1899
DT 160299
Delfzijl, 14 februari. Uitgezeild LAMMEGIENA, H. Schling naar Bremen.
DMP 061199
Delfzijl, 3 november. Binnengekomen LAMMEGIENA, H. Schling van Cuxhaven naar Gent.
1900
DMP 231000
Delfzijl, 19 oktober. Aangekomen LAMMEGIENA, H. Schling van Neufeld.
1901
DNCO 060401
Bremen, 3 april. Uitgezeild LAMMEGIENA, H. Schling naar Hamburg.
PGC 100801
Delfzijl, 8 augustus. Het tjalkschip VOORUITGANG, kapt. P. Huizenga, zou heden de sluis passeren. Door een vergissing tussen de sluismeester en de kapitein waren de deuren al weer gesloten, terwijl het vaartuig met een flinke vaart kwam aanzeilen. Om beschadiging van de sluisdeur en het vaartuig te voorkomen bracht de kapitein het roer naar stuurboord, waardoor het schip in de wal liep. Later bleek dat van de reis moest worden afgezien, daar het schip veel water maakte. De lading toonaarde (opm: chinaklei), ingenomen te Rotterdam en bestemd voor Odense, wordt overgeladen in het tjalkschip LAMMECHIENA, kapt. H. Schling.
1902
PGC 201102
Elseneur, 15 november. De Groninger tjalk LAMMECHIENA (opm: ook LAMMEGIENA), kapt. H. Schling, is heden van hier vertrokken, gesleept door een Svitzer bergingstomer, tot het leggen van een telefoonkabel tussen hier en Helsingborg.
1907
NRC 210507
Londen, 19 mei. Volgens telegram uit Cuxhaven is de Groninger tjalk LAMMEGIENA, kapt. H. Schling, van Koningsbergen naar Hooksiel bestemd, in aanvaring geweest met een door de sleepboot FAIRPLAY I gesleept wordende lichter, waardoor de tjalk licht beschadigd werd.
1909
NRC 191009
Grimsby, 17 oktober. De met een lading oliekoeken van Hamburg naar Sterling bestemde Nederlandse tjalk LAMMEGIENA, schipper H. Schling, is lek en met beschadigd roer door de stoomtrawler KESTREL alhier binnengesleept. Het schip is nu in het bezit van de bergers (Engelse vissers). De bemanning verliet de tjalk nadat het vaartuig op sleeptouw was genomen. Het weer was toen zeer slecht en men had acht dagen reis vanaf Hamburg.
1910
AH 250310
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart behandelde gistermiddag de ramp, overkomen aan het tjalkschip LAMMEGIENA van Groningen. Alleen de stuurman, A. Davids, was voor de Raad verschenen. Uit zijn verhaal bleek, dat de LAMMEGIENA in het laatst van september van Hamburg gevaren was naar de Golf van Stirling. Schipper was de eigenaar van de tjalk, H. Schlinck (opm: Harmannus Schling), en voorts waren nog twee aankomende matrozen aan boord. De 14e oktober, met stormweer, stootte het schip ter hoogte van de Doggersbank, het roer raakte onklaar en de zeilen maakten averij, zodat de noodvlag werd gehesen. Twee man waren aan de pompen, daar het schip water maakte. Op het noodsein kwam een Engelse trawler af. De trawler verklaarde zich niet bereid om te slepen en daar de bemanning zeer afgemat was en de storm dreigde aan te houden, verliet zij het schip en ging aan boord van de trawler over. Met het grootzeil in top, en de lichten gehesen werd het schip verlaten, 's Nachts werd het goed weer, de trawler hield aldoor de LAMMEGIENA in het oog, zette er 's morgens een paar van zijn mannen op en sleepte het schip de haven van Grimsby binnen, Aan de bemanning van de tjalk werd niet toegestaan naar hun boord terug te keren. de trawler-kapitein wilde het schip zelf bergen, aldus verklaarde Davids. De Engelsman had voor de autoriteiten te Grimsby een beëdigde verklaring afgelegd, dat de Hollanders niet terug durfden, wat onze stuurman met verontwaardiging ontkende. Voor de consul te Grimsby was geen scheepsverklaring afgelegd, zoals de Schepenwet voorschreef, de consul had dit onnodig verklaard volgens getuige. Door enige leden van de Raad werd gevraagd, waarom het schip verlaten was, want in Grimsby is gebleken, dat de romp van het schip onbeschadigd was. De getuige antwoordde, dat de afgematte bemanning geen tweede stormnacht dorst in te gaan, daar het schip water maakte. Daar tegenover werd opgemerkt, dat een lek in een houten schip zich soms vanzelf dichten kon, maar nimmer een lek in een ijzeren schip. De volgende week zal de schipper worden gehoord.
NRC 300310
Raad voor de Scheepvaart.
De Raad nam gisteren nog in behandeling de zaak van het ijzeren tjalkschip LAMMEGIENA, schipper en eigenaar H. Schling, dat op reis van Hamburg naar Schotland, in de nacht van 14 op 15 oktober benoorden Terschelling bij zwaar stormweer gestoten heeft, waardoor de roerketting brak, het schip lekkage bekwam en het roer vernield werd. Ook aan de zeilen bekwam het schip averij, zodat het geheel onbestuurbaar was geworden.
Blijkens verklaringen, voor de Raad afgelegd door de stuurman Davids, werd toen de noodvlag gehesen, welke werd opgemerkt door een Engelse trawler. De kapitein van deze trawler wilde dat de bemanning van de LAMMEGIENA bij hem aan boord zou komen, daar hij voorgaf niet te kunnen slepen.
Dat wilde de bemanning van de LAMMEGIENA niet, maar tenslotte ging zij op de trawler over. Een dag later weigerde de kapitein van de trawler hen op de LAMMEGIENA te laten teruggaan. Mannen van de trawler zijn op de LAMMEGIENA gegaan om de trossen vast te maken. Deze is toen naar Grimsby gesleept. Stuurman Davids zegt ervan overtuigd te zijn, dat het de Engelse kapitein om het sleeploon te doen is geweest.
Voor de consul te Alloa heeft de kapitein in een scheepsverklaring gezegd, dat de bemanning van de LAMMEGIENA verzocht had te worden opgenomen, en later heeft geweigerd weer op het vaartuig terug te gaan, totdat het te Grimsby in veilige haven was.
De voorzitter wees de stuurman er op dat ook hij en de andere leden van de bemanning een beëdigde scheepsverklaring hadden moeten afleggen, dan hadden zij nu sterker gestaan tegenover de verklaringen van de trawler kapitein, die zij nadrukkelijk tegenspreken. Toen getuige hierop antwoordde, dat de consul van hen een scheepsverklaring overbodig had geacht, gaf de voorzitter, mr. Pleyte, hierop de Raad, zich in dergelijke omstandigheden door een consul, die de Nederlandse wet niet kent, niet van de wijs te laten brengen.
De stuurman verklaarde voorts dat de rederij van de trawler buitensporig hoog hulp- en sleeploon eiste, en dat daarvoor op de tjalk beslag is gelegd. Het was de bewuste morgen beslist nodig het schip te verlaten.
De kapitein van de LAMMEGIENA, ook opgeroepen om te worden gehoord, was niet verschenen. Vrijdag 1 april wordt de behandeling van de zaak hervat.
NRC 010410
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de Scheepvaart. De Raad hervatte heden de behandeling van de zaak van het scheepsongeval, overkomen bij de Doggersbank aan het ijzeren tjalkschip LAMMEGIENA, schipper en eigenaar H. Schling. Het schip is bij zwaar stormweer in de nacht van 14 op 15 oktober, op reis van Hamburg naar Schotland gestoten, waardoor de roerketting brak, het schip lekkage bekwam, het roer vernield werd en de zeilen onklaar geraakten, zodat de tjalk onbestuurbaar werd. De bemanning ging over op een Engelse trawler, die het schip naar Grimsby heeft gesleept. Uit de verklaringen van de stuurman in de voorgaande zitting gehoord zij gememoreerd, dat volgens hem de kapitein van de trawler de bemanning van de LAMMEGIENA tegen haar zin aan boord heeft gehouden, terwijl deze kapitein juist voorgeeft, dat ze niet op hun schip terug wilden. De Engelse rederij heeft buitensporig hoog sleeploon geëist en in verband daarmee, beslag op het schip doen leggen.
Heden is de schipper door de Raad gehoord. Hem werd te kennen gegeven, dat het verder onderzoek ook zal lopen over de vraag, of het ongeval veroorzaakt is door een daad of nalatigheid van zijn kant. De schipper verklaarde wel dikwijls de Noordzee te hebben bevaren, maar dit was de eerste keer, dat hij overstak naar Engeland of Schotland. Hij weet niet waar het schip op gestoten is. Hij zei, dat hij het roer ook bij kalm weer niet op zee had kunnen herstellen, omdat dit van ijzeren constructie was. Hoewel de zeilen nog tamelijk goed waren, was het schip dus onbestuurbaar. Er werd zo hard mogelijk gepompt. Het vaartuig was niet bepaald ontredderd, maar het werd toch te gevaarlijk geoordeeld om aan boord te blijven. De voorzitter, mr. Pleyte, begrijpt zich niet, dat er geen lijn tussen de trawler en de LAMMEGIENA bevestigd kon worden, terwijl er toch, nadat de LAMMEGIENA verlaten was, tussen beide schepen in een roeibootje op en neer is gevaren. De volgende dag gingen drie man van de trawler naar de LAMMEGIENA over. Schipper Schling of een van diens mannen mochten niet mee.
Toen de voorzitter de schipper vroeg, of hij daarin zo maar berust had, antwoordde de schipper, dat hij toch na eerst om assistentie gevraagd te hebben en op een vreemd schip opgenomen te zijn, daar niet aan het opspelen kon gaan. In Grimsby gekomen, heeft de schipper verzuimd onmiddellijk een scheepsverklaring af te leggen. Ook de schipper heeft de indruk, dat het de trawler-kapitein erom te doen is geweest om de LAMMEGIENA als een verlaten ronddrijvend schip op te pikken. De rederij van de stoomtrawler heeft 500 pond sterling berg- en sleeploon gekregen. Ook schipper Schling constateert uitdrukkelijk, dat de Nederlandse Consul te Grimsby het afleggen van een scheepsverklaring niet nodig heeft geacht. De behandeling van de zaak werd daarna gesloten. Op nader te bepalen datum zal de Raad uitspraak doen.
NRC 160410
Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)
Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam heeft gistermiddag behandeld het scheepsongeval, overkomen aan de LAMMEGIENA, ijzeren tjalkschip van de schipper H. Schling, maakte de Raad uit dat aan de houding, door de schipper van de Engelse stoomtrawler CASTLE in deze aangenomen, niet vreemd was het verlangen om het hoge bergloon binnen te halen, dat het alleszins oorbaar was van schipper en bemanning om het schip te verlaten, daar dit ontredderd en onbestuurbaar was en zij zelf volkomen uitgeput waren. De schipper kan dus uit dien hoofde geen blaam treffen. Men had echter twee rode lantaarns moeten hijsen ten teken dat niet gemanoeuvreerd kon worden. Het verzuim om onmiddellijk na aankomst in Engeland een scheepsverklaring af te leggen, wordt naar het oordeel van de Raad, door niets verontschuldigd.
NNO 131010
Delfzijl, 12 oktober. De ijzeren zeetjalk LAMMEGIENA, kapt. Schling, thuis behorende te Groningen, is onderhands verkocht aan D. Bonninga, thans kapitein op de ZEEMEEUW.
1911
NNO 280411
Holtenau, 27 april. Gepasseerd LAMMEGIENA, Bonninga van Stade naar Koningsbergen
DMB 151211
Brake, 14 december. Binnengekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Hemmoor.
1912
NVD 040312
Geestemünde, 1 maart. Uitgezeild LAMMEGIENA, Bonninga naar Halmstad.
NVEC 071212
Hamburg, 4 december. Vertrokken LAMMEGIENA, Bonninga naar (niet vermeld).
1913
NPGC 150413
Vlieland, 14 april. Uitgezeild LAMMEGIENA, Bonninga naar Oxelösund.
NPGC 161213
Delfzijl, 14 december. Binnengekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Benselsiel.
1914
DMB 200214
Emden, 16 februari. Aangekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Delfzijl.
ON 071114
Delfzijl, 6 november. Binnengekomen LAMMEGIENA, Bonninga, ledig, van Hamburg naar Groningen.
1915
NNO 140515
Lubeck, 14 mei. Aangekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Karlskrona.
NPGC 301115
Lubeck, 27 november. Binnengekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Kopenhagen.
1916
Ystad, 12 maart. Zeilklaar LAMMEGIENA, Bonninga naar Stettin.
ON 220816
Nieuwe Waterweg, 20 augustus. Aangekomen LAMMEGIENA, Bonninga van Karlskrona.
1917
AH 210417
Nieuwediep, 20 april. Aangekomen LAMMEGIENA, D. Bonninga, van Harlingen naar Gotenburg (als bijlegger wegens tegenwind).
RN 251017
IJmuiden, 24 oktober. De koftialk LAMMEGIENA uit Groningen, kapt. D. Bonninga, liep hier met een lading gezaagd hout van Skoghall (Wenermeer) naar Leerdam bestemd, binnen en zal de reis binnendoor via Amsterdam voortzetten. Doordat het schip reeds drie weken reis had, was de proviandvoorraad bijna geheel uitgeput en nog maar voor één dag toereikend.
1918
NVD 180618
Groningen, 17 juni. De 2/mast kof tjalk AMBULANT, kapt. T. Eppinga uit Groningen, welke 12 april van Rotterdam naar Ohristiansand (Noorwegen) vertrok, is nog steeds niet op de plaats van bestemming aangekomen. Men maakt zich derhalve ernstig ongerustover het schip en de bemanning. (opm: Aangenomen wordt dat de LAMMEGIENA, kapt. D. Bonninga te gelijker tijd is uitgevaren.)
NPGC 050718
Naar wij vernemen is sedert 12 weken geen bericht gekomen van de schippers Bonninga, die met het vaartuig LAMECHIEN van Rotterdam naar Noorwegen is uitgevaren, en van Eppinga, beiden Groningers, die met een ander vaartuig ook naar Noorwegen vertrokken is. Men maakt zich ongerust.
>