Inloggen
FRISO - ID 2342

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1955
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
IMO nummer: 5619051
Nat. Official Number: 3350 Z GRON 1955
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: Two masts
Rig: 2 derricks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: N.V. Scheepsbouw- en Reparatiebedrijf Gebr. Sander, Delfzijl, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 200
Launch Date: 1955-05-25
Delivery Date: 1955-08-17
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 6
Power: 395
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 10200 Type 6ED (290x450)
Speed in knots: 9.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 399.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 198.00 Net tonnage
Deadweight: 463.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 24820 Cubic Feet
Bale: 23300 Cubic Feet
 
Length 1: 51.81 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 47.28 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 7.84 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.63 Meters Depth, moulded
Draught: 2.43 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1955-08-08 FRISO
Manager: Irish & Continental Shipping Co. Ltd., Dublin, Irish Republic
Eigenaar: Jan Klugkist, Dublin, Irish Republic
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PEEX

Ship Events Data

1955-05-25: Leeuwarder courant 26-05-1955: Kustvaarder „Friso" te water gelaten. Woensdagmiddag is bij de werf van de N.V. gebroeders Sander te Delfzijl de kustvaarder „Friso" te water gelaten. Het schip heeft een draagvermogen van 480 ton en is gebouwd voor rekening van rederij J. Klugkist te Dublin. De heer Klugkist is afkomstig uit Huizum.
1955-08-11: Op 11-08-1955 als "FRISO", zijnde een motorschip, metende 1129.29 m3 bruto inhoud volgens zeemeetbrief afgegeven te 's Gravenhage no 9926 d.d. 28-07-1955, liggende te Farmsum, door J.D.J. Postma, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Groningen, van brandmerk 3350 Z GRON 1955 voorzien door het inbeitelen op het achterschip aan B.B. zijde in achterkant dekhuis op de kampanje, 3.65 m. uit hekplaat, 1.60 m. uit de lengteas en 1.50 m. uit dek.
1960-10-24: Final Fate:
Op weg van Dunstone naar Aalborg met een lading kolen tijdens zware storm ten westen van Jutland vergaan in pos. 56-53N 05-22E. Een opvarende, machinist J. Dijkstra, kon worden gered door het Duitse ms 'Edmund Halm' maar de andere zes kwamen om het leven. t.w. D. Klein, Groningen. kapt., P.J. van Sweden, stuurman. (volgens Raad voor de Scheepvaart niet aan boord), S. van der Molen, Oranjewoud. kok., J. Williams, Dublin, matroos., K. Hayes, Wexford, matroos., F. Gethings, matroos.


Leeuwarder courant 24-10-1960: Huizumer coaster zinkende bij Jutland. De kustvaarder „Friso" uit Huizum. eigen aan de heer Jan Klugkist — die thans in Dalkey bij Dublin in lerland woont — meldde vanmorgen, dat het zinkende was op de Noordzee, honderdvijftig mijl ten noordwetsen van Esbjerg aan de westkust van Jutland. De luiken zijn losgeslagen, zo meldde de kapitein van het schip vanmorgen om 11.20 uur en het schip stond op punt van zinken. Tal van schepen zijn op weg naar het schip om hulp te bieden. De „Friso", 399 ton groot, heeft volgens een bericht uit Esbjerg zeven man aan boord. De „Friso" is in Huizum geregistreerd hoewel de eigenaar, de heer Klugkist, al jaren in lerland woont. De heer Klugkist is zelf niet aan boord; hij vertoeft momenteel met zijn echtgenote in ons land en bezocht dezer dagen nog zijn moeder, die in de Paulus Potterstraat te Huizum woont. Het schip kwam vanmorgen tijdens een storm met windkracht acht in moeilijkheden voor de Deense westkust ter hoogte van Ringköbing. Uit Thyboröen vertrok een Deens reddingvaartuig op weg naar het zinkende schip; twee Nederlandse, twee Russische, een Duits, een Engels en een Zweeds schip wijzigden hun koers om de „Friso" bij te staan en van de Noorse zuidkust vertrok een Catalina-reddingvliegtuig. Ook het Nederlandse fregat „De Bitter" stoomt met een zeventienmijls vaart op naar de aangegeven plaats. Het fregat kan niet voor vannacht ter plaatse zijn.


Friese koerier 28-10-1960: Stuurman kwam niet om met de Friso. Leeuwarden. — De 41-jarige stuurman P. J. van Sweden is niet, zoals aanvankelijk was gemeld, omgekomen bij de ramp met de kustvaarder Friso. De heer Van Sweden vaart sinds 13 september op de „Merwestad". De ramp met de coaster heeft dus geen zes doch vijf slachtoffers geëist. Gebleken is dat de stuurman van boord is gegaan wegens onenigheid met enige nieuwe bemanningsleden en dat de Friso zonder hem uit Dunstone naar Aalborg is vertrokken zodat het schip niet voldeed aan de gestelde minimum eisen voor wat de bemanning betreft. Overigens staat wel vast dat de ramp, ook met een stuurman aan boord niet te voorkomen zou zijn geweest. De heer Klugkist heeft inmiddels met klem de berichten tegengesproken dat de reddingssloep waarmee de 22-jarige Joh. Dijkstra uit Franeker zich in veiligheid stelde, lek zou zijn geweest. „De Friso was een nieuw schip, uitgerust met de modernste middelen en met zeewaardige en betrouwbare reddingssloepen". Aldus de heer Klugkist.

De Telegraaf 28-10-1960: „Friso" voer zonder een stuurman. Van onze speciale verslaggever; Amsterdam, vrijdag. De ramp van de voor Jutland vergane kustvaarder „Friso" heeft een wonderlijke onthulling opgeleverd. Terwijl de reder-eigenaar J. Klugkist en de enig overlevende, machinist Johan Dijkstra, ons dinsdagmiddag rustig in de waan lieten, dat er zes slachtoffers waren, zijn er in werkelijkheid vijf. De stuurman P. J. van Sweden (41), die als vermist werd opgegeven, bevond zich niet aan boord. De „Friso" voer zonder stuurman, en het schip voldeed niet aan het voorgeschreven minimum aan bemanning. De inspecteur voor de scheepvaart in het 3e district, de heer Smit te Groningen, heeft opdracht gekregen grondig te onderzoeken, waarom men de hand heeft gelicht met wettelijke bepalingen. Reeds is gebleken, dat stuurman Van Sweden enige weken voor de ramp de „Friso" voor een ander schip, de „Merwestad", heeft verwisseld, omdat hij onenigheid kreeg met enige nieuwe bemanningsleden. Onafwenbaar. Het staat vast, dat de „Friso" uit de Westengelse haven Dunstone zonder stuurman naar Aalborg vertrok. De verantwoordelijkheid berustte bij de helaas omgekomen kapitein van de kustvaarder. Nagegaan zal worden of reder Klugkist van deze omissie op de hoogte was en of de afmonstering van Van Sweden bij een Nederlandse consul is geschied. Daar de „Friso" de laatste tijd vrijwel nimmer in een Nederlandse haven kwam, was het niet moeilijk, aan controle te ontkomen. In koopvaardijkringen gelooft men niet, dat de aanwezigheid van de stuurman de ramp ook maar één minuut langer had kunnen afwenden.

Leeuwarder courant 25-10-1960: Drenkeling liet los en verdronk. Huizumer kustvaarder „Friso" vergaan bij Deense westkust. Zes opvarenden vermist, slechts één geredde: Franeker machinist. De Huizumer kustvaarder „Friso", eigen aan de heer Jan Klugkist, die sedert zeven jaar in Dalkey bij Dublin woont, is gistermorgen tijdens een zware storm voor de westkust van Jutland vergaan. Slechts één van de zeven opvarenden kon worden gered: de 22-jarige machinist Johannes Dijkstra uit de Burgemeester Okmastraat in Franeker. Een andere opvarende, die in een zwemvest dreef, liet de lijn los enkele seconden voordat hij aan boord van een Duits schip zou worden gehesen; hij verdween in de golven en verdronk. De bemanning van de „Friso" bestond uit kapitein Dicky Klein (30 jaar) uit Groningen, een stuurman, machinist Dijkstra, de kok Sietse Lammert van der Molen (18) uit Oranjewoud en drie matrozen. Twintig schepen van vele nationaliteiten en twee Catalina-reddingvliegtuigen hebben gisteren de gehele middag gezocht naar overlevenden. Het opsporingswerk is vanmorgen hervat. Er gloorde voor de redders vannacht weer enige hoop toen men een vuurpijl waarnam, maar tot dusverre is nog niet bewezen, dat deze door overlevenden van de „Friso" is afgeschoten. Omstreeks tien uur gistermorgen meldde de kapitein van de „Friso" — een in 1955 in Delfzijl gebouwde kustvaarder van 399 ton, die nog altijd in Huizum staat geregistreerd — dat zijn schip zich in een zware storm met uitschieters tot windkracht tien in moeilijkheden bevond op de Noordzee ten westen van Jutland op ongeveer 150 mijl ten noordwesten van Esbjerg. Om 11.20 meldde hij, dat de luiken waren losgeslagen en dat het schip op het punt stond te zinken. Nadien is er van de „Friso" niets meer gehoord. Het schip moet in een hel van golven terecht gekomen zijn bij de „Koffiegronden" ten westen van de Deense plaats Ringköbing. De „Friso" werd onbestuurbaar, dwarszeeën sloegen de luiken los en toen bovendien nog de lading cokes ging schuiven, was het pleit beslecht. Omstreeks half twaalf kapseisde het schip nog voordat een van de inmiddels gealarmeerde schepen en vliegtuigen ter plaatse kon zijn. Uitgeput: Machinist Dijkstra sprong van het kapseizende schip in een reddingboot, die al gevierd was, zo vertelde hij gistermiddag, toen hij totaal uitgeput omstreeks vijf uur 's middags aan boord van het Duitse schip „Edmund Halm" werd gehesen. Hij had zijn zwemvest om en voelde zich zeer zwak; zijn toestand bleek vanmorgen evenwel niet onbevredigend te zijn. „Ik sprong in mijn eentje en weet niet waar de anderen zijn", zei hij, maar hij vermoedde, dat er nog een tweede reddingboot met opvarenden van de „Friso" rond zou drijven. De reddingboot met de eerste machinist werd ontdekt door een van de Catalina-vliegtuigen, die met twintig schepen van verschillende nationaliteiten de gehele middag en ook nog tijdens de nacht hebben gezocht naar overlevenden. Verschillende schepen, waaronder Russische, Zweedse, Duitse, Engelse en Nederlandse, wendden hun steven naar de aangegeven plaats toen de Deense kustradio Blaavand het bericht van de moeilijkheden van de „Friso" doorgaf. Tot die Nederlandse schepen behoorden de kustvaarder „Cornelia B 2" en het Nederlandse fregat „De Bitter", dat met een zeventienmijls vaart koers zette naar de westkust van Jutland. Zes uren na het vergaan van het schip ontdekte een van de vliegtuigen de sloep met de machinist; op de aanwijzingen van de piloot wist het Duitse schip „Edmund Halm" de sloep te vinden en de eerste machinist in veiligheid te brengen. Bijna gered: Korte tijd later ontdekte het Duitse schip „Anita Thyssen", dat als eerste op de plaats van de ramp aanwezig was en de leiding van het reddingwerk op zich nam, een drenkeling, die in een zwemvest in de baaierd van golven ronddreef. Men wierp hem een lijn toe, de drenkeling wist het touw te grijpen, maar toen hij langs de flank van het Duitse schip omhoog gehesen werd en de opvarenden hun handen al uitstaken om hem binnenboord te halen, liet hij los en verdween in de golven. Men heeft hem niet weer gezien. Vannacht werd in de buurt, waar de schepen lagen die vanmorgen het zoeken zouden voortzetten, een vuurpijl waargenomen. Men heeft een flauwe hoop, dat deze afkomstig zou kunnen zijn van de tweede sloep van de „Friso", hoewel er voor de Deense westkust ook andere schepen — onder andere een Deense viskotter en het Engelse jacht „Sandra" — in moeilijkheden verkeren. Het Duitse stoomschip „Edmund Halm" is nu met de geredde machinist Dijkstra op weg naar Papenburg aan de Eems. Het schip, dat van Archangel onderweg is, wordt morgenmiddag voor de Eems verwacht. Inmiddels vertoeft de 24-jarige Zweedse verloofde van Dijkstra, Svea Margaretha Andersson, in Aalborg (Noord-Jutland) waarheen de „Friso" op weg was. Zij was er zondag al aangekomen om haar verloofde op te wachten. Maandagmiddag kreeg zij bericht dat de „Friso" vergaan was en dat Dijkstra was gered. Zij zal nu waarschijnlijk naar Emden reizen in de hoop daar morgen haar verloofde te kunnen begroeten. De „Friso" wordt bevracht door de Irish and Continental Shipping Corp. in Dublin, die onder de directie staat van de oud-Huizumer J. Klugkist en de oud- Groninger H. Pinkster. Deze rederij bevracht ook andere Nederlandse kustvaarders. De heer Klugkist vertoeft — zoals wij gisteren al meldden — op dit ogenblik met zijn echtgenote in ons land. Hij werd gistermiddag in Amsterdam op de hoogte gesteld van de ramp, die zijn schip getroffen had.


De Telegraaf 25-10-1960: Windkracht 10: kustvaarder kapseist. Zes zeelui vonden graf bij Jutland. Twintig schepen zoeken vergeefs. Van onze speciale verslaggever , Groningen, dinsdag. Een internationale vloot van ruim 20 koopvaardij- en vissersschepen en twee vliegboten der Deense marine hebben gisteren urenlang tevergeefs gezocht naar 6 vermiste opvarenden van de Nederlandse kustvaarder „Friso" (300 ton). De „Friso" kapseisde in een hel van hoge zeeën en harde windstoten ten westen van Jutland. Slechts één der 7 bemanningsleden, de eerste machinist Dijkstra, kon worden gered. Voor het lot van de jonge kapitein Dicky Klein (30) uit Groningen, de stuurman, de 2e machinist, de kok en drie man dekpersoneel werd gisteravond laat het ergste gevreesd. “Omstandigheden zeer slecht” Wij zinken !" — Deze vijf sobere woorden — gisterochtend om 11.20 uur via de noodgolf de ether ingeslingerd — kondigden het einde aan van het wanhopige gevecht van een zevenkoppige bemanning met de onbestuurbaar geworden kustvaarder „Friso". „Koffiegrond" Als positie werd ongegeven 50° 30 min. N.B. en 5° 30 min. O.L. Maar volgens peilingen van Deense radiostations kwam de laatste radioboodschap van de „Friso" van een punt ca. 10 km verder naar het zuiden. In de omgeving van een bank, ten westen van Jutland, welke de „Koffiegrond" wordt genoemd. De “Friso" was geladen met cokes. Waarschijnlijk is de lading gaan schuiven. Uit een kakofonie van geluiden waarbij van enige etherdiscipline bij-noodverkeer geen sprake was, bereikten ons meldingen van een gehele reeks schepen, die terstond koers zetten naar de plaats waar de zwaar slagzij makende kustvaarder onder de gesel van hevige windstoten (windkr. 10) ten onder was gegaan. Tot overmaat van ramp verkeerde ook het stuurloos geraakte Britse jacht „Sandra" in nood, zodat ten slotte niet meer uit te maken was, wie met wie sprak. Tot de schepen, die hun neus in de richting van de plek van de ramp richtten, behoorden o.a. het Nederlandse vrachtschip ..Cornelia", de Rus „Latvia", de Noor „Margit Broevig", de Zweed „Kare", Deense vissersvaartuigen en de Duitse vrachtvaarders „Hindenburg", „Kurland", „Francisca", „Anita Thyssen" en „Edmund. In sloep: Opvarenden van het laatste schip ontdekten tegen 5 uur 's middags een sloep, waarin een totaal verkleumde schipbreukeling bijna 6 uur lang een eenzame strijd had gevoerd tegen wanhoop en uitputting. Het was de eerste machinist Dijkstra, die, om 5.02 uur aan boord van de „Edmund Hall", zijn redders met zwakke stem in enkele zinnen zijn deel van het drama verhaalde: „De „Friso" maakte snel water. Het schip was onbestuurbaar. De luiken waren losgeslagen. Toen het kapseisde, sprong ik in mijn eentje in een al te water gelaten sloep. Ik weet niet, waar de anderen zijn." Eén van die anderen was het onbekende bemanningslid van de Friso", dat kort daarna door de "Anita Thyssen" (12256 ton) werd waargenomen. De man hing bijna bewusteloos in een zwemvest. Toen hem een lijn werd toegeworpen, moest hij deze krachteloos loslaten en gleed hij van halverwege de flankhoogte van het schip terug in de golven. Hij werd niet teruggevonden. Het is vrijwel zeker, dat enige andere bemanningsleden zich in een tweede sloep van de zinkende „Friso" hebben losgemaakt. Of deze sloep op haar beurt is omgeslagen, dan wel dat zij snel van de plaats van de ramp is afgedreven, is onbekend. Een Deense Catalina-vliegboot heeft een grote hoeveelheid wrakhout waargenomen. In charter: De „Friso" voer in time-charter voor een Zweedse maatschappij en was het eigendom van de Nederlandse kapitein en reder Jan Klugkist (50), die sedert 7 jaar met vrouw en kinderen in Dalkey bij Dublin woont. De heer Klugkist vormt samen met de oud- Groninger H. Pinkster de directie van de Irish and Continental Shipping Corp. Ltd., welke te Dublin is gevestigd. Zij treden als vertrouwensmakelaars op voor enige Nederlandse reders. De kapiteins van de bevrachte schepen zijn allen familie van elkaar De heer Klugkist bevond zich gisteren met zijn vrouw in Nederland. Na o.a. een bezoek aan zijn moeder en broer te Huizum (Fr.), logeerde hij zondagnacht bij zijn zwager, dr. M- R. J. M. Rens, directeur-geneesheer van het r.-k. ziekenhuis te Zevenaar. Gisterochtend 10 voor 11, toen de Friso zijn laatste strijd streed, stapten hij en zijn vrouw in de trein naar Rotterdam. Tevergeefs trachtte men hem in de loop van de middag en avond te bereiken. Een verzoek van mevr. Rens aan Hilversum om de heer Klugkist per radio te verwittigen, werd afgewezen.


De Volkskrant 25-10-1960: Vliegtuig vond wrakstukken. Kustvaarder vergaan. Zes opvarenden vermist. Eerste machinist gered. (Van onze correspondent) Leeuwarden, 25 okt. — De 399 ton metende Nederlandse kustvaarder „Friso" is maandag op de Noordzee, ten westen van Jutland, vergaan in een storm met windkracht 8 tot 9. Zes opvarenden worden vermist. Dit was maandagavond laat de conclusie van talrijke schepen en kuststations rondom de Noordzee, die urenlang mee hebben helpen zoeken naar het in nood verkerende schip, dat zeven man aan boord had. Het Duitse motorschip „Edmund Halm" heeft één opvarende van de „Friso", die alleen in een reddingboot zat, aan boord genomen. Het bleek de eerste machinist Dijkstra van de „Friso" te zijn. Het eerste wat de geredde machinist zei, was, dat de „Friso was gezonken. Een uitgebreid zeegebied is afgezocht naar een reddingboot, waarin nog vijf mannen zouden zitten. De boot is niet gevonden. De laatste radioboodschap van de „Friso" werd maandagmorgen om tien voor half twaalf ontvangen. Het Nederlandse schip meldde dat het negentig mijl ten westen van de Deense haven Esbjerg zinkende was. Diverse kuststations probeerden de juiste positie van het schip te peilen en uiteindelijk meende men dat het in moeilijkheden verkerende schip honderdvijftig mijl ten noordwesten van Esbjerg lag. De kapitein van de „Friso" had in zijn laatste boodschap ook verklaard, dat zijn schip onbestuurbaar was geworden en dat alle luiken waren losgeslagen. Talrijke schepen deelden over de radio mee naar de opgegeven positie te varen. Het waren Nederlandse, Duitse, Russische, Engelse en Zweedse schepen. Van een Noorse basis vertrok een Catalinavliegboot om aan het opsporingswerk deel te nemen. Het Nederlandse marinefregat „De Bitter" seinde dat het met een zeventienmijls vaart onderweg was naar de „Friso” . Het hoopte dinsdagochtend om vijf uur ter plaatse te zijn. Redding mislukt. De geredde eerste machinist Dijkstra was alleen van het zinkende schip gesprongen en had zich in een ronddobberende reddingboot kunnen werken. Het Duitse schip „Anita Thyssen" ontdekte een andere opvarende, die in het water lag. Bijna hadden de mannen van het Duitse schip de man aan boord, toen hij weer terug gleed. Men neemt aan, dat zijn zwemgordel niet goed vast zat. Het Catalina-vliegtuig ontdekte wrakstukken van de „Friso" op de positie: 56 graden 53 minuten noord en 5 graden 22 minuten oost. Maandagavond om kwart over tien werd het zoeken voorlopig gestaakt. Vanmorgen om zeven uur zal een hele vloot schepen opnieuw beginnen een groot stuk van de zee af te zoeken. De „Friso" was eigendom van de heer J. Klugkist, directeur van de „Irish Shipping Company" in Dublin. De heer Klugkist is afkomstig uit Huizum bij Leeuwarden. Het schip was ook geregistreerd als thuishorend in Huizum.


Algemeen Handelsblad 25-10-1960: Voor kust van Jutland. De Friso gezonken: zes doden. Alleen J.Dijkstra werd gered. Ik zie het allemaal nog voor me; dat beeld raak ik niet meer kwijt ' (Van onze verslaggevers) De ramp met de Nederlandse kustvaarder Friso, die zoals wij gisteren reeds moesten melden 60 mijl uit de kust van Jutland is gekapseisd en gezonken, heeft aan zes opvarenden het leven gekost. Eén man kon worden gered. Het is de eerste machinist J. Dijkstra, die ons vanmorgen telefonisch zijn sober relaas vertelde, diep onder de indruk van hetgeen zich voor zijn ogen had afgespeeld. De oorzaak was geweest het schuiven van de lading cokes. Sedert de eerste noodseinen van het schip, gistermorgen omstreeks elf uur, zijn twintig schepen uit de omgeving, alsmede twee vliegboten, onophoudelijk bezig geweest met het zoeken naar overlevenden. Slechts het invallen van de duisternis heeft de nasporingen voor enige uren onderbroken. Vanochtend werd de hoop, nog overlevenden te vinden, definitief opgegeven. Beeld ,,Ik zie nog steeds die zwemmende mensen en die sloep voor mijn ogen. Dat beeld raak ik niet meer kwijt," zo zei ons vanmorgen de eerste machinist J. Dijkstra uit Franeker, de enige die het leven er af gebracht heeft. Wij spraken hem toen wij vanmorgen de Duitse trawler Edmund Halm via het radiostation Norddeich aan de lijn hadden. Wanhopig: Wanhopig heeft machinist Dijkstra zes uur lang rondgedreven in en aan een half volgelopen reddingsloep. Hoe hij de kracht heeft kunnen opbrengen om zo lang in het ijskoude, hondsruwe water te worstelen is voor iedereen een raadsel voor hem zelf nog het meest. Vuile wind „We waren met cokes onderweg van Engeland naar Aalborg in Denemarken. Er woei een vuile wind en de zee was hol. Tegen acht uur gistermorgen begonnen de moeilijkheden. De deklast, 80 tot 100 ton cokes, begon te werken. De golven sloegen er een gedeelte van af; het overige deel hebben we zelf over boord gewerkt. “Slagzij ,,U kunt zich voorstellen wat dat betekent in zo'n hondeweer. Om vijf voor tien (het Deense radiostation geeft op vijf voor elf — red. Alg. Hbld.) maakte de Friso slagzij en niet gering ook. Binnen vijf minuten was alles voorbij en zonk het schip.
Het kruisje op deze kaart geeft de plaats aan waar de Nederlandse kustvaarder Friso gistermorgen is vergaan. De pijl wijst naar het radio-station Blaavand aan de westkust van Denemarken, even ten noorden van Esbjerg. " Zwemmen”,Op dat moment dreef onze reddingssloep op ongeveer 200 meter van het schip. Net voor de Friso zonk ben ik eraf gesprongen. Na 45 minuten zwemmen kwam ik eindelijk bij de reddingboot." “Godswonder” „Het is een Godswonder dat ik dat ooit heb gehaald. De boot was helemaal leeg, de riemen en alles was eruit geslagen. Het ding stond natuurlijk vol water. Het laatste wat ik van de bemanning heb gezien waren twee mensen die zwommen ik weet niet wie, en de kapitein, die zich vasthield aan een paar planken. " Zes Uren” „Hoe ik die zes uur ben doorgekomen, ik weet het niet. Maar voor al het geld van de wereld zou ik zo 'n nachtmerrie niet meer willen meemaken. In de loop van de dag ben ik drie keer uit de sloep geslagen en het kostte me in mijn gedachten uren om er weer in te komen." “Geen Hoop”, „Ik had eerlijk geen hoop meer, want het was hondeweer en wat is een half gezonken sloep in een opgejaagde zee? Zo'n ding is praktisch niet terug te vinden. " Redding” „U kunt zich voorstellen wat het was toen de Edmund Halm me opviste. Het ging allemaal heel nuchter en rustig, maar ik was heel blij, heel blij, toen ik dat schip onder mijn voeten voelde. Nu ben ik weer in goede conditie, alleen ben ik nog zo stijf als een plank. En ik zie steeds die zwemmende mensen en die sloep voor mijn ogen. Dat beeld raak lk niet zo gauw kwijt." Teruggevallen: De heer Dijkstra had ook gehoord dat het Duitse schip Anita Thyssen een reddingslijn had uitgegooid naar een drenkeling van de Friso. De man had echter de kracht niet om zich vast te houden en viel terug in zee Dat moet vermoedelijk lichtmatroos Francis Gethings zijn geweest, de arme drommel. Redenen: „Hoe is dat kapseizen nu precies in zijn werk gegaan, mijnheer Dijkstra kunt u daar wat van zeggen?” “Nee, dat doe ik liever niet. Daar heb ik mijn redenen voor , dat komt later wel...” Friso gezonken. Angst van zijn redders vernamen wij, hoe Dijkstra aan boord was gehesen van de Duitse trawler. „Angst, niets dan angst klonk uit de vragende woorden die hij slechts stamelend kon uitspreken, en die meteen zijn zes kameraden golden. Helaas moesten wrj hem de harde waarheid vertellen: van de anderen ontbrak ieder spoor." Een kwartier later leefde op een ander Duits schip, de Anita Thyssen, de hoop op dat een tweede drenkeling kon worden gered. „Daar drijft er een , riep plotseling een matroos. Onmiddellijk werd het schip een andere koers gegeven tot bij de man, die in een zwemvest op een van de Friso losgeslagen luik dreef.,, Wij gooiden hem een lijn toe", zo zei men later op de Anita Thyssen.,, Hij pakte hem, maar toen wij hem halverwege ons schip hadden opgetrokken, moest hij loslaten. Zijn krachten hadden hem begeven. Waarschijnlijk heeft zijn zwemvest niet goed vastgezeten. Anders hadden we hem gered. Nadat hij weer in het water was gevallen hebben wij niets meer van hem gezien. Hij moet zijn verdronken en dat net toen zijn redding o zo nabij was." . Eén man gered, een ander zeker verdronken. Dat was de balans na ruim zes uur zoeken door Catalina-vliegboten en niet minder dan twintig schepen. Maar men gaf de hoop niet op. De mogelijkheid bestond nog dat de vijf anderen in een tweede sloep op de woelige zee rondzwalkten. Hoop doet leven en het zoeken werd met onverminderde kracht voortgezet. De levens van vijf zeelieden stonden immers nog op het spel? Namen van de vijf waren: de 29-jarige kapitein D. Klein uit Groningen. Hij was gehuwd; zijn vrouw werd de gehele nacht gekweld door een ondragelijke angst en spanning; verder de 41-jarige P. J. van Sweden, de stuurman van de Friso, zonder vaste woonplaats, een bekwaam zeeman; de vierde Nederlander van het schip was de kok, S. van der Molen uit Oranjewoud, een jongeman van amper achttien jaar. Het dekpersoneel bestond uit Ieren: J. Williams uit Dublin, V. Hayes uit Wexford en F. Gethlngs eveneens uit Wexford. Volgens de geredde J. Dijkstra moet de laatste de man zijn geweest wiens redding zo zeer nabij leek, maar die toen hij aan boord van de Anita Thyssen werd opgehesen, weer in het water viel en voor goed verdween. De drie Ieren waren allen jongens tussen 17 en 20 jaar. Hoe later het gisteren werd hoe minder echter de hoop bleef leven. Het werd donker en de mannen van de Catalina-vliegboten konden al niets meer zien. Zij moesten naar hun bases terugkeren. Ook de twintig schepen staakten het zoeken toen het pikkedonker was geworden. Zij bleven echter in de buurt van de plaats van de ramp om vanochtend opnieuw uit te kijken naar eventuele overlevenden. Indruk: Het weer was vanmorgen nog bar slecht voor de Deense kust. Er woei een stijve oost-noordoosten bries met een windkracht vijf tot zes en het regende voortdurend, zodat er weinig zicht was. De mensen van het Deense radiostation Blaavand-Radio, met wie wij vanmorgen een gesprek hadden, waren diep onder de indruk van de gebeurtenissen. De gehele nacht hadden zij ingespannen zitten luisteren of er nog tekenen van leven te horen waren. Om kwart voor negen was er een bericht dat een vuurpijl was waargenomen, maar dat moet, zo bleek later, onjuist zijn geweest. De telegrafist van Radio-Blaavand vertelde ons: „Wij ontvingen dat rampzalige bericht van de Friso om vijf voor elf. Zij zeiden dat zij zinkende waren en verzochten dringend om hulp. Het gehele bericht duurde slechts twee minuten. Daarna bleef het stil." Wij vroegen de telegrafist daarop wat hij dacht van de berichten die vanmorgen zeiden dat het reddingwerk was bemoeilijkt door een ongedisciplineerd radioverkeer. ,,Dat is beslist niet waar", zo was het antwoord. „Onmiddellijk na het S.O.S. stoomden verscheidene schepen naar de opgegeven positie, maar het was volkomen gedisciplineerd. Iedereen heeft volgens de erecode van de zee schitterend geholpen. Er kon niet meer worden gedaan." ,,Op het ogenblik", zo zei hij ons vanmorgen om tien uur, „zijn nog elf schepen en enkele vliegboten aan het zoeken. De meeste schepen zijn van Duitse nationaliteit. Er zijn twee Nederlanders en een Liberiaan. Vooral de Liberiaan doet prachtig werk," aldus de telegrafist. Hij kende toen nog niet het verhaal van eerste machinist, J. Dijkstra, die vreesde, dat geen der anderen nog in een reddingboot had kunnen komen. Dat zou betekenen, dat de vijf vermiste mannen gistermiddag reeds zijn verdronken. Bij de mannen die aan het eind van deze ochtend op de schepen en in de vliegtuigen nog doorzochten verschrompelde dan ook elk vleugje hoop. De zee had opnieuw zijn tol geëist aan zes zeelieden, die nog in de kracht van hun leven waren.


Algemeen Handelsblad 25-10-1960: Eigenaar van de Friso volkomen overstuur.
(Van een onzer verslaggevers) De Friso voer, geladen met 380 ton cokes, in time-charter voor een Zweedse rederij. De eigenaar is de Nederlandse reder-scheepsmakelaar J. Klugkist, 50 jaar, die al sedert 1953 met vrouw en kinderen in Ierland woont en in Dalkey, bij Dublin, kantoor aan huis heeft. De heer Klugkist vertoefde gisteren toevallig juist op familiebezoek in Nederland. Hij had eerst zijn broer in Huizen (Fr.) bezocht en was daarna via zijn zwager, dr. M. R. J. M. Rens in Zevenaar, naar Rotterdam vertrokken. Gistermiddag om twaalf uur arriveerde hij bij zijn accountant in Rotterdam, die als contactman in Nederland optreedt voor zijn ,,Irish Continental Shipping Corp. Ltd." Daar kreeg hij voor het eerst te horen dat er iets met zijn schip aan de hand was. Men had namelijk een telefoontje binnen gekregen van radio Scheveningen, dat de Friso in gevaar verkeerde. Korte tijd later werd het duidelijk dat de Friso was vergaan en dat de bemanning niet tijdig van het schip was kunnen worden gehaald. De gehele verdere dag bracht de heer Klugkist in ondraaglijke spanning door. Hij vertrok met zijn vrouw naar Amsterdam en is vanmorgen op de eerste berichten, dat de geredde eerste machinist Dijkstra naar Duitsland zou worden gebracht, daarheen gegaan. Mevrouw Klugkist belde vanmorgen met haar schoonzuster in Zevenaar en vertelde, dat haar man door het gebeurde volkomen overstuur was.

NvhN 26-10-1960: Vermoeden zo goed als zeker. Johannes Dijkstra enige overlevende van scheepsramp met de Friso. Machinist vocht urenlang tegen zwiepende golven
Het is nu wel zeker dat de 22-jarige machinist Johannes Dijkstra uit Franeker de enige van de zeven opvarenden van de coaster Friso is, die als door een wonder aan de worsteling met de zwiepende golven aan de kust van Jutland is ontkomen. Na zijn urenlange strijd tegen het, woedende water en zijn redding door het Duitse schip Edmund Halm, is de geredde machinist thans in gezelschap van zijn ouders en de eigenaar van het gezonken schip, de heer J. Klugkist, onderweg van Emden naar Franeker. De vele schepen en vliegtuigen, die onophoudelijk naar overlevenden hebben gezocht, hebben hun pogingen moeten opgeven. Volgens de laatste berichten zou alleen nog het Duitse schip Claere Jung bij de plek des onheils rondstomen.
Duitse m.s.”Edmund Halm” de redder van Johan Dijkstra. ( De “Edmund Halm” is als “Latexo” onder Panama vlag 15 Juni 1982 gezonken te Dakar-Senegal.) De droeve lijst:
De jongeman, die (als gisteren gemeld) de bemanning van de Anita Thyssen voor ogen zag verdrinken, moet — zo meldt het Algemeen Handelsblad, dat een telefonisch onderhoud met Johannes Dijkstra heeft gehad — volgens de machinist de jonge Ier F. Gethings zijn geweest. De andere opvarenden, waarvan helaas moet worden aangenomen; dat ze de dood hebben gevonden, zijn de 29-jarige kapitein D. Klein uit Groningen, de 41-jarige stuurman P. J van Sweden, de 18- jarige kok S. van der Molen uit Oranjewoud, en de beide Ieren J. Williams uit Dublin en V, Hayes uit Wexford. De Ieren waren allen jongens beneden de 20 jaar. Drie maal uit sloep geslagen;
Het telefonisch uitgebrachte verslag van Johannes Dijkstra bevestigt de allersomberste vermoedens. Hij vertelde meer dan zes uren lang te hebben gevochten voor zijn leven, nadat hij van het snel zinkende schip in zee was gesprongen. Na drie kwartier zwemmen had hij plotseling de half onder water staande sloep van de Friso ontdekt, waar hij zich met inspanning van alle kracht in had weten te hijsen. Tot drie maal toe sloeg de sloep om en de moed en de hoop waren nagenoeg weggeëbd, toen de Edmund Halm hem oppikte. Cokes ging schuiven; Volgens Dijkstra's lezing is de deklast — 80 tot 100 ton cokes — heginnen te schuiven, waarna de Friso slagzij maakte en binnen enkele minuten zonk. Het schip was onderweg van Engeland naar het Deense Aalborg. Dijkstra heeft vannacht in Emden de Edmund Hal verlaten. Hoewel het aanvankelijk in de bedoeling lag, vanmiddag pas huiswaarts te keren, werd vanmorgen al de reis naar Franeker ondernomen. De reder, de heer Klugkist, verklaarde in Emden dat de heer Klein een uitstekende kapitein was, die in zijn loopbaan al vele moeilijke situaties het hoofd had geboden. Terug in de schoot van zijn familie Dijkstra vanmiddag in Franeker. (Van een onzer verslaggevers). Hoe voelt een familie zich, die ter elfder ure haar zoon heelhuids terug krijgt van een scheepsramp, die aan alle andere opvarenden het leven heeft gekost? Men hoeft slechts te kijken naar het geluk, dat de familie Dijkstra in de Burgemeester Okmastraat in Franeker smaakt bij de behouden terugkeer van hun zoon Johannes, de eerste machinist van de maandag bij Jutland vergane kustvaarder Friso, om dit te begrijpen. Het is geluk, vermengd met dankbaarheid en droefheid: droefheid over hen die niet gered mochten worden. En Johannes Dijkstra, die vanmiddag heelhuids in zijn ouderlijke woning is teruggekeerd, na door zijn vader en de reder J. Klugkist uit Emden te zijn opgehaald, is daar diep van door-drongen.
Rustige jongeman; Het is een rustige, bescheiden sympathieke jongeman, deze Johannes Dijkstra. Het is die rust ook, die kalmte, die hem maandag, overgeleverd in de woedende golven van de Noordzee, in een kleine sloep de juiste maatregelen deden treffen. Vader Dijkstra beklemtoont dat nog eens: „Ik heb hem altijd op het hart gedrukt, zijn kalmte onder alle omstandigheden te bewaren". „Wij hebben gedaan wat wij konden", zegt Johannes Dijkstra zelf. Na in de machinekamer van de slingerende Friso de motor afgesmeerd te hebben, is hij aan dek gegaan. Hij kwam daar juist op tijd om te zien, hoe drie geweldige brekers van het stevige schip een snel zinkend wrak maakten. In deze rampzalige situatie was het de kapitein die nog wist te bevelen: „Strijk die sloep!" Het is in deze bakboordsloep, waarin de machinist na 45 minuten te hebben gezwommen, terecht kwam en waarin hij zeven uren op zijn redding heeft gewacht. Hij had een roeispaan recht overeind in de boot gezet en daaraan de Nederlandse vlag bevestigd. Van de drie in de sloep aanwezige vuurpijlen heeft hij er één afgeschoten. De andere twee had hij voor de nacht willen bewaren. Dat was echter niet nodig, want vóór die tijd was de Duitser Edmund Halm al bij hem. In een golfdal; Eerder op de dag had Dijkstra al een geel verkenningsvliegtuig aan zien komen. „Ik heb nog gezwaaid, maar ze zagen me niet, want ik zat net in een golfdal", vertelt hij. „Die Duitser zag ik tien minuten voor hij bij me was al van bakboordachter aankomen. Gelukkig zagen ze me en ze draaiden bij in de wind en probeerden mij een „oppertje" te geven, zodat ik minder last van de golfslag zou hebben. „Daarna hebben ze me een hieuwlijn toegegooid. Die heb ik te pakken gekregen en ik ben aan boord getrokken, waar ze me eerst een paar flinke borrels hebben gegeven". Zo vertelt Dijkstra simpel het verhaal van zijn redding. „Het was een goed schip, de Friso", vertelde de heer Klugkist ons. Het was het lievelingsschip van de reder, deze vijf jaar oude coaster, en de opvolger van een oudere Friso, waarmee de heer Klugkist in de meidagen van 1940 als een van de laatsten uit IJnuiden wegvoer vóór de Duitsers dit onmogelijk maakten. Met die oude Friso, die in de oorlog voor de geallieerden voer, zijn verschillende mensenlevens gered. „En daarom had ik mijn nieuwe Friso ook zo goed mogelijk laten inrichten, als herinnering daaraan" vertelt de heer Klugkist. Woord van dank; Zowel machinist Dijkstra als zijn vader verzochten ons, vooral melding te maken van hun diepe erkentelijkheid voor kapitein Groninga van de Edmund Halm en aan allen op dat schip, die zich zo manmoedig hebben ingezet voor de redding. De heer Klugkist verbond daaraan ook zijn dank voor alle schepen, die zo onvermoeid aan het opsporingswerk naar overlevenden hadden deelgenomen. Met het schip meegezogen? Zeer onder de indruk arriveerde de enige overlevende van de ramp met de Friso, Johannes Dijkstra vanmorgen in Groningen, waar hij met zijn ouders en de heer Klugkist een kort bezoek bracht aan mevrouw Klein, de echtgenote van de kapitein, die zo goed als zeker de dood in de golven heeft gevonden. Een tragische bijzonderheid is dat de heer Klein juist een betrekking aan de wal had voorbereid. Zaterdag j.l. heeft hij nog met zijn echtgenote getelefoneerd, bij welke gelegenheid hij zei dat het schip een kleine motorstoring had. Dijkstra was nauwelijks in staat, een korte samenvatting van de noodlottige gebeurtenissen te geven. Hij vertélde, de anderen nog overboord te hebben zien springen. Zijn vermoeden is echter dat zij in de kolkingen van het zinkende schip werden meegezogen.


De Waarheid 26-10-1960: Slechts één overlevende van Friso. Reddingspogingen zijn nu gestaakt. De enige overlevende van de bij de Deense kust gezonken Nederlandse kustvaarder „Friso", de 22-jarige eerste machinist Johan Dijkstra uit Franeker, is vanmorgen vroeg aan boord van het Duitse schip „Edmund Holm" in Emden aangekomen en aan land gegaan. Dijkstra was nog zeer onder de indruk van de gebeurtenissen. Hij vertelde, dat de cokeslading bij slecht weer was gaan schuiven, waarna het schip snel kapseisde. De opvarenden konden nog enige boten in het water laten voor zij over boord sprongen. Dijkstra zwom ongeveer 20 minuten en kon toen een boot bereiken. Hierin dreef hij zes uur rond tot de „Edmund Holm" hem oppikte. Net te laat. Na langdurige opsporing, waaraan door tal van schepen werd deelgenomen, heeft men het zoeken naar de overige bemanningsleden van de Friso gestaakt. De schepen waren op één lijn geformeerd en voeren daarna door het SOS-gebied, 90 mijl ten noordwesten van Ésbjerg. Het Russische schip Latvia voer achter deze linie zigzagsgewijs om het zoeken naar eventuele drenkelingen zo effectief mogelijk te doen zijn. Machinist Dijkstra werd aangetroffen op een omgeslagen reddingsboot. Hij vertelde, dat de Friso, voordat hij kapseisde, al geruime tijd stuurloos had rondgedreven. Hij was overboord gesprongen toen het schip omsloeg en zonk.
De tweede opvarende van de Friso, die vlak voor zijn redding verdronk, dreef rond op een houten luik, met een reddingsgordel om. Het vrachtschip „Anita Thijssen" ontdekte hem en wierp hem een lijn toe. De ongelukkige was echter niet in staat het touw te grijpen.


Leeuwarder courant 26-10-1960. Zoeken naar „Friso" gestaakt. Machinist J. Dijkstra uit Franeker vandaag thuis. Het zoeken naar overlevenden van de Huizumer kustvaarder „Friso", die maandag voor de westkust van Jutland is vergaan, is gestaakt. Er is maar één overlevende van de ramp: de 22-jarige machinist Johan Dijkstra uit Franeker. Hij is vannacht door het Duitse schip „Edmund Halm", dat hem redde, in Emden aan wal gezet, waar hü werd opgewacht door zijn vader, zijn oom B. Vlasman, eveneens uit Franeker, en de eigenaar van de „Friso", de heer J. Klugkist. Machinist Dijkstra wordt vandaag in de ouderlijke woning aan de Burgemeester Okmastraat te Franeker terug verwacht. Zijn verloofde, de 24-jarige Zweedse Svea Margaretha Andersson, was zondag al naar Aalborg in Noord-Jutland gereisd om de machinist te begroeten. Zij zou zich ook zo spoedig mogelijk naar Emden of Franeker begeven. Johannes Dijkstra vertelde, dat hij drie kwartier heeft moeten zwemmen voordat hij de ronddrijvende sloep van de „Friso" wist te bereiken. De sloep bood op de wilde golven evenwel weinig zekerheid. Tot driemaal toe sloeg hij er uit, doch dank zij zijn zwemvest wist hij zich drijvende te houden en steeds weer do sloep te bereiken. Hij had nog twee andere opvarenden zien zwemmen, onder wie kapitein Klein, die zich aan een plank vastklampte, maar later had hij hen niet meer gezien. Het zoeken naar overlevenden is gisteravond zo goed als gestaakt. Gisteren nog heeft een groot aantal schepen systematisch de plek afgezocht, waar de „Friso" is gezonken. Op initiatief van het Liberiaanse schip „Francesca" formeerden alle schepen zich in één lijn, waarna ze langzaam door het zeegebied ten westen van Ringköbing voeren; het Russische schip „Latvia" voer zigzaggend achter de rij schepen. Gisteravond hebben alle schepen hun koers vervolgd. Alleen het Duitse oorlogsschip „Z-l" bleef achter. De zes slachtoffers van de ramp zijn de kapitein Dicky Klein (30) uit Groningen, de stuurman P. J. van Sweden (41), zonder vaste woonplaats, kok Sietse Lammert van der Molen (18) van Oranjewoud en de lerse matrozen Vincent Hayes (17), Francis Gettings (18) en J. Williams (20).
De Telegraaf 26-10-1960: Machinist „Friso” zwom 7 uur voor zijn leven in storm. Van onze speciale verslaggever Franeker, woensdag.Terwijl alle hoop op het wonder van meer overlevenden was weggeëbd, heeft vannacht de 22-jarige machinist Johannes Dijkstra van de voor Jutland vergane kustvaarder „Friso" in Emden voet aan wal gezet. De eersten, die hem daar begroetten, waren zijn vader en een oom, en de eigenaar van het schip, de heer J. Klugkist, die gistermiddag samen per auto uit Franeker (de woonplaats van de Dijkstra's) naar Emden zijn gereden. Johannes Dijkstra zal vandaag naar Franeker terugkeren, waar zijn moeder sedert een gisterochtend met hem gevoerd radiotelefonisch gesprek de uren heeft geteld. De eerste, die de enige overlevende van de „Friso"-ramp in Franeker aan de telefoon kreeg, was niet zijn vader of moeder maar buurman Van Dijk, die de verbinding met de Duitse vrachtvaarder „Edmund Halm" via een Duitse telefoniste tot stand hoorde brengen. 2 anderen gezien. „Vader?" zei de wat schorre stem aan boord van de langzaam naar de monding van de Eems koersende „Edmund Halm". „Nee, je spreekt nog met buren", antwoordde de heer Van Dijk. „Ik ben alleen overgebleven", klonk het langzaam. „Ik sprong van de „Friso", vlak voordat het schip zonk. Ik zwom drie kwartier lang, voor dat ik een sloep bereikte. De boot dreef zonder riemen en vol water rond." „Van de anderen zag ik ondertussen twee man, die zwemmend trachtten zich in veiligheid te brengen. De kapitem klampte zich vast aan een plank. Ik heb hem niet meer teruggezien. Voordat ik werd opgepikt, moeten er 6 a 7 uur zijn verstreken. Tot driemaal toe sloeg ik overboord. Gelukkig had 'ik mijn zwemvest aan en iedere keer wist ik weer bij de sloep te komen". De redding zelf verliep zo kalm, dat het Johannes Dijkstra bijna onwerkelijk voorkwam. Thuis op verhaal: Gloeiend hete koffie en kleren hielpen een door en door verstijfde maar sterke jongkerel weer wat op zijn verhaal. Zijn stem brak de spanning in het huis van de Dijkstra's aan de Burgemeester Okmastraat te Franeker, waar niet alleen zijn vader en moeder maar ook zijn daar toevallig ziek liggende zuster Richtje (25) en de reder Klugkist geen woord wilden missen. Ondertussen hebben ook gisterochtend 14 schepen en drie vliegboten het zoeken naar de andere opvarenden voortgezet. Dinsdagmiddag werd het zoeken praktisch gestaakt. Slechts één schip, de Duitse oorlogsbodem „Z-l" bleef op de plek achter, waar kapitein Dicky Klein (30. 3 kinderen van 4, 3 en nog geen jaar oud) en zijn mannen hun zeemansgraf vonden. De vijf anderen zijn: de stuurman P. J. van Sweden (41), de kok S. van der Molen en ds drie lerse matrozen Vincent Hayes (17) en Francis Gettings (18) beiden uit Wexford, en Williams uit Dalkey, de woonplaats van reder Klugkist.

De Waarheid 27-10-1960: Enige overlevende „Friso” ramp weer thuis. Machinist 7½ uur in sloep op onstuimige zee. De 23-jarige eerste machinist J. Dijkstra, de enige overlevende van de Friese kustvaarder „Friso", die maandag tijdens een hevige noordwesterstorm voor de kust van Jutland verging, is woensdagmiddag uit Emden in Franeker gearriveerd. De jongeman maakte de reis in gezelschap van zijn vader, een oom en de eigenaar van het schip, de heer J. Klugkist en echtgenote. Bij zijn thuiskomst vond de geredde machinist een groot aantal bloemstukken als welkomstgroet. Dijkstra, die op reis naar Friesland nog een bezoek had gebracht aan de ouders van zijn vriend, de 18-jarige kok S. L. van der Molen uit Oranjewoud die bij de scheepsramp om het leven kwam, toonde zich nog diep onder de indruk van het gebeurde. Hij vertelde, dat de „Friso" maandagmorgen tijdens stormweer door drie zware golven werd overspoeld, waardoor de luiken lossloegen en het schip snel water maakte. De situatie was hopeloos en reeds kort na het noodsein „Wij zinken" kapseisde het schip. Dijkstra was overboord gesprongen nadat hij zijn schoenen had uitgetrokken. Zijn horloge was stil blijven staan op vijf minuten voor tien, waarschijnlijk het tijdstip waarop de „Friso" zonk. Ongeveer 200 meter bij zich vandaan zag Dijkstra een sloep drijven. Hij zwom er naar toe en slaagde er in zich in het vaartuig te hijsen. Toen hij op enige afstand een roeispaan zag drijven sprong hij overboord en haalde de riem op, waarna hij er een mast van maakte en er een rode zakdoek aan vast bond. Uren achter elkaar dreef hij rond op de onstuimige zee. Tweemaal werd hij uit de sloep geslingerd, maar beide keren slaagde hij er weer in aan boord te kruipen. Achteraf bleek het een geluk dat de sloep lek was „Ik moest voortdurend blijven hozen en bleef daardoor in beweging Anders was ik stellig verstijfd van de kou," aldus Dijkstra. Toen hij om half zes 's avonds door een Duits schip werd opgepikt, had hij weinig fut meer. Hij had de hoop op redding al bijna opgegeven. De lijn die hem van het Duitse schip werd toegeworpen bond hij om zijn middel. Hij had geen kracht meer om het touw met de handen vast ta houden. Zo werd hij aan boord gehesen.

De Tijd/ De Maasbode 27-10-160. Geredde machinist van „Friso” thuisgekomen.Twee maal uit sloep geslingerd. Leeuwarden, 26 okt. — De 23-jarige machinist J. Dijkstra, de enige overlevende van de Friese kustvaarder “Friso" die maandag tijdens een hevige noordwesterstorm voor de kust van Jutland verging, is vanmiddag uit Emden in Franeker gearriveerd. De jongeman maakte de reis in gezelschap van zijn vader, een oom en de eigenaar van het schip, de heer J. Klugkist en echtgenote. Bij zijn thuiskomst vond de geredde machinist een groot aantal bloemstukken als welkomstgroet.
Dijkstra.,die op reis naar Friesland vanmorgen nog een bezoek had gebracht aan de ouders van zijn omgekomen vriend, de achttien-jarige kok S. L. van der Molen uit Oranjewoud toonde zich nog diep onder de indruk van het gebeurde. Hij vertelde dat de „Friso" maandagmorgen tijdens stormweer door drie zware golven werd overspoeld, waardoor de luiken lossloegen en het schip snel water maakte. De situatie was hopeloos en reeds kort na het noodsein „wij zinken" kapseisde het schip. Dijkstra was over boord gesprongen nadat hij zijn schoenen had uitgetrokken. Zijn horloge was stil blijven staan op vijf minuten voor tien, waarschijnlijk het tijdstip waarop de „Friso" zonk. Ongeveer tweehonderd meter bij zich vandaan zag Dijkstra een sloep drijven, hij zwom er naar toe en slaagde er in zich in het vaartuig te hijsen. Toen hij op enige afstand een roeispaan zag drijven sprong hij over boord en haalde de riem op waarna hij er een mast van maakte en er een rode zakdoek aan vast bond. Uren achter elkaar dreef hij rond op de onstuimige zee. Twee maal werd hij uit de sloep geslingerd, maar belde keren slaagde hij er weer in aan boord te kruipen. Achteraf bleek het een geluk dat de sloep lek was. „Ik moest voortdurend bleven hozen en bleef daardoor in beweging, anders was ik verstijfd van de kou", aldus Dijkstra. Toen hij om half
zes 's avonds door een Duits schip werd opgepikt had hij weinig fut meer. Hij had de hoop op redding al bijna opgegeven. De lijn die hem van het schip werd toegeworpen bond hij om zijn middel. Hij had geen kracht meer om het touw met de handen vast te houden. Zo werd hij aan boord gehesen.

Leeuwarder courant 27-10-1960: Onder het gebeuk van enorme rollers:: Scherpe cokes sneed zeilen over deklast van „Friso" aan flarden. Franeker machinist J. Dijkstra deed al zwemmend drie kwartier over afstand van 200 meter.(Van een onzer redacteuren)
de Heer J.Klugkist, de eigenaar-reder van de Huizumer kustvaarder „Friso , die maandagmorgen voor de westkust van Jutland is vergaan, heeft — nadat hij had vernomen, dat het schip in een storm was geraakt — steeds tussen hoop en vrees geleefd over het lot van zijn mensen. Dat kwam door allerlei tegenstrijdige berichten. Gunstige berichten uit Zweden en Denemarken, waar de heer Klugkist (die al jaren in Dalkey bij Dublin in Ierland woont, doch die toevallig met zijn vrouw in Nederland vertoefde) zakenrelaties belde om informaties over zijn schip in te winnen. Slechte berichten van Radio Scheveningen. Tenslotte kwam de vreselijke zekerheid, dat de „Friso" was vergaan en dat van de zeven bemanningsleden slechts de eerste machinist, de 22-jarige heer Joh. Dijkstra uit Franeker, zich had kunnen redden. Het enige, wat ik tot dusver nog heb kunnen doen, nadat we Dijkstra uit Emden hadden opgehaald, is een bezoek brengen aan de vrouw en de drie kinderen van kapitein D. Klein in Groningen en aan de ouders van de kok Sietse Lammert van der Molen te Oranjewoud, zo vertelde de heer Klugkist ons, toen we hem bij zijn ouders in de Paulus Potterstraat te Huizum opzochten. De reder is van plan ook de familieleden van de andere omgekomen bemanningsleden, onder wie drie Ieren, op te zoeken. Dat is wel het minste wat de mensen van mij mogen verwachten. verzuchtte hij. De oorzaak van de schipbreuk acht de heer Klugkist gelegen in het feit, dat de lading en ook de deklading scherpe cokes was. Toen er enorme rollers op de deklast sloegen, moeten de zware dekzeilen op de scherpe kanten van de cokes zijn doorgesneden en de extra zware banden, waarmee alles was vastgezet, zijn klaarblijkelijk mede daardoor bezweken. Het was het begin van de ondergang, die tot het verlies van zes mensenlevens zou leiden. Uit een gesprek met de heer Johannes Dijkstra te Franeker, die gistermiddag om twee uur bij zijn ouders in de Burgemeester Okmastraat 31 thuis kwam, bleek wel, dat tegen de kracht van de golven niets meer bestand was geweest. Gewoonlijk is het zo, dat na een aantal golven een grote golf volgt. Ditmaal had de machinist meegemaakt, wat hij tevoren nog nooit had gezien: drie enorme rollers achter elkaar, die hoog boven de coaster uittorenden, met geweld neersloegen en een groot deel van de deklast wegsloegen. De nog op het dek liggende lading ging schuiven en met man en macht werd er aan gewerkt om die overboord te krijgen, maar het schip maakte zware slagzij, de luiken hadden een knauw gekregen, het water stroomde binnen. Er was geen denken aan het behoud van het schip. De eerste machinist — wiens verhaal grotendeels moest worden gereconstrueerd uit schaarse opmerkingen van hem zelf, aangevuld met die van zijn vader, de heer K. Dijkstra, die verpleger is bij de Psychiatrische Inrichting te Franeker — wist niet meer, hoe lang hij in de machinekamer was gebleven. Op een bepaald ogenblik waren alle hens aan dek, voor hun leven vechtend tegen de elementen. Kapitein D. Klein (30) riep daar zijn mannen toe: „We zinken.." De reddingsboten werden uitgezet. Hoe dat allemaal in zijn werk was gegaan, herinnerde de heer Dijkstra zich niet. In de baaierd van golven, in het geweld van de storm, die windkracht tien bereikte, ging in enkele minuten de „Friso", de trots van de reder, de kapitein en de bemanning, onder. De machinist sprong enkele ogenblikken voor het schip naar de diepte ging overboord. Hij zag een reddingsloep drijven, op ongeveer tweehonderd meter afstand. Het kostte hem drie kwartier zwemmen om die te bereiken.... De eerste machinist Johannes Dijkstra uit Franeker was de enige, die zich kon redden. IJskoud water. Vader Dijkstra vertelde ons, dat het aan de geestkracht en de lichamelijke toestand van zijn zoon heeft gelegen, dat die zich in eerste instantie kon redden, waarbij dan het wonder kwam, dat hij later opgemerkt en gered werd door de bemanning van het Duitse schip „Edmund Halm". Menig ander zou intussen zijn bezweken in het koude water, dat een temperatuur had van vijf of zes graden. Maar machinist Dijkstra was een geoefend zwemmer, die met zijn zuster (hij heeft verder nog een broer) dikwijls in het Van Harinxmakanaal zwom, zelfs tot in oktober toe, en dikwijls griezelig lang onder water bleef. Vader Dijkstra vertelde ons ook, dat hij zijn zoon ingeprent had, mocht er eens iets gebeuren, nooit het hoofd te verliezen, doch nauwkeurig te overwegen, wat hij moest doen. Voor de heer K. Dijkstra geen ongewone opmerking, want hij is in Franeker en omgeving de man van de Eerste Hulp Bij Ongelukken en weet, dat een mens in paniek minder kansen heeft, dan een, die zijn positieven bij elkaar kan houden. Of Johannes Dijkstra zich dat heeft herinnerd op het beslissende moment, zal wel altijd onbekend blijven, maar hij handelde er wel naar. Zo hield hij behalve een overall alleen een leren jasje aan in het besef, dat hem dat in de kou bescherming kon geven. En hij trok zijn schoenen uit, teneinde beter te kunnen zwemmen. Wel herinnert hij zich de vlijmende pijn, toen hij zonder schoenen over de scherpe cokes aan dek liep. Hozen: De jonge machinist bereikte de boot, die vol water stond. De riemen en andere nuttige zaken waren er uit geslagen. Dijkstra moest hozen voor zijn leven en zo gingen de uren voorbij- Dat hozen heeft hem warm gehouden en dat is waarschijnlijk mede zijn lijfsbehoud geweest. Toen tussen hall vijf en vijf uur in de avond van die verschrikkelijke maandag de Duitsers hem oppikten, was zijn onderlichaam al volkomen verstijfd van de kou en het water. Aan boord van de „Edmund Halm" werd hij ontzaglijk vertroeteld, Het leek wel, of hij een kind was van kapitein Groninga, een Oostfries uit Veenhusen. Hij werd verwarmd, kreeg warme droge kleding, warm eten en er werd alle mogelijke moeite gedaan om zijn ouders en de reder op de hoogte te brengen van zijn redding. Natuurlijk had de machinist uitgekeken, of hij ook andere bemanningsleden zag in de hoop, dan hulp te kunnen bieden. Hij heeft kapitein Klein nog gezien, die zich aan een paar planken of aan een brok van een luik had vastgeklemd, en verder twee anderen, die hij niet meer kon herkennen. Helaas kon hij niets meer doen voor hen. De drenkelingen raakten uit het zicht. Dijkstra zelf zag later een riem in het kolkende water drijven en sprong toen uit de sloep om die riem te bemachtigen, teneinde daarmee de reddingboot te kunnen manoeuvreren. Hij slaagde er in weer in de sloep te klimmen, werd er twee keer uitgeslingerd, doch telkens weer bereikte hij de boot, die snel wegdreef van de plaats van de scheepsramp. Dertig mijl bleek Dijkstra afgedreven te zijn, toen hij werd opgemerkt. Eerst door een van de zoekende vliegtuigen. Dijkstra is er trouwens niet helemaal zeker van, dat die hem gezien heeft, want het was boos weer met weinig zicht. Hij stak de roeispaan als een mast omhoog met een vlag er aan om de aandacht te trekken. Dat geronk van het liegtuig gaf hem moed om de strijd niet op te geven. Er is nog contact met de wereld, dacht hij. Ze zoeken om ons. Van de tijd had hij geen begrip meer. Zijn horloge was om vijf voor tien stil blijven staan en hij meent, dat dat het tijdstip is geweest, waarop hij in zee sprong. Volgens het Deense radiostation Blaavand, aan de kust van Jutland, moet de een uur later zijn vergaan, misschien dus is het horloge al eerder blijven staan. Al het goede afgesneden. Dinsdag kwam de „Edmund Halm" in Emden aan. Daar zag machinist Dijkstra zijn vader, zijn oom, de heer B. Vlasman, de reder en diens echtgenote, die hem kwamen ophalen. Het werd een zware terugreis naar huis, want de plicht noopte de heren condoleantiebezoeken af te leggen bij de echtgenote van de kapitein te Groningen en bij de ouders van de kok te Oranjewoud. Steeds ziet de machinist de gezichten van de andere bemanningsleden voor zich, beleeft hij de ramp opnieuw en voelt hij de schrijnende gedachte, dat hij niets meer heeft kunnen doen. Waarom ben ik het alleen, die het mocht overleven, zo vraagt hij zich telkens af. Natuurlijk is hij zielsblij het leven te hebben mogen behouden. Maar waarom die anderen niet? Temidden van de vreugde bij de familie Dijkstra over de wonderbare redding van hun zoon — een kans van één op de duizend, zeggen ze — blijft toch die grote droefenis. Het liep storm met bezoekers ten huize van de familie Dijkstra. Talrijke mensen van de pers en ook enkelen van de televisie kwamen even praten. De mannen van de televisie moesten aftrekken. Ik ben niet in staat voor de televisie ook maar iets te zeggen, zei machinist Dijkstra. De huiskamer staat vol bloemstukken, wel dertig. Allemaal van vrienden, familie, kennissen, buren en relaties. Allemaal felicitaties komen binnen. Helaas, alles wordt overschaduwd door het lot, dat de anderen getroffen heeft. Dijkstra voer al vier en half jaar onder kapitein Klein met wie hij en de andere bemanningsleden het best konden vinden. De geest onder de bemanning was uitstekend. Tussen de twee Friezen aan boord was vriendschap gegroeid. Al dat goede werd plotseling afgesneden. Een goed schip ging met flinke kerels ten onder. Een goed schip. Dijkstra vindt, dat er in de klasse, waartoe de „Friso" behoorde, geen andere coaster zo uitstekend was ingericht in alle opzichten. Ook aan het reddingmaterieel was grote aandacht besteed en de kapitein droeg er zorg voor, dat alles in de puntjes bleef. De „Friso" doorstond menige zware storm. Een samenloop van omstandigheden voerde tot de ondergang. Ook de reder-eigenaar, de heer Klugkist, was de overtuiging toegedaan, dat alles aan boord tip-top in orde was. Hij liet aan boord alles direct aanpassen aan de voorschriften van de Scheepvaartinspectie. Menigmaal had hij zelf aan boord van de „Friso" gevaren. De heer Klugkist (50), die ook als kapitein gevaren heeft, bezat al eerder een schip, dat eveneens de naam „Friso" droeg. Hoewel hij zijn kantoor in Dublin heeft, liet hij zijn schip geregistreerd staan te Huizum, al kwam hij daar slechts zelden. Waarom die registratie te Huizum? Ach, dat weet hij eigenlijk zelf niet. Het is historisch zo gegroeid. Al sinds de tijd dat hij 23 jaar was en voor het eerst een eigen schip kreeg, koos hij als „thuishaven" Huizum. Ik ken Huizum trouwens ternauwernood, zegt de heer Klugkist, want vroeger al kwam ik misschien maar één keer per jaar in Nederland. Die registratie in Huizum van jaren geleden heb ik altijd maar zo gelaten, al is Huizum dan naderhand ook bij Leeuwarden getrokken. Dochter: Ondanks deze scheepsramp, die hem nu zelf heeft getroffen, vindt hij de scheepvaart niet gevaarlijk. Hij wijst naar buiten, waar auto's staan: Dat is gevaarlijker, zegt hij. En ook nu nog durf ik mannen met karakter aan te raden te gaan varen op de kustvaart. Jammer, dat ik geen jongens heb, die zouden waarschijnlijk ook zijn gaan varen. Ik heb alleen een dochter, die nu vijftien is. Als klein meisje al, als ze een cadeautje mocht uitzoeken, koos ze een scheepje, geen poppen. Als ze een jongen was geweest, zou ze zeker de zee op gaan. De enig overlevende van de „Friso" hebben we ook gevraagd, of hij weer zou gaan varen. Maar daar kan hij — dodelijk vermoeid nog — geen antwoord op geven. Wat hij heeft moeten doorstaan, is nog te vers. Ik zal altijd dat verschrikkelijke beeld van mijn kameraden voor ogen houden. Waarom werd ik wel gered en zij niet? Het is een vraag, waar geen mens antwoord op kan geven. Slechts één ding heeft Dijkstra overgehouden van zijn bezit, dat hem zal blijven herinneren aan zijn redding: een nog nieuw zwemvest, door de Scheepvaartinspectie goedgekeurd blijkens het stempel met als datum 2 december 1959. Al te gauw heeft dat zwemvest dienst moeten doen.

Leeuwarder courant 28-10-1960: Stuurman was niet aan boord van de „Friso". Bemanning niet compleet? Het is achteraf gebleken, dat aan boord van de Huizumer kustvaarder „Friso", die maandag voor de kust van Jutland is vergaan, geen zeven doch zes bemanningsleden aanwezig waren. Er zijn dus niet zes personen bij de ramp omgekomen, doch vijf. Zoals men weet werd alleen de eerste machinist Johannes Dijkstra uit Franeker gered. Er is steeds op grond van mededelingen van allerlei bureaus, aangenomen, dat er een bemanning van zeven koppen aan boord was. Pas later kwam aan het licht, dat de stuurman P.J. van Sweden (41) niet mee was uitgevaren. Er doet zich nu de vraag voor, of het schip met onderbezetting voer, hetgeen niet is toegestaan. De scheepvaartinspectie te Rotterdam, die een en ander ter ore kwam, heeft direct de inspecteur- generaal van de Scheepvaartinspectie te Den Haag van deze aangelegenheid op de hoogte gesteld en er is een onmiddellijk onderzoek gelast. De reder-eigenaar, de heer J. Klugkist uit Dalkey bij Dublin in lerland, die toevallig in Nederland verblijft, en de enige overlevende, de heer Dijkstra, zullen worden gehoord door de inspecteur S. J. Smit van de Scheepvaartinspectie in het derde district te Groningen. De stuurman Van Sweden, die ten onrechte werd doodgewaand, heeft inmiddels gemonsterd op een ander schip. Hij zou reeds op 16 september hebben gemonsterd op de „Merwestad". Een van de moeilijkheden, waarmee de Scheepvaartinspectie heeft te maken bij schepen, die in Nederland geregistreerd staan, doch waarvan het beheer gevoerd wordt op een scheepvaartkantoor in het buitenland -zoals ook met de „Friso" het geval is geweest — is, dat de Scheepvaartinspectie officieel onbekend blijft met de monsteringen, met andere woorden, dat de Scheepvaartinspectie niet verneemt wie af- of aangemonsterd heeft. Aldus deelde een woordvoerder van de inspecteur- generaal voor de Scheepvaart ons desgevraagd mee. Het minimum aantal personen, dat als eis geldt voor de bemanning van een schip als de „Friso" zou, volgens dezelfde woordvoerder, zes moeten bedragen, doch dit aantal houdt niet in, dat er wel of geen stuurman hoeft mee te varen. In dit stadium van het onderzoek konden daarover nog geen mededelingen worden gedaan. Er kon ook nog niet worden gezegd, of er in het onderhavige geval sprake kon zijn van een overtreding van de wetten of van een misdrijf in de zin der wet. Zoals bij elk scheepsongeval gebruikelijk is, zal de ramp van de „Friso" voor moeten komen bij de Raad voor de Scheepvaart. In dit geval zal uiteraard grote aandacht worden besteed aan het feit, of de samenstelling van de bemanning van de „Friso" incompleet moet worden geacht op de laatste reis, die het schip heeft gemaakt. De vraag doet zich ook voor, of de reder-eigenaar, de heer Klugkist, er van op de hoogte was, dat er geen stuurman aan boord was.

Friese koerier 28-10-1960: Stuurman kwam niet om met de Friso. Leeuwarden. — De 41-jarige stuurman P. J. van Sweden is niet, zoals aanvankelijk was gemeld, omgekomen bij de ramp met de kustvaarder Friso. De heer Van Sweden vaart sinds 13 september op de „Merwestad". De ramp met de coaster heeft dus geen zes doch vijf slachtoffers geëist. Gebleken is dat de stuurman van boord is gegaan wegens onenigheid met enige nieuwe bemanningsleden en dat de Friso zonder hem uit Dunstone naar Aalborg is vertrokken zodat het schip niet voldeed aan de gestelde minimum eisen voor wat de bemanning betreft. Overigens staat wel vast dat de ramp, ook met een stuurman aan boord niet te voorkomen zou zijn geweest. De heer Klugkist heeft inmiddels met klem de berichten tegengesproken dat de reddingssloep waarmee de 22-jarige Joh. Dijkstra uit Franeker zich in veiligheid stelde, lek zou zijn geweest. „De Friso was een nieuw schip, uitgerust met de modernste middelen en met zeewaardige en betrouwbare reddingssloepen". Aldus de heer Klugkist.

De Telegraaf 28-10-1960: „Friso" voer zonder een stuurman. Van onze speciale verslaggever; Amsterdam, vrijdag. De ramp van de voor Jutland vergane kustvaarder „Friso" heeft een wonderlijke onthulling opgeleverd. Terwijl de reder-eigenaar J. Klugkist en de enig overlevende, machinist Johan Dijkstra, ons dinsdagmiddag rustig in de waan lieten, dat er zes slachtoffers waren, zijn er in werkelijkheid vijf. De stuurman P. J. van Sweden (41), die als vermist werd opgegeven, bevond zich niet aan boord. De „Friso" voer zonder stuurman, en het schip voldeed niet aan het voorgeschreven minimum aan bemanning. De inspecteur voor de scheepvaart in het 3e district, de heer Smit te Groningen, heeft opdracht gekregen grondig te onderzoeken, waarom men de hand heeft gelicht met wettelijke bepalingen. Reeds is gebleken, dat stuurman Van Sweden enige weken voor de ramp de „Friso" voor een ander schip, de „Merwestad", heeft verwisseld, omdat hij onenigheid kreeg met enige nieuwe bemanningsleden. Onafwenbaar. Het staat vast, dat de „Friso" uit de Westengelse haven Dunstone zonder stuurman naar Aalborg vertrok. De verantwoordelijkheid berustte bij de helaas omgekomen kapitein van de kustvaarder. Nagegaan zal worden of reder Klugkist van deze omissie op de hoogte was en of de afmonstering van Van Sweden bij een Nederlandse consul is geschied. Daar de „Friso" de laatste tijd vrijwel nimmer in een Nederlandse haven kwam, was het niet moeilijk, aan controle te ontkomen. In koopvaardijkringen gelooft men niet, dat de aanwezigheid van de stuurman de ramp ook maar één minuut langer had kunnen afwenden.

Raad voor de Scheepvaart.

Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart inzake het vergaan van het motorschip “Friso” op de Noordzee, bij welke ramp behalve de kapitein vier schepelingen zijn omgekomen;slechts één opvarende is gered. Op 24 oktober 1960 is het motorschip “Friso”op de reis van Dunstone (Tyne) naar Aalborg op de Noordzee gedurende stormweer gekapseisd en gezonken.Slechts één opvarende werd gered.
In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart,als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet,dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van dit vergaan.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 maart 1961,in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvart J.Metz en ir.H.R.de Jong. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der Scheepvaartinspectie,waarbij een proces-verbaal van het verhoor van de geredde 1e machinist,zomede van de door deze machinist te Rotterdam afgelegde scheepsverklaring,een connossement,een rapport over de stabiliteit van de “Friso” van ir.H.R.de Jong,benevens enige krantenknipsels en telexberichten,en hoorde de 1e machinist J.Dijkstra als getuige. Bovenbedoelde bescheiden houden zakelijk het volgende in: Het motorschip “Friso”was een Nederlands schip, toebehorende aan J.Klugkist te Dublin.Het schip was gebouwd in 1955,was 46.68 meter lang,7.80 meter breed en had een holte van 2.94 meter. De bruto-inhoud was 398.74 ton en het werd voortbewogen door een 395 Pk Bronsmotor. Het schip was gebouwd met bak en campagne. De 1e machinist J.Dijkstra was niet gediplomeerd;hij voer vanaf februari 1956 met dispensatie op de “Friso”.eerst als 2e machinist en sinds oktober 1956 als 1e machinist.Hij verklaarde bij het onderzoek,dat de “Friso”, liggende te Dunstone (Tyne),op 20 oktober 1960 begon een lading grove cokes over te nemen.Op 21 oktober 1960 te 08.30 uur was het ruim gevuld.Hierna zijn de luiken opgelegd en getuige heeft gezien,dat daarna de luiken zijn afgedekt met presennings,doch getuige weet niet hoeveel kleden.De De luiksjorringen zijn aangebracht en vervolgens zijn daartussen op de luiken planken gelegd,niet aansluitend,maar met een ruimte tussen de planken van ongeveer 20 cm.Hierna zijn deklaststutten geplaatst; hiertegen werden planken gespijkerd en daartussen werd een nieuw kippengaas aangebracht.Ook de waterloospoorten werden met kippengaas afgedekt. Te omstreeks 12.00 uur van 21 oktober 1960 was de deklast overgenomen.Getuige heeft van de kapitein vernomen, dat in het ruim ongeveer 290 ton en aan dek ongeveer 80 ton was geladen.Volgens het connossement heeft de “Friso” 384 ton 15 cwts.geladen. De top van de deklast kwam ongeveer ¾ meter onder de liggende laadbomen.De kapitein heeft getuige meegedeeld,dat een ontvangen weerbericht sprak van afnemende wind met opklaringen en een oostelijke wind,kracht 3 à 4. Op 21 oktober 1960 te omstreeks 12.00 uur vertrok de “Friso” met bestemming Aalborg.De diepgang bij vertrek is blijkbaar niet aan getuige bekend.De bemanning bestond,inclusief de kapitein,uit 6 personen Aan boord werd 6 uur op, 6 uur af wacht gelopen.De 1e machinist liep dezelfde wacht als de kapitein.Daar er geen stuurman en ook geen 2e machinist aan boord was,was een matroos Williams aangewezen om zowel de kapitein als de 1e machinist af te lossen. Aan het eind van de wacht van de kapitein ging de matroos of eerst de kapitein,of eerst de 1e machinist aflossen.De 1e machinist bleef meestal na afloop van zijn wacht nog een paar uur langer in de motorkamer.Na vertrek ondervond men afwisselend weer met wind,die varieerde tussen kracht 5 en 8.Men voer volle kracht.Het schip nam veel water over;op zondag 23 oktober 1960 tussen 08.00 uur en 10.00 uur spoelde een deel van de deklast overboord,meest van het achterschip,volgens schatting van getuige de helft van de totale deklast. De 1e machinist had op zaterdag 22 oktober 1960,tegelijk met de kapitein,de wacht van 18.00 uur tot 24.00 uur.De matroos Williams loste,nadat hij de wacht op de brug van de kapitein had overgenomen,te 00.30 uur van 23 oktober 1960 de 1e machinist af,maar deze bleef nog tot ongeveer 03.00 uur beneden.Te 06.00 uur loste de kapitein Williams op de brug af en loste de 1e machinist deze matroos in de motorkamer af.De motor draaide regelmatig.Te 16.00 uur werd door middel van de telegraaf order gegeven vaart te minderen tot langzaam;de 1e machinist heeft persoonlijk deze order uitgevoerd. Toen deze daarna naar het stuurhuis ging,vernam hij van de kapitein,dat door het verlies van een deel van de deklast en het schuren van de overgebleven cokes schade was ontstaan aan de presennings.Getuige heeft niet de aard van de beschadiging gezien,maar hij zag, dat de bemanning bezig was planken op de luiken en kleden van luik 2 te spijkeren. De kapitein zei,dat de schade niet grrot was.De 1e machinist is hierop naar beneden gegaan en heeft uit voorzorg de lenspompen bijgezet;de pomp haalde op dat moment niet. Het schip had toen geen slagzij.Gedurende de nacht werd met 200 toeren gedraaid wegens overkomend water en er was een deklamp opgetuigd om verdere schade direct te kunnen waarnemen.Te omstreeks middernacht nam de wind toe tot kracht 8 à 9,men kreeg regen en de zee was wild.De kapitein zei,dat de toestand niet verontrustend was.De 1e machinist heeft echter die nacht niet geslapen en bracht zijn tijd door afwisselend aan dek en in zijn hut. Op 24 oktober 1960,te circa 09.30 uur,toen de motor juist geheel was gesmeerd en gecontroleerd,kreeg het schip een breker over,waardoor het zwaar over bakboord ging liggen;het kwam daarna langzaam terug maar bleef met slagzij over bakboord liggen.Toen de 1e machinist,die toen in de motorkamer was,aanstalten maakte naar boven te gaan,kreeg hij door de spreekbuis van de brug order boven te komen.In de stuurhuis trof de getuige de kapitein,de kok en een matroos.De kapitein,die zelf stuurde en de kop van het schip op de zee hield, gaf de kok order de andere schepelingen te roepen;deze kwamen direct boven. Voor zover getuige dit vanuit het stuurhuis kon waarnemen,zag hij,dat de deklast vrijwel was verdwenen.Op één na waren aan bakboord alle stutten van de deklading verdwenen. Getuige heeft toen nog wel de presinnings op luik 1 gezien,maar hij kon vanuit de stuurhuis luik 2 niet zien.Getuige hoorde de kapitein order geven de zwemvesten aan te doen en darna is hij naar het sloependek gegaan en heeft daar met een matroos geprobeerd de order van de kapitein om bakboordsloep te water te vieren uit te voeren. Toen zij het kleed van de boot hadden afgenomen,lag de “Friso” vrijwel plat op het water. De boot kwam dus direct te water;ze sloeg vóór los,vervolgens sloeg de gehele inventaris weg en door de volgende zee pikte ook de achtertalie uit en dreef de sloep weg.De andere opvarenden waren bezig bij stuurboordsloep.Getuige hoorde de kapitein roepen overboord te springen; getuige herhaalde die order,krop naar het hek en sprong te water.Hij zwom naar de afgedreven sloep en slaagde erin daarin te klimmen.Getuige is daarna weer eruit gesprongen om een riem en de mast,die daar dreven,op te pikken.Toen hij weer in de sloep kwam,zag hij de kapitein en 2 matrozen te water liggen,waarbij zij zich vastklampten aan enig drijfhout. Getuige trachtte met de riem en de mast naar de drenkelingen te roeien,maar door een hoge zee sloeg de sloep om en werd getuige eruit gegooid.De boot kwam weer recht te liggen en getuige slaagde erin weer in de boot te klimmen. Toen zag hij geen der drenkelingen meer drijven.Getuige heeft met een blik,dat hij in een kastje vond,de boot leeggehoosd. Getuige vond 3 vuurpijlen;hij schoot er één af en besloot de andere voor de nacht te bewarenDoor groet vermoeidheid verloor getuige alle begrip van tijd.Te 17.15 uur werd hij opgepikt door het Duitse motorschip “Edmund Halm”. De volgende morgen te 03.00 uur werd getuige door zijn reder te Emden van boord gehaald. De 1e machinist heeft nog verklaard,dat bij vertrek van Dunstone tanks 3 stuurboord en bakboord,elk van 7,5 ton,gevuld waren met ballastwater.In de drinkwatertank op het achterschip bevind zich ongeveer 8 ton.De bakboordtunneltank bevatte 3 á 3,5 ton gasolie en stuurboordtunneltank bevatte ongeveer 5,5 ton gasolie.Alle andere tanks waren leeg,ook de dektanks tegen de bak en tegen de brug. Ir.H.R.de Jong heeft voor verschillende mogelijke beladingstoestanden van het schip de stabiliteit nagegaan.Gezien de opgegeven deklasthoogte,0,75 meter onder de laadbomen,moet deze hoogte ongeveer 3 meter boven dek zij geweest.Indien 88 ton aan dek was geladen,moet deze deklast niet vlak getrimd zijn.maar moet ze met toppen op de luiken hebben gelegen,elke top ongeveer 1,80 meter boven elk luikhoofd.Bij deze beladingstoestand moet de waterverplaatsing van het schip 721 ton zijn geweest en was de gemiddelde diepgang 2,50 meter en was de MG 40 cm.De stabiliteit moet dan voldoende zijn geweest. Door overkomend water kan de deklading cokes 20% in gewicht toenemen en door absorptie van de cokes kan dit worden vermeerderd tot 23%.Hierdoor zou het schip nog niet overbeladen zijn geworden en de stabiliteit zou ook nog voldoende zijn gebleven.Indien de hoogte van de vlakgetrimde deklast 3 meter zou zijn geweest,zou in het ruim 243 ton en aan dek 149 ton cokes moeten zijn geladen. Indien dan de deklading ook nog water zou hebben opgenomen,zou de MG 9 cm zijn geweest.Daar uit de verklaringen blijkt,dat de stabiliteit vóór de ramp geen reden tot on-gerustheid heeft gegeven,neemt Ir.de Jong aan,dat de belading wel zal zijn geweest zoals uit de be-ladingpapieren blijkt. Ir.de Jong merkt op,dat bij wegspoelen van de deklading de kans op beschadiging van de presinnings groter is ,wanneer de verschansing lager is dan de luikhoofden,zoals op de “Friso”. Wanneer kort vóór het kapseizen nog 40 ton cokes aan dek zou hebben gelegen,waarvan 33 ton in de gangboorden, zou het deplacement,ook bij opnemen van water door de cokes ,683 ton hebben bedragen en zou de MG 57 cm zijn geweest,dus ruim voldoende. Daar de kapitein nog heeft geseind,dat het schip zinkende was en alle luiken los lagen,moet aangenomen worden,dat er toen water in het ruim stond.Indien zich 100 ton water in het ruim heeft bevonden kort vóór het kapseizen,moet het deplacement dan 783 ton zijn geweest.De MG zou dan minus 19 cm zijn geweest en het kapseizen zou dan te verklaren zijn.Door 100 ton water in het ruim zou de gehele lading aldaar beweeglijk zijn geworden. Ir.de Jong wijst nog op de voorschriften van The Board of Underwriters of New York voor het vervoer van cokes aan dek. a. Stutten op 4 voet afstand in de zijden met 1duim planken op 1 voet afstand ertegen en dubbel kippengaas tegen de planken en over de deklast en sjorringen over het geheel.
b. Stutten als bij a en dan 1 duim’s planken en op 1 á 2 voet afstand ertegen,Geen kippen-gaas,maar 1 duim’s planken over de deklast en sjorringen over het geheel.
In beide gevallen moet de deklast vlakgetrimd zijn. Ir.de Jong komt tot de conclusie,dat de deklading van de “Friso” in het geheel niet getrimd was,maar op de beide luiken een stapel cokes is gestort met een grootste hoogte van 1,80 meter boven de luikhoofden. De aanvangsstabiliteit was voldoende,maar de neiging tot overboordspoelen van de deklast was vrij groot.Blijkbaar stonden de stutten voor de deklast in de potten,die gebruikt worden voor de stutten bij het vervoer van hout aan dek;deze potten hebben een onderlinge afstand van 25 á 30 dm. Bij de aflevering van het schip waren de luiken voorzien van sluitbalken.In 1957 zijn sjorringen aangebracht,3 per luiksectie, overeenkomstig de voorschriften in Bekendmaking nr.17 van 1955.Indien de verdeling van de lading in ruim en aan dek is geweest zoals de ladingpapieren aangeven,304 ton in het ruim en 88 ton aandek,moet de stabiliteit voldoende zijn geweest,zolang zich geen water in het ruim bevond.Toen zich vrij water in het ruim bevond,was de stabiliteit niet meer voldoende en is het vrije water,wellicht met een deel der lading,overgegaan en is het schip gekapseisd. Waarschijnlijk zijn door het overboord gaan van de deklast de presennings en misschien ook de luiksjorringen beschadigd.Misschien zijn de lensleidingen verstopt geraakt,zodat het binnengedrongen water niet uitgepomt kon worden.Ter zitting verklaarde de 1e motordrijver J.Dijkstra,in aanvulling op zijn bij het vooronderzoek afgelegde verklaring,dat de kapitein tijdens de belading te Dunstone daarop toezicht heeft gehouden.De kapitein was zeer zorgzaam en was er altijd bij,wanneer werd geladen of gelost of het schip zeeklaar werd gemaakt.De stutten voor de deklast werden geplaatst in haken aan de reling; Tussen de stutten,die stonden op de plek,waar altijd de stutten voor het vastzetten van een deklast hout werden gezet,was nog een stut geplaatst. Tegen deze stutten waren planken gespijkerd en daartegen was gaas aangebracht. De deklast lag het hoogst in het midden op de luiken en liep naar voor en achter en naar de zijden af.Getuige heeft gezien,dat,nadat het luik vol was,de luiken zijn ingelegd,1 of 2 presennings zijn overlegd en dat daarop eerst de sluitlatten zijn gelegd en daarop de planken;deze laatste sloten niet aan. Men heeft gedurende 2 dagen stormweer gehad.Er is naar omstandigheden vaart gelopen,vanaf 23 oktober 1960 16.00 uur steeds langzaam. Op 23 oktober 1960 spoelde tussen 08.00 uur en 16.00 uur een groot deel van de deklast overboord.Getuige heeft toen de lenspomp bijgezet en heeft dit daarna elk uur herhaald. De pomp heeft tot het laatst nooit gehaald. Getuige is overtuigd,dat de lensleiding niet verstopt was.Op 24 oktober 1960 kreeg het schip na 09.30 uur een breker over en bleef het schip met zware slagzij over bakboord liggen.Toen getuige daarna in het stuurhuis kwam,heeft hij geen deklast meer gezien.Toen de kapitein order gaf om de sloepen klaar te maken,heeft getuige met een matroos bakboordsloep naar buiten gedraaid.Deze sloeg weg,maar getuige is,nadat de kapitein order had gegeven overboord te springen,naar deze sloep gezwommen.Te 17.15 uur is getuige opgenomen door de “Edmund Halm”.Behalve getuige waren slechts de kapitein en de kok Nederlanders;de andere drie waren Ieren.
De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde aan,dat het motorschip “Friso”op 24-oktober 1960, terwijl het met een lading cokes op weg was van Dunstone naar Aalborg,op de Noordzee is vergaan. Er is getracht een vooronderziek in te stellen aan de hand van de verklaringen van de enige overlevende,getuige J.Dijkstra,van de ladingpapieren en van de staat van de bemanning .Bij vertrek van Dunstone was de bemanning niet voltallig. Daarvoor is behalve de kapitein de reder aansprakelijk.De scheepvaartinspectie heeft mededeling daarvan gedaan aan de officier van justitie te Leeuwarden. Uit het onderzoek is niet gebleken,dat het niet voltallig zijn van de bemanning van invloed is geweest op het vergaan van het schip. Er wordt veel cokes vervoerd over de Noordzee met allerlei soorten schepen.Bij dit vervoer zijn weinig scheepsrampen voorgevallen. Ir.H.R.de Jong van de Scheepvaartinspectie heeft een studie gewijd aan de stabiliteit van de “Friso”en een rapport daarover overlegd. De hoofdinspecteur noemt enkele punten uit dit rapport. Hij geeft aan, dat blijkt, dat de stabiliteit van de “Friso”voldoende was, zolang er geen water in het ruim zou zijn. Ter verklaring van het kapseizen is aangenomen,dat er wel water in het ruim is gekomen. De presennings moeten zijn beschadigd toen de deklast overboord spoelde.De stutten in de zij zijn gebroken en zo kon de deklading bij grote hoeveelheden tegelijk overboord spoelen.Er is minder kans op beschadiging van de presennings,wanneer de verschansing hoger is dan de luikhoofden.Indien dit niet het geval is,zullen de stutten in de zij en de planken daartegen sterker moeten zijn.Door de beschadiging aan de presinnings konden groet hoeveelheden water in het ruim lopen en daardoor kon tevens de cokes in het ruim zich verplaatsen en was kapseizen mogelijk. Het vervoeren van een deklast bij het vervoer van een homogene lading is voor een schip beneden de 500 brutoregisterton gevaarlijk,wanneer slecht weer wordt getroffen.De stutten en schotten in de zij moeten sterker zijn dan gewoonlijk worden aangebracht. De “Friso” had 2 reddingboten.Nu het schip grote slagzij kreeg,kon slechts bakboordboot worden gebruikt,maar ook die was moeilijk goed te water te brengen. Hier zou het zeer nuttig zijn geweest,indien een opblaasbaar rubber vlot aan boord was geweest.Men overweegt om te bepalen dat een reserve aan deze rubbervlotten wordt meegevaren. De hoofdinspecteur spreekt zijn diep leedwezen uit met de nabestaanden van de kapitein en de andere opvarenden,die bij deze ramp het leven verloren.
Het oordeel van de raad luid als volgt: Bij het onderzoek,dat de raad heeft ingesteld met betrekking tot het kapseizen en zinken op 24 oktober 1960 van het Nederlandse motorschip “Friso”,op reis van Dunstone (Tyne) naar Aalborg,gedurende stormweer op de Noordzee,is niet met zekerheid kunnen blijken waardoor deze ramp is veroorzaakt. Toch meent de raad,op grond van de verklaring van de enige geredde opvarende van het schip,de 1e machinist J.Dijkstra,en het rapport,opgesteld door Ir. H.R.de Jong van de Scheepvaartinspectie,als oorzaak van de ramp te moeten aannemen,dat tijdens het stormweer,dat het schip op 23 en 24 oktober 1960 ondervond,de deklast door overkomende brekers is weggespoeld,waarbij de presinnings moeten zijn beschadigd, waarna,zoals de kapitein in zijn radiobericht heeft verklaard,de luiken los zijn komen te liggen en het water door de luikopeningen in het ruim is gedrongen. Toen zich eenmaal in het ruim vrij water bevond, was de stabiliteit,die aanvankelijk voldoende was geweest,niet meer voldoende en is het vrije water,waarschijnlijk met een gedeelte van de lading,overgegaan,waarbij het schip is gekapseisd. Het is te betreuren,dat deze ernstige ramp zich heeft voorgedaan en dat daarbij vijf van de zes opvarenden het leven hebben verloren. De raad spreekt zijn deelneming uit met dit verlies tegenover hun nabestaanden. Waar uit de verklaring van getuige Dijkstra blijkt,dat de deklast is weggeslagen, hoewel deze naar redelijke eisen was vastgezet met stutten en planken, waartegen gaas was gespijkerd,kan de vraag worden gesteld of bij het vervoeren van een lading als hier is vervoerd wel een deklast verantwoord is voor kleine kustvaartuigen van minder dan 500 brutoregisterton. Verder is bij deze ramp weer gebleken,dat bij stormweer in geval van nood het uitbrengen van een reddingsloep niet altijd mogelijk is. In verband daarmede zou het aanbeveling verdienen behalve de sloepen één of meer opblaasbare rubbervlotten aan boord te hebben. Aldus gedaan door de heren mr.G.A.Schreuder,1ste plv.voorzitter.W.F.van Vreewijk,H.A.Broere,H.J.Timmer en A.Kunst,leden,in tegenwoordigheid van ’s raads secretaris,mr.A.Boosman,en uitgesproken door de voorzitter ter openbare zitting van de raad van 11 april 1971
(Get) G.A.Schreuder,A.Boosman.


Friese koerier 02-11-190: Bemanning Edmund Halm naar geredde machinist van Friso.
Harlingen — Einde van deze week zal het m.s. „Edmund Halm" in Harlingen arriveren om tweeduizend ton pootaardappelen te laden voor Egypte. Kerstmis van vorig jaar was het 't laatste schip van dat seizoen, dat met pootaardappelen Harlingen verliet. Thans is het 't eerste van het nieuwe seizoen. De „Edmund Halm" redde, op weg naar Bremen, de jeugdige machinist Dijkstra uit zee, als enige overlevende van de gezonken „Friso". Daarom wacht de bemanning straks in Harlingen een uitnodiging van de familie Dijkstra, die in Franeker woonachtig is, om daar een gezellig avondje door te komen brengen, als dank voor de redding.


Leeuwarder courant 07-11-1960:
Ontmoeting in Harlingen: J. Dijkstra van „Friso" straks machinist aan boord Edmund Halm? Gistermorgen heeft de 22-jarige machinist J. Dijkstra uit Franeker de bemanning van de Duitse kustvaarder Edmund Halm weer ontmoet, nu in de Friese havenstad. Bij de ramp met de kustvaarder „Friso" op 24 oktober bij Jutland, werd Dijkstra, de enige overlevende, door de Edmund Halm gered, toen hij al urenlang in een lekke reddingboot op de Noordzee had rondgedreven. De Duitser was met hout onderweg van Archangel naar Papenburg, toen de noodseinen van de „Friso" werden opgevangen. Het schip spoedde zich naar de plaats van de ramp en vond op ongeveer tien kilometer afstand — uren later — de jonge machinist in een sloep, worstelend voor zijn leven. Slechts met zeer grote moeite slaagde men er in hem aan boord te krijgen.
De familie Dijkstra was zondagmorgen als gast aan boord van de Duitse coaster. Vervolgens werd de bemanning van de kustvaarder in een restaurant uitgenodigd ter verdere kennismaking met de familie van de door hen geredde Franeker jongeman.
Negen man van de bemanning gingen met de familie Dijkstra mee naar Franeker, waar in een restaurant de lunch werd gebruikt. De kapitein, die de redding van Johannes Dijkstra had meegemaakt, was jammer genoeg met vakantie, zodat er in zijn plaats een vervanger was. Deze vroeg Johannes als machinist bij hem aan boord te komen. Dijkstra heeft op dit verzoek nog geen beslissing genomen. De kans zit er in, dat hij donderdagmorgen, als de Edmund Halm, aan boord van welk schip hij vannacht geslapen heeft, de haven van Harlingen verlaat, als machinist mee gaat.


Leeuwarder courant 06-03-1961:Ramp met Huizumer coaster „Friso" voor Raad Scheepvaart. Geen stuurman: zaak is aan de officier van justitie voorgelegd
De 22-jarige machinist J. Dijkstra uit Franeker, de enige overlevende van de ramp met de Huizumer kustvaarder „Friso" van de rederij Klugkist (Dublin, lerland), die op 24 oktober van het vorig jaar op de Noordzee voor de Deense kust verging, is vanmorgen door de Raad voor de Scheepvaart in Amsterdam gehoord in verband met het onderzoek naar de oorzaak van dit scheepsongeluk, dat aan vijf mensen het leven heeft gekost. De „Friso" was, beladen met 370 ton cokes, op weg van Engeland naar Aalborg in Denemarken. Twee dagen lang voer het schip in zwaar noodweer op de Noordzee. Er waren zes opvarenden aan boord, van wie drie leren. Onder hen bevond zich geen stuurman, hetgeen de hoofdinspecteur voor de Scheepvaart, de heer J. Metz, aanleiding gaf op te merken dat de bemanning van het schip niet voltallig was. „Deze zaak is echter ter kennis gebracht van de officier van justitie in Leeuwarden," zo zei de hoofd-inspecteur, die overigens van mening was dat het feit dat de bemanning onvoltallig was niets te maken had met de oorzaak van de ramp. Hij zei te geloven, dat er in het noodweer water in de ruimen is gekomen, waardoor de pompinstallatie onklaar geraakt zou kunnen zijn. Van de lading was ongeveer 80 ton cokes op het dek gestuwd. Toen machinist Dijkstra kort voor het schip kapseisde aan dek kwam, waren deze 80 ton reeds van boord geslagen. De heer Metz besprak deze omstandigheid uitvoerig en kwam tot de conclusie, dat het „voor schepen onder de 500 ton (de „Friso" mat bijna 400 ton) ten sterkste ontraden moet worden een deklast te vervoeren". De machinist kon overigens weinig over het gebeurde vertellen. Spoedig was hij van het zinkende schip gesprongen en na veel moeite kon hij een sloep bereiken. Hij had nog getracht enige andere opvarenden te bereiken, maar dit bleek onmogelijk. Na zes uur werd hij opgepikt door het Duitse schip „Edmund Halm", dat hem naar de wal bracht. Naar aanleiding van het feit, dat er slechts één sloep aan boord was merkte de hoofd-inspecteur voor de Scheepvaart nog op, dat de inspecteurgeneraal overweegt de regeling voor de bezetting van reddingmiddelen aan boord van dergelijke schepen te veranderen in die zin, dat naast de keuze tussen twee opblaasbare rubberboten of één sloep, verplicht zal worden dat zich aan boord minstens nog één opblaasbare rubberboot zal moeten bevinden. De raad zal binnenkort schriftelijk zijn oordeel bekend maken.

NvhN 06-03-1961: Scheepvaartinspectie trok lering uit ramp met m.s. Friso
De 22 jarige machinist J. Dijkstra uit Franeker, de enige overlevende van de ramp met de Nederlandse kustvaarder Friso, die op 24 oktober van het vorige jaar op de Noordzee voor de Deense kust verging, is vanmorgen door de Raad voor de Scheepvaart in Amsterdam gehoord in verband met het onderzoek naar de oorzaak van dit scheepsongeluk, dat aan vijf mensen het leven heeft gekost. De Friso was, beladen met 370 ton cokes, op weg van Engeland naar Aalborg in Denemarken. Twee dagen lang voer het schip in zwaar noodweer op de Noordzee. Er waren zes opvarenden aan boord, van wie drie leren. Onder hen bevond zich geen stuurman, hetgeen de hoofdinspecteur voor de Scheepvaart, de heer J. Metz, aanleiding gaf op te merken, dat de bemanning van het schip niet voltallig was. „Deze zaak is echter ter kennis gebracht van de officier van Justitie in Leeuwarden," zo zei de hoofdinspecteur, die overigens van mening was, dat het feit dat de bemanning onvoltallig was niets te maken had met de oorzaak van de ramp. Hij zei te geloven, dat er in het noodweer water in de ruimen is gekomen, waardoor de pompinstallatie onklaar geraakt zou kunnen zijn. Deklast ontraden Van de lading was ongeveer 80 ton op het dek gestuwd. Toen machinist Dijkstra, kort voor het schip kapseisde, aan dek kwam waren deze 80 ton reeds van boord geslagen. De heer Metz besprak deze omstandikheid uitvoerig en kwam tot de conclusie, dat het „voor schepen onder de 500 ton (de Friso mat bijna 400 ton) ten sterkste ontraden moet worden een deklast te vervoeren." De machinist kon overigens weinig over het gebeurde vertellen. Spoedig was hij van het zinkende schip gesprongen en na veel moeite kon hij een sloep bereiken. Hij had nog getracht enige andere opvarenden te bereiken, maar dit bleek onmogelijk. Na zes uur werd hij opgepikt door het Duitse schip Edmund Halm, dat hem naar de wal bracht.Naar aanleiding van het feit, dat er slechts één sloep aan boord was merkte de hoofdinspecteur voor de Scheepvaart nog op, dat de inspecteur-generaal overweegt de regeling voor de bezetting van reddingsmiddelen aan boord van dergelijke schepen te veranderen in die zin, dat naast de keuze tussen twee opblaasbare rubberboten of één sloep, verplicht zal worden dat zich aan boord minstens nog één opblaasbare rubberboot zal moeten bevinden.
De raad zal binnenkort schriftelijk zijn oordeel bekend maken.

Afbeeldingen


Omschrijving: De tewaterlating van de FRISO op 25 mei 1955.
Gemaakt door: Unknown
Onderwerp: Tewaterlating

Omschrijving: Proefvaart
Gemaakt door: Foto Dijkstra, Delfzijl
Onderwerp: Proefvaart

Omschrijving: De proefvaart en oplevering van de FRISO op 17 aug. 1955.
Gemaakt door: Foto Dijkstra, Delfzijl
Onderwerp: Proefvaart

Omschrijving:
Gemaakt door: Unknown
Algemene informatie

NNO 251060
Groningen, 25 oktober. Een internationale vloot van ruim 20 koopvaardij- en vissersschepen en twee vliegboten der Deense marine heeft gisteren urenlang tevergeefs gezocht naar 6 vermiste opvarenden van de Nederlandse kustvaarder FRISO (399 ton). De FRISO kapseisde in een hel van hoge zeeën en harde windstoten ten westen van Jutland. Slechts één der 7 bemanningsleden, de eerste machinist Dijkstra, kon worden gered. Voor het lot van de jonge kapitein Dicky (opm: Derk) Klein (30) uit Groningen, de 2e machinist, de kok en drie man dek personeel werd gisteravond laat het ergste gevreesd.
“Omstandigheden zeer slecht… Wij zinken!” - Deze vijf sobere woorden, gisterochtend om 11.20 uur via de noodgolf de ether in geslingerd- kondigen het einde aan van het wanhopige gevecht van een zevenkoppige bemanning met de onbestuurbaar geworden kustvaarder FRISO. Als positie werd opgegeven 56º 30 min. N.B. en 05º 30 min. O.L. Maar volgens peilingen van Deense radiostations kwam de laatste radioboodschap van de FRISO van een punt, ca. 10 km verder naar het zuiden, In de omgeving van een bank, ten westen van Jutland, welke de Koffiegrond wordt genoemd.
De FRISO was geladen met cokes. Waarschijnlijk is de lading gaan schuiven.
Uit een kakafonie van geluiden waarbij van enige etherdiscipline bij noodverkeer geen sprake was, bereikten ons meldingen van een gehele reeks schepen, die terstond koers zetten naar de plaats waar de zwaar slagzij makende kustvaarder onder de gesel van hevige windstoten (windkracht 10) ten onder was gegaan. Tot overmaat van ramp verkeerde ook het stuurloos geraakte Britse jacht SANDRA in nood, zodat tenslotte niet meer uit te maken was, wie met wie sprak.
Tot de schepen, die hun neus in de richting van de plek van de ramp richtten, behoorden o.a. het Nederlandse vrachtschip CORNELIA, de Rus LATVIA, de Noor MARGIT BROEVIG, de Zweed KARE, Deense vissersvaartuigen en de Duitse vrachtvaarders HINDENBURG, KURLAND, FRANCISCA, ANITA THYSSEN en EDMUND HALL.