Inloggen
WILLEM DE EERSTE - ID 8384


In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:1827-03-23 / 1837-05-06 | Reden uitgevlagd: Verongelukt of vermist

Identification Data

Bouwjaar: 1827
Categorie: Passenger-/cargo vessel
Voorstuwing: Steamship
Type: Vracht-/passagiersschip
Masten: Three masts
Rig: barquentine
Material Hull: Wood, sheathed with copper
Dekken: 2
Construction Data

In 1798 is een Pieter van Harlingen eigenaar en in 1804 werd deze in oppervlakte grote werf (met diverse opstallen, woonhuis en grote tuin) geveild en dan wordt (vermoedelijk als tussenpersoon) een zekere Snijders eigenaar. De werf lag aan het einde van de Eerste of Grote Wittenburgerstraat (dus op Wittenburg). Tussen 1823 en 1832 kom ik Cornelis van Swieten als eigenaar tegen. Hij is een heel vroege bouwer van stoomschepen, voornamelijk veerschepen, zoals die tussen Amsterdam en Harlingen, Amsterdam en Utrecht en Rotterdam en Middelburg. Ook bouwde Van Swieten als een van de eerste drijvende reparatie-droogdokken. Na hem was H.H. Blok (met een zoon) eigenaar, die grote zeegaande schepen bouwde, tussen 1848 en 1857 associeerde Blok (de zoon?) zich met Matthijssen en van 1857-1866 is het (weer) Blok en zonen. In 1900 verleende B&W toestemming op verzoek van J.W.F. Hartkamp jr. (namens wed. F. Hinloopen) voor de oprichting van een scheepswerf op een deel van het terrein dat onderdeel uitmakende van de werf Hollandia, Groote Wittenburgerstraat 160.

Scheepsbouwer: Werf 'Hollandia', Firma Cornelis van Swieten, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Date Laid Down: 1825-08-24
Launch Date: 1826-08-04
Delivery Date: 1827-03-23
Technical Data

Engine Manufacturer: Maudslay & Co., London, Great Britain
Motor Type: Steam, Simple
Number of Cylinders: 2
Power: 120
Power Unit: NHP
Eng. additional info: raderstoomschip
 
Gross Tonnage: 595.00 tons (oude meting)
 
Length 1: 41.60 Meters Registered
Beam: 5.96 Meters Registered
Depth: 3.60 Meters Registered
 
Passengers:
1st 2nd 3rd Steerage Deck Total
0 0 0 0 0 70
Zeebrieven en Turksche passen

Record type Zeebrief
Zeebrief jaar: 1827
Datum agenda: 1827-03-27
Register nr: 18270181
Scheepsnaam: WILLEM DE EERSTE
Type: Stoomschip
Lasten: 210
Gebouwd in provincie: Noord Holland
Gebouwd in binnen- of buitenland: Binnenlands
Zeebrief / Turksche pas verzocht door: Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij
Plaats: Amsterdam
Kapitein op moment van verzoek: Oever, J. van den
Opmerkingen: Eerste zeebrief
mededirecteuren: Gebr. Van Vlissingen

Bekijk de overige zeebrieven / Turksche passen van dit schip
Ship History Data

Date/Name Ship 1827-03-23 WILLEM DE EERSTE
Manager: Paul van Vlissingen, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Eigenaar: Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij N.V., Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Amsterdam / Netherlands

Date/Name Ship 1835-05-00 WILLEM DE EERSTE
Manager: Gouvernement van Nederlandsch-Indië, Batavia, Netherlands East Indies
Eigenaar: Gouvernement van Nederlandsch-Indië, Batavia, Netherlands East Indies
Shareholder:
Homeport / Flag: Batavia / Netherlands East Indies

Ship Events Data

1826-11-27: History
Na de tewaterlating ontstond onmin tussen de scheepsbouwer Cornelis van Swieten en de opdrachtgever Paul van Vlissingen. Paul van Vlissingen liet het schip op 27 november 1826 naar de werf van Barend Groen te Amsterdam verhalen en daar werd het vervolgens afgebouwd.
1829-08-18: Collision
Amsterdam, 18 augustus 1829. Het beurtschip, gevoerd door schipper G. Mast, van Zwartsluis naar Amsterdam, is in de ochtend van de 16e dezer in de kuil van Marken door het stoomschip WILLEM DE EERSTE, kapt. J. van de Oever, van Amsterdam naar Hamburg, aangezeild geworden en heeft daardoor zware schade bekomen.
1832-03-17: Grounded
Rotterdam, 21 maart 1832. Het Nederlandse stoomschip WILLEM I, kapt. J.H. Savert, met stukgoederen in de nacht tussen den 17 en 18 dezer van Amsterdam naar Hamburg vertrokken, is voor Nieuwendam vastgeraakt, doch de volgende middag weer vlot geworden
1832-09-10: Collision
Rotterdam, 10 september 1832. Het kofschip LIBRA, kapt. G.R. Engelsman, met tarwe van Dantzig naar Amsterdam, na een zeer voorspoedige reis van tien dagen den 5 dezer in Texel binnengekomen, is den volgende ochtend ten half twee ure, op Pampus vastgeraakt zijnde, door het Nederlands stoomschip WILLEM DE EERSTE, kapt. J.H. Savert, van Amsterdam naar Hamburg, bij heldere lucht en maanlicht, aangezeild
1835-10-07: Rebuilt
Een conditie van de aan-/verkoop was, dat de eerste termijn betaald werd voor vertrek en de tweede na aankomst van het schip in Indië. De WILLEM DE EERSTE werd na aankoop door het Gouvernement van Nederlands-Indië te Amsterdam gereed gemaakt voor de dienst aldaar. De raderen werden afgenomen en het schip werd als zeilschip om de Kaap de Goede Hoop uitgebracht. Zij vertrok op 7 oktober 1835 onder kapt. Hugo Blad van Texel en arriveerde op 3 februari 1836 te Onrust (eilandje in de Java-zee, waar een scheepswerf was gevestigd)
1837-05-06: Final Fate: Stranded

RC 17.10.1837
Rotterdam 16 oktober. Volgens berigt van de Molucco’s, in dato 28 mei, was de stoomboot WILLEM I, (opm: WILLEM DE EERSTE, kapt. Lammleth) op de reis van Sourabaya naar Amboina, op een rots gestrand en verongelukt. Van de aan boord zijnde mensen bevonden 144 zich op gemelde rots van alles ontbloot; men had een schip tot adsistentie afgezonden, hetwelk echter wegens tegenwind terug moest keren, en men berekende dat gemeld schip de rots niet vóór den 12 juni kon bereiken. Een der passagiers was reeds van dorst gestorven.

Gezagvoerders

Familiegegevens en opleiding

Jacob van den Oever werd geboren te Katwijk op 27 februari 1791 als zoon van Arij van den Oever en Huijbertje Remmelswaal.

Hij huwde ca. 1815 met Maria Antoinette Heyde, geboren te Ostende op 31 januari 1793 en overleden in februari 1845.

Jacob werd vermist in 1841003.

Een Adrianus Rudolphus van den Oever werd geboren te Harlingen op 08 april 1816 als zoon van schipper Jacob van den Oever , oud 25 jaar, en Maria Antoinette Heyde.

 

Amsterdamsche Courant 16 februari 1844

Amsterdam, 15 februari. Van de volgende schepen heeft men sedert derzelver vertrek niets vernomen: MERCURIUS, kapt. Geelmuijden, 23 oktober van New York naar Rotterdam vertrokken; de EENDRAGT, kapt. van Limmen, 21 oktober van Dordrecht te Grangemouth aangekomen, en sedert van daar naar Holland vertrokken; APOLLO, kapt. Van den Oever, 14 november van Sunderland naar Amsterdam vertrokken; JETSKA ANTINA, kapt. Vos, 6 oktober uit Vlei naar Grangemouth vertrokken; VRIENDSCHAP, kapt. De Groot, en AMICITIA, kapt. Benes beide 12 oktober van Dantzig, de eerste naar Schotland en de tweede naar Amsterdam vertrokken; en PIETERDINA, kapt. Stutvoet, voor kapt. Duit, 21 september Elseneur gepasseerd van Dantzig naar Amsterdam.

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

J.van den Oever werd met vlagnummer 11 effectief lid van Zeemanshoop. Datum van intree niet vermeld. Zijn schip was de “Jacoba”, in de tekst van het register doorgestreept en vervangen door “Apollo” Toegevoegd is “vermist”002.

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop dd 23 april staat het verzoek van de weduwe van kapitein J.van den Oever om een uitkering hetgeen wordt toegestaan per 01 februari 1844.023.

Hij werd deelnemer in het Weldadig Zeemans Fonds per 21 mei 1826

J.van den Oever was effectief lid/oprichter van het College Zeemanshoop. Op het moment van de oprichting was hij “uitlandig”019.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd.26 maart 1840 wordt aan kapitein J. van den Oever een maand gage toegekend wegens schipbreuk.042

In de notulen van de Bestuursvergadering dd 24 februari 1842 vraagt J. van den Oever uitstel van contributie betaling. Hij krijgt respijt voor 6 maanden. Hij herhaald zijn verzoek tot betaling in de notulen dd 29 september 1842 en krijgt respijt tot 15 oktober 1842.042

In de notulen van de Bestuursvergadering dd 29 februari 1844 staat een verzoek om uitkering door de wed. J. van den Oever, geb. M.A.Heijde. In de vergadering dd 26 maart 1844 gaat het Bestuur accoord ingaande 01 februari 1844 maar voegt toe dat het bedrag moet worden teruggestort waneer later zou blijken dat haar man nog in leven is.042

In de notulen van de Algemene Vergadering van 20 maart 1827 wordt melding gemaakt van een brief van J.van den Oever. Daarin schrijft hij dat hij de vaart op de Oost en de West heeft verlaten en is geplaatst als kapitein op de stoomboot naar Hamburg.023  Een overeenkomstige mededeling wordt gemeld in de Bestuursvergadering dd 29 maart 1827.042.

Uitgesloten van het lidmaatschap van het Weldadig Zeemansfonds van het college Zeemanshoop waren o.a. kapiteins van stoomboten binnengaats. “Effectieve leden op stoomboten binnengaats varende konden hun deelhebberschap in het Weldadig Zeemansfonds behouden, mits zij hun contributie bleven betalen, verhoogd met een storting van vijf procent van hun gage per zes maanden. Aan deze aanvullingen van de reglementen waren vragen voorafgegaan van kapitein H.G.de Boer van de stoomboot op Harlingen en van J.van den Oever, als kapitein van het stoomschip Willem den Eersten der Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij varende op Hamburg, die reeds leden van Zeemanshoop waren voor zij deze posten bekleedden”019.

 

De schepen van de kapitein

lid van het college Zeemanshoop te Amsterdam001

vlagnummer                    jaren           type                  scheepsnaam                                        naam reder/boekhouder

        11                              1825           fregat               De Goede Hoop                                   geen opgave

                                           1826           stoomb.           De Beurs van Amsterdam                  Amst.Stoomb.Maatsch.

                                      1827-1829     stoomb.           Willem den Eersten                             idem

                                           1830           geen vermelding van schip en boekhouder

                                           1831           brik                   Rosalia                                                  geen opgave

                                           1832           brik                   Rosalia                                                  Jos.Hartog

                                      1833-1835     geen vermelding van schip en boekhouder

         5                               1836           galj.                  Annette                                                  K.van den Oever

                                           1837           geen vermelding van schip en boekhouder

                                           1838           kof                   De Vriendschap                                   geen opgave

                                           1839           geen vermelding van schip en boekhouder

                                           1840           kof                   Jacoba                                                   geen opgave

                                           1841           geen vermelding van schip en boekhouder

                                           1842          kof                   Apollo                                                      geen opgave

 

Bouma025 vermeldt J.van den Oever als gezagvoerder gedurende:

*    1814 t/m 1827 van de kof “Mercurius”, gebouwd in 1802, bouwlocatie niet vermeld, 75 ton o.m., geen vermelding van thuishaven en eigenaar. Het schip werd 10 keer te Harlingen geregistreerd en wel 8 keer van Newcastle en ieder 1 keer van Londen resp. Makkum.

*    1825-1826 op het fregat “Goede Hoop”. Gegevens over bouwplaats en -jaar, tonnage en rederij ontbreken;

*    1827-1830 op de stoomboot “Beurs van Amsterdam”, gebouwd in 1826 te Amsterdam, 528 ton o.m., 120 pk, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdam;

*    1826 t/m 1829 op de stoomboot “Willem den Eersten”, gebouwd in 1826 op de werf Hollandia te Amsterdam, kiel gelegd 30 augustus 1825, te water gelaten op 04 augustus 1826, 528 ton o.m., 120 pk, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdamook ontleend aan Suyk, Heiloo;

*    1832 t/m 1833 op het fregat “Rosalie”, gebouwd in 1830 te Antwerpen, 363 ton o.m., geen opgave van thuishaven en eigenaar;

*•  1832-1836 op de galjoot “Annette”, bouwjaar en -plaats ontbreken, 105 ton o.m., varend voor K.van den Oever te Amsterdam. Het schip werd in 18236 te Amsterdam geveild;

      in 1839 op de kof “Vriendschap”, geen vermelding van bouwgegevens, varend voor F.Smit te Amsterdam;

*    1839 t/m 1842 op de kof “Jacoba”, ex Jeremias, gebouwd in 1800 te Papenburg, 151 ton o.m., varend voor C. van Wieringen te Moodrdrecht. Het schip werd in 1842 verkocht;

*    1843 op de kof “Apollo”, gebouwd in 1822, 82 ton o.m., vermoedelijk varend voor van der Bey & Co te Amsterdam. Het schip werd in 1843 vermist van Sunderland naar Amsterdam. Er klopt iets niet met betrekking tot het vermissingsjaar 1841 - zie hiervoor. Andere J.van den Oever?.

Verscheidene gegevens kloppen niet in vergelijking met de opgaven uit de Amsterdamsche Almanak voor Koophandel en Zeevaart. Ik acht de opgaven uit de AAKZ meer betrouwbaar.

 

Het Archief van de Amsterdamse Waterschout op het Stadsarchief van Amsterdam bevat monsterrollen op naam van kapitein Jacob J. van den Oever op de:

“Mercurius”, dd 03 augustus 1815; 29 mei 1816 en 24 oktober 1816.

en van Jacob van den Oever op:

“Brutus”, dd 21 juli 1817; 22 mei 1818 en 10 december 1818;

“Geluckige Reise”, dd 06 september 1819;

“Magellaan”, 09 november 1821; 13 mei 1823.

 

Overige bijzonderheden

e-mail van André Delporte te Luik dd 09 januari 2006

Te Antwerpen vond ik … het drie-masten schip ROSALIE, 420 ton en met twee dekken, gebouwd in 1829 by Fleury-Duray te Boom, en ter water gelaten op 29/10. Luc (Heijboer) vond een reis (eerste ? of eerste te lange omvaart ?) van dit schip : vertrokken uit Antwerpen op 28/4/1830 naar Batavia; aangekomen op 19/8 en verliet dan voor Padang. Zijn terugreis hadden we niet ... Als kapitein heb ik dan A. Cordier, gevolgd later door “J.” (!) De Bruin tot in 1834. Vanaf 1837 heb ik het schip als ELISABETH, van A. Van Hoboken, Rotterdam, tot 29/6/1841 (verkocht om gesloopt te worden). Onze bestanden zijn dus complementair en ik verbeter in Cordier als kapitein tot 1832, J. Van den Oever van 1832 tot 1833; schip uitgevlagd voor Jos Hartog te Amsterdam in 1833 (verkeerd in BV !) en verkocht in 1835. Ik vervang ook J. De Bruin door G. H. De Bruyn.

 

Krantenberichten

Leeuwarder Courant 17 maart 1818114

Harlingen, 14 maart. Den 12 maart zijn alhier uitgezeild: het smakschip de JONGE WILLEM, kapt. Klaas Pieters Faber, met haver naar Londen, het kofschip NEPTHUNUS, kapt. Harmanus Harmens, met haver, tarwe, klaverzaad en ruw vlas naar Hull, het smakschip MARIA SOPHIA, kapt. R.D. Lovius, met haver naar Londen en het kofschip MERCURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met haver, tarwe en klaverzaad naar Newcastle.

Den 13 dezer zijn uitgezeild het kofschip de JONGE DIRK, kapt. Thomas J. Smith, met tarwe naar Lissabon, en het smakschip VIGELANTIE, kapt.Rinse Harmens Smit, met tarwe, haver en klaverzaad naar Hull.

Leeuwarder Courant 08 april 1818114

Harlingen, 6 mei. …

Den 6 dito (mei) is binnen gekomen het kofschip NEPTHUNUS, kapt. Harmanus Harmens, met ballast van Hull, en het kofschip MERCURIUS, kapt. Jacob B. van den Oever, met smeedskool, aardewerk, etc. van Newcastle.

Leeuwarder Courant 08 mei 1818114

Harlingen, 6 mei. ….

Den 6 dito (1818) is binnen gekomen het kofschip NEPTHUNUS, kapt. Harmanus Harmens, met ballast van Hull, en het kofschip MERCURIUS, kapt. Jacob B. van den Oever, met smeedskool, aardewerk, etc. van Newcastle.

 

Leeuwarder Courant 26 mei 1818114

Harlingen, 25 mei. Den 22 dezer is van hier uitgezeild het kofschip MERCURIUS, kapt. Jacob B. van den Oever, met haver, tarwe en gerst naar Londen, en den 24 dito het smakschip de VROUW ENGELINA, kapt. Egbert H. de Groot, met haver naar Liverpool.

Leeuwarder Courant 30 juni 1818114

Harlingen, 29 juni.  …

Den 28 dito zijn binnen gekomen het kofschip NEPTHUNUS, kapt. J.B. van den Oever, met smidskool van Newcastle, en het smakschip de GOEDE INTENTIE, kapt. Tæke van der Veer, met granen en hennep van Dantzig (opm: Gdansk).

 

Leeuwarder Courant 14 juli 1818114

Harlingen, 13 juli. ….

Den 11 dito zijn alhier binnengekomen het smakschip de VROUW CATHARINA, kapt. Harmanus Slehuis, het smakschip de JONGE THEODOOR, kapt. Hemme de Jonge, en het tjalkschip de VROUW MARGARETHA, kapt. A.H. Stuur, allen met hout van Noorwegen, en zijn uitgezeild het kofschip MERCURIUS, kapt. B. van den Oever, met granen naar Londen, en het smakschip de GOEDE INTENTIE, kapt. T.J. van der Veer, met ballast naar de Oostzee.

 

Leeuwarder Courant 18 augustus 1818114

Harlingen, 18 augustus. Alhier zijn den 14 augustus binnen gekomen het kofschip MERCURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met smidskool, aardewerk, slijpstenen enz. van Newcastle, en het smakschip de VROUW HELENA, kapt. Joseph Bolwijn, met hout van Noorwegen. …

 

Leeuwarder Courant 10 november 1818114

Harlingen, 5 november. Den 2 november zijn alhier binnen gekomen de kofschepen de TWEE GEBROEDERS, kapt. W.R. Lucas, MERKURIUS (opm: MERCURIUS), kapt. J.B. van den Oever, beide met steenkolen, glas en aardewerk van Newcastle, en het smakschip de VROUW ELISABETH, kapt. Tjerk Yntes de Vries, met ballast van Londen.

 

Leeuwarder Courant 20 november 1818114

Harlingen, 19 november. ….

Den 18 dito zijn eveneens binnen gekomen om te klareren en den 19 dito weder uitgezeild naar Groningen, de tjalkschepen CATHARINA, kapt. J. Flik, de DRIE VRIENDEN, kapt. E.T. Tunkade, de HOOP, kapt. J.J. Stientjes, het smakschip NEPTHUNUS, kapt. A. Oosten, het kofschip ALIDA, kapt. H. de Duit, komende allen met ballast van Londen. Nog is binnen gekomen het tjalkschip de VROUW HENDRIKA, kapt. A.H. Lukkien, met ballast van Londen, en is uitgezeild het kofschip MERKURIUS (opm: MERCURIUS), kapt. J.B. van den Oever, ledig naar Makkum.

 

Leeuwarder Courant 09 februari 1819114

Harlingen. Den 24 januari uitgezeild  …

Den 31 dito binnen gekomen het kofschip TRITON, kapt. A.H. Dooijen, van de Braak naar Londen gedestineerd, komt alhier binnen met zware lekkagie, en het kofschip MERKURIUS, kapt. J.B. v.d. Oever, ledig scheeps van Makkum, en uitgezeild het sloepschip UNION, met boter naar Londen, het smakschip MARIA SOPHIA, kapt. Rinze D. Lovius, met granen naar Londen, en het tjalkschip de VROUW MARGARETHA, kapt. Albert H. Stuur, met granen naar Hull. …

Den 4 dito uitgezeild het kofschip MERKURIUS, Kapt. J.B. van den Oever, met granen naar Londen.

 

Leeuwarder Courant 12 maart 1819

Harlingen. Den 2 maart uitgezeild …

Den 7 dito binnen gekomen het kofscheepje MERKURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met ballast van Londen. Uitgezeild het brikscheepje THOMAS, kapt. William Watton, met boter naar Londen.

Leeuwarder Courant 06 april 1819114

Harlingen. Den 1 april binnen gekomen  …

Den 4 dito uitgezeild het kofschip de JONGE CORNELIS, kapt. Jelle H. van der Laan, met granen naar Londen; het kofschip MERCURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met granen naar Londen en het tjalkschip MARIA SOPHIA, kapt. Rinse D. Lovius, met pannen en chicorei naar Hamburg.

Leeuwarder Courant 25 mei 1819114

Harlingen. Den 20 mei binnen gekomen ….

Den 21 dito binnen gekomen het smakschip MARIA SOPHIA, kapt. Rinse D. Lovius, het brikschip EMANUEL, kapt. Jens Strum, beide met hout van Noorwegen en het kofschip MERKURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met kool, glas enz. van New-Castle. ….

 

Leeuwarder Courant 17 augustus 1819114

Harlingen. Den 12 augustus binnen gekomen

Den 14 dito uitgezeild het kofschip MERKURIUS, kapt. J.B. van der Oever, ledig naar Amsterdam. …

 

Rotterdamsche Courant 26 augustus 1819114

Amsterdam, 26 augustus. Te New-York is gearriveerd kapitein Dana met de lading van het schip BRUTUS, kapt. J. van den Oever, van Amsterdam.

 

Leeuwarder Courant 12 oktober 1819114

Harlingen. Den 5 oktober binnen gekomen het kofschip MERCURIUS, kapt. J.B. van den Oever, met smidskool en aardewerk van Newcastle, het smakschip VROUW MARGARETHA, kapt. J. Piebes, met hout van Noorwegen. …

 

Leeuwarder Courant 02 november 1819114

Harlingen. Den 25 oktober binnen gekomen  …

Den 27 dito uitgezeild het kofschip MERKURIUS, kapt. Jacob B. van den Oever, ledig naar Makkum. …

 

Rotterdamsche Courant 30 januari 1821114

Amsterdam, 27 januari. Sedert onze laatste zijn in Texel binnengekomen M. Koos en T.J. Vlieger van Surinamen, P.J. Kerkhoven van Curaçao en P. Maas van Gothenburg; dezelve zijn met behulp van sloepen door het ijs in het Nieuwe Diep gebragt; G.J. Nieuwland en J.A. Bruinsma van Londen; de laatste is in de haven van Texel gezeild. Er drijft nog veel ijs op stroom. De postschuit is gisteren over geweest, doch heeft de brievenmaal met een jol aan Den Helder gebragt en is toen wegens het ijs moeten terug keren.

Den 15 dezer is in het Ras van Terschelling gekomen J.B. van den Oever van Hamburg

 

Rotterdamsche Courant 22 januari 1822114

Amsterdam, 20 januari. Het schip (opm: fregat) MAGELLAAN, kapt. J. van den Oever, den 31 december 1821 uit Texel gezeild naar Batavia, was den 6 januari, des middags te 12 uren, met gunstige wind zeilende, in het gezigt van Lezard (opm: Lizard); het schip, de passagiers, troepen en equipagie waren allen in de beste staat.

 

Rotterdamsche Courant 06 juli 1822114

Rotterdam, 5 juli. Uittreksel uit de Lloyd’s Lijst van den 2 juli:

Van de Kaap de Goede Hoop zijn vertrokken den 30 maart het Nederlands fregat van oorlog DOLPHIJN; den 7 april de schepen JONGE JACOBUS, Bonn, en MAGELLAN, Van den Oever, en den 9 dito het schip CORNELIA HENDRIKA, Sipkes, allen naar Batavia, alsmede den 14 april het schip JOHANNA JACOBA, Ten Boekel, naar Amsterdam…..

 

Rotterdamsche Courant 25 juli 1822114

Amsterdam, 23 juli. Van kapt. J. van den Oever, voerende het schip (opm: fregat) MAGELLAAN, van Amsterdam naar Batavia, heeft men thans een brief ontvangen, geschreven den 7 april, tijdens hij aan de Kaap de Goede Hoop lag, waarin hij meldt den 29 januari op 5º58’ N.B. 21º11’ W.L. in goede staat gepraaid te hebben het schip de DRIE GEBROEDERS, kapt. M/A. Jacometti, van Rotterdam naar Batavia, laatst uit Texel, en den 9 februari op 1º29’ Z.B. 21º4’ gegiste lengte, aan boord gehad te hebben kapt. K.H. Zijlstra, voerende het schip (fregat) CHRSTINA BERNARDINA, van Amsterdam mede naar Batavia, die voornemens was de Kaap de Goede Hoop aan te doen en aan wiens boord alles wel was.

 

 

Datum vanaf: 1827
Kapitein: Oever, Jacob van den
Overige informatie: 0

Familiegegevens en opleiding

Hendrik Cornelis werd geboren te Amsterdam ca begin 1802 als zoon van Hendrik Willem Kool en Maria Brouwer

H.C.Kool was getrouwd met Maria Anna Sinderen, geboren 25 september 1804 te Amsterdam als dochter van Fredrik Lodewijk Zinderen (sic) en Anna Maria van Ledt, Maria Anna overleed op 21 augustus 1868 te Rotterdam, 63 jaar, 11 maanden, weduwe. Het trouwen zal ook wel te Amsterdam hebben plaatsgevonden. Nog nakijken.

Hendrik overleed op 20 augustus 1845 te Rotterdam, 43 jaar, 8 maanden en 21 dagen.

 

Algemeen Handelsblad 23 augustus 1845

Advertentie. Heden overleed in de ouderdom van 43 jaren, mijn geliefde echtgenoot, Hendrik Cornelis Kool, koopvaardij-kapitein, mij nalatende twee kinderen, te jong om hun verlies te kunnen beseffen.

Rotterdam, 20 augustus 1845, M.A. Sinderen, weduwe H.C. Kool.

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

H.C.Kool (adres Stoombootmaatschappij) werd per 14 februari 1837 op voordracht van H.Blad en met vlagnummer 367 ingeschreven als effectief lid van het Amsterdams zeemanscollege "Zeemanshoop". Toegevoegd is "overleden"002.

In de Algemene Vergaderingen van 07/14 februari 1837 van het Amsterdamse zeemanscollege Zeemanshoop werd voorgedragen/benoemd Hendrik Cornelis Kool, oud 36 jaar, voerend het ss. “Princes van Oranje”, wonende te Rotterdam en met adres de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdam, op voordracht van kapitein H.Blad. Hij kreeg vlagnummer 367023.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 31 juli 1845 staat een verzoek van de huisvrouw van kapitein H.C.Kool, geb. M.A.Sinderen om een uitkering. In de notulen dd 28 augustus 1845 staat dat de kapitein inmiddels is overleden. Daarop vraagt de weduwe op 28 augustus 1845 om een uitkering die haar op 25 september 1845 voor haar en 2 kinderen met ingang van 01 november 1845 wordt toegekend.042

 

In de notulen dd 28 oktober 1845 van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop staat het verzoek van de weduwe van kapitein J.Kool om een uitkering hetgeen voor haar en 2 kinderen wordt toegekend per 01 november 1845.023.

 

De schepen van de kapitein

lidmaatschap van College Zeemanshoop te Amsterdam001

vlagnummer                    jaren           type                  scheepsnaam                                        naam reder/boekhouder

         367                      1837-1845     stoomsch.       Prinses van Oranje                              Amst.Stoomb.Maatsch.

 

Bouma025 vermeldt H.C.Kool als gezagvoerder gedurende:

*    1830 t/m 1832 op de stoomboot “Willem den Eersten”, gebouwd in 1826 op de werf Hollandia te Amsterdam, kiel gelegd 30 augustus 1825, te water gelaten op 04 augustus 1826, 528 ton o.m., 120 pk, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdamook ontleend aan Suyk, Heiloo;

*    1832 t/m 1835 van de stoomboot “Beurs van Amsterdam”, gebouwd in 1826 te Amsterdam, 528 ton o.m., varend voor de Amsterd. Stoomboot Mij. te Amsterdam. Het schip had een lijndienst op Londen en later op Hamburg;

*    1835 t/m 1845 van het raderstoomschip “Prinses van Oranje”, ex Graaf Cancrin, ex Onderneming, ex Monarch, gebouwd in 1825, bouwplaats niet vermeld, 112 ton o.m., varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdam;

 

Overige bijzonderheden

Geen

 

 

Datum vanaf: 1830
Kapitein: Kool, Hendrik Cornelis
Overige informatie: 0

Familiegegevens en opleiding

Jan Hendrik Savert werd gedoopt op 01 januari 1791 te Amsterdam (zie BR, Amsterdam)

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

J.H.Savert werd met vlagnummer 348 per 06 maart 1832 ingeschreven als effectief lid van Zeemanshoop op voordracht van D.Spreeuw. Zijn schip was de “Beurs van Amsterdam”002.

In de Algemene Vergaderingen van 28 februari/06 maart 1832 van het Amsterdamse zeemanscollege Zeemanshoop werd tot effectief lid voorgedragen/benoemd Jan Hendrik Savert, 40 jaar, voerend het stoomschip Willem den Eersten, wonende op de Fransche Kade te Amsterdam, op voordracht van kapitein D.Spreeuw. Er is geen vlagnummer vermeld023.

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In de notulen van de Bestuursvergadering dd 26 januari 1832 staat een aanvrage door kapitein J.H.Savert “kapitein eener stoomboot … om in het Fonds als Effectief Lid te worden aangenomen. Gesteld in handen van de Heeren Penningmeesteren om te dienen van bericht.” In de notulen dd 23 februari 1832 staat de mededeling dat kapitein Savert zich als effectief lid kan laten voorstellen.042.

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 06 december 1832 wordt gemeld een: “Missive van de directie der amsterdamscche stoomboot Maatschappij d 2 dezer namens kapt.n J.H.Savert kennisgevende dat het stoomschip Willem den 1e aan het Rijk is afgestaan en gewapend is met aanbieding van genoemde kapitein op de verhoogde contributie waarin hij nu vervalt te betalen.”

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 27 december 1855 staat een verzoek om een uitkering door kapitein J.H.Savert. Deze wordt hem in de vergadering dd 31 januari 1856 toegekend voor 1 jaar ingaande 01 februari 1856.042.

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 28 mei 1857 staat wederom een verzoek om onderstand door J.H.Savert, welk verzoek echter wordt afgewezen. In de notulen dd 25 juni 1857 verzoekt hij wederom om een herziening van de afwijzing, waarop het Bestuur de penningmeester opdracht geeft zijn financiële toestand nader te onderzoeken. In de vergadering dd 30 juli 1857 volgt de definitieve afwijzing. En ook weer een herhaald revisieverzoek op 27 augustus 1857 wordt afgewezen.042.

In de notulen van de Algemene Vergadering dd 09 juni 1857 staat een verzoek van J.H.Savert om continuering van een uitkering, welke door het Bestuur van de hand is gewezen. Ik heb kennelijk een eerder verzoek over het hoofd gezien. In de vergadering van 01 september 1857 is sprake van een verzoek van de heer C.Gilhuis om het besluit inzake een uitkering aan kapitein Savert te herzien, maar het Bestuur blijft bij het eerder genomen besluit.023.

De schepen van de kapitein

lidmaatschap van College Zeemanshoop te Amsterdam001

vlagnummer                 jaren          type                 scheepsnaam                                       naam reder/boekhouder

       348                      1832-1834    stoomsch.      Willem den Eersten                            Amst.Stoomb.Maatsch.

                                        1835          stoomsch.      De Beurs van Amsterdam                 idem

       236                      1836-1838    stoomsch.      De Beurs van Amsterdam                 idem

                                     1839-1853    stoomsch.      Willem de Eerste                                 idem

        66                       1854-1855    stoomsch.      Willem de Eerste                                 idem

                                     1856-1872    geen vermelding van schip en boekhouder

 

Bouma025 vermeldt J.H.Savert als gezagvoerder gedurende:

*     1833 t/m 1836 op de stoomboot “Willem den Eersten”, gebouwd in 1826 op de werf Hollandia te Amsterdam, kiel gelegd 30 augustus 1825, te water gelaten op 04 augustus 1826, 528 ton o.m., 120 pk, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdamook ontleend aan Suyk, Heiloo;

*     1836 t/m 1839 van de stoomboot “Beurs van Amsterdam”, gebouwd in 1826 te Amsterdam, 528 ton o.m., varend voor de Amsterd. Stoomboot Mij. te Amsterdam. Het schip had een lijndienst op Londen en later op Hamburg;

*     1840 t/m 1855 van het houten schroefstoomschip “Willem den Eersten”, gebouwd in 1839 te Amsterdam, 500 ton o.m., varend voor de Amsterd. Stoomb. Maatschappij te Amsterdam.

 

Overige bijzonderheden

Geen

 

 

Datum vanaf: 1831
Kapitein: Savert, Jan Hendrik
Overige informatie: 0

Familiegegevens en opleiding

Hugo Blad werd geboren te Amsterdam op 05 maart 1795.

Hij huwde met Cornelia van der Sanden, geboren te Amsterdam op 07 oktober 1795. Zij overleed op 29 oktober 1843 003 en 118

Hugo overleed in 1838.

 

Hugo Blad werd geboren en gedoopt te Amsterdam op 05 maart 1795. Zijn vader was schuitevoerder. Hij werd als leerling van de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam aangenomen als leerling op 18 mei 1808. Op 18 april 1813 werd hij adelborst. Hij bereikte de rang van luitenant-ter-zee.

Uit: Marc.A.van Alphen - Aanvullende bronnen voor onderzoek naar het varend marinepersoneel (circa 1600 - 1850). Jaarboek 1998. Centraal Bureau voor Genalogie 52:111-136, p.126.

Hugo Blad werd op 18 mei 1808 ingeschreven als leerling van de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam004(531/1076). Hij werd volgens doopcedule nr. 1076 op 06 maart gedoopt (vermoedelijk) te Amsterdam. Zijn ouders waren Johannes Blad uit Amsterdam, luthers, en Rebekka Lond uit Noorwegen, eveneens luthers. Beiden waren ten tijde van de inschrijving in leven en woonden op de Droogbak te Amsterdam. Het beroep van de vader was schuitenvoerder.

Bij de inschrijving was Hugo 13 jaar en 5 voet/4 duimen lang.

Vanaf 01 juli 1808 werd een driemaandelijkse voortgangsrapportage bijgehouden:

“1 july 1808  3/m rappt kt (kent) de decimale breuken ...

1 octob 1809 Id.  kt het 1e boek van Steenstra ...

25 octob 1809  Een prijs gehad  Robinson Crusoe ...

1 jan. 1811  Id kt de 5 eerste boeken ...

30 jan 1811  de vader vraagt het ontslag van zijn zoon, uitgesteld totdat de boete bij Art.3 vastgesteld zal kunnen voldoen   

14 febr. 1811  als ledemaat aangenomen

29 junij 1811  geplt op de cadettenbrik Irene om in de Z.zee te kruissen

19 decbr 1811  geplt op de brik Irene

1 sept.1812  examen gedaan

30 do  van de brik terug

18 april 1813  door de Minister van Marine tot aspirant der 2de klasse aangesteld

10 mei 1813  naar Antwerpen vertrokken”.

 

Lidmaatschap zeemanscollege(s)

Hugo Blad werd met nr.368 effectief lid van Zeemanshoop per 19 augustus 1833 op voorspraak van kapitein O.Koert. Zijn schip ten tijde van de inschrijving was de “Graaf Cancrin”002.

In de Algemene Vergaderingen van 06/13 augustus 1833 van het College Zeemanshoop werd voorgedragen/benoemd Hugo Blad, oud 38 jaar, wonende op de Brouwersgracht bij de Lindengracht, voerend het stoomschip Graaf Cancrin, op voordracht van kapitein C.Koert. Hij kreeg vlagnummer 368023.

H.Blad was effectief lid van Zeemanshoop in de periode 1833 t/m 1838 met de vlagnummers 368 (1833 t/m 1836) en 255 (1836 t/m 1838).

Hugo Blad werd deelnemer van het Weldadig Zeemans Fonds van Zeemanshoop per 07 december 1833.003

 

Opmerkingen in verband met lidmaatschap Zeemanscollege(s)

In de notulen van de Bestuursvergadering van Zeemanshoop dd 27 juni 1833 staat een brief van H.Blad “waarin hij verzoekt ook voor de voorgenomen reize met het stoomschip Graaf Cancrin als kapitein deel te mogen nemen in het fonds om nader als Lid te worden voorgesteld.”042.

In de notulen van de Bestuursvergadering dd 29 maart 1838 staat een verzoek om ondestand van de weduwe Hugo Blad, geb. Cornela van der Landen. In de vergadering dd 26 april 1838 wordt de onderstand toegekend voor haar en 4 kinderen per 01 mei 1838.042

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop van 15 mei 1838 staat het verzoek van de weduwe H.Blad voor een uitkering “voor haar en hare kinderen” welk verzoekdoor het Bestuur werd ingewilligd023.

 

De schepen van de kapitein

Vermelding in de Amsterdamsche Almanak voor Koophandel en Zeevaart001:

vlagnummer            jaren                type        scheepsnaam                      naam reder/boekhouder

         368              1833-1834            stoomb. Graaf Cancrin                     Amst.Stoomboot Maatsch

                                   1835                stoomb. Willem den Eersten            geen opgave

         255                  1836                stoomb. Willem den Eersten            geen opgave

                                    1837                stoomb. Willem den Eersten            Amst.Stoomboot Maatsch.

 

Bouma025 vermeldt H.Blad als gezagvoerder gedurende:

*    1834 van de stoomboot “Graaf Cancrin” ex Onderneming, ex Monarch, gebouwd in 1825, bouwlocatie niet vermeld, 112 ton o.m., varend voor de ASM te Amsterdam. Het schip werd in 1835 herdoopt in “Prinses van Oranje”;

*    1837 op de stoomboot “Willem den Eersten”, gebouwd in 1826 op de werf Hollandia te Amsterdam, kiel gelegd 30 augustus 1825, te water gelaten op 04 augustus 1826, 528 ton o.m., 120 pk, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdamook ontleend aan Suyk, Heiloo;

 

De rader stoomboot Willem de Eerste werd gebouwd in 1826 op de werf Hollandia te Amsterdam van C.van Swieten. De kiel werd gelegd op 30 augustus 1825 en de tewaterlating op 04 augustus 1826.; 528 ton o.m.. De reder van 1826 t/m 1835 was de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdam. Het schip kwam in de vaart op Hamburg. In 1835 werd het schip verkocht aan het Departement van Koloniën. “Onder Kapitein H.Blad vertrok het schip als bark getuigd en de wielen afgenomen, den 21en November 1835 van Texel naar Batavia, waar het na een vlugge reis van 87 dagen arriveerden. Op onrust werd de “Willem de Eerste” toen wederom tot stoomschip gereed gemaakt …”

Uit: De Willem de Eerste”. door L.Smit in Ons Zeewezen, 36ste jg, p.295, 1937. Ook Bouma025.

 

In het Archief van de Waterschout op het Stadsarchief van Amsterdam bevinden zich monsterrollen op naam van kapitein Hugo Blad als gezagvoerder van de “Graaf Cancrin”, dd 26 juni 1833, 13 februari 1834 en de “ Willem de Eerste” dd 20 augustus 1835.

 

Overige bijzonderheden

In het Hannemahuis te Harlingen bevindt zich een schilderij uit 1836 van H.Vettewinkel met op de voorgrond de raderstoomboot  “Willem den Eersten” (120 pk, gebouwd in 1826 te Amsterdam, 528 ton n.m.025), dat in 1837-1838 onder gezag stond van kapitein H.Blad, varend voor de Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij te Amsterdam. Het schilderij is een geschenk van J.Oderwald. De raderstoomboot voert de collegevlag van Zeemanshoop uit Amsterdam met nummer 368. Op de achtergrond is een 2/m-schip afgebeeld met de groen-wit-groene collegevlag van het Rotterdamse college “Maatschappij tot Nut der Zeevaart”.  Vlagnummer is niet te lezen.

In de nacht van 5 op 6 mei 1837 verging de Willem den Eersten op de Lucipara-riffen bezuiden Ambon op 5/6 mei 1837. Het schip was op weg naar Ambon met de pas benoemde goeverneur van de Molukken F.V.A. Ridder de Stuers en zijn familie, benevens 140 passagiers, waaronder een groot detachement militairen. Het schip was op 26 april van Soerabaja vertrokken met de verwachting dat het begin mei in Ambon zou aankomen. Maar het schip liep in de nacht van 5 op 6 mei 1837 op de riffen bij de Lucipara’s. Passagiers en bemanning gingen, met grote moeite vanwege de branding, aan land. Vanwege de beperkte voorraad levensmiddelen moest een rantsoenering worden ingesteld. Vanuit Ambon was inmiddels een zoektocht begonnen zonder resultaat. Ook vanuit het schip werd een sloep uitgestuurd om hulp te halen. Na enkele mislukkingen gelukte het tenslotte de autoriteiten te Ambon te waarschuwen en werden op 9 juni de schipbreukelingen gered. Op 12 juni bereikte men Ambon.

In het verslag wordt de gezagvoerder niet onomstotelijk aangeduid, maar uit o.a. Bouma025 en uit informatie van K.Suyk te Heiloo is op te maken, dat het hier kapitein H.Blad betreft. In het verslag is verscheidene malen sprake van ene Lamleth, die wisselend wordt aangeduid met de functie “kapitein” of “kommandant”, wellicht behorend tot het contingent militairen.

“De Kommandant van het stoomschip, gebukt onder de ramp, die hem zelf en ons allen trof, en diep geroerd van zulk een kostbaar vaartuig verloren te zien, scheen voor het beramen en uitvoeren van krachtdadige beschikkingen, zoo als onze toestand dezelve vorderde, niet bekwaam. Niet dat ik geloof, dat het elk ander zou hebben kunnen gelukken, het stoomschip weder vlot te krijgen of te redden, maar de meesten der opvarenden uit militairen bestaande, die het op reis niet te best gehad hadden, zoo kon onze positie elk oogenblik hagchelijker worden en alle hoop op behoud en redding, hoe flaauw die ook scheen, verloren gaan, zoo niet onder de troepen en zeelieden de strengste orde gehandhaafd werd.”

Uit het verslag blijkt dat De Stuers na de schipbreuk de leiding op zich heeft genomen, al zou dit ook een vorm van hierarchie geweest kunnen zijn, daar hij per slot een hoge bestuurlijke positie bekleedde en bemanning plus passagiers zich niet meer op het domein van de kapitein, i.c. het schip, bevonden. De kapitein wordt in het verdere verslag, noch in de bijlagen niet vermeld.

Uit: Verhaal der schipbreuk geleden door den Luitenant Kolonel De Stuers benevens passagiers en equipage van Z.M. Stoomschip Willem ! op de Lucipara’s in den nacht van den 5den op den 6den Mei 1837.

door F.V.A. Ridder de Stuers, ’s Gravenhage, bij K.Fuhri, 1837

Een verslag van deze schipbreuk is ook verteld in “De Indische Navorscher” 18, (4), 2005 door M.Spaans Azn: “Lucipara (schipbreuk in 1837 op het koraalrif Lucipara; verslag van F.V.H.A. de Stuers in de Javasche Courant; reconstructie van de 140 personen, die op het rif op redding wachtten. Onder de nazaten van de Stuers treft met verscheidene met de voornaam Lucipara aan.)

Niet verder door mij ingezien

In de notulen van de Algemene Vergadering van Zeemanshoop dd 23 juni 1835 staat de mededeling dat kapitein H.Blad een ieder uitnodigt om getuige te zijn van het aflopen op donderdag de 25ste om 13.00 uur van de stoomboot “Willem de Eerste”, op de werf Vredenhof, scheepsbouwmeester Jan Keuvel.023

Bouma dd 07 december 2002 berichtte mij dat het wellicht een binnenstomer is geweest. De werf was hem onbekend. Volgens hem betrof het niet het houten schroefstoomschip  “Willem de Eerste” van 500 ton o.m., varend voor de Amster. Stoomb. Maatschappij te Amsterdam en volgens hem gebouwd in 1839.

 

 

Datum vanaf: 1835
Kapitein: Blad, Hugo
Overige informatie: 0

Afbeeldingen


Omschrijving: WILLEM DE EERSTE de aquarel is gemaakt in 1837 gezagvoerder H. Blad (vlagnummer 368)
Gemaakt door: Spin, Jacob
Onderwerp: Havenopname

Omschrijving: WILLEM DE EERSTE, aquarel gemaakt in 1837, het stoomschip zeilende voor de Hollandse kust, gezagvoerder H. Blad
Gemaakt door: Spin, Jacob
Onderwerp: Zeeopname
Algemene informatie

 

1827
 

AC 140327
Advertentie. Amsterdamsche Stoomboot-Maatschappij
Vaart tussen Amsterdam en Hamburg.
Het gekoperde Nederlandse stoomschip WILLEM DE EERSTE, gevoerd door kapt. J. van den Oever, groot circa 600 tonnen, expresselijk voor deze dienst alhier vervaardigd, en op de meest zorgvuldige wijze tot een veilige en gemakkelijke overtocht voor passagiers, en behoorlijke berging voor 60 à 70 last goederen ingericht, zal op zaterdag de 31e dezer maand deszelfs eerste reis naar Hamburg ondernemen en voortgaan, zolang het seizoen dit zal toelaten, regelmatig de ene zaterdag van Amsterdam en de daaraanvolgende zaterdag van Hamburg vertrekken. Dit schone vaartuig, voorzien van twee stoomwerktuigen van lage drukkking en 120 paardekracht, heeft de meest voldoende proeven van een snelle vaart gegeven en kan in dat opzicht, zowel als ten aanzien van deszelfs fraaie bouw en inwendige inrichting, met de beroemdste vaartuigen van dien aard wedijven. Hetzelve heeft drie kajuiten: een dames-kajuit, een grote kajuit en een voor-kajuit, en biedt aan een zeventigtal passagiers, waarvoor vaste slaapplaatsen zijn vervaardigd, en wel voor de eerste plaats of grote kajuit in afzonderlijke hutten of kamertjes een alleszins veilige, aangename en gemakkelijke passage aan.

De vrachten voor passagiers zijn bepaald op: 1e kajuit per persoon NLG 60, met de tafel; 2e kajuit per persoon NLG 40, zonder voeding, varensgezellen per persoon NLG 15, zonder voeding. Wordende aan een familie, zo ook aan twee of meer personen te gelijk passage nemende, een vermindering van NLG 10 op de eerste en NLG 8 op de tweede plaats per persoon toegestaan.

Verdere bepalingen, zo ten opzichte der passagiers als ten aanzien der vrachten voor goederen, welke zeer billijk gesteld zijn, en de verzekering op dezelve, welke, des kiezende, door de directie voor de maand april tegen ½ pCt. (opm: zeer slecht leesbaar, kan ook ⅛ pCt. zijn) per reis wordt gedaan, zullen eerstdaags bij een uitvoerige vrachtlijst worden bekend gemaakt, terwijl inmiddels informatiën te bekomen zijn zowel bij de directie der Maatschappij op de Kalkmarkt no. 54, als bij de cargadoors de Wed. Jan Salm & Meijer op de Singel bij de Stroomarkt, en Blikman & Co op de Martelaarsgracht en hoek van de Nieuwendijk.

-           Vaart tussen Amsterdam en Londen.

Het gekoperde Nederlandse stoomschip de BEURS VAN AMSTERDAM, gevoerd wordende door kapt. Leopold Heyde, almede expresselijk voor de vaart tussen Amsterdam en Londen alhier vervaardigd en in allen opzichte, zo omtrent de kracht der stoomwerktuigen, bouw en inrichting van het vaartuig, als anderszins, aan het stoomschip WILLEM DE EERSTE gelijk, zal medio april op een nader bekend te maken tijdstip in gemelde vaart worden gebracht.

De vrachten voor passagiers zijn bepaald op: 1e kajuit per persoon NLG 35, met de tafel; 2e kajuit per persoon NLG 20, zonder voeding, varensgezellen per persoon NLG 9, zonder voeding, terwijl de vrachten voor goederen bij een eerstdaags uit te geven tarief bijkans met de gewone vrachten gelijk gesteld zijn, waaromtrent men nu reeds, alsmede omtrent de assurantie, welke tot gelijke premie als voor Hamburg bepaald door de directie wordt gedaan, informatiën kan bekomen bij meergemelde directie der Maatschappij en bij de cargadoors Nobel & Holtzapffel op de Binnenkant, Jan Corver & Co. op de Buitenkant bij de Kalkmarkt, en Gemmening & Penning op de Buitenkant en hoek van de Schipperstraat.


De ondergetekenden, Barend Groen & Co, wonende te Amsterdam in de Groote Wittenburgerstraat wijk 16 no. 682, scheepstimmerman en als zodanig behoorlijk gepatenteerd over den jare 1826, verklaren onder presentatie van solemnele ede, dat het stoomschip WILLEM DE EERSTE, lang over steven 41 ellen, 60 duim, wijd over zijn borghout 5 ellen 96 duimen, hol op zijn uitwatering drie ellen 60 duimen, op den 27 November 1826 aan mijne werf is gekomen, zijnde de kiel daarvan gelegd op de werf van den scheepstimmerman Cornelis van Swieten, alwaar hetzelve nieuw te water afgebragt op den 4. Augustus 1826, dat gemeld schip aan mijne werf verder geheel is afgetimmerd voor rekening der Amsterdamsche Stoombootmaatschappij, om bevaren te worden door kapitein Jacob van den Oever. Amsterdam den 23.Maart 1827.Get. Barend Groen & Co.
Geregistreerd te Amsterdam den 23. Maart 1827, deel 13, fo.174, vak 7.
Burgemeester en Wethouderen der Stad Amsterdam verifieren de vorenstaande verklaring, aangaande het stoomschip WILLEM DE EERSTE, voor zoverre betreft de aanbouw van hetzelve, waarvan bij ons aangifte is gedaan den 30. Augustus 1825. Amsterdam den 24. Maart 1827, get.

Advertentie. Amsterdamsche Stoomboot-Maatschappij.

Het stoomschip WILLEM DE EERSTE, voorzien met stoomwerktuigen van 120 paarde-kracht, vertrekt zaterdag de 31e maart 1827, des morgens ten 5 ure, van Amsterdam naar Hamburg. Een meer omstandig bericht is te vinden in de Amsterdamsche Courant van de 14e dezer en in de Haarlemsche Courant van de 17e dezer; zijnde nadere informaties te bekomen ten kantore der directie, Kalkmarkt, n.º 54, te Amsterdam.

RC 100427

Advertentie. Amsterdamsche Stoomboot-Maatschappij.

- Vaart tussen Amsterdam en Hamburg.

Het stoomschip WILLEM DE EERSTE vertrekt van Hamburg zaterdag de 7e april 1827 en van Amsterdam de 14e daaraanvolgende, zullende gemelde dienst regelmatig, de ene zaterdag van Amsterdam en de naastvolgende zaterdag van Hamburg, worden voortgezet.

- Vaart tussen Amsterdam en Londen.

Het stoomschip DE BEURS VAN AMSTERDAM zal, te beginnen met de 12e april aanstaande, die vaart openen en alsdan voortgaan de ene donderdag van Amsterdam en de daaraanvolgende donderdag van Londen te vertrekken.

Nadere informatie nopens de vrachten, zo voor passagiers als goederen, te Amsterdam bij de directie, Kalkmarkt, n.º 54 en voor de vaart op Hambutg bij de agent der maatschappij te Hamburg, de heer J. Hultmann Jr. en te Amsterdam bij de cargadoors de Wed. Salm, Meijer en Blikman en Co. En voor die op Londen, bij de agenten der maatschappij te Londen, de heren Hopman en Schenk en te Amsterdam bij de cargadoors Nobel en Holzapffel, Corver en Co., Gemmening en Penning en Da Costa en Bueno.

BC 220927. Hamburg, 13 april. Men vindt in onze dagbladen een allergunstigst verslag omtrent de Nederlandse stoompaket WILLEM I, welke dezer dagen in de regelmatige vaart is gekomen van Amsterdam naar deze stad en terug, zo ten aanzien van de bouw en de kracht van de werktuigen, als ten opzichte van de voortreffelijke inrichting van het vaartuig.

1836

Na weer tot stoomschip te zijn ingericht, deed de WILLEM DE EERSTE enige vaarten in de Indische archipel, o.m. naar Padang met troepen, van waar het 23 mei 1836 vertrok en 27 mei 1836 weer te Batavia arriveerde.
Op 30 juni 1836 werd bij de WILLEM DE EERSTE schade aan de stoomketels en de schepraderen vastgesteld. Deze schade werd hersteld.

1837

Op haar tweede reis in de Indische archipel, van Soerabaja naar de Banda Eilanden gestrand op het koraalrif van de Lucipara eilanden en verloren gegaan. Na 5 weken op de klippen te hebben gezeten door de ZMS NAUTILUS en het koopvaardijschip ERICH van het rif gehaald en op 12 juni 1837 Ambon binnengebracht.
JC 300837

Verhaal van de geledene schipbreuk op de Lucipara’s met het stoomschip WILLEM DE EERSTE, commandant luitenant honorair Lammleth.

Van Soerabaija had ik de eer uwer excellentie kennis te geven, dat na mij aldaar nagenoeg een maand te hebben opgehouden, uithoofde het stoomschip enige herstellingen moest ondergaan, ik met mijn gezin, enige andere passagiers en een detachement troepen, de 26e april die plaats verlaten en naar mijne bestemming op reis begeven had.

Hoewel gedurig de wind, en somwijlen de stroom, tegen hebbende, ondanks menig oponthoud waartoe de machinisten verplicht waren, om kleine herstellingen aan het stoomwerktuig te bewerkstelligen, was onze reis gunstig, want in de morgen van de 5e mei, hadden wij het Burn- of Brandend-Eiland reeds in het zicht; dit was vrijdag, zo dat het niet onmogelijk was, wij de volgende dag ’s avonds te Amboina (opm: Ambon) hadden kunnen zijn.

De Voorzienigheid beschikte hieromtrent anders, en wij moesten instede van dien, het ongeluk ondervinden, om in die nacht, nagenoeg te half twee ure, op gemelde koraalbank schipbreuk te lijden.

Door drie achtereenvolgende schokken, waardoor wij allen ontwaakten, werd ons die vreselijke ramp aangekondigd! Wij liepen een vaart van 5 à 6 mijlen. ’s Nachts om 12 uren had de commandant zijn bestek nog gemaakt en stuurde meer oostelijk dan hij de vorige dag gedaan had, menende dat hem de stromen veel westelijk hadden afgezet.

Het stoomschip zat vast. Een doodstilte heerste overal, doch alle hoop was niet verdwenen. Het gedruis der schepraderen, welke achteruit werkten, mengde zich met het verdovend gedruis der branding, welke wij van alle kanten rondom ons hoorden en flauwelijk zien konden.

Het achteruit werken der stoomboot en enige andere middelen, om weder vlot te geraken, werden te vergeefs aangewend; het stoomschip zat onbeweeglijk vast!

Met ongeduld verbeidden wij in deze kommervolle toestand de eerste lichtstralen van de volgende ochtend: de dag brak eindelijk aan en deed ons die toestand in alle deszelfs ijselijkheden kennen.

Wij zagen voor ons een uitgestrekte dorre koraalplaat, aan alle kanten door rotsen omgeven, waartegen de zee met geweld hare schuimende golven kwam breken.

Een zeer klein plekje verhief zich op die rots op ongeveer een kwartier uur afstands van ons, en scheen bij hoogwater droog te blijven. Ver in het verschiet tekende zich onduidelijk het geboomte van enige eilandjes.

De commandant van het stoomschip, gebukt onder de ramp, die hem zelf en ons allen trof, en diep geroerd van zulk een kostbaar vaartuig verloren te zien, scheen voor het beramen en uitvoeren van krachtdadige beschikkingen, zo als onze toestand dezelve vorderde, niet bekwaam; niet dat ik geloof, dat het elk ander zou hebben kunnen gelukken het stoomschip weder vlot te krijgen of te redden, maar de meesten der opvarenden uit militairen bestaande, die het op reis niet te best gehad hadden, kon onze positie elk ogenblik hachelijker worden en alle hoop op behoud en redding, hoe flauw die ook scheen, verloren gaan, zo niet onder de troepen en zeelieden, de strengste order gehandhaafd werd.

Ik verzekerde mij dat al mijn dranken en die van de kapitein behoorlijk onder slot waren. Elk ogenblik kon het stoomschip verbrijzeld worden. Het was nieuwe maan, en dus spring-tij: de branding werd hevig. Tegen zes uren kwam mijn vrouw en al de kinderen met de bonne (opm: kinderjuffrouw) op het dek; eerst met het aanbreken van de dag had ik haar met onze noodlottige toestand op de hoogte gebracht; zij was bedaard en gelaten. Om half zeven ging zij aan wal (indien een dor plekje op een grote koraalplaat aldus genoemd kan worden) met de bonne en de kinderen, benevens mevrouw Veekmans, haar twee kinderen en mevrouw Van Spreeuwenburg.

Met een gevoel dat niet te beschrijven is, volgde ik met mijne ogen de beweging dezer sloep; dezelve was weldra door het hevigste branding heen, maar bleef nu ook op het rif vastzitten en werd vreselijk heen en weder gestoten.

Onze vier kinderen werden gedragen, mijn vijf maanden zwangere echtgenote, door een matroos geleid en haar ogen op haar kinderen gevestigd, moest nagenoeg een half uur tot onder de armen in het water en over een scherpe koraalgrond gaan, alvorens een droog plekje te kunnen bereiken.

Het verlaten wrak van een inlands vaartuig was het enigst en bedroevend gezicht, dat haar geest trof; waren de ongelukkigen van dat vaartuig gered geworden, of hadden zij hier hun graf gevonden……..?

Met behulp van dat wrak en enig zeildoek werd een kleine tent of hut opgeslagen, om deze schipbreukelingen voor de warmte van de dag en de koelte van de nacht zo mogelijk te behoeden.

Na dat deze schipbreukelingen geland waren, gingen de predikant Veekmans, de heer Van Spreeuwenburg, met de officier van gezondheid Hollander en enige soldaten, met wat zeildoek, benevens een nog zeer jonge onder-officiers vrouw mede van boord.

Ik was aanvankelijk aan boord gebleven. Ik werd onderricht dat enige militairen en zeelieden tot muiterij wilden overgaan, omdat zij geen redding mogelijk achtten, en zich niet onderwerpen wilden aan de sobere uitdeling van water, rijst en spek, die ik onmiddellijk bevolen had.

Tot vreselijke middelen van geweld, waartoe ik vast besloten was, behoefde ik gelukkig niet over te gaan. Militairen en zeelieden verenigde ik rondom mij op het dek. Ik sprak hen enige woorden toe, vermaande hen ten ernstigste tot orde en gelatenheid, als wanneer redding mogelijk was, doch dat wij anders allen verloren waren. De kwalijk gezinden verwees ik tot de vrouwen en kinderen, die zonder water, zonder voedsel, zonder bescherming, op de koraalbank waren, en evenwel gelaten en vol hoop en vertrouwen bleven. Ik beloofde hen allen bekend te maken met de beschikkingen, die ik, ter onzer redding, zoude aanwenden en verzocht hen vertrouwen in mij te stellen. Een algemene kreet van goedkeuring was het antwoord hetwelk daarop volgde.

Ik spoedde mij van die goede stemming gebruik te maken, om mij met de teruggekeerde sloep naar de koraalplaat te begeven, en nam wat hard brood, gekookte rijst en drinkwater mede. De vloed, die intussen meer was doorgekomen, maakte mijn tocht derwaarts gevaarlijk, en zonder de arm van een sterk gespierde matroos, zou ik het droog puntje bezwaarlijk bereikt hebben. Ik bracht van mijn levensmiddelen weinig over.

Ik ontwaarde dat er twee plekjes droog bleven, en het mogelijk zijn konde, om daarop allen verenigd, en tegen de vloed veilig te zijn.

’s Namiddags keerde ik naar boord terug. Ter zelfder tijd kwam de tweede stuurman van een tocht terug, die hij naar de hiervoren bedoelde eilanden had trachten te doen, doch daar in niet had kunnen slagen, uithoofde van de zware branding, dewelke hij van ver tegen die eilanden had gezien.

Een moedig en ijverig officier, de 2e luitenant Rauws, met nog enige onderofficieren en soldaten, beproefde ’s nachts en de volgende morgen nog enige levensmiddelen aan de op het strand of op de koraalplaat zijnde schipbreukelingen aan te voeren. Een onderofficier, (de sergeant Vuurberg), zou daarbij het leven verloren hebben, zo de korporaal Vlieger hem niet gered hadde. Weinig of niets kon aangebracht worden; de flessen werden door de branding van de schouders der militairen weggeslagen.

Tweemaal vier-en-twintig uren moesten mijne vrouw en kinderen zich dus zeer behelpen; scherpe koraalstenen waren hunne legersteden, en enige krabben en zeeoesters bij het vuur geschroeid hun voedsel; overdag aan een brandende hitte, en somwijlen ’s nachts aan regen en wind blootgesteld. Later verkeerden wij allen nagenoeg in die toestand zeven-en-dertig dagen.

Zelden misschien waren schipbreukelingen in de toestand, waarin wij ons bevonden, en zelden misschien bleef hen zo weinig hoop, zo weinig mogelijkheid op redding over.

Elk ogenblik kon het stoomschip verbrijzeld worden, en derhalve de hoop op het aanvoeren van enige levensmiddelen verdwijnen; het kleine droge punt op die koraal bank was dor, en als met scherpe koraalstenen bevloerd; het bood geen de minste hulpmiddelen aan; enige schildpadden die men een paar dagen vond, verdwenen weldra; slechts een onzer twee sloepen was bruikbaar, maar kon weinig volk bevatten. De koraalplaat was allerwege door een vreselijke branding omgeven, en werd zeker door alle schepen met zorg vermeden.

Amboina kon met de variabele winden van de maand mei, volgens het gevoelen van de commandant, niet worden bereikt, en was 50 zeemijlen van ons verwijderd. Een Portugees etablissement was daarna het meest in onze nabijheid, en scheen door wind en stroom het meest genaakbaar te zijn.

Geen rampspoed kan evenwel het vertrouwen en de hoop op redding van de sterveling benemen, die met kinderlijke ootmoed, op de Almachtige blijft hopen. Een strenge handhaving der goede orde, daarbij een blindelings vertrouwen in een der deelgenoten van het ongeluk, en een bedaarde gelatenheid in alles, wat zijne beradenheid hem ter redding van allen doet in het werk stellen, maken een goede uitkomst mogelijk. Terwijl ik op middelen van redding bedacht was, werden intussen alle provisiën van onder uit het ruim naar boven, en vervolgens zoveel mogelijk in de kajuit der campagne bijeengebracht.

Zondag morgen waren wij overeengekomen om met de eerste stuurman, een sloep naar Amboina te zenden, ten einde aldaar onze toestand te doen kennen, en hulp en redding te verzoeken; dezelve vertrok. Nagenoeg de ganse dag zagen wij dezelve, onder sterke regen en windvlagen tegen hoge zeeën worstelen, zonder veel oostelijk te kunnen komen, hetgeen de commandant evenwel als een volstrekt vereiste beschouwde, om het oogmerk te bereiken; – laat in de middag moest dezelve aan boord terug keren.

’s Maandags werd voor het laatst nog een proeve met het stoomvaartuig gedaan, men meende dat hetzelve reeds onbruikbaar was; dit bleek echter niet zo te zijn; maar deze laatste poging om vlot te komen, was zonder enig goed gevolg. De zee was hoog en onstuimig, de branding sterk, de golven, die vreselijk hoog tegen het schip sloegen, drongen hetzelve zo mogelijk meer op de rotsen, terwijl de stoom in een tegenovergestelde zin werkte; men was verplicht te stoppen, om het vaartuig, dat reeds veel geleden had, niet geheel uit deszelfs verband gerukt te zien.

Ik liet onmiddellijk en met alle kracht de provisiën van achteren naar voren brengen, om dat wij vreesden dat het schip door midden breken zou; dit was tegen de avond.

Van nu af liet ik ook aanvang maken met het allengskens ontschepen der troepen en provisiën. Ik had stellig verboden, dat van mijne goederen, noch van wie het zij, iets van boord mocht gaan, daar hierdoor niet dan wanorde te voorzien was en geen provisiën op de rots zouden komen; deze operatie ging met onbeschrijfelijke moeite en met gevaren gepaard; ’s avonds laat of ’s nachts, nimmer overdag, was het water laag of althans laag genoeg om er zonder levensgevaar door te kunnen komen. Ik plaatste de militairen op 30 passen afstands van elkander, van het schip af tot nabij ons magazijntje, en liet op die wijze van de ene op de andere enig goed overdragen; al wat te zwaar was, ging verloren, doordien de meeste mensen tussen de rotsen struikelden, omsloegen en hun benen kwetsten.

Ik zelf ging gestadig door een man geleid, de rij op en af, om het volk moed in te spreken; meer dan een goed uur kon echter niet gewerkt worden, dan waren zij doodaf; – op die wijze hebben wij gedurende verscheidene nachten enige levensmiddelen aangevoerd, maar allengskens werd het moeilijker, omdat de mensen moedeloos werden, hunne schoenen meest al hadden verloren, en hunne benen erg gekwetst hadden. Zonder de moedige inspanning van de heer Van Spreeuwenburg, van de conducteur Derks, van de sergeant Visaan, van de fuselier Demarer en enige anderen, zouden wij aanvankelijk weinig levensmiddelen en water gekregen hebben; later waren ons de inlandse matrozen veel van dienst, deze waagden het soms, om nog bij dag, bij vallend water, al zwemmende een en ander aan te voeren, de militairen zond ik alsdan zo nabij de branding om het aangebrachte aan te nemen en verder te vervoeren.

Wij hebben opgemerkt dat het laag water overdag altoos 5 of 6 voeten ongeveer met het laag tij van de nacht verschilde; want wat zou het anders niet een geluk geweest zijn, indien wij bij dag enig goed van boord hadden kunnen halen, dit mocht ons nooit gelukken, dit moest altoos ’s avonds laat of bij nacht plaats hebben.

Op die wijze gelukte het mij een klein magazijntje te vormen; evenwel kwam er veel goed onbruikbaar aan, omdat het door zeewater gesleept had moeten worden; de voornaamste behoeften als: rijst, brood aardappelen, arak (opm: rijstbrandewijn) en genever, ontbraken ons, maar daarentegen hadden wij voornamelijk van mijn provisiën en van de particuliere provisiën van de kapitein, veel wijn, hammen, worst, bier, twee vaten meel, likeuren, boter, suiker, thee en diergelijken kunnen bijeenbrengen.

Het kostte mij veel moeite, om aan elk een te doen begrijpen, dat wij alles bij een, en tot gezamenlijk uitdeling houden moesten; liever zou elkeen zonder doorzicht voor zichzelf wat mede genomen hebben; de gevolgen daarvan zouden vreselijk geweest zijn.

Ik beproefde vertrouwen in de soldaat te stellen en een wacht van hen bij het magazijntje te laten; doch gebrek lijdende, resisteerden zij niet (opm: boden zij geen weerstand), en gingen zich in de drank te buiten; van dit ogenblik af hielden de passagiers ’s nachts wacht, om de twee uren losten zij elkander af; de predikant Veekmans geliefde wel de eerste wacht te betrekken; hij, aan wie natuurlijk alle militaire gestrengheid zeer vreemd moest wezen, onderwierp zich aan alles met gelatenheid en hij was mij steeds zo behulpzaam als zijn sukkelende gezondheid dit slechts toeliet; en van nu af werd ook een menagemeester aangesteld; deze was de conducteur Torreman, aan hem werd gegeven wat wij dagelijks uitdelen konden.

Zo lang wij het geluk hadden schildpadden te vinden, hetgeen slechts korte dagen duurde, hadden wij een tamelijk goede soep van half zoet en half zout water, later werd het eten ellendig; slechts ruim 10 à 12 pond rijst, mocht ik voor 140 monden uitdelen, met een ham of wat zout vlees, ongeveer 10 pond; jenever en arak was er nagenoeg niet, zo dat ik in den beginne weinig water hebbende, 2 à 3 maal daags, een teugje wijn als oorlam gaf, met een teugje water.

Het was zeer warm en ik had van de vroeger gevallen regen, water kunnen verzamelen, zo deelde ik water met wijn gemengd, of naar verkiezing der schipbreukelingen, drie maal daags water alleen, uit; elk een kwam volgens een naamlijst zijn oorlam drinken, vrouwen en kinderen daarvan niet uitgesloten. In den beginnen verzocht ik zelf mevrouw De Stuers mede present te zijn; zij kwam met de kinderen, die zich vrijmoedig tussen de militairen en zeelieden drongen – ons tweejarig dochtertje, gedragen op de arm van een soldaat, ontving, evenals alle anderen, wat drinkwater.

Dit een en ander was mogelijk de grond tot eerbied en ontzag voor de vrouwen, alsmede van regel en orde, waaraan ik het geluk had, alle schipbreukelingen te onderwerpen, daar bij gebreke van dien, het leven van niemand meer zeker was, en ofschoon het plekje koraalgrond der passagiers slechts 8 à 10 passen van dat der troepen verwijderd was, nimmer veroorloofde zich enige militair of matroos op ons plekje te komen, of hij meldde zich beleefd aan, als het was om het een of ander te verzoeken of om stukjes van afgerookte sigaret op te zoeken.

Na vruchteloos op de 7e mei te hebben beproefd een sloep naar Amboina te zenden, had ik sedert onophoudelijk met de commandant Lammleth overwogen, wat al het beste zoude kunnen aangewend, om onze toestand althans ergens te doen kennen, want gelukte ons zulks niet, konden wij ons voor verloren houden; immers, waar of wanneer zoude men op het denkbeeld hebben kunnen komen, dat wij schipbreuk geleden hadden, waar zou men ons gaan opzoeken! Wanneer zou men ons op dit ellendig, laag, nagenoeg ongenaakbaar punt ontdekken?

Horsburgh directorij werd nogmaals met aandacht door mij ingezien, en wij besloten onze beste sloep (wij hadden er slechts twee; de andere was zwak) naar Delhi te zenden, want had dezelve het geluk aldaar aan te komen, het geen wind en stroom scheen te moeten begunstigen, konden wij hopen, door een der zuid-walvisvangers gered te worden, of dat van dààr door dezelfde sloep of een ingehuurd inlands vaartuig, onze positie op Bima (opm: op Soembawa) of op Java spoedig konde worden bekend gemaakt.

Het scheepsvolk en de militairen, die ik op het dek bij een liet komen, onze voornemens mededelende, en met de kaart in de hand de zaak beduidende, waren hiermede in hun schik en verzochten dat ik zelf zoude medegaan, zoveel vertrouwen stelde elk een in de goede uitslag van deze tocht.

Ik besloot de luitenant Rauws te zenden, omdat ik voor de goede orde op het rif meer nodig was, en mijn vrouw daar en boven vast besloten had mij niet alleen te zullen laten vertrekken.

Ten einde aan deze onderneming een zo veel mogelijk goede uitkomst te verzekeren, alzo het mij bekend was, dat op Delhi zonder geld niet veel te verrichten zoude zijn, stelde ik aan de passagiers voor, om de luitenant Rauws en de 1e stuurman Muller van geld te voorzien. Onmiddellijk droeg elk een het zijne daartoe bij. Ik aan goud NLG 300, aan bankpapier NLG 1.200, dominee Veekmans aan banknoten zilver NLG 750, de heer ingenieur Van der Dussen NLG 100 aan goud, de heer Van Spreeuwenburg aan banknoten zilver NLG 170, aan harde specie NLG 64; de officier van gezondheid 3e klasse Hollander NLG 125 aan bankpapier, en ook mevrouw De Stuers een snoer fijne paarlen en drie juwelen ringen. De kapitein Lammleth heeft mij gezegd ook nog enig geld te hebben medegegeven.

Aan de Portugese gezaghebber, schreef ik een Franse en Engelse brief, om hem onze toestand bekend te maken, en gaf hem te kennen dat, bij aldien de mede gegevene middelen niet toereikend mochten zijn, mijn gouvernement te Batavia zeer zeker ruimschoots de kosten vergoeden zoude, die ter onze redding aangewend mochten worden.

Een aller gunstigst weder vergezelde onze sloep, en de volgende dagen waren naar onze berekening ook nog gunstig genoeg, om te kunnen hopen, dat de sloep de 15 à 16 te Delhi zoude kunnen wezen. De ijver welke de luitenant Rauws en de 1e stuurman Muller voor die onderneming aan de dag legden is aller prijzenswaardigst; helaas! wij weten tot onze smart nog niet, welk lot aan deze sloep en de braven, welke daarmede zijn vertrokken ten deel is geworden. Hoe wisselvallig moesten niet deze eerste, ter onzer redding aangewende middelen beschouwd worden! 

Niemand meer dan ik was daarvan overtuigd, hoezeer ik er niets van liet blijken, en ik was daarom op andere middelen bedacht. In de eerste plaats verzocht ik de commandant, kleine vlotjes te vervaardigen, daarop een soort van mast goed vast te maken, waaraan ik een stuk Nederlandse vlag had doen hechten en onder dezelve een goed dicht gekurkte fles had laten hangen, waarin een in het Maleis en Hollands geschreven briefje was besloten, onze toestand bekend makende, en aan inlandse met ons bevriende hoofden of zelfs aan rovers bijstand verzoekende of onze toestand te doen kennen aan het meest nabij zijnde Nederlandse etablissement, waarvoor een beloning werd toegezegd

Toen eenmaal geen schildpadden meer gevangen werden, die ons gedurende enige dagen tot voedsel hadden gestrekt, was het volk neerslachtig: van de sobere en zo scherp toegediende uitdelingen uit mijn kleine voorraad, werd aan het levensonderhoud slechts ten halve voldaan; elk een was derhalve bedacht, om meer voedsel te zoeken; bij het vallen van het water ging dan ook al wat nog slechts schoenen of met touwen aaneen gebonden zolen aan de voeten had, om wat op te sporen. Allengskens werd dan ook een en ander aangebracht, en met zeewater en een weinig boter, die ik verstrekken konde, bereid: men vond grote zeeoesters, krabben, zwarte tripang en enkele keren wat zeepaling, die zich onder rotsklompen verscholen hield. De oesters werden het meest gevangen, en door de soldaten nog al met smaak gegeten, hoewel dezelve aanvankelijk diarrhé en bij anderen hevige kolieken veroorzaakten; velen hadden er een wezenlijke afkeer van; ik had getracht om er soep van te laten koken, maar de reuk was voor allen walgend.

Bij het opsporen van middelen tot onderhoud, is mij dikmaals gebleken, dat de soldaat die een inlandse vrouw bij zich had, er verreweg het beste aan toe was: wanneer deze zijn benen gekwetst of door hitte, ongemakken en ongenoegzaam voedsel afgemat en moedeloos op de harde koraalplaat nederliggende, de moed ontzonken was, om voor zich zelf te zorgen, ontzagen die arme vrouwen geen moeite, hoe groot, om aan de soldaat iets aan te brengen. Zij waren soms lang vóór dat een enig soldaat het nog wagen durfde bij maanlicht of vóór het aanbreken van de dag reeds tot aan de armen in het water met lange stokken, en kwamen nimmer terug zonder enige buit en zonder dan zelf nog enige verpozing te nemen, werd eerst het opgespoorde toebereid, en aan de soldaat toegediend, voor zich zelve altoos zeer weinig besparende; de natuurlijke sobrieteit (opm: matigheid) van de inlander maakte deze in ’t algemeen oneindig geschikter dan de Europeanen, om kommer, ellende en gebrek door te staan.

Ik had besloten dat onze nog overblijvende sloep tot een of ander einde moest gebruikt worden, want als reddingsmiddel was ons deszelve geheel onnodig, daar slechts 6 à 8 man er in konden zijn.

Met het aanbouwen van een platbooms vaartuig was ik sedert enige dagen bedacht: ik had daarmede verscheidene oogmerken: eerstelijk om de hoop op redding meer bij de schipbreukelingen te onderhouden, en hen alzo meer en meer aan de orde te onderwerpen en omdat ik daarin een middel vond om met spaarzaamheid voort te kunnen gaan in de uitdeling van levensmiddelen, want ik wierd herhaaldelijk aangezocht om wat meer uit te delen: mijn antwoord was dan altoos, wat wij met een vaartuig doen zouden, zo wij het gereed hebbende, er niet enige proviand in konden doen, waarmede genoegen genomen, althans genoegen genomen moest worden.

Na vele, hoewel niet gevaarlijke zieken te hebben gehad, verloren wij toch eerst de 14e mei een onzer schipbreukelingen, het was een inlands matroos, die in de eerste dagen veel geleden hebbende, door gebrek aan zoet water, later niet meer op zijn verhaal had kunnen komen: ik liet hem, ’s morgens heel vroeg, op een plank gebonden, met het vallend water naar zee drijven, want aarde was er niet, waarin men hem zoude hebben kunnen begraven.

Tot de 15e mei was het gelukt mijn paarden in leven te houden, hoewel nagenoeg geen voedsel en slechts zelden een weinig regenwater gehad hebbende. Het vlees werd smakelijk genuttigd, hoewel mager zijnde; een gedeelte werd ingezouten of tot dingding gedroogd.

Aan de kleinste strohalm houdt zich de drenkeling, zegt men, vast, en overal meent de schipbreukeling redding en verlossing te ontwaren; zo was het ook met ons op de koraalklip gelegen. Eens op een schone namiddag toen geen enkel wolkje de lucht benevelde, meenden enige matrozen, geheel in de verte, een aantal prauwen te zien: de illusie was wezenlijk treffend. In het westen van onze koraalplaat verhieven zich zeer hoge en scherpe rotsklippen, die men bij ene niet heldere lucht nimmer makkelijk ontwaren konde; de zich daartegen brekende hoge golven, door de zon beschenen, hadden het voorkomen van sneeuw witte zeilen, zo dat wij allen wezenlijk dachten prauwen te zien; het was alleen de onbeweeglijkheid dier zogenaamde vaartuigen, die ons onze begoocheling eindelijk deed inzien.

De avond tevoren tegen 8 uren waren de schipbreukelingen eensklaps door een andere vertoning opgewekt geworden; van het wrak van het stoomschip, waarop enige matrozen de wacht hadden, ging een hoera op: wij vlogen allen onze hutten uit, om te weten wat dit betekende konde, want wij zagen niets.

Eerst ’s anderen daags konden wij te weten krijgen, dat men in de verte het licht van een vaartuig meende gezien te hebben, hetgeen van achteren (opm: achteraf) bleek niets anders te hebben kunnen zijn als enige sterren, die zich verplaatsende, lange tijd op dezelfde plaats in de lucht hadden blijven zweven.

De commandant Lammleth bleef geloven, dat het niet wel mogelijk zijn zoude met onze sloep, Amboina, Boeroe of Amblaw te bereiken. De militairen en zeelieden vroegen mij intussen dikwijls of wij de sloep niet derwaarts zenden konden of ergens anders; daarom had ik het plan gevormd, om dezelve over Bouton, naar Bonthain of Boeloecomba te doen vertrekken, om langs die weg onze toestand te Makkasser te doen kennen; niet dat ik geloofde het mogelijk was, dat die tocht zo gemakkelijk ondernomen kon worden, of dat wij met deze moesson van daar zo spoedig, als onze toestand vorderde, enige hulp zouden kunnen verlangen, maar alleen om dus doende aan de wens der massa te voldoen en onze positie te Batavia bekend te doen zijn. Een oude zeebeschrijving van de Schout-bij-Nacht Stavorinus had mij in staat gesteld een volledige nota op te maken, om te worden mede gegeven, zo aan die tocht enig gevolg gegeven werd.

De 18e mei was het zeer hoog tij met volle maan: de wind woei fel, ik vreesde ons droog plekje onder water te zullen zien. Met de grootste bekommering observeerde ik de rijzing van het water; gelukkig kwam het zo hoog niet. Des nachts daarop zwaaide het schip geheel om, en ging dwars liggen; het had van dat ogenblik veel te lijden van de branding, korte dagen daarna brak het door midden, waardoor meestal mijne en de goederen van anderen in de golven verdwenen. Het was ons echter gelukt om nog vooraf een groot gedeelte greine planken aan wal te brengen, ten einde een aanvang te maken met de bouw van een vlot of zogenaamd platbooms vaartuig.

’s Namiddags liet mij de onder-machinist Mosselman, die reeds enige dagen ziek was en voor wie ik, uit hoofde van zijn uiterst, zo veel mogelijk oplettendheid heb gehad, verzoeken bij hem te komen. Hij verhaalde mij, dat hij enig geld bezat en verzocht mij hetzelve van hem in bewaring te willen nemen en daarmede te doen, zo als ik goed zoude vinden. Ik vroeg hem of hij in Nederland, of op Java, geen betrekkingen had nagelaten, in welke hij belang stelde. Hij zei mij, dat zijn vrouw woonachtig was te Amsterdam, en hij voor haar delegeerde.

Met moeite reikte hij mij een koker met papier geld en een zakje met harde munt toe; het laatste moest ik hem teruggeven, om dat ik niet wist, in geval wij al gered wierden, het mogelijk zoude zijn, iets dat gewicht had mede te kunnen nemen, hem tevens de toezegging gevende, dat ik mijn best doen zoude het bankpapier te redden, mij echter daarvoor niet verantwoordelijk kunnende stellen, in geval hetzelve door het zeewater mogelijk bedorven geraakte. Ik zag, in mijn hut terug gekeerd, de koker na, in tegenwoordigheid van de predikant Veekmans, en de gewezen secretaris Van Spreeuwenburg, en bevond daar in te zijn aan banknoten zilver NLG 375 en idem koper NLG 400. Onze dagen verliepen langzaam en in een zekere moedeloosheid, waaraan weinig te verhelpen was, daar onze toestand dit mede bracht.

Mijne vrouw bleef tamelijk gezond, hoewel er vervallen en vermoeid uit ziende; zij was zeer van de zon verbrand en leed veel. Ik bewonderde, onder dit alles, hare gelatenheid, zij was met alles tevreden, zij monterde somwijlen zelfs anderen op, en had de moed om nu en dan te schrijven en aantekeningen voor haren aanbeden vader te houden, wiens verjaardag toen nabij was. Ook onze kinderen bleven boven verwachting gezond; zij hadden geen schoenen meer aan de voeten, doch verwijderden zich bij laag water desalniettemin, soms verre van ons met hun drieën enige schelpen zoekende, op stukjes hout lopende, waaraan men de vorm van de voet gaf, die een der matrozen voor een sigaar of voor een dronk water of wijn vervaardigde. Onze levenswijze, evenals die der soldaten en matrozen had een geregelde, maar vreselijk eentonige gang.

Ik was bij alle uitdelingen tegenwoordig, hetzij die voor ons of voor de overige schipbreukelingen plaats hadden. Geen druppel water mocht buiten mijn toestemming verstrekt worden.

Ik proefde alle middagen de soep der menage, die soms tamelijk eetbaar was, maar mij dikwijls walgde, hetgeen ik niet liet blijken; de soldaten en matrozen gebruikten dezelve met smaak. Onze hut of verblijfplaats was zeer nauw, niet hoog, en gloeiend warm overdag; de lengte derzelve was slechts 4 Nederlandse ellen, de breedte twee en een half el, de hoogte een en een half el en daarin moesten wij met 13 slapen, overdag verenigden wij de overige passagiers, zo goed mogelijk binnen en buiten die hut. Er heerste te midden van dit alles zindelijkheid en orde. De jeugdige echtgenote van de heer Van Spreeuwenburg was ons van veel dienst. Te Batavia geboren wist zij zich in alles volkomen te schikken, en nam met alles genoegen; ook begreep zij onze toestand; zij ontzag zich niet, om uren lang bij een open vuur in de brandende zon te zitten, wanneer koffie of thee voor ons gemaakt werd, want het water was van aard reeds afschuwelijk genoeg van kleur en reuk, om de zorg te veronachtzamen, dat dezelve verder niet bedorven of de aan ons zo matig toegediende portie thee of koffie ontnomen werd door deze of gene inlander; want zij zouden zich niet ontzien hebben, om voor zogenaamd zoet water, wat zee water in de plaats te doen.

Hoe walgend somwijlen ons voedsel was, verwonderde ik mij hoe mijn vrouw en kinderen het konden eten en somwijlen zelfs enige dingen met smaak. Ten aanzien van deze dierbare betrekkingen en de overige passagiers in ‘t algemeen, moest ik nu even gelijk dit met de troepen en zeelieden reeds van den beginne af had plaats gehad, streng in de uitdelingen zijn; mijne kinderen moest ik soms, hoe smartelijk mij dit ook viel, een en ander ontzeggen, als zij hongerden naar een stukje zwarte, harde, muffe beschuit of iets anders; doch hoe gelukkig waren zij, als zij het bekwamen. Tevreden en genoeglijk verwijderden zij zich dan van mij; meermalen heb ik aldus voor hen en de soldaat, mijn boezem voor alle mededogenheid moeten sluiten, want ik had voor beginsel aangenomen, voor allen hetzelfde te zijn. Waagde ik, op een wat verheven rotsklomp enigszins afgezonderd gezeten, allerwege door zee omgeven, en door het verdovend gedruis van de branding tot weemoed gestemd, mijne kinderen gelukkig en zonder bekommering naar schelpen ziende zoeken; en mijne vrouw hare godsdienstige blikken in stilte ten hemel ziende wenden, waagde ik het dan eens mijne gedachten in de toekomst te vestigen, O! dan scheen mij voorwaar de minste hoop op redding verloren en wat moest het lot mijner vrouw in die positie op deze fatale dorre, naakte rots worden! Zonder het geringste wat in zulk een toestand vereist wordt, zonder geneesmiddelen, zonder een bekwame geneesheer, om haar als dan te kunnen bijstaan, zonder zelf een plekje droge grond om bij een onverhoopt ongeluk hare overblijfselen ter ruste te kunnen leggen.

Bij haar die zo zeer gelaten was en nimmer met de geringste klachten, met het geringste blijk van ontevredenheid, mijn reeds zo pijnlijke toestand kwam bezwaren, vond ik troost en opbeuring, want op mij had elk een zijn vertrouwen, en zijne hoop gevestigd. Op mij rustte alles. Dit vertrouwen vereerde mij zeer en maakte mij tot alle buitengewone inspanning in staat. Elk een deelde mij zijn gedachten mede, hoe zonderling die soms ook waren. Ik hoorde alles met geduld aan, en deed tot onze redding niets, dat niet algemeen bijval vond; zo werd dan ook nu, de sinds enige dagen naar de vijf ten oosten van ons gelegen eilandjes geprojecteerde onderzoekingsreis op de 22e mei ondernomen, waartoe zich de heer Van Spreeuwenburg, gewezen assistent-resident op Java, vrijwillig aanbood, alsmede ook de conducteur der artillerie Derks.

Ik hield hen voor, dat deze tocht, met een zwakke boot, die twee maal door de branding heen moest gaan, en bij de onbekendheid of deze eilanden al dan niet waren bewoond, en ons al dan niet vijandig waren, een gevaarlijke onderneming was; dan niets hield deze moedige mannen terug. Stuurman Kash stuurde de boot. Na 36 uur afwezens keerden onze reizigers tot ons aller innige vreugde terug, want wij waren ongerust, omdat wij meenden dat het mogelijk ware geweest spoediger terug te zijn. Op het gezicht van een paar klappernoten, enige groene bladeren en wilde bloemen, was mijn vrouw verrukt ; haar ogen hadden geleden door de zon, die op de koraalgrond scheen; met nu wat groens te betasten, en zich daarmee te bestrijken, voelde zij zich recht gelukkig.

Ik maakte de schipbreukelingen allen met de uitkomst bekend, om dat er ongelukkig tegen die tijd oneensgezindheid tussen zeelieden en militairen begon te bestaan, waaraan ik een einde meende te moeten maken, en waartoe mij de terugkomst van de sloep een geschikte gelegenheid aanbood, door goed te keuren, te belonen en mededeelzaam te zijn.

Wij hadden het geluk te ondervinden, dat daarna de eensgezindheid geen ogenblik meer gestoord werd.

Ik heb de eer Uwe Excellentie hier bij aan te bieden afschrift van het bedoelde stuk. Nu eenmaal de bezeildheid van onze kleine sloep bekend zijnde, meende de moedige stuurman Kash, dat daarmee alle tochten ondernomen konden worden; dit geraakte weldra onder militairen en zeelieden bekend, en het enige waarvan men een uitkomst hopen konde. “s Avonds ten 10 ure, toen ik mijn ronde maakte, vond ik enige onder-officieren met de stuurman Kash, de bootsman en de machinisten bijeen zitten, zij zeiden mij dat zij mij gaarne wensten te spreken, en vroegen mij, wat ik er over dacht, indien er zich mannen van moed opdeden om met deze sloep naar Amboina te zeilen.

Ik zeide hen, dat ik zulk een voorstel kordaat vond, maar hen verklaren moest, dat de commandant Lammleth mij herhaaldelijk te kennen had gegeven, zulk een expeditie niet dan met weinig hoop op een goede uitkomst geschieden konde, en ik alzo op mij alleen de verantwoordelijkheid van zulk een gewaagde onderneming niet durfde te laden.

’s Anderendaags werd mij dit verzoek weder algemeen gedaan, en ik besloot onmiddellijk aantekening te houden van al ’t geen plaats had gehad; liet de commandant Lammleth, de stuurman Kash en de bootsman bij mij komen en verenigde ook alle passagiers bij mij.

Wij hadden twee zeekaarten; de lengte en breedte op beiden van het vermoedelijke punt waar wij ons bevonden werd geconfronteerd, en op weinige minuten na accoord bevonden zijnde, ging ik daarvan af om te bewijzen dat de sloep meer door de stromen kon worden afgezet, dan de afstand van de Lucipara’s naar Amboina in zeemijlen bedroeg, om dan nog niet Boeroe mis te lopen, en dat wanneer wij slechts te Boeroe onze toestand konden doen bekend worden, er vermoedelijk van dáár gelegenheid naar Amboina zijn zoude.

Na enige oordeelkundige en andere min oordeelkundige aanmerkingen te hebben vernomen, werd tot de tocht besloten; buitendien zou ik verkeerd gehandeld hebben, daarin niet toe te geven en aan enige timide overwegingen gehoor te geven, om dat ik zelf niet de gene was, die iemand tot een gevaarlijke onderneming aanspoorde, maar de volvoering daarvan, mij als het ware geheel vrijwillig werd aangeboden, en het ten anderen, bij zeelieden en militairen een zeer verkeerde indruk zoude gemaakt hebben, door niet te doen wat zij allen wensten, te meer daar het niet op onuitvoerlijke gronden berustte, want ik meende gehoord te hebben, dat eens een Engelsman met een sloep van Amboina naar Soerabaija gezeild en geroeid en aldaar gelukkig aangekomen was.

Ik besloot dan om de tocht te doen ondernemen en liet de sloep zo goed mogelijk met repen koper voorzien, wat hoger maken voor de zeeën, en een klein tentje daarop aanbrengen, op dat des nachts de man, die niet aan het roer was, droog zou kunnen zijn, hetgeen ook noodzakelijk was voor de kleine uitrusting die ik mede gaf.

Om aan deze expeditie, in het belang onzer redding, alle mogelijke kansen van goede uitkomst te verzekeren, had ik de voorzorg gebruikt om zes in het Maleis en Hollands geschreven briefjes te vervaardigen, waarbij onze toestand werd bekend gesteld, en een geldelijke beloning toegezegd aan de genen, die onze positie het eerst aan een der Nederlandse gezaghebbers, waar dit ook was, zoude bekend maken; want het was veel waarschijnlijker, dat de sloep ergens op strand, dan wel op Amboina zelf konde terecht komen, en de matrozen alsdan mogelijk zouden verspreid worden en uiteen geraken. Van dit briefje voorzien, dat ik in lood en daarna geteerd linnen had ingepakt en aan een ieder der inlandse matrozen om de hals had gebonden, en door hen als djimat liet beschouwen, zou bij het verloren gaan van de sloep, mogelijk nog een of ander terecht komen.

De 26e ’s morgens ten 7 ure bij vallend water, stak de sloep af. De stuurman Kash was van een brief van mij aan de te Ambonia gezagvoerende ambtenaar voorzien. Onze wensen en onze blikken volgden lang dit bootje. Tot dusverre hadden wij N.O.O. of Z.O. wind gehad.

Eensklaps waaide dezelve uit het westen en bleef de gehele dag aanhouden, hetgeen wij als een bijzonder goed voorteken beschouwden; want hierdoor had de sloep gelegenheid veel oostwaarts op te halen. De volgende dag werd in het oosten van ons een vaartuig gezien. Een algemeen hoera verhief zich allerwege, en tranen van ontroering en van blijdschap werden door velen gestort. De commandant was de avond te voren nog eens naar het wrak gegaan om de aanvoering van hout voor ons vlot te bespoedigen, en kwam ademloos door de branding heen, ons onze redding aankondigen. Van ons plekje onderscheidde men allengskens meer en meer en eindelijk alle zeilen; van het wrak meende men de romp duidelijk te hebben kunnen zien en onderscheiden.

Met ongeduld verbeidde men het ogenblik dat het vaartuig ons meer zou naderen; maar tot innige smart en teleurstelling van allen, zag men het allengskens afhouden, om niet op de vijf kleine eilandjes te vervallen. ’s Avonds en ’s nachts liet ik een groot vuur onderhouden. Wij vleiden ons, ’s anderendaags het vaartuig weder te zien; dat het slechts bij avond afgehouden had, omdat de dag te ver verlopen was, om de gevaarlijke bank goed te hebben kunnen verkennen.

Het was nauwelijks dag of elkeen liet zijne blikken over de gezichteinder rondgaan, om het vaartuig weder te zien, maar het verscheen niet weder. De moedeloosheid en verslagenheid van allen was groot, en velen vreesden dat nu geen redding meer mogelijk was. Men moet in de positie zijn, waarin wij ons hebben bevonden, om te kunnen gevoelen wat het is, de hoop op redding zo nabij en verwezenlijkt, eensklaps geheel vernietigd te zien.

Tot de 7e juni daarvolgende viel bij ons niets bijzonders voor; alleen leed mijn echtgenote in die tussentijd vreselijk aan krampen; ik bracht de ganse nacht in de grootste ongerustheid door: Zij lag ellendig; wij hadden geen geneesmiddelen, zij smeekte om enige verzachting en verlichting, die men haar niet verlenen konde; – de volgende morgen waren de pijnen bedaard, maar zij was zeer afgemat.

Ik liet druk werken aan ons vlot of platboomd vaartuig; dagelijks was men met tien man daaraan bezig, waarvoor ’s avonds aan ieder man een buitengewoon oorlam wijn, een sigaar en gezamenlijk voor allen ¼ pond sago gegeven werd, waarvan wat soep met zee oesters werd gekookt, terwijl wij bij corvees overal op de koraalplaat rond gingen om stukken hout van het wrak die aangespoeld waren, op te zoeken, om vuur te maken, en er het ijzer van te gebruiken.

’s Namiddags ten 3 ure, mij met de heer Van Spreeuwenburg bij het werk bevindende, zagen wij eensklaps geheel onverwachts in het oosten een vaartuig, dat koers naar ons stelde en meer en meer naderde, wij erkenden duidelijk dat het een brik was. Een levendige vreugde kreet verhief zich allerwege, die evenwel nu en dan getemperd werd bij de herinnering aan de teleurstelling welke wij vroeger ondervonden hadden. Ik spoedde mij naar mijn vrouw en de overige passagiers om de plaats aan te wijzen, waar het vaartuig zichtbaar was; mijn vrouw was nog niet geheel hersteld, en ik geleidde haar over de moeilijke koraalplaat naar een punt, waar zij het vaartuig goed zien konde; zij vroeg mij herhaaldelijk of dit vaartuig ons zien zoude. Ik twijfelde zelf daaraan, totdat eensklaps een kanonschot, door nog twee anderen bij tussenpozingen van een paar minuten gevolgd, mij de vaste hoop gaven, dat dit een vaartuig was ter onzer redding, mogelijk wel ten gevolge van de gelukkige aankomst onzer sloep in Amboina afgezonden.

De richting die het bleef houden, de kanonschoten, die het nu en dan bleef doen, liet bij niemand de geringste twijfel meer over, of onze redding was nabij.

De matrozen en soldaten kwamen mij met die gebeurtenis geluk wensen; ik stemde in hun verzoek toe, om een goede uitdeling rijst en een dubbel ration wijn te verstrekken.

’s Avonds liet ik weder een groot vuur aanleggen, en de gehele nacht onderhouden. In ons bivak heerste ’s nachts de grootste stilte; het was alsof elkeen, een voorgevoel had, dat zich het vaartuig moest blijven aankondigen door kanonschoten; en wezenlijk om de twee uren werd elkeen hierin allergelukkigst bevestigd: soms waren de schoten wat dof, soms wat helderder, naar gelang van de verdere of kortere afstand van het vaartuig; men hoorde dan eens een kreet “een kanonschot”, en daarop heerste weder de grootste stilte.

De dag van de 8e was nog niet aangebroken of elkeen trachtte het vaartuig op de gezichteinder door rondgaande blikken weder op te zoeken. Wanneer ik het zeggen mag, zo bleef ik, hoe zeer ook bij mij de vaste overtuiging bestond, dat bedoeld vaartuig wezenlijk een ter onzer redding afgezonden vaartuig was, niet te min aan de mogelijkheid twijfelen, dat wij in onze hoop misschien andermaal teleurgesteld konden worden, om dat ik hetzelve bij de eerste aanblik niet waarnam; zo dringend voelde ik in mij de noodzakelijkheid, dat mijne vrouw en de overige schipbreukelingen spoedig gered wierden, dat ik toen ik daaraan niet meer twijfelen kon, mij nog niet verzekerd gevoelde, want nu moest ons het weder gunstig zijn, om niet in de branding met de sloepen om te komen en allen behoorlijk aan boord te kunnen geraken. Tegen acht uren, ’s morgens de 8e juni, was de oorlogs-brik duidelijk in het gezicht van onze klip, en zond een harer sloepen naar ons af. Ik spoedde mij om een man met een vlag tegen de branding te plaatsen, ten einde aan dezelve het minst gevaarlijke ontschepings-punt aan te wijzen; dit bleek weldra niet nodig te zijn, want tot onzer aller vreugde was stuurman Kash in de sloep, met een officier, zo dat ik dan ook niet twijfelde of de bedoelde brik was de NAUTILUS, die in Amboina gestationeerd is.

Wij ontvingen de luitenant Vieweg, eerste officier aan boord van gemelde oorlogsbrik, met een onbeschrijfelijke vreugde. Mijn vrouw drukte hem de hand, doch te zeer ontroerd was zij niet in staat een woord te spreken; mijn kinderen deden hem een menigte vragen. De luitenant Vieweg overhandigde mij een brief van de ambtenaar, die te Amboina het gezag voerde.

Ik vernam dat de stuurman Kash in de tijd van 5 dagen en 5 nachten het traject naar Amboina had afgelegd, en het geluk had gehad binnen de baai te komen, zonder nog te weten waar hij was.

Men kon niet begrijpen, hoe het hem had kunnen gelukken die tocht met zulk een schier ongelofelijke uitkomst te volbrengen.

De brief van de assistent resident Köhler onderrichtte mij, hoe zich alles ter onzer redding zo voorspoedig had toegedragen. Onmiddellijk nadat onze ramp bekend was, spoedde zich de luitenant Muller, commandant van de NAUTILUS, om zijn afgetuigd vaartuig weder in orde te brengen; dit geschiedde in de nacht onder een hevige stortregen; dan niets ontmoedigde deze wakkere zeeman, om door zijn officieren en zijn gewillige equipage ondersteund, deze taak te volbrengen. ’s Morgens van de 1e juli ging hij onder zeil, doch werd de 2e buiten de baai van zulk een hevige storm belopen, dat hij voorzichtigheidshalve binnen de baai terugkeerde, want zijn tuig was te oud en niet genoeg aangezet om iets van belang te kunnen wagen. De 3e weder onder zeil gegaan zijnde gelukt het hem, zo als wij gezien hebben, ons de 7e van zijn nabijheid te doen blijken.

De zee was te hoog, de branding te woest om de 8e te kunnen inschepen: Ik verzocht de luitenant Vieweg aan de commandant te zeggen, dat zo het de volgende morgen naar zijn begrip goed weder was, om ons te redden, een kanonschot het signaal zoude zijn, en dat ik zorgen zou dat de inscheping met orde zoude plaats hebben.

Ik verzamelde al de schipbreukelingen, deelde hun mede, dat wij de volgende morgen mogelijk zouden gered worden, dat bij het inschepen de meeste orde moest heersen, daar anders vele ongelukken te wachten waren.

Ik had honderd en in de veertig nummers van papier vervaardigd, en liet ieder trekken, tevens aan allen te kennen gevende, dat elkeen volgens zijn nummer zou opkomen, en dus de laagste nummers het eerst aan de beurt waren, dat het aan ieder persoon, man of vrouw, geoorloofd was, om een pakje goed ter grootte van een ransel mede te nemen, zonder meer. ’s Namiddags kwam ook het particulier schip de ERICH opzetten, dat almede bij gebrek van een ander oorlogsvaartuig ter onzer redding was ingehuurd. Deze maatregel was aller doelmatigst, want anders zouden wij mogelijk na verloop van verscheidene dagen eerst allen gered hebben kunnen zijn, alzo niet veel mensen tegelijk in de schepen konde opgenomen worden.

Aan boord van de ERICH bevond zich de magistraat en fiscaal van Amboina, de heer De Riemer, die verzocht had mede te gaan, ten einde zo mogelijk ons behulpzaam te zijn.

Maar te midden der blijdschap, welke elkeen bezielde, had een bedroevend voorval plaats. De machinist Mosselman, waarvan ik hiervoren gesproken heb, was de 8e overleden; hij werd op een stuk plank, in linnen genaaid gelegd en op enige honderden passen onder de wind aan de golven ten prooi gegeven. Deze man had veel geleden, maar gebrek aan alles hebbende, was zijn behoud onmogelijk. Tot welke weemoedige aanmerkingen, gaf deze omstandigheid, op zulk een ogenblik, en op zulk een plaats niet aanleiding!

’s Morgens ten 7 ure van de 9e juni werd, onder tamelijk gunstig weder, het seinschot van de NAUTILUS gedaan, waarop de sloepen van boord staken, in de ene bevond zich de luitenant Vieweg, in de andere de luitenant der marine Motta; de ERICH zond mede haar sloepen af.

De dames met de kinderen en de overige passagiers, liet ik het allereerst inschepen. Ik vroeg enige mensen om mijn vrouw en mijn kinderen te dragen; allen gezamenlijk zo militairen als zeelieden boden zich daartoe onmiddellijk aan. Ik gaf de voorkeur aan vier matrozen, om mijn vrouw op een stoel te dragen; zij had veel geleden, maar spande nu buitengewoon veel kracht in, om aan nieuwe gevaren het hoofd te bieden en over haar kinderen te waken. Deze zag zij vooraf gaan, en volgde toen zelf gerust.

Aan ons drank- en vivres (opm: levensmiddelen) magazijntje had ik enige zeer ordelijke militairen geplaatst, om, terwijl ik mij naar de branding begaf om de eerste inscheping te bewerkstelligen, niemand zich zoude kunnen te buiten gaan in de drank. Ik volgde mijn vrouw en kinderen; zij kwamen gelukkig aan boord; de branding was hevig, onze bonne slechts weinige minuten later komende, kwam reeds te laat om met de eerste bezending sloepen te kunnen vertrekken, want door te lang in de branding te blijven sloegen de sloepen om of geraakten vol water. Met groot gevaar om te zinken kwam de sloep, waarin mijn vrouw en kinderen, en enige andere passagiers waren, aan boord; er was door de moeilijke zee en branding meer water in de sloep gekomen dan er uit geschept kon worden.

Het aan boord komen was gevaarlijk. Speciaal voor mijn vrouw in haar toestand. Zij verliet de sloep niet, dan toen zij haar kinderen overgebracht zag; nu volgde zij ook, kwam gelukkig op het dek, maar viel daar, van aandoening en vermoeienis, bewusteloos en afgemat neder. Door de hartelijke zorg en oplettendheid van de commandant Muller en zijn officier van gezondheid Van der Hoeve kwam zij weder bij, maar ongerust over mij, hoewel ik haar gewaarschuwd had, dat ik de laatste op het rif zou blijven, ten einde de inscheping van alle schipbreukelingen te besturen, en vooral voor de zieken te doen zorgen, want elkeen had zo veel met zich zelf te doen om aan boord van de sloepen te komen, dat men aan anderen weinig dacht en zelf gevoelloos was voor het gevaar, waarin anderen verkeerden; want zonder de herhaalde edele inspanningen van de commandant van de stoomboot Lammleth, die steeds trouw aan mijn zijde verbleef, en het geen ik het geluk had daartoe mede zelf bij te dragen, zouden zeker enige zieken en anderen het leven verloren hebben, want het waren de laatste 15 à 20 schreden, die het gevaarlijkst waren. Had men het geluk om in de tussenpozingen van een paar minuten, die er verliepen, alvorens de vreselijke golven zich met geweld tegen de rotsen opvolgden en kwamen breken, dien korten afstand te maken, en de sloep te bereiken, er in te springen of zich vast te houden, om tegen de kracht der golven wederstand te bieden, men konde zich als dan grotendeels gered rekenen; maar had men de sloep niet bereikt, zo sloeg men omver of men werd door het zeewater overdekt, en nauwelijks tot verhaal gekomen zijnde, kwam golfslag op golfslag de ongelukkigen teisteren, die geen hulp hebbende eindelijk zoude hebben moeten bezwijken.

Ik vond onze bonne en meer anderen, die in die toestand verkeerd hadden en de eerste sloepen niet hadden kunnen bereiken zich echter bij tijds achteruit begeven hadden, waar de golfslag minder gevoelig was, en dààr de terugkomst der sloepen afwachtende.

De gehele dag voeren de sloepen heen en weder, telkens een aantal schipbreukelingen medenemende. In het midden van de dag bij hoog water moest die operatie evenwel gestaakt worden, om dat de branding toen zo hevig was, dat de sloepen omsloegen en niet buiten de branding te brengen waren.

De zee met het vallend water enigszins bedaarder zijnde, werd alles ingespannen om met alle de aan het strand zijnde sloepen van de twee vaartuigen de laatste schipbreukelingen over te varen; dat getal bedroeg nog 40. Ik verdeelde dezelve nauwkeurig met de luitenant der marine Vieweg en liet dezelve naar de verschillende standpunten der sloepen gaan; dit alles liep (Marien, staat er liet of misschien liep?ja dus) gelukkig geregeld af, hoewel zich daarbij verscheidene zieken en vrouwen bevonden, die herhaaldelijk beproefd hadden om aan boord van de sloepen te komen, doch telkens om de hierboven vermelde redenen, hadden moeten terug keren.

Wij verloren slechts een man, zijnde een Javaanse matroos. Nu was het 5 uren ’s avonds de 9 juni. De brik had de ganse dag met talent gemanoeuvreerd, om het aan boord brengen der schipbreukelingen te begunstigen; zij had er ruim 100 aan boord; de ERICH een veertigtal. Op het rif bevond ik mij toen nog met de heer Van der Dussen, die mij niet had willen verlaten, benevens de commandant Lammleth, de sergeant-majoor Schwab en twee matrozen; de laatste sloep van de NAUTILUS zou terugkeren, om ons te halen maar wind, zee en branding verhieven zich zo sterk dat de vaartuigen moesten afhouden.

Ook de volgende dag, de 10e juni, was er om even vermelde redenen nòg geen mogelijkheid om een sloep uit te zetten; die van de NAUTILUS hadden buitendien te veel op de branding geleden, om nu anders dan bij stille zee gebruikt te kunnen worden.

Eerst de 11e juni, hoewel de zee nog zeer onstuimig en hoog was, een eigenschap van de Bandasche zee, waarin wij waren, en dus ook een hoge branding, werd echter onze redding beproefd. Door toedoen van de magistraat De Riemer waagde het de 2e stuurman van de ERICH met een sterke sloep naar ons toe te komen. De golven waren zo hoog in vergelijking met het lage punt, waar wij ons bevonden, dat ’s morgens tegen 8 uren de sloep met een zware brandingsgolf opgenomen, eensklaps aan strand of op het rif geworpen werd. Er was niet veel tijd te verliezen, want het water was wassend. Ik vroeg hem of hij zou durven ondernemen om ons naar de brik te brengen; hij beloofde het, zo zijn Javaanse roeiers kracht genoeg hadden, om de sloep door de branding te roeien: zij waren 8 man. Ik zeide hen enige geldelijke beloning toe, zo zij mij aan boord van de NAUTILUS brachten. Zij spanden alle hunne krachten in, en hoewel het aan boord hoogst moeilijk was, werd mij en mijn bij mij zijnde lotgenoten dit gemakkelijk gemaakt door het goed manoeuvreren van de brik. Men geliefde mij met een levendige en herhaalde hoera aan boord te verwelkomen.

Wij waren nu allen gered, maar wij hadden meest allen veel geleden. Mijn echtgenote vooral veel, zeer veel, en hoewel allen verenigd, zag ik voor haar de toekomst niet zonder bekommering tegemoet. Het mij toekomend salut werd gedaan; de commandant vroeg mijn bevelen. Ik aarzelde geen ogenblik om koers naar Amboina te doen nemen.

Had ik al een ogenblik het voornemen gehad bij de toestand van mijn echtgenote en na het totaal verlies van al onze goederen en provisiën vooreerst weder naar Batavia terug te keren, andere redenen noopten mij, welke ook onze positie was, mij naar mijn bestemmings plaats onmiddellijk te begeven. Wij genoten gedurende de overtocht de hartelijkste zorg en oplettendheid aan boord; maar honderd zielen meer op een brik, die al niet zeer groot is, maakte dat wij opgepropt waren en mijn vrouw op die korte overtocht weder veel te lijden had.

De deelneming waarmede ons alle ingezetenen van alle standen en rangen te Amboina de 12e juni ontvingen, is niet te beschrijven, want Amboina was in de verslagenheid wegens de ramp die ons getroffen had

Onze kinderen werden met aandoening beschouwd, omhelsd en naar de rijtuigen geleid. Wij namen onze intrek bij de assistent-resident Köhler. Deze hartelijke man en deszelfs echtgenote deden al wat mogelijk was om het geleden leed te verzachten

De 14e des morgens aanvaardde ik het gezag. Naar ziel en lichaam had ik veel geleden. Ik was bij die plechtigheid geroerd en werd het nog meer, toen een der aanwezigen, zijnde een onzer lotgenoten, de gewezen assistent-resident, de heer Van Spreeuwenburg, in diepe ontroering naar mij toesnelde, en mij omhelzende, tranen van innige aandoening stortte.

De volgende dag aanvaardde ik mede het militair bevel in de Molukkos.

Zeker zullen mij van de vreselijke ramp waarvan ik de bijzonderheden heb trachten te beschrijven, lange jaren de herinneringen bijblijven, maar mogen dezelve door bijkomende omstandigheden op gene grievende wijze nader worden opgewekt!

Een aangename voldoening blijft mij intussen overig dat ik namelijk mijn pogingen tot behoud van allen aangewend, met zulke gelukkige uitkomsten heb mogen bekroond zien, daar wij bij het schipbreuk lijden en bij de weder zo gevaarlijke inscheping, niemand dan een enkele man te betreuren hebben gehad. Zeelieden en militairen geliefden mij een blijk van erkentenis daarvoor aan te bieden. Uwe excellentie veroorlove mij hetzelve hierbij kopielijk over te leggen; voor mij zal zulk een geschrift tot een duurzaam en vererend aandenken strekken.

Had ik niet in afzonderlijke rapporten de vrijheid reeds genomen uwe excellentie de namen te doen kennen van al dezulken, die in de moeilijke omstandigheden, waarin wij ons bevonden hebben, nuttig zijn geweest, en goede diensten hebben bewezen, ik zoude het mij nu tot een plicht rekenen, zulks bij deze te doen; maar aan deze mijne verplichting heb ik reeds voldaan.

Ik heb bij het sluiten van dit verhaal alleen nog uwe excellentie om eerbiedige verschoning te vragen zo ik mogelijk in te veel bijzonderheden getreden ben, en haar aandacht alzo te lang heb bezig gehouden; dan uwe excellentie heeft mij altoos te veel blijken van welwillendheid gegeven en heeft gewis te veel deel genomen in het wedervaren van ruim 140 schipbreukelingen om niet te wensen met ledige bijzonderheden ten hunnen aanzien te worden bekend gemaakt.

De Stuers, luitenant kolonel

1838


JC 070238 Het Hoog Militair Gerechtshof van Nederlands-Indie heeft, na behoorlijk onderzoek der zaak van de gewezen commandant van Zr.Ms. stoomschip WILLEM I, J.K.D. Lammleth, bij een uitvoerig gemotiveerde sententie van de 30e januari j.l. verklaard, dat de 1e luitenant honorair bij het op te richten corps mariniers Johannes Karel Daniel Lammleth, gewezen bevelhebber van Zr.Ms. stoomschip WILLEM I, zich wegens het verlies van gemeld vaartuig volkomen heeft verantwoord, en heeft dezelve vrij gesproken van alles schuld of plichtverzuim deswege en hem mitsdien ontheven van alle verdere vervolgingen te dezer zake, als mede van de kosten. De voormelde uitspraak is hoofdzakelijk gegrond geweest op de overwegingen, dat het verlies van Zr.Ms. meergemeld stoomschip WILLEM I alleen moet worden toegeschreven aan de omstandigheid dat de ligging der Lucipara-eilanden en reven op de daarvan bestaande kaarten, en speciaal op die van Horsburgh, en in 1833 uitgegeven, en welke door alle zeevarenden steeds wordt geraadpleegd en gevolgd, niet behoorlijk is geplaatst en bekend gesteld, zijnde het uit het gehouden onderzoek volkomen gebleken, dat de gezagvoerder Lammleth in de bepaling van de koers al die maatregelen van voorzichtigheid heeft in het werk gesteld, welke van een goede en getrouwe gezagvoerder van een Landsvaartuig konden verwacht worden.

 

Kroniekberichten

Toon kroniekberichten
Akten

ARCHIEF Gemeente Amsterdam archiefnummer 5074/1419-1827-7

BIJLBRIEF
Schip: WILLEM DE EERSTE

plaats en datum acte bijlbrief, Amsterdam, 23 maart 1827

soort schip stoomschip

gevoerd door kapt.

Bouwwerf/verkoper (afbouwwerf, zie bijzonderheden) Barend Groen & Co, scheepstimmerlieden te Amsterdam

eigenaar/aankoper Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij, Amsterdam

te voeren door kapt. Jacob van den Oever

groot volgens meetbrief in tonnen

tuigage en aantal dekken

afmetingen over steven 41,60 meter; wijd over zijn borghout 5,96 meter, hol op zijn uitwatering 3,60 meter

kiellegging zijnde de kiel daarvan gelegd op de werf van de scheepstimmerman Cornelis van Swieten, Amsterdam

tewaterlating alwaar hetzelve nieuw te water afgebracht op 4 augustus 1826 (dus te water bij Van Swieten)

plaats en nummer van registratie Amsterdam, deel 13, folio 174, verso, vak 7.

datum van registratie 23 maart 1827

notaris Burgemeester & Wethouders Stad Amsterdam 24 maart 1827, get. D.W. Elias, burgemeester

prijs (bij aan-/verkoop)

bijzonderheden: Barend Groen & Co. verklaren, dat het vaartuig op 27 november 1826 aan hun werf (ter afbouw) is gekomen. (opm. de bekende ruzie tussen Paul van Vlissingen en Cornelis van Swieten)







researcher/datum research ML-310806

Naam WILLEM DE EERSTE
Archiefinstelling Stadsarchief Amsterdam
Jaar 1827
Toegang 5074
Inventaris 1419
Klik hier om de originele akte te bekijken

Stadsarchief Amsterdam Archiefnummer AMS 5074.1417.1827.7

deel VI, foto 026
CEDULE

Naam schip WILLEM DE EERSTE

plaats en datum acte eigendomsbewijs, Amsterdam, 23 maart 1827

type schip stoomschip

bouwwerf/verkoper niet vermeld

gevoerd door kapt.

eigenaar/koper Didericus Bernhardus Liedermooy, als directeur der Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij, Amsterdam, enig eigenares

te voeren door kapt. Jacob van den Oever

grootte in tonnen 210 lasten

tuigage / aantal dekken twee masten, twee dekken

afmetingen

kiellegging

tewaterlating gebouwd te Amsterdam voor rekening van bovengenoemde rederij.

plaats / datum registratie Amsterdam, 23 maart 1827

nummer registratie deel 13, folio 174, verso, vak 4

notaris Regtbank van Eerste Aanleg, Amsterdam

prijs

Bijzonderheden: getoond wordt de bijlbrief; het schip ligt thans te Amsterdam.
De datum van de acte is NIET de datum van de transactie. De juiste datum vindt men in Amsterdam AB 1819-1838.




researcher/datum research: ML / 300715

Naam WILLEM DE EERSTE
Archiefinstelling Stadsarchief Amsterdam
Jaar 1827
Toegang 5074
Inventaris 1417
Klik hier om de originele akte te bekijken

Collectie Kaaphoornvaarders

Documentatie beschikbaar gesteld door de Stichting Nederlandse Kaap Hoorn-vaarders uit hun collectie dat tot stand kwam door het samenvoegen van de collecties van drie grote verzamelaars, kenners en liefhebbers van de Nederlandse grote zeilvaart: de heren M. Hoedemaker, L. Smit en K. Suyk Jr.
Klik hier om het document te downloaden/openen

Bronnen


Jaar: 0000
Bron: ARCHIEF Gemeente Amsterdam
Omschrijving: BIJLBRIEF: ARCHIEF Gemeente Amsterdam / archiefnummer 5074/1419-1827-7