Familiegegevens en opleiding
Geen
De schepen van de kapitein
Bouma025 vermeldt J.Bakker als gezagvoerder gedurende:
* 1819 van de tjalk “Vrouw Sientje”, geen vermelding van bouwgegevens, thuishaven en eigenaar. Het schip werd 1 keer te Harlingen geregistreerd komend van Newcastle.
Overige bijzonderheden
Leeuwarder Courant 15 oktober 1819114
Harlingen. Den 11 oktober binnen gekomen ….
Den 12 dito binnen gekomen het smakschip WAAKZAAMHEID, kapt. J.M. de Jong, met hout van Noorwegen, het tjalkschip VROUW STIENTJE, kapt. J. Bakker, met smidskool van New-Castle. ….
Leeuwarder Courant 17 oktober 1820114
Harlingen… Den 8 dito binnengekomen het tjalkschip de TWEE GEBROEDERS, kapt. H. Drewes, met hout van Elbing (opm: Elblag); de smakschepen de JONGE CORNELIS DE HAAN, kapt. Jan J. Siedses, de VROUW ETTINA, kapt. A.J. Zeeman; de VROUW LAMMEGINA, kapt. Otto Pieters Smit, en het kofschip CATHARINA, kapt. Arend Klasen, alle vier met hout van Noorwegen, het sloepschip WILLIAM, kapt. William Nazebij, het tjalkschip de VROUW SIENTJE (opm: naam slecht leesbaar), kapt. Jan Bakker, beide met steenkool van Newcastle. Uitgezeild het sloepschip WATERLOO, kapt. Charles Warren Jr, het schonerschip LUNA, kapt. Robert Cubith, beide met boter naar Londen…..
| Datum vanaf: |
1813 |
| Kapitein: |
Bakker, Jan |
| Overige informatie: |
0 |
Familiegegevens en opleiding
Jan werd gedoopt op 12 februari 1792 in de Martinikerk te Groningen, geboren te Groningen bij Oosterbrug, als zoon van schipper Jan Bresters en Stijntje van den Bos
Jan Bresters trouwde op 29 april 1818 te Groningen als koopman met de blauwverversche Hissina Brands, gedoopt op 18 december 1796 te Groningen als dochter van de blauwverver Lammert Brands en Fennegien Diephuis. Zij overleed op 26 september 1850 te Groningen, 53 jaar
Jan Jans Brester overleed op 12 september 1833 “op zee”.allegroningers
De schepen van de kapitein
Smak “Vrouw Stientje”
Jan Bresters, waarschijnlijk Senior (zie ook de scheepsnaam), wordt in 1828 schipper op de smak VROUW STIJNTJE, in dat jaar gebouwd bij H.W. Bieze in Veendam. Zijn eerste zeebrief dateert van 28 mei 1828 en zijn laatste van 24 februari 1831.
Op 19 juli 1833 wordt er opnieuw een eerste zeebrief afgegeven voor de VROUW STIJNTJE, nu met als kapitein J.J. Bresters, die nu ook als belanghebbende de aanvraag voor de zeebrief had ingediend. Vermoedelijk kocht of erfde J.J. Bresters dit schip in 1833 van zijn vader.
Mededeling G.Mulder, Marhisdata september 2011
Overige bijzonderheden
Gron. Archieven Archiefnummer Gron. 1873.146.18369
DVD LII – 8176 - 8179
VERKLARING VAN VERGAAN
Naam schip de VROUW STIENTJE
plaats en datum acte: Groningen, 2 juli 1836
Voor Mr. Ede Johannes Offerhaus, notaris te Groningen, compareerden:
-
Jacob Antoon Eberurin (?), koek- en banketbakker te Groningen
-
Hendrik Houkes, zeeman te Groningen
-
Barteld Jans de Jonge, fabrikant te Groningebn
-
Willem Schutter, juwelier en goudsmid te Groningen
-
Johan Bakker, zilversmid te Groningen
-
Ulferdus Gerardus Schilthuis Jzn, koopman te Groningen Welke hebben verklaard:
-
Dat Jan Jans Bresters, scheepskapitein te Groningen, met zijn smakschip de VROUW STIENTJE de 9e augustus 1833 van Groningen naar Zoutkamp is vertrokken, beladen met zwarte en witte haver, gedestineerd naar Duinkerken.
-
Dat hij de 9e september 1833 van daar naar zee is vertrokken
-
Dat de equipage van het schip, behalve kapt. Bresters, bestond uit Hendrik Jans Berends Mulder, stuurman, oud 35 jaren, Jacob P. Feringa, matroos, oud 31 jaren, Ipe van den Bos, matroos, oud 17 jaren, en Thies Storteboom, kok, oud 18 jaren.
-
Dat in de nacht van de 12e op de 13e september 1833 een hevige storm stond
-
Dat tot op dat ogenbliik geen tijding van schip of bemanning was vernomen
-
Dat de comparanten de opvarenden zeer goed kenden, zijnde de eerste en de derde comparant volle aangehuwde neven van de kapitein en aangehuwde broeders van Ipe van den Bos, de vierde comparant gehuwd met de zuster van de vrouw van de kapitein, de vijfde comparant een volle aangehuwde broeder van de stuurman, de tweede comparant lang met kapt. Bresters had gevaren en dat de zesde comparant de lading had aangeleverd en deze nimmer te Duinkerken was aangekomen.
-
Dat in de scheepstijdingen van het Handelsblad onder de rubriek Texel bericht is, dat op de 13e september 1833 was opgevist een naamstuk van een schip, waarop stond “18-Jan Bresters-28”.
-
Dat de beide eerste comparanten zich op de 23e oktober 1833 naar Texel hadden begeven om zo mogelijk enige berichten nopens gemeld schip en diens equipage in te winnen.
-
Dat zij beiden eerste comparanten op Texel aangekomen zijnde, aldaar bij de strandvonderij hebbende berustende gevonden een roerpen van een smakschip alsmede een anker met Goudse bladen, welke roerpen en anker door de tweede comparant stellig waren herkend als behoorde hebbende tot bovengemeld smakschip en wel het anker voor het zogenaamde daagse anker.Voorts werd hen door de onderstrandvonder van het Oude Schild bericht, dat er bij de opperstrandvonder van Texel berustende was twee naamstukken van een schip, zijnde lichtblauwe plankjes met zwarte randen, waarop met gele drukletters stond “die DRY GEBRÜDERS von Kniphausen”, welke naamstukken de eerste en tweede comparant echter niet konden te zien krijgen wegens de afwezigheid van de opperstrandvonder.
-
Dat het de zes comparanten bekend is, dat bovengemeld smakschip de VROUW STIENTJE gedurende het embargo onder de naam, op gezegde naamstukken vermeld, en onder Kniphauser vlag gevaren heeft en dat dat schip van zodanige naamstukken, als hier zijn omschreven, is voorzien geweest.
-
Dat voorts op Texel aan hen beide eerste comparanten is vertoond een octant met deszelfs kist, welke volgens verklaring van de onderstrandvonder op Den Hoorn aldaar was aangespoeld, waarop stond “18-HB Mulder-23”, welke octant met kistje door de tweede comparant werden herkend en te behoren aan de bovengemelde stuurman van het schip, terwijl de vijfde comparant verklaard heeft, dat hem bekend was, dat een octant met een kistje, gemerkt als boven staat omschreven, aan gemelde H.J.B. Mulder toebehoorde.
Verder verklaarden de beide eerste comparanten:
-
Dat onderscheidene personen op Texel hun hebben verklaard, dat door enige vissers in de laatste helft der maand september 1833 onder toestemming van de heer opperstrandvonder een stuk van een wrak aan de zuidwestkant van Texel was opgevist en gesloopt geworden op het Oude Schild, en dat tussen de planken van dat wrak witte en zwarte haver had gezeten en dat zulks eveneens het geval was geweest met een te Koog aldaar aangespoeld stuk van een wrak, hetwelk aldaar door de strandvonderij was verkocht.
-
Dat beide stukken waren herkend te behoren tot een Groninger schip wegens de (onleesbaar), en dat dit schip was verongelukt tussen de Onrust en de witte ton in de nacht tussen de 12e en de 13e september 1833, omstreeks middernacht en verder te dier tijde geen andere schepen bij Texel waren verongelukt.
-
Dat de eerste en tweede comparant, zich vervolgens naar het Nieuwe Diep en de Helder begeven hebbende, aldaar bij de weduwe Kolder hebben berustende gevonden het in het Handelsblad voormeld gemelde naamstuk en dat naamstuk door hen beide eerste comparanten is herkend voor het naamstuk, hetwelk binnen in de spiegel van de boot, behorende bij gemeld schip, was geplaatst geweest.
-
Dat zij voorts bij de heer burgemeester van de gemeente de Helder hebben bevonden en gezien een gedeelte van een naamstuk van een schip, waarop staat “STIENTJE”.
-
Dat hun voorts daar op de Helder nog is vertoond een ander gedeelte van een naamstuk, waarop staat “DE VROUW” , welk stuk toen mede bij de burgemeester is gedeponeerd, welke beide stukken volgens verklaring van onderscheidene mensen op de Helder aldaar waren aangespoeld en door de beide eerste comparanten werden herkend voor de naamstukken van het meergemelde smakschip.
-
Dat voorts onderscheidene personen van de Helder en het Nieuwe Diep aan hen beide eerste comparanten verklaard hadden, dat zij ten tijde van het verongelukken van het schip bij of op de Onrust veel zwarte en witte haver de Helder hadden zien voorbijdrijven en ook aldaar was aangespoeld, en dat door de equipage van een Russisch kofschip, hetwelk in de nacht van de 12e op de 13e september 1833 als bijlegger aldaar was binnengevallen, aan hen verklaard was, dat zij op de hoogte van de Onrust plotseling uit het gezicht hadden verloren een smakschip, hetwelk zij enige tijd bij zich hadden gehad
-
Dat hun comparanten bekend is, dat Hessina Brands, weduwe van Jan Jans Bresters, wegens het verongelukken van meergemeld schip de gelden daarvoor uit drie scheepscompacten te Sappemeer en Groningen, alsmede ook een gratificatie van Z.M. de koning der Nederlanden heeft ontvangen.
Ten slotte verklaren zij zes comparanten op grond van een en ander:
-
Dat het zeker en zonder enige twijfel is, dat meergemeld smakschip de VROUW STIENTJE totaal is verongelukt en de gehele equipage daarvan in zee is omgekomen en alzo Jan Jans Bresters, Hendrik Jans Berends Mulder, Jacob P. Feringa, Ipe van den Bos en Thies Storteboom alle vijf overleden zijn.
Waarvan acte.
Groningen, 2 juli 1836.
ML / 070911
Familiegegevens en opleiding
Geen
De schepen van de kapitein
Bouma025 vermeldt T.M.Visser als gezagvoerder gedurende:
* 1832 t/m 1837 van de kof “Vrouw Anneke”, gebouwd in 1821, bouwplaats niet vermeld, 70 ton o.m., varend als kapitein/eigenaar vanuit Lemmer.
Overige bijzonderheden
Zeeprotest XII123
De oktober-stormen in het jaar 1830 waren schadelijk voor het smakschip de Vrouwe Anneke. 1) Schipper van deze smak is de Schiermonnikoger Teunis Martens Visser. 2)
Op 7 oktober 1830 en volgende dagen wordt in Koningsbergen rogge ingeladen, met bestemming Amsterdam. Op 11 oktober vertrekt men uit die havenplaats en kiest op de 17e, met zuidoostelijke wind zee. Er is op deze reis veel slecht weer waardoor er veel water over en op het schip komt.. Op de 27e oktober wordt de grote giek verloren. Een maand later in de nacht van 29 op 30 november, slaat ten gevolge van een stortzee de kop van een zwaard in stukken. De jager en enig lopend touwwerk worden afgesneden. Het schip raakt zodanig lek dat de naaste haven wordt opgezocht voor herstel van de schade. Een vissersschuit assisteert bij het binnenlopen van het Friese gat. Op 7 december kan in Ezumazijl worden afgemeerd.
Op 22 januari 1831 wordt in het huis van kastelein Teake Pieters van der Herberg de beschadigde rogge verkocht. 3) De Vrederechter in Dokkum heeft daarvoor toestemming gegeven.
De rogge wordt in 12 gedeelten aangeboden. Kastelein van der Herberg zelf is de grootste afnemer (van de rogge). Hij koopt drie gedeelten voor totaal fl. 50,75. De gehele opbrengst is fl. 196,50. De kopers moeten direct betalen. Hun koopsom wordt met 10 % verhoogd ter bestrijding van alle kosten.
De Vrouwe Anneke is weer hersteld. Helaas heeft schipper Teunis Martens Visser daar niet lang plezier van gehad. Uit de verklaring van een viertal in Dokkum wonende vrouwen voor het gerecht op 22 dec 1836 4), blijkt dat deszelfs smakschip de Vrouwe Anneke genaamd in de maand september 1833 met man en al in de Noordzee is omgekomen. Teunis Martens Visser is bijna 30 jaar geworden. Zijn toen 29 jarige vrouw was voor de 2e keer weduwe.
N.B. De vier in Dokkum wonende vrouwen zijn op Schiermonnikoog geboren. Het zijn eilanders die mogelijk door een baan aan de wal, hun partner hebben gevonden en daar zijn getrouwd. Het gaat om:
- Sieuke Jacobs Engelsman, die op 14 nov 1813 in Dokkum met de mandenmakersknecht Jan Hendrik Gatschalk was getrouwd. zie Teensma pag. 107;
- Trijntje Eltjes de Wilde, zij huwde op 14 mei 1820 in Dokkum de verversknecht Hendrik Lodewijk Lodeysen. zie Teensma pag. 338;
- Betje Jacobs Swart, zij tr. 25 mei 1839 in Dokkum met de zadelmaker Conradus van der Veer. Zie Teensma pag. 258.
- Reintje Douwes (Klontje) geboren 1 febr. 1791, die op 21 nov 1819 te Dokkum de timmermansknecht Bouwe Heetzes de Haan had getrouwd. In de verklaring noemt Reintje Douwes zich Klontje. In de Burgerlijke Stand wordt ze met Reintje Douwes aangeduid. Toch is een relatie met de familie Klontje niet uitgesloten. Reintjes grootouders van vaders kant waren: Teunis Eltjes en Trijntje Douwes Hitman. Uit Teensma’s eilander geslachten blijkt dat de naamdragers Donema, Hitman en Klontje tot één familie behoren. De ouders van Reintje zijn vroeg overleden waardoor het niet is uitgesloten dat zij tot haar vertrek naar Dokkum bij een ver familielid is grootgebracht waardoor zij in het spraakgebruik de achternaam Klontje kreeg.
- Tresoar, toeg. 26, inventaris 104016, akte nr. 160, d.d. 7 dec 1830
- Teunis Martens Visser, geboren 31 okt 1803, verdronken in de Noordzee sept 1833, z.v. Marten Wiggerts en Yntje Gerrits; 2e echtgenoot van Anneke Jans Hoeksma, zie H.D. Teensma, pag. 150
- Tresoar, toeg. 26, inventaris 104017, akte nr. 7 d.d. 22 jan 1832
- Tresoar, bijlage huwelijksstukken van Klaas Freerks Colle en Anneke Jans Hoeksma. Burgerlijke Stand Schiermonnikoog 12 jan 1837, akte nr. 2(zie ook Teensma pag. 70)
Kollum, november 2009
Pieter Fokkes Visser
|