1908
NRC 100508
Londen, 9 mei. De met hout van Blankaholm naar Groningen bestemde Nederlandse tjalk NOORDSTER, schipper Veen, is volgens telegram uit Kopenhagen lek gesprongen en aldaar binnengesleept door het s.s. LEVANT. Verder wordt nog gemeld, dat de deklading is weggeslagen.
NRC 120508
Kopenhagen, 9 mei. De Nederlandse tjalk NOORDSTER werd door het van Libau naar Bo’ness bestemde Engelse stoomschip LOVART hier binnengesleept.
NRC 200508
Groningen, 18 mei. De Nederlandse tjalk NOORDSTER is, na te Kopenhagen in het droogdok te zijn geweest, 16 mei naar Holtenau gesleept en hedenochtend is het door de sleepboot EMS op sleeptouw genomen naar hier.
PGC 020908
Kopenhagen, 30 Augustus. Voor de berging van de Ned. tjalk NOORDSTER die 7 mei j.l. op Bornholm strandde werd door het Zee- en Handelsgerecht aan het Engelse s.s. LOVART 4000 Kr. toegekend.
1909
AH 300109
Neuhaus a/d Oste, 27 januari. De Nederlandse tjalk NOORDSTER, schipper Veen, naar Breitenwisch a/d Oste bestemd om aldaar een lading stenen in te nemen voor Helgoland, is wegens ijsgang hier binnengelopen en ligt thans ingevroren.
PGC 011109
Londen, 30 oktober. De Groninger tjalk NOORDSTER, schipper G. Veen, van Delfzijl herwaarts, is met beschadigde zeilen en met assistentie te Ramsgate aangekomen.
1910
NRC 020210
Delfzijl, 1 februari. De tjalk NOORDSTER, schipper G. Veen, met een lading haver van Bensersiel naar Rochester, is hier gisteren met gebroken giek, binnengebracht.
NRC 310310
Londen, 30 maart. Volgens een telegram uit Kopenhagen is de Nederlandse tjalk NOORDSTER, kapt. Veen, van Londen naar Kopenhagen bestemd, op het eiland Nyord in de zee-engte Grunsund gestrand. Assistentie is afgezonden.
NRC 310310
Londen, 31 maart. Thans wordt uit Kopenhagen geseind dat de tjalk NOORDSTER vol water staat en dat er een bergingsstoomschip langszij is, en dat de positie van het schip van dien aard is, dat de bergingswerkzaamheden zeer moeilijk zullen zijn.
NRC 070410
Kopenhagen, 4 april. De op Nyord gestrande Nederlandse tjalk NOORDSTER is verschenen nacht vlot gebracht. Door duikers werd het schip onderzocht en dicht gemaakt en gelijk met de 2 lichters, waarin lading was overgescheept, zal het schip naar hier worden gesleept.
NRC 070410
Kopenhagen, 5 april. Het Nederlandse schip NOORDSTER, dat op de reis van Londen naar hier op het eiland Nyord strandde, is vlot en met zware bodemschade, alhier aangekomen.
1911
NNO 2220211
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de scheepvaart
De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam stelde gisteren een onderzoek in naar het ongeval, overkomen aan het tjalkschip NOORDSTER, kapitein G. Veen alhier. Op weg van Londen naar Kopenhagen met een lading lijnkoeken aan boord, strandde de NOORDSTER op 30 Maart 1910, tijdens stormweer, bij het eiland Moen, aan de ingang van de Grote Belt. Het schip maakte veel water. Met een loodsboot werd de bemanning afgehaald, het schip liet men naar Kopenhagen slepen. Kapitein, Veen, als eerste getuige gehoord wist, hetzij uit onkunde, hetzij uit zenuwachtigheid, op geen van de vragen betreffende de navigatie een voldoend antwoord te geven. Tijdens het verhoor werd de zitting gedurende enigen tijd geschorst. Na heropening van de openbare zitting deelde de voorzitter de schipper mee, dat bij de Raad ernstige twijfel bestaat of hij wel bevoegd is als kapitein op een zeeschip dienst te doen en dat de Raad deze vraag zal onderzoeken. Hem werd daarom verboden gedurende de tijd, dat het onderzoek aanhangig is als gezagvoerder op te treden. De NOORDSTER ligt thans te Hamburg en zou maandag moeten vertrekken. De schipper deelde nog mee dat het journaal niet door hem, maar door de stuurman werd bijgehouden en dat hij daarvoor geen verantwoordelijkheid op zich wenste te nemen. De tweede getuige A. Schutte, was tijdens het ongeval matroos aan boord. Sinds die is hij tot stuurman bevorderd, zonder echter examen te hebben gedaan. Zeevaartkundig onderwijs heeft hij niet genoten. De streken van het kompas bleek hij behoorlijk te kennen. Als oorzaak van het ongeval gaf Schutte op, dat wind en zee het onmogelijk maakten boven Stevensklip te komen waarom een veilige rede werd opgezocht, die men in Bögeström hoopte te vinden. Het onderzoek in deze zaak was hiermede afgelopen. Uitspraak volgt later.
De Inspecteur van de Scheepvaart, die deze zaak had geïnstrueerd, verzocht de Raad de schipper een nog jongen man, de bevoegdheid om als gezagvoerder op te treden, niet voor al te lange tijd te ontnemen. De voorzitter, mr. Pleyte wees de inspecteur er op, dat volgens de Schepenwet, de minister, wanneer de schipper voldoende bewijzen van bevoegdheid kan geven, om een schip over zee te brengen, ten allen tijde het recht heeft, het verbod weer in te trekken.
NNO 250211
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de Scheepvaart
De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam deed gisteren uitspraak in het ongeval overkomen aan het tjalkschip NOORDSTER, kapitein G. Veen alhier.
De NOORDSTER met een lading lijnkoeken, op weg van Londen naar Kopenhagen, strandde op 30 Maart 1910 tijdens stormweer bij het eiland Moen, aan een ingang van de Grote Belt. Het schip maakte veel water. Met een loodsboot werd de bemanning afgehaald, het schip liet men naar Kopenhagen slepen.
Tijdens het onderzoek in deze zaak rees bij de Raad ernstige twijfel of de schipper wel op de hoogte is van de allereerste beginselen van de zeevaartkunde. De Raad zou dit onderzoeken en verbood derhalve de schipper gedurende de tijd van het onderzoek als gezagvoerder op te treden.
Het onderzoek heeft de Raad de overtuiging opgeleverd dat de stranding van de NOORDSTER uitsluitend geweten moet worden aan het volstrekte gemis van zeevaartkundige kennis bij de schipper en als gevolg daarvan aan de ten enenmale verkeerde maatregelen, welke genomen zijn.
De Raad vindt in de plaats gehad hebbende ramp dan ook aanleiding te besluiten, dat
schipper G. Veen, oud 29 jaar, in het bezit zijnde van een dienstdiploma kleine vaart, onbevoegd zal worden verklaard om als schipper op een zeeschip te varen.
1912
NRC 120112
Bremerhaven, 10 januari. De te Groningen thuis behorende Nederlandse tjalk NOORDSTER, kapt. Veen, met piekijzer van Middlesbrough naar Appingedam bestemd, verloor nabij Borkum het roer en kreeg nog meerdere schade. Gisterochtend is dit schip door de stoomharingvisser ALBERT op sleeptouw genomen en hedenochtend in de vissershaven te Geestemünde gebracht.
NNO 130412
Delfzijl, 13 april. Het Nederlandse stoomschip MARS rapporteert de 9e april 3 uur nm. op 57°18' Noord en 06°43' Oost de Nederlandse zeetjalk NOORDSTER gepraaid te hebben. Alles was wel aan boord. Men vermoedt dat het de NOORDSTER is die, gevoerd door kapt. Dories, te Groningen thuis behoort en 3 april van hier naar Londen is vertrokken. Aangezien het schip de gehele storm zou meegemaakt hebben, zal het hoogte gehouden hebben.
Een later bericht meldt dat genoemd schip ergens met lekkage is binnengelopen.
RN 130412
Londen, 11 april. De Nederlandse tjalk NOORDSTER, van Delfzijl naar Londen bestemd, is met lekkage te Lemvig binnengesleept.
NRC 261012
Londen, 25 oktober. De met steenkool van Charlestown naar Stege bestemde Nederlandse tjalk NOORDSTER is in het Skagerrak in diep water gezonken. De opvarenden zijn te Frederikshavn geland.
NRC 261012
Frederikshaven, 25 oktober. De opvarenden van het Nederlandse schip NOORDSTER werden door het mailstoomschip SKAGEN gered. De SKAGEN heeft de NOORDSTER nog op sleeptouw gehad, doch moest het loslaten. Het vaartuig zonk op 10 zeemijl WtN van Höjen in 25 meter water. (zie ook NRC 261012, NRC 131112 en NRC 261112)
NRC 261112
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de Scheepvaart. In zijn gisteren gehouden zitting heeft de Raad uitspraak gedaan inzake het vergaan van het tjalkschip NOORDSTER, geladen met steenkolen en op weg van Charlestown naar Stege, in het Skagerrak op 25 oktober. Schipper was G. Dories, reder Geert Veen te Groningen. De drie opvarenden werden gered.
Naar ’s Raads oordeel is de ramp veroorzaakt door de slagzij, welke het schip heeft gekregen. Deze is belangrijk verergerd door het water, dat in het ruim drong, toen de presennings scheurden. In elk geval heeft dit scheuren niet plaats gehad dan geruime tijd na het ontstaan van de slagzij. Deze laatste is vermoedelijk ontstaan door het overgaan van de lading. Hoe het gekomen is, dat de presennings zijn gescheurd, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Men heeft niet waargenomen, dat de luiken waren opgezet, zodat opzetting van de luiken door de overgaande lading uitgesloten schijnt.
Ook is het scheuren niet ontstaan door schavielen van de kamelen, evenmin is het aannemelijk, dat een bootstakel of een haak of iets dergelijks er een scheur in gemaakt heeft. Het komt de Raad voor, dat het scheuren eenvoudig moet worden geweten aan de zware druk van de overkomende brekers. Dit acht hij temeer aannemelijk waar de presennings 4 jaar oud waren en een geruime tijd onder water waren geweest.
Hoe voorzichtig men op schepen in de kleine vaart ook met presennings moge omgaan, een 4-jarig gebruik van deze kleden acht de Raad te lang.
>