Inloggen
DRIE GEBROEDERS - ID 1803


In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:1922-00-00 / 1936-10-25 | Reden uitgevlagd: Verongelukt of vermist (zie final fate)

Identification Data

Bouwjaar: 1906
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
Nat. Official Number: 6606 GRON 1906
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Sailing Vessel
Type: Kofftjalk
Material Hull: Iron
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Firma W. Rubertus, Groningen, Groningen, Netherlands
Delivery Date: 1906-00-00
Technical Data

Gross Tonnage: 80.13 Gross tonnage
Net Tonnage: 63.36 Net tonnage
Deadweight: 120.00 tonnes deadweight (1000 kg)
 
Length 2: 25.29 Meters Registered
Beam: 5.00 Meters Breadth, moulded
Draught: 1.78 Meters Draught, maximum
Configuration Changes

Datum 00-00-1926
Type: Fitted with engine
Omschrijving: 1926 gemotoriseerd. 2tew 1 cil 45 Pk Callesen Aabenraa gloeikop Type (x)

Ship History Data

Date/Name Ship 1922-00-00 DRIE GEBROEDERS
Manager: Jan Arend Vos, Roelf Eerkens, Jan Leeuwerke en Berent Huiting, Vierverlaten (Gem. Hoogkerk), Groningen, Netherlands
Eigenaar: Jan Arend Vos, Roelf Eerkens, Jan Leeuwerke en Berent Huiting, Vierverlaten (Gem. Hoogkerk), Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Vierverlaten (Gem. Hoogkerk) / Netherlands
Callsign: NMKF
Additional info: Ex FAMILIETROUW (binnenvaart). In 1922 de zeevaart

Date/Name Ship 1926-09-11 DRIE GEBROEDERS
Manager: Jan Arend Vos, Vierverlaten (Gem. Hoogkerk), Groningen, Netherlands
Eigenaar: Jan Arend Vos, Vierverlaten (Gem. Hoogkerk), Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Vierverlaten (Gem. Hoogkerk) / Netherlands
Callsign: NMKF
Additional info: 1934 call sign PDTI

Date/Name Ship 1936-08-00 ALBION
Manager: Pieter Jan Schipper, Bloemendaal, Noord-Holland, Netherlands
Eigenaar: Pieter Jan Schipper, Bloemendaal, Noord-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: 's-Gravenhage / Netherlands
Callsign: PCGN

Ship Events Data

1906-04-00: Gebouwd als binnenvaartschip 'Familietrouw' voor Albert Koers, Wildervank. Op 08-05-1906 eerste meting te Groningen. Meetnummer: G914N. Lengte: 25 m 20 cm, breedte: 5 m 00 cm, waterverplaatsing: 146,978 ton. Eigenaar: Albert Koers, domicilie: Groningen.
1906-04-27: Additional info
Dagregister deel 17 nummer 118, den zeven en twintigsten April 1900 zes. De ondergeteekende, Albert Koers, schipper gedomicilieerd te Wildervank, verklaart te zijn de eenige eigenaar van het zeiltjalkschip genaamd “Familietrouw”, groot bruto op 227.06 kubieke meter of 80.13 tonnen van 2.83 kubieke meter en netto op 179.53 kubieke meter of 63.36 tonnen van 2.83 kubieke meter, in 1906 volbouwd en nieuw te water gebracht van den werf van W. Rubertus, Hoornschedijk, gem. Haren, thans liggende te Haren welke nog in geen kantoor van bewaring van scheepsbewijzen is te boek gesteld en verzoekt bij dezen den Heer Bewaarder der scheepsbewijzen dat schip in de registers van zijn kantoor ten zijnen name te willen stellen. Noordwillemskanaal, gemeente Haren, April 1906. A. Koers. (In de kantlijn staat bijgeschreven: 6606 en opnieuw geboekt 640 Z GRON.)
1918-09-12: Sold at auction
In een openbare verkoping verkocht voor Hfl. 13.950,-- aan Lucas ten Cate, Groningen en op 19-08-1920 in opdracht van de Veenkoloniale Bank voor Hypotheek en Scheepsverband te Sappemeer voor Hfl. 13.485,-- verkocht aan Jan Arends Vos, schipper te Vierverlaten en zijn partners t.w. Roelof Erkens, winkelier te Groningen, Berent Huiting, zonder beroep te Groningen en Jan Leeuwerke, schipper te Groningen. Op 04-10-1920 verkopen de comparanten Leeuwerke, Huiting en Erkens hun deel aan Jan Arends Vos.
1922-00-00: Rebuilt
Na het aanbrengen van enige versterkingen ingevolge art 10 , sub 1 van het Koninklijk besluit 22 september 1922 (staatsblad no 315) ter uitvoering van de schepen wet een beperkt certificaat B gekregen recht gevende: op de vaart over de Wadden, de monden van de Wezer en Elbe door het Kaiser Wilhelmkanaal tot de mond van de Eider, door de Sont en de Belten tot de lijn Aarhus-Kullen in het Noorden en de lijn Trelleborg-Stralsund in het oosten, en over de Haffen en Bodden van Stralsund tot Stettin. ( Beperkte Zeebrief.)
1922-10-25: Grounded
In het vaarwater tussen het eiland Hanö en de Zweedse kust aan de grond gestoten. Op 21 oktober vertrok de “Drie Gebroeders” van in ballast van Odense naar Karlshamn. Op 25 oktober 's morgens om 5 .00 uur toen het schip niet ver meer van Hanö af was is de schipper die sinds het vertrek van uit de Groene Sont vrijwel niet geslapen had en al die tijd aan dek in de weer was geweest een ogenblik gaan rusten. Hij gaf de stuurman opdracht hem te waarschuwen als Hanö dwars was, omdat hij het beter vond ter plaatse weer met 2 man aan dek te zijn. Hij verwachtte ongeveer half zes dwars van het eiland te zijn. Te kooi liggend voelde hij het schip zwaar stoten, en spoedde zich aan dek. De stuurman bleek hem niet te hebben gewaarschuwd, men was Hanö al voorbij. Het schip heeft op een de ondiepten gestoten, wellicht op Lax Grund, doch is niet blijven zitten. Het schip maakte water, doch met een spekstempel was dit te verhelpen, het schip kwam behouden te Karlshamn aan. Op de vraag waarom hij buiten het gebied voer waarvoor zijn certifcaat geldig was, verklaarde de schipper dat hij liggend te Odense nergens in dit gebied vracht had kunnen krijgen en daarom naar Karlshamn was gevaren met instemming van de stuurman en de kok. Voorts bleek dat na het ongeval het schip voortdurend buitenlands was gebleven. (Het op 2 september 1925 aan schipper Vos afgenomen verhoor heeft in het buitenland plaats gehad. Het verhoor was 3 jaar na dato.)
1928-08-28: Additional info
Als DRIE GEBROEDERS, zijnde een ijzeren motorvrachtschip, groot 63.36 netto reg. ton (volgens hermeting te Amsterdam d.d. 30-09-1926 49.36 netto reg. ton, liggende te Leeuwarden, door Johannes Faber, scheepsmeter te Leeuwarden, ten verzoeke van Jan Arends Vos, schipper, gedomicilieerd te Hoogkerk, voorzien van een nieuw brandmerk door het inbranden van 640 Z GRON 1928 op het achterschip op de lijst van de lichtkap aan de linkerzijde. (Opm.: De oude merken zijn verwijderd.)
1936-10-25: Final Fate: Foundered, gezonken

Tijdens een reis van Rotterdam (22 oktober vertrokken) naar Boston (Engeland) met 100 ton erwten in zakken, door lekkage in de machinekamer ter hoogte van het lichtschip Cromer Knoll gezonken. De drie opvarenden werden aan boord genomen door het Britse ss 'Dewsbury'.
NvhN 26-10-1936: De „ALBION" in noodweer prijsgegeven. Bemanning te Hull aan land gezet. Het Nederlandsche motorschip Albion, is in een hevigen storm geraakt. Het schip verloor zijn roer en toen het daar stuurloos ronddreef, heeft de bemanning besloten van boord te gaan. Nabij Knoll lichtschip, op vier mijl afstand ten ZW. van Cromer (Oostkust van Engeland) werd het schip prijs gegeven. De bemanning is door het s.s. „Dewsbury" te Hull aan land gezet.
De Tijd 27-10-1936: De „ALBION” gezonken. Nader vernemen wij, dat de sleepboot „Noordzee", die getracht heeft het Zondagnacht onklaar geraakte en verlaten m.s. ALBION te bergen, gemeld heeft, dat het schip nabij het Cromer-lichtschip is gezonken.

Algemene informatie

1922

NPGC 010922
Hamburg, 28 augustus. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Bandholm.
DMB 221222
Harburg, 18 december. Binnengekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Orth.

1923

NRC 140123
Alltona, 10 januari. Uitgezeild DRIE GEBROEDERS, Vos naar Hamburg.
NPGC 241223
Hamburg, 19 december. Binnengekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Apenrade.

1924

AH 180324
Hamburg, 13 maart Uitgezeild DRIE GEBROEDERS, Vos naar Denemarken.
NHCO 111224
Hamburg, 5 december. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos naar Holtenau.

1925

DMB 140425
Holtenau, 10 april. Gepasseerd DRIE GEBROEDERS, Vos van Neykjöbing naar Hamburg.
DMB 180825
Delfzijl, 17 augustus. De zeiltjalk DRIE GEBROEDERS, schipper Vos, die ten O. der Branzebalg strandde, is afgetrokken en door de sleepboot der firma Wessels naar Emden gesleept. 

1926

DMB 040226
Aarosund, 3 februari. De Nederlandse tjalk DRIE GEBROEDERS, kapitein Vos, op reis van Flensburg naar Bogense met een lading briketten, is tijdens mist ten N. van hier aan de grond gevaren maar later met hoog water vlotgekomen. Het schip, dat slechts onbetekenende schade had heeft de reis voortgezet.
NNO 021026
Groningen, 1 oktober. Woensdag is naar Kopenhagen vertrokken de 2-mast schoener „WILHELMINA", kapt. G. Drent, welk schip thans omgebouwd is als motorschoener en is voorzien van een 90 E.P.K. 2 cylinder „Industrie"-motor, waarvan de krukas geheel op rollenlagers loopt. De vorige week vertrok naar Denemarken de als; motorschip omgebouwde zeetjalk DRIE GEBROEDERS, kapt. J.A. Vos van Vierverlaten, welk schip voorzien is van een 65 p.k. 1 cyl. Industrie ruwolie motor, waarvan de krukas eveneens op rollenlagers loopt.

1927

AH 210127
Hamburg, 18 januari. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Kappeln.
RN 071027
Delfzijl, 6 oktober. Het motorschip DRIE GEBROEDERS, kapt. J.A. Vos, op reis van Kindsburg naar Braamscho (Dortmund —Eemskanaal) is gisteren alhier binnengelopen met gescheurde zeilen. Het schip werd bij Cuxhaven door de storm overvallen en zal hier van nieuwe zeilen worden voorzien.

1928

NRC 160228
Holtenau, 14 februari. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Greifswald.
DMB 301228
Altona. 27 december. Binnengekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Burgstaken.

1929

RN 080129
Hamburg, 4 januari. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Altona.
NRC 251229
Hamburg, 23 december. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos naar Odense.

1930

NNO 180130
Delfzijl, 17 januari. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Hamburg.
VRWT 311230
Delfzijl, 29 december. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos naar Kopenhagen.

1931

DMB 170131
Kopenhagen, 13 januari. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos naar Skelskör.
RN 171231
Delfzijl, 15 december. Uitgevaren DRIE GEBROEDERS, Vos naar Bremen.

1932

AH 180332
Delfzijl, 16 maart. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos naar Harburg.
AH 081232
Delfzijl, 6 december. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Rostock.

1933

NUCO 180133
Bremen, 16 januari. Binnengekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Delfzijl.
RN 281133
Hamburg, 25 november. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Demmin.

1934

NUCO 240334
Delfzijl, 21 maart. Binnengekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Straatsund.
GD 051234
Delfzijl, 3 december. Aangekomen DRIE GEBROEDERS, Vos van Hamburg.

1935

NPGC 010435
Vlieland, 28 maart. Vertrokken DRIE GEBROEDERS, Vos van Doesburg naar Malmö. 
NNO 311235
Delfzijl, 30 december. Uitgevaren DRIE GEBROEDERS, Vos naar Emden.

1936

NNO 210736
Advertentie. Voor direct gevraagd, ongediplomeerd stuurman en matroos met ervaring motorzeilschip. Gage f5O en f2O. AdresSCHIPPER zeetjalk ALBION p.a. Bootwerf, Alphen a. d. Rijn.
NNO 050936
Zoutkamp, 4 september. Binnengekomen ALBION, P.J. Schipper van Groningen.
SV 150936
Vlissingen, 14 september. De motorkof ALBION, welke bij Nieuwersluis was gestrand, is vlotgekomen en heeft de reis vervolgd. (Later). Het hedenmorgen reeds telegrafisch gerapporteerde motorscheepje ALBION, (schipper J. Schippers) is hedenmiddag te Vlissingen binnengebracht door de  sleepboot GOLIATH wegens lichte motorschade en zal hier repareren. Het schip is geladen met ongeveer 100 ton melk in blikken, bestemd voor Londen en had hier voor het vertrek van Vlissingen naar Londen bij het olie-bunkerstation gebunkerd. Naar verluidt moet het m.s. ALBION ook vlotgesleept zijn door de GOLIATH, doch hieromtrent was nog geen bevestiging ontvangen.
SV 051036
Vlissingen, 3 oktober. Volgens rapport is de Nederlandse motortjalk ALBION (ex DRIE GEBROEDERS), schipper Schippers, thuisbehorend te Hoogkerk, omhooggevaren nabij Zierikzee. Sleepboten zijn in de nabijheid. Verwacht wordt dat het schip met hoog water zal vlotkomen. De ALBION heeft ook reeds op 14 september nabij Nieuwersluis aan de grond gezeten en is toen door de sleepboot GOLIATH vlot gesleept. — Vlissingen, 3 oktober. De motortjalk ALBION (ex DRIE GEBROEDERS), welke gisteravond omhooggevaren was nabij Zierikzee, is met hoog water vlot gesleept door de sleepboot ZEEHOND. Het schip was geladen met cement en inkomend van Londen naar Nederland. Het heeft de reis voortgezet.
NNO 301036
Het vergaan van het m.s.ALBION Hoe de bemanning gered werd.
Gistermiddag is de bemanning van de in de Noordzee verongelukte motortjalk ALBION naar ons land teruggekeerd.
De „Msb" (opm: De Maasbode),. had met de te IJmuiden wonende kapitein Schipper een onderhoud, die het volgende vertelde.
De ALBION was donderdag 22 oktober met ongeveer honderd ton groene erwten van Rotterdam naar Boston (Lincolnshire) vertrokken. Op de Nieuwe Waterweg had men nog even pech met de motor, doch die schade kon spoedig worden hersteld. Nadat het schip zee gekozen had, begon het al meer op te briesen en zaterdagmorgen woei het al zo hard, dat men het zeil moest strijken en met de kop op de zee gaan liggen. Elke overkomende zee was een breker op het schip, waardoor veel schade werd aangericht. Het water begon bovendien langzamerhand in de machinekamer te komen. Aanvankelijk kon men het binnenkomende water nog met de lenspomp bijhouden, doch hoe woeliger de zee werd, hoe meer water binnenkwam en ten slotte kon men haast niet meer in de machinekamer verkeren; het water kwam zo hoog, dat het vliegwiel van de motor er doorheen draaide. Het schip werkte zwaar en werd als een speelbal heen en weer geworpen; rondslingerende werktuigen sloegen tot overmaat van ramp nog de handpompinrichting kapot. Toen werd de toestand hoogst kritiek en des nachts om 12 uur besloot men noodseinen te geven door het in brand steken van in olie gedrenkte lappen en dekens. Verschillende schepen passeerden, doch de noodseinen merkten ze blijkbaar niet op. Even scheen het of redding nabij was, toen een trawler in het zicht kwam, doch ook deze passeerde op korten afstand. Eindelijk kwam er redding opdagen; op het Engelsche stoomschip DEWSBURY van de Hulldienst had men blijkbaar een goeden uitkijk. Men zag dit stoomschip met groote snelheid naderen. Er werd een boot gestreken en naar de ALBION geroeid. 
Met achterlating van alle bezittingen konden de drie opvarenden het vege lijf redden door van het achterschip der tjalk in de boot te springen. Alleen had de kapitein nog de scheepspapieren en het journaal uit de kajuit kunnen halen. Bij het overgaan op het stoomschip dreef de boot weg, waarbij het scheepsjournaal nog verloren ging. Op het Engelsche stoomschip vond men een zeer gul onthaal; met warme dranken werden de verkleumde Nederlanders verkwikt. Na aankomst in Hull stelden zij zich in verbinding met onze consul, waar een verklaring werd afgelegd over het gebeurde. In het Zeemanshuis werd hun onderdak verleend tot de boot hen naar ons land zou terugbrengen.

1937

No 8 UITSPRAAK

van den Baad voor de Scheepvaart in zake

het vastloopen van de motortjalk ALBION op een krib aan de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen bij Nieuwe Sluis. Op 14 September 1936 is de motortjalk ALBION op een krib aan de kust van Zeemvsch-Vlaanderen bij Nieuwe Sluis vastgeloopen. Ten afwijking van het voorstel van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen. Het onderzoek had plaats ter zitting van 15 December 1936 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuige Pieter Jan Schipper, kapitein op de ALBION ten tijde van het ongeval. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De ALBION is een Nederlandsche tjalk met hulpmotorvermogen. Zij meet 82,19 bruto-, 49,36 netto-registerton, roepnaam PCGN, en behoort toe aan den kapitein P. J. Schipper, voornoemd, te IJmuiden. Het schip, voorzien van een beperkt certificaat, letter D, is in het jaar 1906 van staal gebouwd, een tweetact enkelwerkende gloeikop Industriemotor van 55 pk is in het vaartuig geplaatst. De ALBION was op reis van Groningen naar Londen, beladen met ongeveer 100 ton melk in blik. De diepgang was 6 voet. Wegens een warmloper had men de haven van Vlissingen binnen moeten lopen. Nadat aldaar de motorschade was hersteld, vertrok het schip op 14 September van daar en was te 2.05 uur voormiddag op de rivier de Schelde. Koers werd gezet op het lichtschip Wandelaar. Kort na het verlaten van de haven was een dikke mist op komen zetten. De slaggaard werd voortdurend gebruikt, doch men raakte geen grond. Te 3.10 uur werd de motor gestopt om het nieuwgemonteerde krukmetaal te controleeren. Toen men den motor weer op gang wilde brengen, gelukte dit niet. Bij deze pogingen werd alle aanzetlucht verspeeld. De kapitein ging aan dek, van plan om te ankeren, doch nog vóór hij aan dit voornemen gevolg had kunnen geven, schoof het vaartuig omstreeks te 3.20 uur met het voorschip op een met zeewier begroeide krib. Er bleek een sterke ebstroom te staan. Daar de westelijke wind aanwakkerde en het schip bij opkomend water hoger op de krib werd gezet en begon te werken, besloot de kapitein sleepbootassistentie in te roepen. De sleepboot GOLIATH heeft daarop te omstreeks 1 uur 's middags de ALBION afgesleept en in de haiven van Vlissingen teruggebracht. Het schip bleek geen water te maken en was ook niet beschadigd. Aanzetlucht werd aan boord gebracht, waarna de ALBION des avonds te 8 uur weer kon vertrekken. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd,, dat dit ongeval moet worden toegeschreven aan onoplettendheid; dat de kapitein zo spoedig mogelijk naar buiten wilde, doch hij op een zeer ongeschikte plaats, toen hij naar beneden moest om de motor na te zien, het schip heeft laten drijven. De Raad is van oordeel, dat dit ongeval niet van ernstigen aard is. Toch had de kapitein dit kunnen en dus moeten voorkomen. Hij heeft er niet aan gedacht, dat de plaats, waar het schip zich bevond, al heel ongeschikt was om het vaartuig te laten drijven. Daarom had hij beter gedaan om ten anker te gaan gedurende den tijd, dat hij in de motorkamer moest zijn. De Raad neemt daarbij aan, dat de kapitein, toen hij den motor ging nazien, nog meende dezen op gang te kunnen brengen en dat hij dus eerst later bemerkte, dat hij zijn aanzetlucht had verbruikt. Aldus gedaan door de heeren etc.

 No 9 UITSPRAAK

van den Raad voor de Scheepvaart in zake het lek worden en zinken van het motorzeilschip ALBION onder de oostkust van Engeland. Op 25 October 1936 is het motorzeilschip ALBION onder de oostkust van Engeland nabij het lichtschip Cromer Knoll lek geworden en gezonken. De drie opvarenden zijn door het te hulp gekomen Engelsche stoomschip DEWSBURY gered en aan land gebracht. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet. dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze scheepsramp zou instellen, welk onderzoek ter zitting van 15 December 1936 in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der schéepvaartinspectie, waarbij de rapporten omtrent het laatstelijk gehouden toezicht van die inspectie op het vaartuig, en hoorde als getuigen: Pieter Jan Schipper en Berend Dijkstra, onderscheidenlijk kapitein en stuurman op de ALBION ten tijde van het ongeval. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken : De ALBION — vroeger genaamd DRIE GEBROEDERS — metende 82,19 bruto-, 49,36 netto-registerton, roepnaam PCGN, was een Nederlandsch motortjajkschip met hulpmotorvermogen. Het schip, in het jaar 1906 te Groningen gebouwd, was voorzien van een volledig zeiltuig, t.w. grootzeil en stagfok. In 1928 is een ééncylinder tweetact enkelwerkende gloeikop Industriemotor van 55 pk in het vaartuig geplaatst. Sinds Augustus 1936 was de kapitein, Pieter Jan Schipper, voornoemd, die in het bezit is van een diploma als derde stuurman groote stoomvaart, eigenaar van het schip. Een beperkt certificaat van deugdelijkheid, letter D, was voor de ALBION afgegeven. Zij had één ruim met twee luikhoofden.
De kapitein verklaarde nog, dat het scliip was verzekerd voor f 6.000, dat er een scheepsverband van f 4.000 en een werfschuld van f 2.400 op rustte, terwijl hij zelf er f 800 in had gestoken. Op 22 October 1936 vertrok de ALBION van Rotterdam, beladen met 100 ton erwten in zakken, bestemd voor Boston (Engeland). Het schip lag gelijklastig, diepgang 1,78 m. Het vaartuig was bemand met drie personen, t. w. den kapitein, den stuurman, in het bezit van een diploma als stuurman en schipper op stoomvisschersvaartuigen, zoomede een matroos, een jongen van 22 jaar, die, volgens verklaring van den kapitein, gedurende de gansche reis zeeziek is geweest en in zijn kooi heeft gelegen. Bij vertrek uit den Waterweg was het weer aanvankelijk vrij goed, doch werd allengs slechter. Op den avond van 24 October bevond het schip zich in de nabijheid van East Dudgeon shoal buoy. De koers was W.N.W., wind W.Z.W., en in de buien west, kracht toenemende tot 8 è, 9. De peiling van de boei was tusschen N.W. en N.O. Besloten werd het schip met langzaam werkenden motor op zee te houden en daglicht af te wachten. Omstreeks te 10 uur ging de kapitein in de machinekamer om den motor te smeren. Hij bemerkte toen, dat er veel water in deze afdeeling stond, niettegenstaande de lenspomp op de machinekamer werkte. Hij heeft daarop de lenspompleiding gedemonteerd en opnieuw gemonteerd, doch het water bleef rijzen. Na alle buitenboordsinlaten te hebben afgesloten, heeft hij daarop de leidingen vernieuwd. Vervolgens trachtte hij met de koelwaterpomp, welke goed werkte, het water weg te pompen, hetgeen evenwel niet gelukte. Het water kwam steeds hoger te staan. Hij heeft daarop den vloer opgebroken om na te gaan, waar het water vandaan kon komen. Hij heeft de moeren van de motorfundatie aangeslagen, kon evenwel niet ontdekken hoe het,water in het schip kwam. Omstreeks middernacht zijn noodseinen gegeven aan een voorbijvarenden trawler, welke seinen echter niet werden opgemerkt. Geen enkel vaartuig scheen de noodseinen op te merken. Daarop is Z.Z.O. gestuurd om te trachten in kalmer water te komen, doch hiervoor maakte het vaartuig te veel drift. Tegen den morgen werden vlaggen geheschen. Ten slotte draaide te omstreeks 7 uur het Engelsche stoomschip DEWSBURY bij en streek een boot. Alle drie opvarenden bereikten hiermede veilig het stoomschip, dat hen des middags te Hull landde. Te 8 uur 's middags vernam de kapitein van den commissioner of wreck ter plaatse, dat de ALBION was gezonken. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat de ALBION oorspronkelijk een tjalk is geweest met hulpmotorvermogen, bestemd alleen voor de vaart op de Oostzee; dat het schip, op verzoek van den eigenaar, geschikt is gemaakt voor de vaart op Engeland; dat toen alles goed is nagezien en de ALBION ook nog na het ongeval van September 1936, toen zij op een krib is vastgeloopen, op de werf is geweest; dat toen nog in het bijzonder is geconstateerd, dat geen beschadiging aanwezig was, welke het gevolg was van het stoten op de krib; dat het dan ook raadselachtig voorkomt, dat het schip vol water is gekomen; dat, ook al zou de motorkamer vol water zijn geloopen, dit nog niet tot het zinken van het schip behoeft te leiden; dat dan ook voor dit zinken geen verklaring is gevonden; dat voorts uit het feit, dat een reddingboot van de DEWSBURY is verloren gegaan, wel valt af te leiden, dat een geldige reden aanwezig was om het schip te verlaten; dat geen verder oordeel over deze zaak kan worden gegeven. De Raad is van oordeel, dat de ALBION ten gevolge van het lek worden van het schip is gezonken en verloren gegaan, terwijl de oorzaak van het lek worden niet kan worden vastgesteld. De Raad acht het niet geheel uitgesloten, al zou het hooge uitzondering zijn, dat een dertigjarig scheepje, als de ALBION was, ook al is het dan kort te voren goed nagezien, door de werking van de zee in stormweer, op zwakke plaatsen is gaan lekken. Overigens is hieromtrent niets opgehelderd. De kapitein constateerde wel water in de motorkamer, maar een lek heeft hij niet kunnen vinden. Het ruim is niet gepeild. Maar naar 's Raads oordeel kan het niet anders of er moet ook water in het ruim hebben gestaan. Overigens moet de Raad aannemen, dat het schip niet te vroeg is verlaten. De omstandigheid, dat van de DEWSBURY, die de bemanning van de ALBION aan boord heeft genomen en veilig aan wal heeft gebracht, de reddingboot is verloren gegaan, wijst daar wel op. Aangenomen moet dus worden, op de verklaringen van kapitein en stuurman, dat de ALBION niet drijvende was te houden. Op de door den kapitein genomen maatregelen wil de Raad geen aanmerking maken. Er moeten echter óf lekkages in het ruim zijn geweest, óf het schot tusschen motorkamer en ruim iü ".'t een lek hebben gehad. Wanneer het water zich tot d" motorkmner heeft beperkt, behoeft het schip niet te zinken. Ten slotte wil de Raad nog een opmerking maken over de bemanning. Deze bestond hier uit drie personen, kapitein, stuurman en matroos. Deze laatste bleek volkomen ongeschikt te zijn voor zijn taak. heeft de geheele reis in zijn kooi gelegen en moest ten slotte, gelijk de kapitein het uitdrukte, in de reddingboot worden „geworpen". De kapitein had dezen man in dienst genomen in plaats van diens vader, dien hij kende. Van de zoon wist hij niets af. Wanneer de bemanning om economische reden tot een minimum moet worden beperkt, is het toch wel dringend noodzakelijk, dat ook de derde man een bevaren persoon is en niet iemand, die op zee voor niets te gebruiken is.
Aldus gedaan door de heeren etc.
>