Inloggen
FLORA - ID 2241

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1929
Classification Register: Scheepvaart Inspectie (SI)
Nat. Official Number: 1066 Z GRON 1928
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Aux. Sailing Vessel
Type: General Cargo
Masten: One mast
Rig: 2 derricks
Material Hull: Iron
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: N.V. Noord-Nederlandsche Scheepswerven, Groningen, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 74
Delivery Date: 1929-00-00
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 2
Power: 70
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 5101 Type T (240x360)
Speed in knots: 7
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 153.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 102.00 Net tonnage
Deadweight: 200.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 10500 Cubic Feet
Bale: 9800 Cubic Feet
 
Length 1: 35.1 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 33.66 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 5.94 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.11 Meters Depth, moulded
Ship History Data

Date/Name Ship 1929-00-00 FLORA
Manager: Pieter Wagemaker, Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Pieter Wagemaker, Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NRPW
Additional info: 1934 Call Sign: PECS

Ship Events Data

1928-11-16: Op 16-11-1928 als motorvrachtschip bestemd voor zeeschip, liggende te Groningen op de werf, door H. Mulder, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van de N.V. Noord Nederlandsche Scheepswerven, gevestigd te Groningen, van haar voorlopig brandmerk voorzien door het in beitelen van 1066 Z GRON 1928 op het achterschip op de luchtkap motorkamer bakboordzijde.
1929-09-18: Op 18-09-1929 als FLORA, zijnde een motorschip, groot bruto 433.20 m3, liggende te Appingedam, door D. Loorbach, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke ven de N.V. Noord Nederlandsche Scheepswerven te Groningen, voorzien van haar brandmerk, door het inbeitelen van 1066 Z GRON 1928 op 't achterschip, in achterkant achtererf aan bakboordzijde. (Opm.: Het brandmerk 1066 Z GRON 1928 thans definitief aangebracht.)
1931-04-16: Voorwaarts 16-04-1931: Flora. Delfziil, 14 April. Het meergemelde motorschip Flora, kapt. Wagenmaker, dat hier met defecten motor uit zee was teruggekeerd, heeft de schade hersteld en vertrok heden naar Landskrona.
1931-06-05: Voorwaarts 05-06-1931: Flora. Delfzijl, 3 Juni. Het meergemelde motorschip Flora heeft de schade hersteld en is heden naar zijn bestemming Dordrecht vertrokken.
1937-01-11: Leeuwarder courant 11-01-1937: Schip gestrand bij Terschelling. Zaterdagmorgen strandde bij Terschelling in de Noordergronden het Nederlandsche motorschip Flora, kapitein Wagenmaker; het schip, dat geladen is met asphalt, zit hoog op de bank. De reddingboot Brandaris alsmede de sleepbooten Holland en Texel van de reederij Doeksen zijn ter plaatse.
Leeuwarder nieuwsblad 11-01-1937: Motorschip bij Terschelling gestrand.. Op eigen kracht vlot gekomen. Zaterdagmorgen is het motorschip „Flora" kapitein Wagenmaker, tengevolge van een dichte mistbank, bij de Noordergronden gestrand. Na optrekking van de mist is het schip op eigen kracht vlot gekomen. De te hulp gekomen reddingboot „Brandaris" en de sleepbooten „Hollandia" en „Texel" van de reederij Doeksen konden daardoor onverrichter zake terugkeeren.
1940-01-18: NvhN 18-01-1940: Kapiteins van kustvaartuigen kenden de voorschriften niet Behandeling voor den Raad van de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart behandelde gisteren eenige kwesties van kustvaartuigen, waarvan de kapiteins zich niet zouden hebben gehouden aan de voorschriften nopens het binnenvaren van de Nederlandsche zeegaten in oorlogstijd. Tegen alle vijf had de Inspecteur-Generaal klachten ingediend. Deze schepen waren de „Diana" groot 313 ton, te Schiedam, de „Nomadesch", groot 291 ton, de „Nejaco", groot 227 ton te Groningen, de „Kemphaan" (343 ton) te Delfzijl en de „Flora" te Groningen. De kapitein van de „Kemphaan" werd als eerste door den Raad gehoord. Uit de schriftelijke verklaring van een marine-officier bleek, dat het schip op weg was naar Rotterdam. De gezagvoerder had per radio gehoord, dat de oorlog was uitgebroken. Op 3 September was daarom door den gezagvoerder het Schulpengat binnengevaren, omdat hij dit veiliger vond dan het voortzetten van de reis naar Rotterdam. De kapitein had niet gestopt voor het marine- onderzoekingsvaartuig. De gezagvoerder verklaarde, dat hij het stopsignaal (drie roode ballen in de mast), door het slechte zicht niet gezien had. Op een vraag, of hij zich in de zes jaar, dat hij reeds als kapitein vaart, wel eens op de hoogte had gesteld van de bijzondere bepalingen in oorlogstijd, antwoordde hij in ontkennenden zin. Wel had hij de voorschriften aan boord, maar bestudeerd had hij ze niet. De „Kemphaan" was 's avonds om half elf door het marinevaartuig aangehouden. Voorzitter: U zegt zelf, dat u geen onderzoekingsvaartuig had gezien. Juist daarom had u buiten moeten blijven, dat is het voorschrift. „Uw verweer is dus eigenlijk, dat u geen marine- onderzoekingsvaartuig zag en u de voorschriften niet kende" stelde de voorzitter dr. Van Geer vast. De Raad zal later uitspraak doen. Ook de volgende gezagvoerder, van de .Flora", was het Schulpengat binnengevaren, zonder te stoppen op bevel van een onderzoekingsmarinevaartuig. Ook deze kapitein kende het voorschrift niet, dat hij In oorlogstijd niet binnen had mogen loopen, wanneer hij geen onderzoekingsvaartuig zag. Hij beriep er zich op, dat een watervliegtuig naast de „Flora" was neergestreken en men hem gezegd had, dat de Wadden, Molengat en West Gat gevaarlijk waren door de mijnen, het Schulpengat moest worden vrijgevaren. Voorzitter: Toch had u moeten wachten, die voorschriften worden niet voor het plezier van de marine gegeven, maar omdat het hoogst gevaarlijk is om zonder geleide binnen te loopen. Die voorschriften zijn van het hoogste belang voor schip en opvarenden. Het is de plicht van den kapitein de voorschriften te kennen en op te volgen. Ook in deze zaak zal de Raad later uitspraak doen. De schipper-eigenaar van de „Nejaco" verklaarde, dat hij op 2 September voor het Friesche Zeegat aangekomen was en hij merkte toen, dat de betonning was weggenomen. Hij was doorgevaren naar het Zeegat van Terschelling, waar een sleepboot lag met drie roode ballen en een marine-officier aan boord. Die had hem gezegd bij Nieuwediep binnen te vallen. Op 4 Sept. was hij daar aangekomen. Op den wal stond weer het sein van de drie roode ballen en in het vaarwater lag een marinevaartuig. Terwijl hij daarheen voer, kreeg hij een stopsignaal. Er kwam een marine-officier aan boord, die hem binnenloodste. Uit het verhoor bleek, dat hij het marinevaartuig voor een onderzoekingsvaartuig had aangezien. Voorzitter: U had moeten wachten met het invaren tot een marineloods aan boord was. Wat u gedaan hebt is hoogst gevaarlijk. De Raad zal later uitspraak doen. De kapitein van de „Nomadesch" uit Groningen was op 30 Augustus het Schulpengat binnengevaren zonder toestemming te hebben gekregen. De gezagvoerder had zich bij het instoomen van het Schulpengat niet gestoord aan lichtsignalen noch aan een waarschuwingsschot van het onderzoekingsvaartuig. Ter zitting verklaarde hrj geen signalen te hebben gezien, waarbij gelast werd te stoppen. Ook de roode ballen had hrj niet waargenomen, noch had hij een schot gehoord. Voorzitter: Was u alleen aan dek? Kapitein: Neen, met zn zessen. Voorzitter: En niemand iets gehoord of gezien vreemd. De kapitein vertelde nog, dat hij binnengaats een loods aan boord had genomen. Ook deze gezagvoerder had zich niet op de hoogte gesteld van de voorschriften, zoodat het ook hem niet bekend was, dat hij buiten de territoriale wateren had moeten wachten op een onderzoekingsvaartuig. Hij voerde aan, dat hij niet met de toestanden op de hoogte was en dat het 30 Augustus was en de oorlog niet was uitgebroken. Voorzitter: Maar u wist toch, dat er iets broeide. Kapitein: Het broeide al jaren. Voorzitter: Maar u moest weten, dat bij dreigend oorlogsgevaar de voorschriften zonder nadere aankondeging ingaan. De Raad zal later uitspraak doen, evenals in de zaak tegen den gezagvoerder van de „Diana", die niet ter zitting verschenen was.
1945-00-00: Aan het eind van de oorlog gezonken gevonden in het Dortmund-Ems kanaal. Gelicht en weer in de vaart.
1948-11-10: Op 10 november 1948 strandde het m.s. FLORA, eigenaar P. Wagemaker, tijdens stormweer nabij Hogenass, Zweden. Na dagenlange inspanning werd het schip vlot gebracht en naar Kopenhagen gesleept voor reparatie. (bron: Vereniging Oranje, 1905 - 1965)

NvhN 10-11-1948: De „FLORA” strandde bij Zweden. In de nacht tijdens zware storm. Het kleine motorschip „Flora" — de boot meet nog geen 200 ton — strandde in de afgelopen nacht tijdens een zware storm bij Hoeganaes (Zuid-Zweden). Het is nog niet bekend hoe vast het schip aan de grond zit. Het bergingsvaartuig „Sibyn", dat in Helsingoer, in Denemarken is gestationneerd, is te hulp geroepen. De „Flora" is eigendom van de heer P. Wagemaker uit Zwolle. Kapitein is de Groninger Muller.

Heerenveensche koerier 11-11-1948: Gronings schip in de Sont gestrand. Het Groningse motorschip „Flora"' dat in ballast op weg was van Kopenhagen naar een andere Deense haven, is tijdens de hevige storm van Dinsdagnacht bij Hoeganaes aan de Sont gestrand. Een bergingsvaartuig is uit Helsingoer te hulp uitgevaren.
1955-01-20: Staatscourant 19-07-195: No. 47 Uitspraakvan de Raad voor de Scheepvaart inzake de aanvaring van het motorschip „Flora" met een door de sleepboot „Alcyon" gesleepte bak in de haven van Harlingen. Op 20 januari 1955 is het motorschip „Flora" op de reis van Harlingen naar Den Helder, in de haven van Harlingen, in aanvaring gekomen met een door de sleepboot „Alcyon" gesleepte bak. In overeenstemming met het voorstel van de inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de raad een onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze aanvaring. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 mei 1956 in tegenwoordigheid van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De raad nam kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij een proces-verbaal van de rijkspolitie te water, post Harlingen, houdende de verhoren van de kapitein en de bestman van de „Flora", de kapitein en de dekknecht van de „Alcyon", de schipper van de bak en de schipper van de sleepboot „Sterna". Getuigen zijn in deze zaak niet gehoord. Uit de bescheiden is de raad het volgende gebleken: Het motorschip „Flora" is een Nederlands schip, toebehorende aan P. Wagemaker, te Groningen. Het meet 153 brutoregisterton en wordt voortbewogen door een 70 pk motor. Op 20 januari 1955, te omstreeks 7.15 uur, voer de „Flora", die de Tjerk Hiddesz-sluizen had verlaten, op haar reis naar Den Helder in de Nieuwe Voorhaven te Harlingen. De kapitein stond op de brug en bediende zelf het roer; de bestman stond op het voorschip. Het schip voer met geringe snelheid, volgens de kapitein 2 km per uur, volgens de kapitein van de achter hem varende „Sterna" 3 km per uur. Verderop in de Voorhaven lag aan de noordkant een baggermolen, die aan de noordkant een rood licht, aan de zuidkant een rood en een wit licht voerde. De „Flora" wilde daarom aan de zuidkant van deze baggermolen passeren. Toen de afstand tot de baggermolen ongeveer 150 m was, zag men aan b.b.-zij, achter de kade van de Nieuwe Willemshaven, een sleepboot tevoorschijn komen, die de sleeplichten voerde en die blijkbaar vóór de „Flora" langs het vaarwater wilde oversteken. Men kon nog niet zien of deze sleepboot, de „Alcyon", iets sleepte. De kapitein van de „Flora" gaf, toen de afstand tot de „Alcyon" ongeveer 40 m was, een korte stoot om aan te geven, dat hij s.b.-wal wilde houden. Hij hoorde van de „Alcyon" eveneens een korte stoot en verwachtte, dat deze sleepboot stuurboorduit zou gaan en achter de „Flora" zou langs varen. De „Alcyon" bleef echter rechtdoor gaan; nu zag men, dat de sleepboot een lichter sleepte. Deze lichter voerde een wit licht, maar dit was laag opgesteld en brandde slecht. De kapitein meent, dat, indien dit licht op de voorgeschreven hoogte zou zijn gevoerd, hij de bak eerder zou hebben opgemerkt; dan had hij ook eerder kunnen achteruitslaan. De kapitein sloeg, toen hij de bak zag, direct volle kracht achteruit; de „Alcyon" was toen al vóór de „Flora" langs gevaren. Tegelijkertijd gaf de kapitein 3 korte stoten op de fluit. De „Alcyon" draaide naar bakboord om naar de baggermolen te gaan. De bak draaide daardoor naar stuurboord en raakte met zijn s.b.-zij b.b.-boeg van de „Flora". De „Flora" kreeg alleen schade boven water. De kapitein voegde hieraan toe, dat het helder weer was met flauwe zuiderkoelte. De schipper van de „Alcyon", die 74 jaar oud is, heeft verklaard bij het vooronderzoek, dat hij niet weet, dat de door de „Alcyon" gesleepte bak op 20 januari 1955, te circa 7.15 uur, in aanvaring is geweest met de „Flora". De schipper moest een lege bak naar s.b.-zij van de baggermolen brengen en is het vaarwater recht overgestoken. Hij heeft niets van andere schepen gezien; hij herinnert zich een korte stoot op een fluit te hebben gehoord, maar weet niet, dat hij ook een korte stoot zou hebben gegeven. De „Alcyon" is niet naar stuurboord uitgeweken. De dekknecht van de „Alcyon" heeft een schip zien komen uit de Tjerk Hiddesz-sluis, maar daaraan geen aandacht besteed. Hij weet niet welke seinen zijn gegeven, maar weet, dat de „Alcyon" naar bakboord draaide om naar de baggermolen te gaan. Hierdoor draaide de bak naar stuurboord en voer de „Flora" aan. De dekknecht van de bak heeft verklaard, dat op de bak een wit licht brandde, een z.g. vleermuis, aangebracht tegen s.b.-kant van de schermkap voor het stuurwiel. Hij zag de „Flora" van de Tjerk Hiddesz-sluis komen en hoorde een korte stoot van dit schip. Hierop antwoordde de „Alcyon" met een korte stoot, maar bleef rechtdoor varen en ging dan bakboorduit. De bak begon toen naar stuurboord te gaan. De dekknecht heeft nog s.b.-roer gegeven, maar kon niet voorkomen, dat een aanvaring ontstond. De schipper van de sleepboot „Sterna" heeft verklaard, dat hij op 20 januari 1955, te 7.15 uur, ongeveer 100 m achter de „Flora" voer, die uit de Tjerk Hiddesz-sluis kwam. Toen de „Flora" nog 150 m verwijderd was, zag de schipper, dat de „Alcyon" achter de Nieuwe Willemskade vandaan kwam, vóór de „Flora" langs het vaarwater overstak en naar bakboord «draaide naar de baggermolen. Hij hoorde één der schepen een korte stoot geven. Hij schat de snelheid van de „Flora" op 3 km, die van de „Alcyon" op 5 km. De „Sterna" was nog 150 m van de „Alcyon", toen de schipper zag, dat er een bak achter hing; hij heeft een wit licht daarop niet kunnen onderscheiden. Hij hoorde de „Flora" drie korte stoten geven en zag daarna, dat de bak naar stuurboord draaide en de „Flora" aanvoer. De ambtenaar van de politie te water heeft verklaard, dat het 20 januari 1955, te 6.55 uur, H.W. te Harlingen was en dat de bak veel eerder zou zijn gezien, indien hij het licht op ten minste 3 m boven de romp zou hebben gevoerd. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart voerde op 18 mei 1956 aan, dat op 20 januari 1955, te 7.15 uur, het motorschip „Flora" de Tjerk Hiddesz-sluis te Harlingen verliet en naar buiten stoomde. In de Nieuwe Voorhaven lag aan de noordkant een baggermolen en de „Flora" wilde deze aan de goede kant passeren. Op een gegeven moment kwam van bakboord een sleepboot met een bak, die het vaarwater wilde oversteken. De bak had wel een wit licht, maar voerde dit niet volgens de voorschriften. Toen de „Flora" de sleepboot zag, wilde zij deze ook aan de goede kant voorbijvaren en gaf een korte stoot. Men moet uit de getuigenverklaringen wel aannemen, dat ook de „Alcyon" een korte stoot heeft gegeven. De sleepboot week echter niet naar stuurboord uit. Zij heeft misschien door dit signaal willen aangeven, dat zij haar s.b.-kant wilde opzoeken. De „Alcyon" liep vóór de „Flora" over en overtrad zo het bepaalde in artikel 36, lid 3, van het B.A.R. De „Flora" kwam daardoor in aanvaring met de gesleepte bak. Hoewel de „Flora" tijdig de sleeplichten van de sleepboot heeft gezien, acht de hoofdinspecteur toch alleen de „Alcyon" aansprakelijk voor deze aanvaring. Het oordeel van de raad luidt als volgt: Op 20 januari 1955, te 7.15 uur, toen het nog donker was, verliet het motorschip „Flora" de Tjerk Hiddesz-sluis te Harlingen en wilde door de Nieuwe Voorhaven naar zee gaan. De „Flora" zou de aan de noordkant van de haven liggende baggermolen aan de zuidkant passeren. Plotseling zag men, ongeveer 150 m vooruit, een sleepboot vóór de „Flora" langs de haven oversteken van de zuid- naar de noordkant. De kapitein zag, dat de sleepboot de sleeplichten voerde, maar zag er niets achter hangen. Hij gaf een korte stoot om aan te geven, dat hij de s.b.-zij van de haven wilde blijven volgen. Toen hij daarop een korte stoot van de ..Alcyon" hoorde, mocht hij aannemen, dat de sleepboot naar stuurboord uit zou wijken en achter de „Fora" langs zou gaan. Wat de „Alcyon" ook met dit signaal mag hebben bedoeld, zij handelde er niet naar en stak vóór de „Flora" langs het vaarwater over, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 36, lid 3, van het B.A.R. Ondanks achteruitslaan van de „Flora" kon niet worden voorkomen, dat dit schip in aanvaring kwam met de gesleepte bak. Hoewel de bak zijn witte licht niet volgens de voorschriften voerde en daardoor door de „Flora" niet tijdig kon worden opgemerkt, is de raad van oordeel, dat de kapitein van de „Flora", die heeft verklaard, dat hij de sleeplichten van de „Alcyon" waarnam, had moeten begrijpen, dat er achter de sleepboot een gesleept vaartuig zou volgen. Hij had daarom beter gedaan eerder achteruit te slaan. Dit neemt niet weg, dat de raad de sleepboot „Alcyon" aansprakelijk acht voor deze aanvaring. Aldus gedaan door de heren mr. A. Dirkzwager, 1ste plv. voorzitter, C. H. Brouwer, H. A. Broere en A. Kunst, leden, in tegenwoordigheid van 's raads secretaris, mr. A. Boosman, en uitgesproken door voornoemde voorzitter ter openbare zitting van de raad van 12 juli 1956. (Get.) A. Dirkzwager, A. Boosman.

1956-03-00: Final Fate:
In 04.1956 naar de binnenvaart als “FLORA" van Pieter Wagenmaker te Groningen. Op 21-04-1956 als FLORA, zijnde een stalen motorschip, metende 231.162 m3 verplaatsing volgens binnenmeetbrief afgegeven te Rotterdam no R15731 d.d. 29-07-1947, liggende te Zaandam, door E. Konijn, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Amsterdam van een nieuw brandmerk voorzien door het inbeitelen van 3410 B GRON 1956 op het achterschip aan B.B. zijde in achterkant roef, 0.90 m. uit hekplaat, 0.90 m. uit lengteas en 2.095 uit dek. (Opm: De door de Bewaarder vermelde oude merken 1066 Z GRON 1928 zijn vernietigd.) Op 11.05.1956 "Maike II" van Wilhelm Bruinsma te Amsterdam. In 1960 door scheepswerf Minerva te Amsterdam met 12 meter verlengd en verbouwd en ook een nieuwe hoofdmotor: 4tew 6 cil 180 Pk Caterpillar Nr. D337R aangebracht op het cylinderblok. Op 05-07-1963 als MAIKE II, zijnde een motorschip, metende 352.680 m verplaatsing volgens binnenmeetbrief afgegeven te Amsterdam no. 18763 d.d. 28-11-1960, liggende te Vreeswijk, door W.R. Boerrigter, ambtenaar bij de Scheepsmetingsdienst te Amsterdam opnieuw van het zelfde brandmerk voorzien door het inbeitelen van 3410 B GRON 1956 op het achterschip aan SB zijde in achterkant roef, 0.90 m. uit hekplaat, 0.50 m. uit lengteas en 1.12 m. uit dek. (Opm.: De oude merken zijn niet gevonden.) Op 23.02.1967 "Joja" van Herm Albertus Bruisma te Amsterdam. Op 30.03.1972 "Corrie" van Willem Leeuwestein te Nieuwegein. Op 16.12.1974 "Johannes Gerardus" van Cornelis Heimensen te Wageningen. Op 22.07.1977 "Hermina"van Arie van Leeuwen te Nieuwegein. Het schip wordt dan omschreven als: een stalen motorvrachtschip hebbende 1 dek, 1 laadruim, voorroef met vooronder, salonroef met stuurhut achterop, machinekamer, voortbewogen door een 6 cyl. Caterpillar dieselmotor van 172 PK bij 1225 omw./min. Type D 342, motornummer 32B1818 aangebracht aan B.B. zijde achter op het bovenblok. Het schip is gebouwd te Groningen in het jaar 1929. 14.03.1984 “Hermina” van V.o.f. Firma A. van Leeuwen en Zoon (Vennoten zijn: Arie van Leeuwen, schipper te Vreeswijk en Adrianus van Leeuwen schipper te Vreeswijk) te Nieuwegein. 17.11.1987 “Seolto” van Gerrit den Herder, schipper te Zwijndrecht. 07.05.1993 “Seolto” van Auto Holding B.V. te Berg en Dal. 13.07.1993 “Nina” van River Cruises B.V. te Berg en Dal. Het schip is ingekort en wordt nu omschreven als: een stalen passagiersschip met hotelaccomodatie, hebbende 1 dek, 1 dekopbouw, voorroef met vooronder, salonroef met stuurhut, machine kamer, voortbewogen door een 6 cyl. Caterpillar dieselmotor van 206 Kw (=280 PK), bij 1800 omw./min. Type 3406 T.A.D.I. motornummer 91U2025, aangebracht op het kleppendeksel. Het schip is gebouwd in Groningen in het jaar 1929. 24.12.2001 “Jelmar” van Jelmar v.o.f. de Rotterdam. (De vennoten zijn: Albert Jan Koers en Geesje Roelofje Benak, echtelieden.) Staat 11.2010 nog zo bij het Kadaster te boek.

Afbeeldingen


Omschrijving: Flora 1929 entering West-Terschelling.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Flora 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Flora 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Flora 1929
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Maike II 1929 (voor verlenging) in 1958 op de Rijn. (Loreley)
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Maike II 1929 (na verlenging) in 1964 te Eindhoven.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Seolto 1929 te Rotterdam in 1991.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)

Omschrijving: Nina 1929 te Alkmaar in 06-2001.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)

Omschrijving: Jelmar 1929 te Staveren op 24-08-2014.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)

Omschrijving: Jelmar 1929 te Staveren op 24-08-2014.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)