Inloggen
Gezagvoerder

Hulsen, Arend

Naam: Hulsen, Arend
Schepen waarop deze gezagvoerder heeft gevaren

Aantal gevonden schepen: 2
Naam Bouwjaar Type Voortstuwing Ship id
ZORGVULDIGHEID 0 Fregat Sailing Vessel 12016 Bekijk schip
BRISTOL 1802 Fregat Sailing Vessel 17166 Bekijk schip

Overige informatie van deze gezagvoerder:

Familiegegevens en opleiding

Arend Hulsen werd geboren te Amsterdam op 14 juli 1800.

Hij trouwde met Hendrika Geertruyda Scholtijs, geboren te Amsterdam 28 september 1798. Het echtpaar kreeg een zoon op 29 juni 1822, een dochter op 20 mei 1825 en een dochter op 08 november 1826.

Arend Hulsen overleed in Amsterdam op 18 april 1870 (zie hierna)003

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

A.Hulsen was lid van het Amsterdamse zeemanscollege "De Blaauwe Vlag" en wel in 1828 t/m 1830 met vlagnummer 176 en van 1832 t/m 1840 met vlagnummer 44008.

 

A.Hulsen werd met nr.200 effectief lid van Zeemanshoop per 05 december 1826 op voorspraak van J.F.R.Precht. Zijn schip werd niet vermeld. Is honorair lid geworden002.

In de Algemene Ledenvergaderingen van het Amsterdamse zeemanscollege Zeemanshoop van 28 november/05 december 1826 werd A.Hulsen voorgedragen/benoemd als effectief lid op voordracht van J.F.R.Precht. Hij was 26 jaar en woonde in de Binnenbrouwersrtraat 52 te Amsterdam Hij voer op het fregat “Maria” en kreeg toegewezen vlagnummer 200023.

Arend Hulsen was effectief lid van het Amsterdame zeemanscollege “Zeemanshoop” van 1826 t/m 1834 met vlagnummer 200.001

A.Hulsen was van 1832-1834 bestuurslid van het College Zeemanshoop019.

Hij werd deelnemer van het Weldadig Zeemans Fonds van Zeemanshoop per 08 mei 1827 en bedankte in 1835003.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 30 mei 1833 staat vermeld dat aan een aantal leden wordt toegestaan deel te blijven behouden “hoewel onder vreemde vlag varend.” Hierbij is kapitein A.Hulsen.042.

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop van 30 mei 1833 staat een bericht van kapitein A.Hulsen die zijn aanstaande vertrek naar Suriname meedeelt.042.

In de notulen van de Buitengewone Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 12 april 1870  wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de afwikkeling van de legatering van zijn nalatenschap door Arend Hulsen aan Zeemanshoop. Zie ook hierna 042

In de notulen van de Bestuursvergadering dd 02 juni 1870 staat een discussie omtrent de financiering van de vervaardiging van een portret van kapitein Hulsen. Besloten wordt dat niet te bekostigen uit het legaat van Hulsen, maar een bus te plaatsen waar de leden een bijdrage in kunnen storten.042.

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 31 oktober 1872 staat een melding “berigtende dat de Hond Amie van wijlen den Heer A.Hulsen is overleden. Aangenomen voor berigt en verder aan Heeren Penningmeesteren ter afdoening van hetgeen voor die hond nog mogt verschuldigd zijn.”042

 

In de Algemene Vergadering van Zeemanshoop van 30 december 1834 wordt op verzoek van kapitein Hulsen zijn effectief lidmaatschap omgezet in een honorair lidmaatschap023.

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop dd 19 april 1870 staat vermeld: ”Tenslotte wordt berigt dat het Collegie door wijlen den Heer Arend Hulsen bij testamentaire beschikking ten behoeve van het Weldadig Zeemansfonds is benoemd tot Universeel Erfgenaam van diens Nalatenschap onder den last van verschillende Legaten en periodieke Uitkeeringen.”023.

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop dd 05 mei 1904 staat een “Verslag van de heeren W.P.Harten en W. van der Vies omtrent de overbrenging van het lijk van wijlen den heer A.Hulsen naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats.”023.

 

Arend Hulsen benoemde bij olografisch testament van 25 september 1868 het college "Zeemanshoop" tot erfgenaam. Hij overleed op 08 april 1870 te Amsterdam en een dossier in het GAA bevat de documenten tot afhandeling van het testament. Het college ontving o.a. ¦117.000,- in de vorm van inschrijvingen 3% Nationale Schuld en c.¦54.000,- van een tegoed. Het dossier bevat een uitgebreide inventarislijst van de inboedel van Hulsen bij zijn overlijden. Voorts zijn diverse paketjes met kwitanties aanwezig, waarvan een groot deel slaat op de levenslange maandelijkse uitbetaling van geringe bedragen aan enkele andere erflaters.

Uit: "Stukken betreffende de nalatenschap van Arend Hulsen en de afwikkeling daarvan".  GAA,491-114.

Fotokopie van de overlijdensannonce.

 

De schepen van de kapitein

De Amsterdamsche Almanak voor Koophandel en Zeevaart te Amsterdam vermeldt de volgende schepen:

vlagnummer                    jaren           type                  scheepsnaam                                        naam reder/boekhouder

       200                        1826-1831     fregat               Maria                                                     J.& T. van Marselis

                                      1832-1834     fregat               De Zorgvuldigheid                               J.Hulsen

 

Bouma025 vermeldt A.Hulsen als gezagvoerder gedurende:

*    1820 t/m 1832 van het fregat “Maria”, gebouwd in 1802, bouwlocatie niet vermeld, 451 ton o.m., varend voor J.& T.Marselis te Amsterdam

*    1833 t/m 1834 van het fregat “Zorgvuldigheid”, gebouwd in 1812, bouwlocatie niet vermeld, 248 ton o.m., varend voor J.Hulsen te Amsterdam.

 

In het Archief van de Waterschout te Amsterdam011a staat een opsomming van de monsterollen van Arend Hulsen en wel:

25-juli 1872 (moet een voorvader zijn) St.Nicolaas 02 oktober 1826, Maria 17 december 1827, 12 maart 1829, 11 maart 1830, 18 oktober, 08 november 1831, 19 maart 1834 Zorgvuldigheid 09 oktober, 12 mei 1835.

 

Overige bijzonderheden

De monsterrol dd 09 oktober 1822 van de “Zorgvuldigheid” bevat de melding van kapitein Johannes Hulsen, de bestemming naar Suriname en de boekhouder i.c. van Marcelis te Amsterdam. Als eerste stuurman fungeerden een 1e stuurman Arend Hulsen en een ligtmatroos, ook Arend Hulsen.

 

Amsterdamsche Courant 07 juni 1825. Apart artikel onder de rubriek WEST-INDIE

“PARAMARIBO, den 12den April.  Eenige minuten na middernacht tusschen den 11den en 12den dezer maand werd aan boord van het Nederlandsch koopvaardijschip Willem den Eersten, Kapt. Jens Johannissen, ontdekt dat er brand onder in dien bodem was; er werd om hulp van boord der naast omliggende schepen geroepen; de Kapt. J.Hulsen zond dadelijk manschappen, en bij de opening der luiken, sloeg de vlam uit; de rook was zoo zwaar dat men, in den buitendien donkeren nacht, niets verrigten kon; bespeurende dat de felle brand niet meer te blusschen was, riep Kapt. Jens Johannissen zijne schepelingen toe, van zichzelve en hetgeen zij nog mogten uithalen te redden; en ging toen ook zelf nog eens in de kajuit, waarschijnlijk om zijne papieren an andere stukken van aangelegenheid te trachten met zich te nemen; hij werd gevolgd van een der schepelingen, die echter door den opstijgende damp genoodzaakt was dadelijk te rug te keeren, terwijl kapt., alhoewel dringend te rug geroepen, nog eenige korte oogenblikken langer beneden blijvende, zulks het droevig gevolg had, dat de brand een aan boord zich bevonden hebbend vaatje buskruid genakende de losbarsting hiervan het schip in lichte laaije vlam zette, en tevens het leven van den kapt. moet hebben verkort, vermits sedert dat oogenblik hij niet weder tevoorschijn is gekomen. Deze brand was zoo fel dat de naast aan in de laag liggende schepen, wilden zij behouden blijven, geen tijd hadden om de ankers te ligten, maar genoodzaakt waren de touwen achter en voor te kappen.

Dit had dan ook een gunstig gevolg voor de schepen, de Zorgvuldigheid, Kapt. J.Hulsen; de Henriette, Kapt. J.E.Schneebeeke en de Henriette, Kapt. J.C. Willemse, wiens boegspriet en kluiverpen reeds aan het branden was, andere schepen zoo als de Maria, Kapt. E.D.Dekker; de Jonge Willem, kapt.G.van Meedevoort ; de vier Gezusters, Kapt. Jan van Dijl vlooden van het gevaar door uit de laag en op stroom te verhalen; het schip Maria Agnita, Kapt. P.Rijnbende in de binnen laag liggende en zich los gemaakt hebbende, geraakte, door het laatste van den vloed, vast op den wal, het schip Betsy, Kapt.M.Mac Dougal van Rotterdam in de laag voor de Willem den Eersten, voor twee kettingen achter en voor vastliggende, liet de achter ketting slippen, maar voor hij zulks met de voor ketting konde doen, had de brand van de Willem den Eersten, (wiens achter touw afgebrand zijnde en deze bodem dus met het laatste van den vloed op deszelfs voor touw rondzwaaijende, met de achter steven naar den wal, tegen de Betsij langszij aankomende,) ook dezen aangetats en overmeesterd, zoodanig dat de afbranding van dezen bodem niet kon gestuit worden. De Willem den Eersten brandde af en zonk, de eb zette zich nu ten half drie ure in.

Om voor te komen dat de brand van de Betsij tot de huize overvloog, en dat, wanneer deszelfs braspil verbrand en dus de bodem zelf van de voorketting los rakende met de eb naar de beneden in de laag liggende schepen zoude afdrijven, ook aan dezen geen letsel toebragt, werden twee trossen om het roer en aan de wal vastgemaakt tevens gaten in het schip geboord, de midden en bezaan masten gekapt en om ver gehaald, en de brandspuit in een groote pont ingescheept daarop spelende gehouden, tot vijf ure des morgens, toen een zware regenbui een einde maakte aan den rampvollen brand en eene minder slegte uitkomst gaf, dan men bedugt was.

De ijver door den Oversten P.Muller en de andere Heeren Officieren van ’s Rijks Brik van oorlog Merkuur betoond, heeft grootelijks bijgedragen tot de spoedige stuiting van dezen dreigenden brand; - waarbij tegenwoordig zijn geweest Zijne Exellentie de Generaal Majoor en Gouverneur, de leden der regering enmeer andere Burgerlijke en Militaire autoriteiten.

De toestand de ekwipage der beide afgebrande schepen is deerniswaardig, hebbende dezelve alles verloren.

Na de vermelding dezer bedroevende gebeurtenis, mogen wij niet nalaten de verdiende hulde aan de nagedachtenis van den ongelukkigen Kapitein Jens Johannissen, die slechts alleen daarvan het slagtoffer is geworden, toe te wijden. - Zijne bestendige zorg voor zijnen kostbaren bodem; de eerste na zoo vele jaren stilstands in onze Nationale scheepsbouw, alhier, in den jare 1816 gerimmerd (getimmerd?) en ten regten daarvan de sieraad. - Zijn gestadig verblijf aan boord - De goede orde en discipline welke daar steeds heerschte - Dit alles heeft het onheil niet mogen voorkomen. Maar nimmer zal voorzeker het geheugen van zoo vele goede hoedanigheden worden uitgewischt bij de Reeders van zijnen bodem, bij welke zij hem ten regten geacht hadden gemaakt, - bij de Planters, welke denzelven mede hadden leren waarderen, - bij zijne equipagie, welke hem vereerde en beminde. Terwijl eindelijk eene gade en kinderen, in hem den besten verzorger hebben te betreuren.”

 

Gerrit Hermannus Smit werd per 20 juli 1832 vanuit de Amsterdamse Kweekschool voor de Zeevaart geplaatst op het schip Elisabeth Cornelia onder kapitein J.D.Dietz voor een reis van Amsterdam naar Suriname. Hij keerde naar Nederland terug op het schip “Zorgvuldigheid” onder kapitein Hulsen en arriveerde op school op 03 februari 1834004-532/1664.

 

In de ´Biografie van Cornelis Abrahamsz Jr” staat de volgende vermelding109:

18 november 1826 te Nieuwe Diep met de “Zorgvuldigheid”:

      Bij het uitvaren van de Zorgvuldigheid uit Nieuwe Diep: “… en zoo als wij later vernomen hebben alle andre schepen in het Nieuwe Diep waren gebleven waaronder ook het vroegere door ons gevoerde schip Maria daar nu de jonge Kapitein Hulsen op was.”

 

Rotterdamsche Courant 06 oktober 1821114

Rotterdam, 5 oktober. Uittreksel uit de Lloyd’s List van den 2 oktober:

….Het schip AUGUSTA, Hulsen, van Surinamen naar Amsterdam, bevond zich den 27 september op de hoogte van Douvres…..

 

Rotterdamsche Courant 09 oktober 1821114

Amsterdam, 7 oktober. Volgens de Lloyd’s List van den 2 dezer was in de vorige courant gemeld, dat het schip l’AUGUSTE, kapt. Hulsen, den 27 september op de hoogte van Douvres was; doch dit is abusief, daar hetzelve reeds de vorige dag in Texel was binnengekomen.