Inloggen
VAN IMHOFF - ID 6889


Kroniekberichten

Datum 14 mei 1898
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

De Koninklijke Paketvaart Maatschappij in 1897.
In zijn verslag over 1897 deelt de raad van bestuur der Koninklijke Paketvaart Maatschappij onder meer mede dat, terwijl in dat jaar haar vloot geen verlies te lijden had, op 3 maart jl. haar stoomschip GOUVERNEUR-GENERAAL LOUDON nabij Saleier (opm: Selayar) verloren is gegaan. Uitgenomen een aanvaring, die op 28 juli 1897 plaats vond tussen een Frans zeilschip en het stoomschip SPEELMAN, zijn er geen zeerampen van enige betekenis in het verslagjaar te melden. Behalve door het in dienst komen van de nieuwe stoomschepen VAN SWOLL, VAN DER LIJN en BROUWER, waarvan reeds in het vorige verslag melding is gemaakt, wordt de vloot der Maatschappij vermeerderd door het hier te lande in aanbouw brengen van twee schepen, welke de namen VAN IMHOFF en MOSSEL hebben ontvangen. Bovendien is het stoomschip BORNEO door aankoop in eigendom der Maatschappij overgegaan. De overeenkomst met de regering voor de bediening van de Paketvaart, en de bijeenkomende contracten voor het zout- en kolenvervoer werden stipt nagekomen, terwijl de Maatschappij het algemeen verkeer bleef bevorderen door het onderhouden van regelmatige diensten, ook buiten contract. Het aantal geografische mijlen, door de schepen afgelegd, bedroeg op de lijnen voor welke subsidie is betaald: 94.999, tegen 95.142 in 1896, 94.658 in 1895 en 94.168 in 1894; op regelmatige diensten, buiten contract: 140.334 tegen resp. 126.055, 124.895 en 114.723; en op extra reizen: 25.733 tegen resp. 29.071, 22.294 en 31.876.
Het voordelige saldo van de reizen der stoomschepen bedraagt NLG 1.641.865,11 tegen NLG 1.817.312,71 in 1896. in 1895 was het saldo: NLG 1.337.410,16 en in 1984 NLG 1.674.651,69½.
Overeenkomstig art. 26 der statuten heeft de raad van bestuur de afschrijvingen vastgesteld op: NLG 50.000 op kosten van de eerste aanleg enz; NLG 6.350 op de dienst der geldlening 1888; NLG 767.453,82½ en NLG 38.000 op de etablissementen in Indië. Na aftrek van deze afschrijvingen, alsmede van NLG 39.549,10 voor het nadelige saldo van de interestrekening over 1897, alsmede van NLG 37.151 voor de reserve-rekening krachtens art. 27 der statuten; en onder bijvoeging van het onverdeelde saldo ad. NLG 959,24 uit 1896 blijft er als te verdelen winst: NLG 704.320,42½. Hieruit wordt (gelijk reeds vroeger gemeld is) door de raad van bestuur een dividend van 9 pct. voorgesteld, waarvoor vereist wordt NLG 540.000 terwijl verder aan de houders van bewijzen van winstaandeel NLG 65.454 uitgekeerd en volgens art. 27 der statuten NLG 81.816 besteed zal worden. Per aandeel zal dus de uitkering NLG 90 en per bewijs van winstaandeel NLG 40.90 bedragen.
De reserve-rekening komt op NLG 154.918 te staan. De assurantie-reserverekening, gevormd door het lopen van eigen risico op de stoomschepen, klom in 1897 tot NLG 703.661,23, tegen NLG 564.105,72 in 1896, NLG 446.107,76 in 1895 en NLG 329.674,98 in 1894. De uitkomsten van ons bedrijf in het afgelopen jaar, zegt de raad van bestuur, geven stof tot tevredenheid. Wel ondervond onze Maatschappij de gevolgen van een felle mededinging, ook van de kant der spoorwegen op Java, dit laatste vooral nadat voor het vervoer van gouvernementspassagiers en gouvernementslading, tussen Batavia en Soerabaia, het gebruik van de Staatsspoorweg, op enkele uitzonderingen na, verplichtend was gesteld. Daarentegen nam het particuliere vervoer toe, op alle diensten tezamen genomen.

Afbeelding
Datum 10 december 1898
Krant PGC - Provinciale Groninger Courant

Amsterdam, 9 december. Het aan de werf der Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij alhier voor rekening van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij gebouwde stoomschip VAN IMHOFF is heden van de officiële proeftocht op de gemeten mijl bij het Nieuwediep teruggekeerd. Niettegenstaande het ongunstige weder hebben schip en machines in alle opzichten goed voldaan en werd een snelheid verkregen van 11,4 mijl (opm: knopen).

Afbeelding
Datum 26 mei 1900
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Het verslag van de raad van bestuur van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij over 1899 vangt aan met een herdenking van wijlen de heer W. van Hasselt, die, behoudens de goedkeuring van de minister van koloniën, als administrateur wordt opgevolgd door de heer J.H. Hummel, tot dusver inspecteur van de maatschappij in Indië. Het verslag herinnert voorts aan de wet van 19 mei 1899 (Staatsblad nummer 122), welke de regering gemachtigd heeft met de maatschappij een overeenkomst aan te gaan tot verlenging van de bestaande overeenkomst voor de bediening van de paketvaart met tien jaren, tegen een reeds met 1 januari 1899 ingaande vermindering van subsidie ad ongeveer NLG 250.000 ’s jaars. Op 3 maart 1900 is de nieuwe overeenkomst te Batavia getekend. De gemaakte regeling loopt nu tot 31 december 1915. Bij de in de maand juli gehouden uitbesteding voor het vervoer van zout is dit transport voor een tijdvak van 10 jaren aan de maatschappij toegewezen. Die overeenkomst loopt nu tot 31 december 1909. Bij gouvernementsbesluit van 18 september 1899, is de contractuele dienst nummer 3, tussen Batavia en Singapore, ingetrokken tegen november daaraanvolgend. “Terwijl onze vloot in het verslagjaar voor materiële rampen bewaard bleef, hebben wij” – zegt de raad van bestuur – “een treurig ongeluk te melden. In december jl., terwijl het stoomschip GENERAAL PEL zich bevond voor Sileraka ( Nieuw Guinea), werden drie van de opvarenden, de 3e officier J.F. van der Plaat en de machinisten F. Leemans en L.F. van Breemen, die zich aan wal hadden begeven, door inboorlingen gevangen gehouden. De pogingen tot hun bevrijding aangewend bleven vruchteloos en volgens de laatste berichten zijn de drie gevangenen vermoord en elf van de daders gearresteerd”. In de loop van het jaar kwamen de nieuwe stoomschepen VAN IMHOFF, MOSSEL en VAN DER PARRA in dienst. In aanbouw zijn hier te lande drie stoomschepen gebracht, welke de namen ALTING, VAN RIEMSDIJK en DE KLERK hebben ontvangen. Voor de vaart op de Bandjermasing-rivier is bij Yarrow & Co. te Londen een hekwielstomer besteld, genaamd BARITO. Behalve het stoomschip G.G. MIJER, zijn nu nog de stoomschepen PRINS ALEXANDER en SIAK van de hand gedaan. Aan het nieuwe kantoor van de maatschappij te Weltevreden wordt met kracht gewerkt; het zal vermoedelijk tegen het einde van 1900 betrokken kunnen worden. Het aantal geografische mijlen, door de schepen van de maatschappij afgelegd, bedroeg in 1899, 1898, 1897, 1896 op lijnen voor welke subsidie is betaald 83.800, 89.987, 94.999, 95.142. Op regelmatige dienst, buiten contract, 171.645, 157.029, 140.334, 126.055. Op extra reizen 30.571, 29.512, 25.733, 29.071. En buitendien voor de verrichtingen op Atjeh: nihil, 7.681, nihil, en 6.193.
Het verslag herinnert met een enkel woord aan de vergroting van het maatschappelijk kapitaal tot NLG 9 miljoen en de uitgifte van de 1.000 nieuwe aandelen 3e serie tegen de koers van 150 %. Over het daarbij verkregen excedent boven de parikoers, ad NLG 494.302,84 is op de volgende wijze beschikt: in het credit van de winst- en verliesrekening is geboekt NLG 42.500 als aandeel in de winst over 1899 over de maanden, voorafgaande aan die, waarop de storting plaats greep. Voorts werd de reserve-rekening aangevuld met NLG 33.509, ten einde de verhouding van deze rekening tot het kapitaal op dezelfde hoogte te houden. Verder werd geboekt op een rekening van afschrijving NLG 200.000, terwijl het restant ten bedrage van NLG 218.293,84 gebracht werd op de assurantiereserve-rekening. Het voordelige saldo van de reizen van de stoomschepen bedraagt NLG 1.371.831,27 tegen NLG 1.714.018,84 in 1898. NLG 1.641.865,11 in 1897 en NLG 1.817.312,12 in 1896. Het bedrag in 1899 is zoveel lager ten gevolge van de vermindering van subsidie en van het sterk verminderd gouvernements-vervoer, terwijl ook de exploitatiekosten hoger waren; het particulier vervoer is daarentegen in het afgelopen jaar zeer belangrijk toegenomen. Ingevolge artikel 26 van de statuten is de afschrijving vastgesteld op: NLG 25.000 op kosten van eerste aanleg enzovoort; NLG 6.850 op dienst van de geldlening 1888; NLG 637.129,23½ op stoomschepen en NLG 10.003,62 op etablissementen. In verband met de verlenging van de overeenkomst met de regering voor de bediening van de paketvaart in Nederlands-Indië tot ultimo december 1915 is de afschrijving op kosten van eerste aanleg, enz. zo geregeld, dat deze kosten na expiratie van genoemde overeenkomst, geheel zullen zijn afgeschreven. Op de reserverekening volgens artikel 27 van de statuten wordt, behalve de hiervoor genoemde bijdrage uit het agio op de aandelen 3e serie, nog uit de winst een bedrag van NLG 35.981 gebracht, waardoor deze rekening op NLG 270.546 komt te staan. De assurantiereserve-rekening, gevormd door het lopen van eigen risico op de stoomschepen, bedroeg op 31 december 1898 NLG 712.024,36; bij: uit het agio op aandelen 3e serie, NLG 218.293,84; samen NLG 930.318,20 waarbij werden gevoegd de in 1899 geboekte premies, onder aftrek van betaalde schades NLG 144.913,69; totaal NLG 1.075.231,89. Hiervan is overgeboekt in het credit van de winst- en verliesrekening NLG 75.231,89; blijft NLG 1.000.000, welk bedrag de raad van bestuur, met het oog op de lopende risico’s alleszins voldoende acht. De liquidatie van de in de afgelopen jaren uit de boeken afgevoerde stoomschepen heeft een voordelig saldo gelaten van NLG 129.237,55 welk bedrag thans onder het hoofd “liquidatie-rekening stoomschepen” in het credit van de balans voorkomt en waaruit, bij verkoop van stoomschepen, eventuele tekorten op de boekwaarde kunnen bestreden worden. De raad van bestuur stelt thans een uitdeling voor ad 8½ % van het geplaatste kapitaal, dit is NLG 85 per aandeel; als wanneer op de bewijzen van winstaandeel, uitgegeven krachtens artikel 30 van de statuten, NLG 39,80 betaalbaar zal zijn. De stoomschepen van de maatschappij staan op de balans per 31 december voor NLG 6.490.000 en die in aanbouw voor NLG 277.168,63.

Afbeelding
Datum 12 december 1901
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Londen, 11 december. Volgens telegram uit Padang zit het stoomschip VAN IMHOFF, van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, bij de toegang tot de haven van Padang, bij Siboentar, aan de grond. Het stoomschip REAEL van dezelfde maatschappij is ter assistentie daarheen vertrokken.

Afbeelding
Datum 13 december 1901
Krant PGC - Provinciale Groninger Courant

Amsterdam, 12 december. Volgens bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij alhier ontvangen telegram is het stoomschip VAN IMHOFF vlot gesleept en te Padang binnengelopen. Omtrent schade is nog niets bekend.

Afbeelding
Datum 07 februari 1911
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Rotterdam, 7 februari. Blijkens nader bij de K.P.M. ingekomen bericht, is het stoomschip VAN IMHOFF door zware stroom uit zijn roer gelopen en dientengevolge op de Barsoe Panda (rots gelegen ten westen van de Mapinka-eilanden) gestrand. Drie ruimen liepen vol water. Dit gebeurde op de 28e januari te 1 uur ’s nachts. De volgende nacht werd het schip door de zware stroom meegesleurd, het sloeg om en zonk in 20 vaam water.
De 140 passagiers benevens de equipage en de post werden de 28e januari op de Barsoe Panda geland en de 1e februari aan boord van het stoomschip VAN OUTHOORN opgenomen.

Afbeelding
Datum 06 maart 1911
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Rotterdam, 6 maart. Naar aanleiding van nader ontvangen telegrammen omtrent de ramp, aan het stoomschip VAN IMHOFF overkomen, deelt de K.P.M. nog het volgende aan de gisteren door ons ontvangen Java Bode mee: In de nacht van zaterdag 28 januari te 1 uur v.m. luisterde de VAN IMHOFF, stomende in Straat Sapeh, door de buitengewoon sterke stroom, niet meer naar zijn roer, sloeg daardoor tegen het eiland Barsoepanda en werd zodanig lek, dat 3 ruimen vol water liepen. Met het oog op de gevaarlijke ligging van het schip oordeelde de gezagvoerder het raadzaam de VAN IMHOFF te verlaten; alle 140 passagiers, waaronder 3 in de 1e klasse, en de plm. 70 opvarenden, landden op
Barsoepanda, terwijl tevens de post en nog enige colli specie konden worden gered.
De juistheid van het oordeel van de gezagvoerder bleek, toen de volgende nacht het schip door het sterke getij werd meegesleurd, omsloeg en in 20 vadem water tussen Barsoepanda en Tokomaplnka zonk en totaal verloren ging.
Woensdag de 1e februari, des morgens, werden passagiers en opvarenden door de VAN OUTHOORN afgehaald en naar Soerabaja gebracht.

Afbeelding
Datum 06 maart 1911
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Rotterdam, 6 maart. Naar aanleiding van nader ontvangen telegrammen omtrent de ramp, aan het stoomschip VAN IMHOFF overkomen, deelt de K.P.M. nog het volgende aan de gisteren door ons ontvangen Java Bode mee: In de nacht van zaterdag 28 januari te 1 uur vm. luisterde de VAN IMHOFF, stomende in Straat Sapeh, door de buitengewoon sterke stroom, niet meer naar zijn roer, sloeg daardoor tegen bet eiland Barsoepanda en werd zodanig lek, dat 3 ruimen vol water liepen. Met het oog op de gevaarlijke ligging van het schip oordeelde de gezagvoerder het raadzaam de VAN IMHOFF te verlaten; alle 140 passagiers, waaronder 2 in de 1e klasse, en de plm. 70 opvarenden, landden op Barsoepanda, terwijl tevens de post en nog enige colli specie konden worden gered.
De juistheid van het oordeel van de gezagvoerder bleek, toen de volgende nacht het schip door het sterke getijde werd meegesleurd, omsloeg en in 20 vadem water tussen Barsoepanda en Tokomaplnka zonk en totaal verloren ging. Woensdag de 1e februari, ‘s morgens, werden passagiers en opvarenden door de VAN OUTHOORN afgehaald en naar Soerabaja gebracht.

Afbeelding
Datum 04 januari 1912
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Scheepvaart in 1911.
Zoals wij reeds bij de aanvang van 1911 konden gewagen, waren de vooruitzichten betreffende de scheepvaart in het algemeen niet ongunstig en grotendeels hebben zich deze goede verwachtingen verwezenlijkt, zodat de rederij over het geheel met meer voldoening op het afgelopen jaar zal terugzien dan in de laatste jaren het geval is geweest, terwijl de vooruitzichten voor 1912 van dien aard zijn, dat de toekomst met vertrouwen wordt tegemoet gezien en een voor de rederij lonend bedrijf mag worden verwacht.
De grote ontwikkeling in de wereldhandel brengt natuurlijk met zich een levendiger verkeer. Dientengevolge hadden niet alleen de geregelde lijnen van de grote stoomvaart maatschappijen volop werk, maar vonden ook de schepen in vrije vrachtvaart geregeld een meestal lonend emplooi, doordien de vrachten door de toenemende vraag naar passende ruimte, vooral voor de houtvaart, niet onbelangrijk zijn gestegen.
Van de Oostzee en Witte Zee verkeerde de vrachtenmarkt vooral in de laatste maanden in een vaste en willige stemming en was het dit jaar eens de beurt aan reders om de vracht en condities te stellen, in tegenstelling met de vorige toen de bevrachters meester van het terrein waren. In het begin van het seizoen was het wel is waar alsof de positie onveranderd zou blijven, toen wederom tot NLG 11½ van de lagere golfhavens werd afgesloten, doch alras bleek het dat de reders vast op hogere cijfers hielden en kon slechts ruimte worden afgesloten tot NLG 1 hogere vracht. Terwijl in de aanvang tot circa NLG 13 van Hernösand was afgesloten, moest men voor zomeraflading NLG 15 – NLG 15½ besteden en van de Noordelijk gelegen havens zelfs tot NLG 18 – NLG 19, welke verbetering eveneens te constateren viel van de Finse havens, alsmede van Petersburg en Kroonstad.
De Witte Zee vrachten bewogen zich bij het openen van het seizoen op NLG 19 à 19½, doch spoedig bleek dat er ook van daar hogere koersen moesten worden aangelegd, zodat weldra NLG 21½ à NLG 22 en later NLG 25 à NLG 27 per tult voor balken van Archangel naar Nederlandse havens kon worden bedongen, terwijl van Mesane werd afgesloten tot NLG 23 à NLG 24. Voor vrachtspeculanten die in het begin van het jaar tot de toen bestaande vrachten belangrijke zaken hebben afgesloten, was de loop van de gebeurtenissen verre van gunstig en ongetwijfeld zal hier en daar wel een veerliespost zijn te boeken.
Wat de vaart op de Nederlandse havens, meer speciaal op Amsterdam en Rotterdam betreft, kan worden geconstateerd dat de inklaringen voor Amsterdam slechts een kleine vooruitgang aantonen bij het vorig jaar, n.l.:
2.358 schepen metende 10.112.792 m³
in 1910 2.284 schepen metende 10.060.055 m³
Voor Rotterdam was de vermeerdering van meer betekenis. Tot 24 december werden ingeklaard : 9.425 schepen metende 51.154.402 m³
in 1910 9.354 schepen metende 49.747.894 m³.
Zoals boven reeds gezegd, was 1911 voor de rederijen gunstiger dan sedert lange tijd het geval was. Eén van de gevolgen is geweest de meerdere levendigheid in de aanbouw van nieuwe schepen.
De Nederlandse rederijen, die blijkens ons vorig verslag eerder een tekort aan scheepsruimte hadden, waarom wij verdere aanbouw waarschijnlijk achtten, gingen hiertoe vrijmoediger over dan ooit te voren. Nog nooit te voren is zo’n grote hoeveelheid tonnenruimte in aanbouw geweest als thans; in de bloeitijd van onze vaderlandse zeilvaart moge het aantal in aanbouw zijnde schepen veel groter geweest zijn, de tonnenmaat er van verzinkt bij het tegenwoordige cijfer in het niet.
In het afgelopen jaar heeft de Nederlandse vloot evenwel geen grote vermeerdering ondergaan, een gevolg van het uit de vaart geraken van een groot aantal schepen. De vermeerdering zal over het komende jaar vermoedelijk zoveel te groter zijn.
Het gebruik van motoren in zeeschepen verkeert nog vrijwel in het stadium van proefnemingen. Waar in het buitenland echter een aantal grote schepen daarvan worden voorzien, zal spoedig blijken, of men aan de scheepsmotoren voor zeeschepen praktische waarde kan toekennen. Uit het jaarverslag van de Suezkanaal Maatschappij over 1910 bleek, dat de Nederlandse vlag van de vierde op de derde plaats gekomen was zowel wat aantal schepen als tonnenmaat betreft en thans alleen Engeland en Duitsland boven zich heeft. In verband met dit prachtig resultaat denkt men onwillekeurig: Hoe zal het gaan na de opening van het Panamakanaal, die in de loop van 1913 schijnt verwacht te mogen worden? Kort na de opening van het. Suezkanaal werd hier te lande de Stoomvaart Maatschappij “Nederland" opgericht, die dus vrijwel van het begin af gebruik maakte van deze verkeersweg. Zal Nederland in het Panamakanaal een even eervolle plaats innemen? Dit valt nog niet te zeggen; wel lopen reeds enige tijd geruchten over een lijn onder Hollandse vlag, die door dat kanaal zal gaan, doch zekerheid hieromtrent schijnt er nog niet te bestaan. Toch wordt vermoedelijk achter de schermen wel aan het plan gewerkt. Afgescheiden hiervan is het aantal verbindingen onder onze vlag wederom uitgebreid. In de eerste plaats werd door de nieuw opgerichte Indische Lloyd een lijn geopend van Rotterdam op Bombay. Voorts werd door de Holland-Amerika Lijn en de firma Hudig & Veder gezamenlijk voortgezet de Burg-lijn van Rotterdam op Savannah, vroeger – doch de laatste tijd weinig intensief – geëxploiteerd door de Stoomvaart Maatschappij “Amsterdam”.
De in 1910 bij wijze van proef door de Koninklijke Paketvaart Maatschappij geopende verbinding tussen Java en Siam werd bestendigd, terwijl voor de lijn Java-Australië van die Maatschappij een regeringssubsidie werd verkregen, waardoor deze op vastere basis kwam. De Holland-Amerika Lijn bestelde een passagiersstoomschip van ruim 32.000 ton en twee goederenboten van 10.000 ton. Dit passagiersschip wordt, behalve door zijn grootte, een merkwaardig schip, daar het het eerste Nederlandse zeeschip is met 3 schroeven, met 3 schoorstenen en waarin een turbinemachine is geplaatst.
Het verkeer op de lijnen van de Nederlandsche Scheepvaart Unie blijft reusachtig toenemen, waarom het nodig is de vloten voortdurend uit te breiden. Zo bracht de Stoomvaart Maatschappij „Nederland" in de vaart de dubbelschroefmailboot KONINGIN DER NEDERLANDEN (8.176 ton) en de goederenboten KARIMOEN (6.463 ton), KARIMATA (5.500 ton), KAMBANGAN (5.462 ton) en CALCUTTA (6.000 ton). Zij bestelde twee dubbelschroef mailboten van ruim 8.000 ton benevens twee goederenboten van 5.500 ton en verkocht de stoomschepen KONINGIN REGENTES (3.793 ton) en KONINGIN WILHELMINA (4.279 ton). Voor de Rotterdamsche Lloyd kwam gereed de goederenboot PALEMBANG (6.674 ton). Thans zijn nog in aanbouw vier dergelijke boten en de BURMAH (5.000 ton).
Voor rekening van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij kwamen in de vaart de stoomschepen KOEMAI, SAMPIT (elk 345 ton) en INDRAGIRI (346 ton), benevens de motorboot SEMBILAN (372 ton). De stoomschepen VAN CLOON en VAN OVERSTRATEN (elk 4.500 ton) werden te water gelaten, terwijl thans nog in aanbouw zijn twee stoomschepen van 4.500 ton, twee van 1.750 ton, een dubbelschroefstoomschip van 2.500 ton en een tankboot van 1.300 ton. De stoomschepen VAN IMHOFF (1.944 ton) en VAN NEK (3.037 ton) gingen verloren.
De Koninklijke Hollandsche Lloyd ging een lening aan van NLG 6½ miljoen. Deze moet dienen tot gedeeltelijke betaling van twee nieuwe dubbelschroefpassagiersboten van 14.000 ton, die besteld zijn. Zijn deze schepen gereed, dan hoopt men een 14-daagse passagiersdienst te kunnen onderhouden.
De Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij bracht de stoomschepen BACCHUS (2.255 ten), AMOR (2.325 ton) en CALYPSO (2.258 ton) in de vaart. Besteld werden de stoomschepen CHARON (3.300 ton), FORTUNA, LUNA en FAUNA (elk 1.300 ton). Het stoomschip TJIMANOEK (5.620 ton) van de Java-China-Japan Lijn kwam gereed. Mede kwam gereed het stoomschip ORANJE NASSAU (3.721 ton) van de Koninklijke West-Indische Maildienst. Dit schip is belangrijk groter dan de tot dusver voor die vaart gebezigde. Voorts bestelde deze Maatschappij nog twee grote schepen.
Voor rekening van de Scheepvaart- en Steenkolen Maatschappij kwamen in de vaart de stoomschepen NOORD-HOLLAND (1.006 ton) en ZUID-HOLLAND (1.837 ton). Verkocht werden de stoomschepen ZUID-HOLLAND (1.167 ton) en WATERLAND (486 ton) en de zeelichters SCHEEPVAART II en SCHEEPVAART I (elk 681 ton). Besteld werd een stoomschip van 2.000 ton.
De Stoomvaart Maatschappij „Zeeland" heeft de nachtdienst verlegd van Queenborough naar Folkestone, Waardoor een snellere verbinding verkregen werd. Een reorganisatie kwam tot stand, waardoor de financiële toestand weer op een gezonde basis kwam. Verkocht werd het stoomschip ENGELAND (1.648 ton).
De Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij „Oceaan" verloor haar stoomschip IXION (3.488 ton), doch kocht de stoomschepen DARDANUS (4.335 ton) en SARPEDON (4.663 ton) aan.
De Hollandsche Stoomboot Maatschappij verloor haar stoomschip ZAANSTROOM (899 ton). Een vergelijk kwam tot stand met de andere rederijen, die eveneens een lijn van Amsterdam op Leith onderhouden.
De in het vorige jaar door de heer J.J.A. van Meel aangekochte Engelse stoomschepen ACARA, LANGDALE, WENSLEYDALE en SWALEDALE werden dit jaar geleverd. Zij ontvingen de namen GRAMSBERGEN (4.995 ton), BEEKBERGEN (3.917 ton), STEENBERGEN (3.935 ton) en RIJSBERGEN (3.662 ton) en behoren thans aan de nieuw opgerichte Indische Lloyd te Rotterdam (kapitaal NLG 4 miljoen, waarvan NLG 1¼ miljoen geplaatst). Hiermee werd een lijn geopend van Rotterdam op Bombay.
Voorts werd door de heer Van Meel opgericht de Stoomvaart Maatschappij “Hollandia” (kapitaal NLG 1 miljoen). Hierin werd ingebracht het stoomschip DRIEBERGEN (1.884 ton), het vorige jaar reeds in de vaart gekomen, terwijl voorts in de vaart kwam het stoomschip ZEVENBERGEN (3.121 ton). Thans is nog in aanbouw het stoomschip UBBERGEN (1.900 ton).
De firma Phs. van Ommeren (Stoomvaart Maatschappij “De Maas") bestelde de tankboot MIJDRECHT (3.200 ton).
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië verkocht haar stoomschip PERLAK (1.864 ton). Besteld werd een motorboot van 1.500 ton.
De kolenboot WILLY (682 ton) van de firma W.H. Berghuis is gezonken, doch dezer dagen werd, behoudens inspectie, de Engelse stoomboot PARIS (1.229 ton) in de plaats daarvan aangekocht.
De Maatschappij Stoomschip “Yare” (330 ton) werd verkocht.
Eveneens liquideerde de Stoomvaart Maatschappij “Amsterdam”, terwijl haar laatste stoomschip, de VOORBURG (3.056 ton), verkocht werd.
Van Nievelt, Goudriaan & Co’s Stoomvaart Maatschappij kocht het stoomschip CARL LEHNKERING aan van de firma Joh. Otten & Zoon en bracht het in de vaart onder de naam POOLSTER (2.060 ton). Voorts bestelde zij twee nieuwe schepen van 3.200 ton.
Het stoomschip BRUNSWIJK (2.300 ton) van de firma Erhardt & Dekkers werd te water gelaten, terwijl het stoomschip RANDWIJK (2.600 ton) besteld werd.
De Maatschappij Stoomschip „Sophie H" bestelde het stoomschip ALICE H (3.000 ton), dat reeds te water gelaten is.
De Naamlooze Vennootschap „Houtvaart" bestelde een stoomschip van 1.300 ton.
De Stoomvaart Maatschappij „Triton" verkocht het stoomschip TEXEL (2.062 ton).
De firma Solleveld, Van der Meer & T.H. van Hattum bestelde de stoomschepen OOSTDIJK (3.000 ton) en WESTERDIJK (3.200 ton).
De motorboot ZEEMEEUW (400 ton) van de firma Vermeer & Van den Arend kwam in de vaart.
Het stoomschip ALIDE (816 ton) van Noord-Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij werd verkocht. In de vaart kwam het stoombootje HELGOLAND (269 ton) van P. Wagenborg te Wildervank.
Verkocht werden het stoomschip TEUTONIA (3.199 ton) en de motorschoener SCANDINAVIA (461 ton) van Wm. H. Müller & Co’s Algemeene Scheepvaart Maatschappij.
Voor rekening van de firma Karl Schroers is in aanbouw het stoomschip KARL SCHROERS (1.900 ton).
De Vrachtvaart Maatschappij “Bothnia'' bestelde het stoomschip EPSILON (3.200 ton). Behoudens inspectie werd verkocht het stoomschip CELAENO (2.704 ton) van Hudig & Veder’s Stoomvaart Maatschappij.
In 1911 kwamen in het geheel in de vaart 24 stoomschepen en motorschepen, metende 74.782 tonnen, terwijl uit de vaart geraakten 21 schepen, metende 39.477 tonnen, zodat de vermeerdering bedraagt 3 schepen en 35.305 tonnen.
In de vorige jaren was de vermeerdering:
Jaar. Schepen. Tonnenmaat.
1910 17 56.693
1909 28 97.611
1908 14 79.274
1907 7 45.261
1906 5 33.979
1905 2 8.443
1904 8 20.840
1903 9 25.376
1902 10 60.782
1901 10 34.512
1900 22 69.869
1899 15 30.890
Thans zijn nog in aanbouw 42 stoom- en motorschepen (vorig jaar 19), metende 214.400 tonnen (69.920), waarvan 29 (15) schepen, metende 100.500 tonnen (50.620) op Nederlandse werven gebouwd worden. Daar dit zeer groot aantal schepen niet alle op Nederlandse werven gebouwd kan worden, zijn verscheidene in Engeland besteld moeten worden, doch de capaciteit van de Nederlandse scheepsbouwwerven wordt toch steeds groter. Zo worden op de Koninklijke Maatschappij „De .Schelde" twee hellingen in gereedheid gebracht van 600 voet lengte, waarop dus schepen van plm. 16.000 ton gebouwd kunnen worden.
N.B. Ter voorkoming van verwarring zij hier uitdrukkelijk vermeld, dat de tonnenmaat van alle schepen in bruto-registertonnen is uitgedrukt.

Afbeelding
Datum 09 juni 1912
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Koninklijke Paketvaart Maatschappij. Jaarverslag 1911.
Aan het verslag over 1911 ontlenen wij het volgende: De Maatschappij had in het verslagjaar het verlies te betreuren van twee schepen, de VAN IMHOFF en de VAN NEK, die op 18 oktober verbrandde. Andere ongevallen waren betrekkelijk zonder betekenis.
In dit verlies moest worden voorzien, terwijl de steeds klimmende eisen van het verkeer een nieuwe zeer grote uitbreiding van de vloot nodig maakten.
In de loop van het jaar kwamen in dienst de nieuwe stoomschepen SAMPIT, KOEMAI en INDRAGIRI en het motorschip SEPOETIH. Het motorschip SEMBILAN, het eerste van de schepen, dat van een dieselmotor werd voorzien, werd een tijd lang in Europa beproefd en onlangs na het welslagen van de proefneming, naar Indië gezonden.
Op het einde van het verslagjaar waren nog elf stoomschepen voor de Maatschappij in aanbouw. In het begin van 1912 werden nog vier schepen besteld, één daarvan zal ook van een dieselmotor voorzien worden.
Alle bestellingen zijn aan Nederlandse werven gegeven, met uitzondering van die van een van de Australië-boten, welke boot, met het oog op de overvulling van die werven, in het buitenland wordt gebouwd.
De uitvoering van de overeenkomsten met de regering had zonder stoornis plaats en de Maatschappij bleef ook buiten contract krachtig werkzaam. De vaarten op Australië en Siam werden geregeld volgehouden, hetgeen wederom grote offers meebracht. De regering heeft met de Maatschappij een overeenkomst gesloten, waarbij de Staat tot een maximum van NLG 150.000 's jaars, de helft van het eventuele verlies van de Australië lijn vergoedt, in de vorm van een renteloos voorschot, terug te betalen uit eventuele winst op die lijn; in de laatste maanden van het verslagjaar heeft die overeenkomst gewerkt. De nieuwe boten voor die lijn zullen eerst in november 1912 en januari 1913 gereed komen. Vermoedelijk is nog een tijdperk van verlies te verwachten, maar het bestuur hoopt op betere tijden en is niet van plan het aandeel, dat voor de Nederlandse vlag op die vaart verworven is, prijs te geven.
Wederom nam het particulier vervoer, waaronder het doorvoerverkeer, aanzienlijk toe, terwijl het gouvernementsvervoer nagenoeg gelijk bleef. Gedurende korte tijd werden twee schepen door het Gouvernement in dienst genomen voor de Timor-expeditie.
Het voordelig saldo van de reizen van de stoomschepen bedroeg in 1911 NLG 3.165.611, tegen in 1910 NLG 3.246.535, in 1909 NLG 2.030.346 en in 1908 NLG 2.026.016.
De afschrijving op de vloot wordt gesteld op NLG 1.344.374 en die op etablissementen op NLG 66.015.
De in 1911 geboekte premies wegens het lopen van eigen risico op de vloot bedroegen NLG 346.326. Daartegenover werd aan schades geboekt NLG 373.690, terwijl voor onafgedane schaden NLG 449.182 moet worden gereserveerd. In 1910 werd uit dien hoofde NLG 169.684 gereserveerd, zodat het nadelig saldo van de rekening assurantie eigen risico NLG 306.861 bedraagt, hetwelk ten laste van de assurantie reserverekening wordt gebracht. Deze rekening komt dientengevolge op de balans voor met NLG 993.138.
Van het agio, bij de plaatsing van de aandelen 9e en 10e serie bedongen, na aftrek van alle onkosten NLG 724.036 overlatende, werd NLG 67.500 overgeboekt op de winst- en verliesrekening; als aandeel in de winst over 1911 van de nieuw geplaatste aandelen, die recht hebben op het volle dividend, doch eerst in mei 1911 werden volgestort. Van het resterende werd NLG 420.000 overgeboekt ter verhoging van de rekening van afschrijving, zodat deze op de balans voorkomt met NLG 1.000.000.
Met het saldo groot NLG 236.556 werd de in artikel 27 van de statuten genoemde reserverekening aangevuld, welke daardoor stijgt tot NLG 1.400.000, zijnde het door de statuten voorgeschreven maximum à 10% van het geplaatste aandelenkapitaal.
Het bestuur stelt voor een uitdeling van 9% over het op 31 december 1911 geplaatste kapitaal van NLG 14.000.000 (v.j. 10% over 12 miljoen).

Afbeelding