had ernstige schade, maar daar enige nagels lekten, besloot getuige voor reparatie naar Grimsby te gaan. Ter zitting verklaart getuige, dat, toen hij op het waarschuwingssein op de brug kwam, de stuurman reeds volle kracht vooruit en bakboord-roer had gegeven. De „Bucklaw" werd gezien op zes streken aan stuurboord en gaf de indruk vrij veel vaart te lopen. Op het moment van de aanvaring hadden beide schepen een geringe snelheid, pet viel op, dat het mistsein van de „Bucklaw", hoewel te loeverd, zeer slecht hoorbaar was. Betrokkene verklaarde ter zitting, dat zijn vaart vóór de aanvaring twee mijl was. Hij zag plotseling de „Bucklaw" op zes streken aan stuurboord op vier scheepslengten afstand op hem aankomen. Hij is van mening, dat de door hem gemaakte manoeuvre de juiste was en dat achteruitslaan in de positie geen verbetering zou hebben gebracht. De inspecteur voor de scheepvaart voert aan, dat deze aanvaring van twee kleine motorschepen in dikke mist allereerst gevolg is van het feit, dat zij elkaar niet hoorden. Dit kan een gevolg zijn van het lawaai van de eigen motor of van de zwakte van de luchtfluiten. De uitkijk op de „Helen" stond op de brug. Het is beter, dat deze, zo de zeegang dit toelaat, bij mist voorop staat, omdat hij daar minder last heeft van de motor. Toen de „Helen" de „Bucklaw" zag, had zij deze aan stuurboord en moest dus uitwijken. Het was beter geweest, indien betrokkene toen volle kracht achteruit had geslagen. De inspecteur stelt de Raad voor, geen strafmaatregel toe te passen. De Raad is van oordeel, dat de aanvaring tussen de motorschepen „Helen" en „Bucklaw" allereerst is veroorzaakt door de destijds heersende dikke mist. Het is vreemd, dat de „Helen" de fluit van de „Bucklaw", die te loeverd van haar voer, niet heeft gehoord. De Raad kan zich niet verenigen met de afwijking van de koers te 9.50 uur om een reden, die niets met de navigatie te maken had. Betrokkene moest hebben begrepen, dat hij hierbij de koers van andere schepen, die de Noordzee overstaken, zou kruisen. Hoewel somtijds een aanvaring kan worden voorkomen door met volle kracht vooruit weg te lopen, verricht degeen, die deze manoeuvre uitvoert, deze geheel op eigen verantwoording. Hier was het beter geweest om na het geven van hard bakboord-roerde motor op volle kracht achteruit te zetten. De „Bucklaw" heeft blijkbaar volle kracht achteruitgeslagen. De Raad sluit zich aan bij de opmerking van de inspecteur voor de scheepvaart over de plaats van de uitkijk. In mist had de stuurman zelf moeten uitkijken en een matroos laten sturen. De Raad acht het niet nodig een strafmaatregel toe te passen. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, tweede plv. voorzitter, C. H. Brouwer, G. J. Barendse, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. A. Boosman, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad. (Get.) A. Dirkzwager; A. Boosman.
1970-06-00: Final Fate:
In 06.1970 te Hendrik Ido Ambacht gesloopt door Frans Rijsdijk.

Gezagvoerders

Datum vanaf: 1940
Kapitein: Vlietstra, Jan
Overige informatie: 0

Afbeeldingen


Omschrijving: Gruno 1930 (Vos)
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Gruno (bj 1930)
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Gruno 1930
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Gruno 1930.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Helen 1930 (ex Gruno)
Gemaakt door: Lindenborn, M. (Marien)

Omschrijving: Helen 1930 ex Gruno eind 60er jaren te Krimpen a/d IJssel.
Gemaakt door: Goudriaan, J. (Koos)

Omschrijving: Helen 1930 ex Gruno.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Helen 1930 ex Gruno
Gemaakt door: Unknown
Algemene informatie

EB 110341
Stranding van het motorschip GRUNO.
De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam heeft vrijdag onder voorzitterschap van de heer B.M. Taverne behandeld de stranding van het motorschip GRUNO, metende 198,41 brt en toebehorende aan H. Schuur en E. Beck te Groningen.
Dit schip vertrok op 2 december 1940 van Delfzijl naar Marsviken (opm: Åland Eilanden) en is ongeveer 1½ mijl uit de kust van Öland vastgelopen, toen de kapitein naar kooi was en de stuurman het commando voerde. Door ballast te werpen en de achterpiek leeg te pompen, kwam het schip weer vlot. Hoewel ruim en machinekamer water maakten, gelukte het de kapitein de GRUNO naar Kalmar te brengen.
Uit het verhoor bleek, dat de 29-jarige stuurman, hoewel niet gediplomeerd, reeds vijf jaren stuurman werk doet. De 27-jarige kapitein, die zijn eerste reis met de GRUNO maakte, kende de stuurman 14 dagen en had een goede indruk van hem. De gezagvoerder was een avond en een nacht op de brug geweest en meende, dat hij nu wel het werk aan zijn stuurman kon overlaten. Hij had gewaarschuwd, dat het lichtschip er niet was en precies zijn orders gegeven.
Volgens de inspecteur-generaal was de stranding te wijten aan slordige navigatie van de stuurman. De gezagvoerder treft geen schuld. De Raad zal later uitspraak doen.

(opm): Uitspraak No. 47 van de Raad voor de Scheepvaart, geplaatst als bijvoegsel in de Nederlandsche Staatscourant van 15 mei 1941, no. 94:
Zij straft de betrokkene Jan Vlietstra, kapitein, geboren 25 mei 1913, wonende te Zuidhorn (Gr.), door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van veertien dagen, en de betrokkene Coenraad Vos, stuurman, geboren 30 Augustus 1911, wonende te Groningen, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein of stuurman te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van één maand.