Inloggen
DELTA - ID 10400

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:1839-12-05 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1839
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Sailing Vessel
Type: Frigate
Masten: Three masts
Material Hull: Wood, sheathed with copper
Dekken: 2
Construction Data

Scheepsbouwer: Jan Schouten, Dordrecht, Zuid-Holland, Netherlands
Delivery Date: 1839-11-01
Technical Data

Net Tonnage: 498.00 lasts
 
Zeebrieven en Turksche passen

Record type Zeebrief
Zeebrief jaar: 1839
Datum agenda: 1839-12-05
Register nr: 18390563
Scheepsnaam: DELTA
Type: Fregat
Lasten: 498
Gebouwd in provincie: Zuid-Holland
Gebouwd in binnen- of buitenland: Binnenlands
Zeebrief / Turksche pas verzocht door: Kist Ezn., A.
Plaats: Dordrecht
Kapitein op moment van verzoek: Crans, G.
Opmerkingen: Eerste zeebrief

Bekijk de overige zeebrieven / Turksche passen van dit schip
Ship History Data

Date/Name Ship 1839-11-01 DELTA
Manager: Bestuur, Dordrecht, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: Partenrederij onder boekhouderschap van genoemde manager, Dordrecht, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Dordrecht / Netherlands

Ship Events Data

1839-10-22: Building History
Advertentie. Dordrecht, 18 oktober. Bij gunstige gelegenheid heeft de scheepmaker Jan Schouten het voornemen het op zijn werf op stapel staande fregatschip genaamd DELTA aanstaanden dinsdag, de 22 dezer, des namiddags ten vier ure, te water te laten. (opm: de rederij van de DELTA was verdeeld in 144 parten, in handen van veel eigenaren, elk met een overwegend kleine part. Er was geen manager, maar uit het midden van de eigenaren werden enige part-owners gekozen om de rederij te besturen. De part-owners waren allen of voor een groot deel leden van de vrijmetselarij)
1854-05-30: Final Fate: Stranded

Batavia, 1 juli. De 29e dezer arriveerde alhier te rede het Engels schip COLDEE, kapt. Chambers, aan boord hebben de equipage van het Nederlandse schip DELTA, kapt. J.G. Kunst, hetwelk de 30e mei l.l. op het Kenn’s Rif totaal is verongelukt. De equipage, bestaande uit 29 koppen, is geheel, doch van het schip hoegenaamd niets kunnen gered worden. (opm: het fregat, bouwjaar 1839, was onderweg van Port Philip naar Batavia (opm: de stranding vond plaats op 20 mei 1854 te 20.45 uur, in positie 21º09' ZB en 155º46 OL. bij donker, buiig weer.)

Gezagvoerders

Datum vanaf: 1839
Kapitein: Crans, G.
Overige informatie: 0

Afbeeldingen


Omschrijving: Een tuigplan of bouwtekening van de DELTA
Onderwerp: Bouwtekening
Algemene informatie

24 januari 1846 NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant
(Geen datum of plaats) Het casco van het fregatschip DELTA, kapitein Crans, van Dordrecht, was verzekerd door J.T.S. c.s. te Amsterdam, voor eene reis van Amsterdam en alle circumjacentiën van dien, naar Batavia of eene andere haven van de eilanden Java en Sumatra, voor eene somma van NLG 90.000, premie incluis, waarop dit casco met wederzijdsch goedvinden was getaxeerd.
Het schip uit Texel den 25sten Julij 1845 vertrokken, kwam den 26sten November daaraanvolgende te Batavia aan, alwaar de gezagvoerder onmiddellijk den volgenden dag door een notaris een zeeprotest liet opmaken, op grond van aanzienlijke zeeschade. Vervolgens stevende de schipper naar Sourabaya, alwaar hij van de bevoegde autoriteit, de benoeming van eene commissie van deskundigen vroeg, om den bodem te inspecteren en de gevorderd wordende reparatiën aan te wijzen. Deze commissie heeft bevonden, niet alleen dat het schip zoowel aan den romp als aan de zeilen, aanzienlijke reparatiën behoefde, maar heeft successivelijk, ten einde de naden en het breeuwwerk, welke vergaan en verrot waren, te inspecteren en te doen repareren, de zich daarop bevindende koperen huid te doen afnemen, en eindelijk (post alia) blijkens opgemaakt proces-verbaal van bevinding, noodzakelijk geoordeeld en bevolen: “alle bouten, spijkers en nagels met nauwkeurigheid na te gaan, en die, waarvan eenigen twijfel bestaat, door anderen te doen vervangen; verder aldaar er geen mospapier daar aanwezig was, om de huid weder als vroeger te beleggen, daarvoor in plaats de labor met chinees papier te bezigen, en vervolgens gedachten bodem nieuw te bekoperen.”
Aan de voorschriften dier commissie voldaan zijnde en het schip dienovereenkomstig gerepareerd, werd door schipper en scheepsvolk te Sourabaya eene zeeverklaring, ten overstaan van notaris en getuigen afgelegd, welke bij hunne terugkomst in het moederland, te Dordrecht voor den kantonregter is herhaald geworden en met eede bevestigd.

De president-directeur en de directeur, fungerende secretaris, van de rederij van het fregatschip DELTA, maakten diensvolgens eene schadeberekening op van ƒ 9585, waarvan zij de voldoening van de assuradeurs vroegen, en waarvan zij in regten, bij hunne mondelinge voordracht slechts aanboden NLG 309,92 af te trekken, waarop het bedrag van de geheele reparatie van het koper zoude neder komen. De assuradeurs weigerden echter de betaling, voornamelijk op grond, dat de schade niet aan eenig zee-evenement was toe te schrijven, maar eenig en alleen aan eigen bederf en slijtagie, waarvoor niet verzekerd wordt, blijkbaar uit hetgeen den 8sten Augustus, bij gestadig stil weder, reeds was ondervonden, toen een blad koper los en verloren was gegaan; dat bovendien de geheele vordering steunde op eene zeeverklaring, eenen geruimen tijd later voor eene onbevoegde magt, en strijdig met alle bepalingen van wetgeving opgemaakt; terwijl de bewijzen eener opneming van het koper zelf, welke dadelijk bij het arrivement van het schip te Batavia had plaatsgehad, ontbraken, en door de geassureerden werden terug gehouden, en dat eindelijk de schaderekening zelve, ten aanzien van verschillende posten, door hen bestreden, niet behoorlijk was gejustificeerd. De assuradeurs werden door de scheidsmannen, mrs. A. Brugmans, D.A. Walraven, en M.S. S’Jacob, praktiserende advokaten te Amsterdam, na overweging der daadzaken, op de volgende gronden in het ongelijk gesteld.
O.,(opm: overwegende) wat het regt aangaat, dat de vragen, welke hier behooren te worden beslist, zich hoofdzakelijk bepalen tot de twee volgende:
1e. Behoort de schade, waarvan de eischers en compromittenten ter eenre ten deze de verdoeding van de ged. En compromittenten ter andere zijde vorderen, onder die zeeschaden, welke regtens van den assuradeur kunnen worden gevorderd?
2e. Is de schaderekening, zodanig dezelve hier is liggende, behoorlijk gejustificeerd?
0., wat de eerste vraag aangaat, dat het ten deze in allen deele consteert, en in genere ook niet wordt tegengesproken, dat het fregatschip DELTA, kapitein G. Crans, op zijne reize van Amsterdam naar Batavia, werkelijk schade heeft gehad en bekomen;
0., dat uit de scheepsverklaring, op den 26sten Jan. 1844 voor den notaris Nieuwenhuijzen en getuigen onder aanbod van eede door den gezagvoerder en een gedeelte der equipage te Sourabaya afgelegd, en behoorlijk geregistreerd, blijkt, dat het fregatschip DELTA, na in behoorlijken staat uit Texel te zijn gezeild, op verschillende tijden met storm, vergezeld van hevige buijen en hoogloopende zeeën, waarin het schip geweldig heeft gewerkt en geslingerd, heeft te kampen gehad, te dien effecte, dat, volgens die verklaring, ten deze geen redelijke twijfel kan bestaan, of het schip gedurende zijne reize van hier naar Batavia werkelijk zodanige zeeëvenementen heeft gehad, welke aanzienlijke zeeschaden hebben kunnen doen ontstaan;
0., dat die mogelijkheid nog meer wordt bevestigd door de omstandigheid, welke trouwens den ged. en compromittenten ter andere zijde niet vreemd noch onbekend was, dat deze bodem, wel verre van nieuw te zijn, bereids eenige zeereizen had volbragt, en alzoo uit den aard der zake ingeval van eenige zeeramp, ongetwijfeld aan meerdere schade was onderhevig;
0., dat, hoezeer ook het beweren van de ged. en compromittenten ter andere zijde, dat slijtagie en eigenbederf in assurantie geenen grond tot schadevergoeding oplevert, in abstracto gegrond en waar zijn moge, in het onderwerpelijke geval echter geene voldoende gronden voor de toepassing van dat beweren worden gegeven, en alle bewijs daarvan, hetwelk op de ged. en compromittenten ter andere zijde zoude rusten, ten eenenmale ontbreekt;
0., immers, dat ook, daargelaten de waarde of onwaarde van de verklaring der heeren Lankelma en Hulsen, welke deze ged. niet concerneert, in assurantie echter de regel behoort te gelden, dat een bodem bij zijne uitreize van hier gepraesumeerd moet worden zeilvaardig en in goeden staat te zijn geweest, zoolang het tegendeel niet wordt bewezen, daar het tegenovergestelde tot de ongerijmdste gevolgen aanleiding zou geven:
0., dat, hoezeer ook de omstandigheid, dat reeds op de 8sten Augustus, bij gestadig stil weder en zonder nog stormen te hebben gehad, het schip een blad koper had verloren, eene praesumptie van eigen gebrek of bederf zoude kunnen opleveren, die omstandigheid echter, welke evengoed aan eenige andere bekende of onbekende oorzaak kan zijn te wijten geweest, zonder eenig meerder bewijs voor dat beweren, niet veel meer dan eene veronderstelling, maar geenszins een voldoend bewijs voor de sustenuën der ged. oplevert:
0., dat, hoezeer ook ten gevolge der verschillende opnemingen der deskundigen te Sourabaya, voldoende ten processe consteert, dat werkelijk de naden van het schip en het breeuwerk waren vergaan en verrot, die daadzaak echter geenszins gerekend kan worden, het bewijs op te leveren, dat de geledene schade eenig en alleen aan eigenbederf en slijtagie zoude zijn te wijten geweest, daar, aangenomen zijnde, dat werkelijk het schip met stormen, zware buijen en hooge zeeën te kampen heeft gehad, dat vergaan en verrotten op eene zeereize van vier maanden bij eenen verouderden bodem, eerder aan de plaats gehad hebbende zeeëvenementen moet worden toegeschreven (immers zoolang het tegendeel niet wordt bewezen), zoodat dan ook de deskundigen te Sourabaya, aannemende zelfs, dat overigens het schip, met betrekking tot deszelfs beplanking, bebouting en benageling, in gunstige omstandigheid verkeerde, niet hebben geaarzeld, de bestaande schade aan de gedurende de verzekerde reize plaats gehad hebbende zeeëvenementen toe te schrijven;
0., wat ook in abstracto zoo aan de zijde van ged. als aan de zijde van de eischers is voorgedragen, over de quaestie van slijtagie, het oxcideren van het koper, en het aanbrengen van eene nieuwe koperen huid aan dezen bodem, die vragen hier op het onderhavige geval van geene toepassing hoe ook genaamd zijn, daar, buiten en behalve dat die quaestiën bij alle dergelijke zeeschaden zouden kunnen worden gemoveerd (waarvoor echter de wet, ingeval van vergoeding, aan den assuradeur de aftrekking van een derde voor nieuw toestaat), in casu echter zowel het afnemen van de oude, als het aanbrengen van de nieuwe koperen huid, op stellige orde en bevel der deskundige commissie is geschied, dewijl van de zijde der ged. en comprom. ter andere zijde, geen voldoende bewijsgrond wordt aangevoerd, waardoor zou blijken, dat die schade ook aan het koper toegebragt, aan eenige andere oorzaak dan eenen plaats gehad hebbenden storm, zware buijen en hooge zeeën kan worden toegeschreven:
0., wat betreft de zeeverklaring, door den kapitein en een gedeelte der equipaadje, te Sourabaya voor notaris en getuigen afgelegd, dat die verklaring, volgens de daar te lande plaats hebbende gebruiken, is geschied, dat daar de strikte bepalingen van ons tegenwoordig hier te lande in vigeur zijnde regt niet bestaan, en bovendien die verklaring, bij de terugkomst van het schip onmiddellijk, volgens hier bestaande verordeningen, is hernieuwd en met eede bekrachtigd geworden, te dien effecte, dat dit stuk als voldoend document van bewijs in regten behoort te worden aangenomen, en ten processe geene volgende reden bestaat, de waarde daarvan in twijfel te trekken:
0., eindelijk, wat betreft het beweren der ged. en compromittenten ter andere zijde, dat er eene opneming van het koper zelf te Batavia zoude hebben plaats gehad, en dat het bewijs daarvan door de eischers en compromittenten ter eenre zoude worden terughouden; dat dit beweren ofschoon, wat het eerste gedeelte betreft, tusschen partijen in confesso zijnde, echter, wat het laatste aangaat, door de eischers en compromittenten ter eenre finaal wordt ontkend, en daarvan ten processe alle bewijs ontbreekt, zoodat, bij gebreke daarvan, het den regter niet mogelijk is, daarop te attenderen of daaruit eenige gevolgtrekking tot de zaak in quaestie af te leiden;
0., na dit alles, dat het ten processe als voldoende bewezen behoort te worden aangenomen, dat de schade aan het verzekerde schip op de verzekerde reize is ontstaan door zeeëvenementen, waartegen was verzekerd, en mitsdien de schade, welker vergoeding de eischers vorderen, onder die zeeschaden behoort, welke regtens van de assuradeurs kunnen worden teruggevorderd;
0., wat de tweede vraag aangaat, dat, ofschoon bij mondelinge voordragt, door de ged. en compromittenten ter andere zijde eenige aanmerkingen zijn gemaakt tegen de schaderekening, als zoude door het ontbreken van quitantiën van de daarop voorkomende posten, van ƒ 5212,34 voor 450 bladen koper, à contant gekocht van den Arabier Suh Awal, en van ƒ 1008 voor dagloonersgeëmploijeer gedurende de reparatie, niet genoegzaam zijn gejustificeerd, terwijl het van andere posten, als van ƒ 240, ƒ 720 en ƒ 90 voor zeildoek, touwwerk en zeilgaren, niet zou zijn gebleken, dat juist die hoeveelheid aan het verzekerde schip is gebruikt, er echter naar rede en billijkheid geene genoegzame gronden bestaan, om uit dezen hoofde opgemelde posten van de schaderekening te schrappen, en wel voornamelijk daarom, dewijl dezelve geenszins als te hoog opgevoerd en bovenmatig kunnen worden beschouwd, en ook niet uit dit oogpunt door de ged. en compromittenten ter andere zijde zijn bestreden;
0., eindelijk, dat door de eischers en comprimittenten ten andere is toegegeven, dat een post van ƒ 44, voor reparatie van keukengereedschap, van het bedrag der schaderekening behoort te worden afgetrokken;
Gezien de art. 249, 637 en 384 W. van K, en 56 B.R;
Regt doende in het eerste ressort,
Verlenen aan de eisers en compromittenten ter eenre acte van de door hen bij subordinate conclusie gedane aanbieding;
Veroordeelen de ged. en compromittenten ter andere zijde, om aan de eisers te betalen de som van ƒ 9541, en wel ieder van hen eene som van ƒ 100,60, zijnde 10-60/100 pCt. Over de door ieder der ged. verzekerde som van ƒ 1000, met de interesten, à 6 pCt. In het jaar, sedert den 15den Nov. 1844 tot de voldoening toe:
Verklaren deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep, zonder borgtogt en bij lijfsdwang;
Veroordeelen ged. en compromittenten ter andere zijde in de kosten van deze arbitrale procedure.
(Gepleit voor de eischers Mr. S.E. Nijkerk, voor de verweerders Mr. B. Donker Curtius)

Externe informatie


Datum: 1839-01-01
Instelling:
Toegang: Publicatie
Inventarisnr.:
Onderwerp:
Omschrijving: Publicatie door Jean van Wageningen
Link openen
Akten

ARCHIEF NA Den Haag 3.03.54 - 160 archiefnummer Dordt 100.
__________________________________________________

BIJLBRIEF / ACTE AAN- en VERKOOP
Naam schip: DELTA

Plaats en datum: bijlbrief, Dordrecht, 1 november 1839

Soort schip fregat

Te voeren door kapt.

Bouwwerf / verkoper scheepsbouwmeester J. Schouten, Dordrecht

Eigenaar / aankoper A. Kist Ezn., c.s., Dordrecht

Groot volgens meetbrief 498 laten

Tuigage en aantal dekken

Afmetingen

Kiellegging

Tewaterlating

Plaats en nummer van registratie

Datum van registratie

Notaris

Prijs (bij aan-/verkoop vermeld)

Bijzonderheden






Researcher/datum research ML/281105

Naam DELTA
Archiefinstelling Nationaal Archief Den Haag
Jaar 1839
Toegang 3.03.54
Inventaris 160

Bronnen


Jaar: 0000
Bron: NA-Den Haag
Omschrijving: BIJLBRIEF: ARCHIEF NA Den Haag 3.03.54 - 160 / archiefnummer Dordt 100.