Inloggen

Samenvatting:
De akte beschrijft een scheepsverklaring waarin de stuurman, kok en kapitein van het tjalkschip De Jonge Tijs Ritsma verklaren dat ze tijdens hun reis van Rostock naar Harlingen herhaaldelijk zijn getroffen door zware stormen en tegenwinden. Deze omstandigheden veroorzaakten schade aan het schip, waaronder lekkage, waardoor ze diverse keren moesten uitwijken naar veilige havens. Ondanks alle inspanningen om hun reis voort te zetten, werd hun voortgang aanzienlijk vertraagd. Ze verklaren dat de schade volledig buiten hun schuld is ontstaan en dat ze volgens goed zeemansgebruik hebben gehandeld.

Datum:
1821-08-17

Type Akte:
scheepsverklaring

Personen:
Pieter Harmen Piebes - P.H.P. - Stuurman
Pijs Jacobs Visser - P.J.V. - Kok
Tijs Dirks Ritsma - T.D.R. - Schipper
Schelte Jacobs Brouwer - S.J.B. - Getuige
Sibout Buma van Aardenburg - S.B.v.A. - Getuige
Jacob Hanekuijk - J.H. - Notaris

Goederen:
Rogge

Locaties:
Harlingen
Rostock
Rensburg
Cuxhaven
Eiland Juist
Eems
Elve (Elbe)
Helgoland
Persivelling
Perschilling (Terschelling)

Reisroute:
Rostock → Harlingen

Scheepsincident:
Hevige stormen, schip werd lek, moest herhaaldelijk schuilen en reparaties uitvoeren.

Incident Locatie:
Op zee tussen Rostock en Harlingen, o.a. bij Juist, Eems, en Elbe.

Scheepsnamen:
De Jonge Tijs Ritsma

Schippers:
Tijs Dirks Ritsma

Initialen:
T.D.R.

Type Schip:
Tjalkschip

Afmetingen:
Geen afmetingen gevonden

Lasten:
Geen lasten vermeld

Moderne tekst:

Op 17 augustus 1821 verschenen voor de notaris Jacob Hanekuijk, openbaar notaris te Harlingen, arrondissement Leeuwarden, provincie Friesland, in aanwezigheid van de getuigen Schelte Jacobs Brouwer en Sibout Buma van Aardenburg (schoolonderwijzer, beiden woonachtig in deze stad), de volgende personen:

beiden in genoemde functies varend op het tjalkschip De Jonge Tijs Ritsma, dat werd gevoerd door schipper Tijs Dirks Ritsma van Schiermonnikoog. Het schip kwam uit Rostock, beladen met rogge, en was bestemd voor Harlingen.

Zij verklaarden het volgende:

Op 21 mei 1821 begonnen zij met het laden van de lading, en op 22 mei was het schip volledig en correct geladen. Op 23 mei waren alle voorbereidingen getroffen: het schip was dicht, goed gekalefaterd, de masten, pompen en luiken waren voorzien van dubbele kragen en afdekkingen volgens zeemansgebruik. Men had zich dus volledig voorzien van alles wat nodig was voor een veilige zeereis.

Op 24 mei om drie uur ’s ochtends vertrokken zij met goed weer uit Rostock, met een loods aan boord. Rond acht uur ’s ochtends bevonden zij zich op volle zee, waarna de loods van boord ging. De zeilen werden volgens de bestemming gezet. De wind was noordoost en nam in kracht toe. Rond het middaguur moesten zij het bovenzeil wegnemen vanwege de steeds heviger wordende wind. Om twee uur ’s middags waaide het storm en de zee werd zeer ruw. Het schip slingerde hevig, kreeg veel water over, en begon te lekken. Men moest voortdurend pompen om het schip droog te houden.

Gezien deze situatie werd gezamenlijk besloten om, indien mogelijk, het eiland Fehmarn aan te lopen. Dit lukte, en om vier uur in de middag bereikten zij veilig de ankerplaats. Daar onderzochten zij het schip zorgvuldig. Ze ontdekten dat het lek zich onder de voorplecht bevond, waarschijnlijk veroorzaakt door het zware zeilen. Ze repareerden dit lek zo goed als mogelijk.

De storm hield aan tot 26 mei, waarna het weer opklaarde en de wind naar het zuiden draaide. Op die dag, om drie uur 's ochtends, lichtten zij het anker en gingen weer onder zeil met goed weer. De wind nam echter al snel weer toe en de zeilen moesten gereefd worden. Ze kregen veel zeewater over, maar verder gebeurde er niets bijzonders, tot zij op 30 mei veilig in Rensburg aankwamen. Op 31 mei werden ze daar ingeklaard en vertrokken in de namiddag om verder de rivier af te zeilen.

Op 4 juni, toen zij een stuk onder de zogenoemde Colder waren gekomen, moesten zij daar ankeren vanwege sterke tegenwind. Op 5 juni, vroeg in de ochtend, met noordoostenwind en een flinke bries, lichtten zij het anker en gingen onder zeil. Rond drie à vier uur in de middag waren ze op zee en zetten hun koers.

Op 6 juni passeerden zij het westelijk deel van het eiland Juist. Toen draaide de wind naar west tot westnoordwest en werd krachtig. Met de vloed probeerden ze de rivier de Eems te bereiken, om te voorkomen dat zij terug naar de bocht van de Elbe zouden worden gedrukt. Door de krachtige wind en de spanning op de zeilen kwam het schip echter opnieuw zwaar onder water te liggen en werd weer lek. Daarom moesten zij hun plan opgeven, de zeilen bergen en op enkel gereefd grootzeil blijven drijven, terwijl de zee het schip zwaar teisterde.

Die nacht bleef de wind hevig. Op 7 juni besloten zij, wederom in overleg, om voor het behoud van schip en lading de rivier de Elbe binnen te lopen. Die avond om elf uur kwamen zij behouden voor anker bij Enschaven. Op 8 juni ontdekten zij opnieuw lekken in het schip, die zij weer repareerden.

Op 11 juni, toen de wind naar het oosten draaide, lichtten zij om drie uur ’s ochtends het anker om opnieuw te vertrekken, maar toen zij nauwelijks op zee waren draaide de wind weer tegen. Zij moesten terugkeren en op 12 juni ankerden zij bij de Kleine Kaap bij Cuxhaven.

Vervolgens werden zij door zware stormen en tegenwind opgehouden in de Elbe en konden niet naar zee. Er gebeurde verder niets noemenswaardigs, behalve dat zij ongeveer tien keer vanuit de Elbe naar verschillende andere plaatsen moesten uitwijken om veilige ankerplaatsen te zoeken. Ondanks al hun inspanningen konden zij niet vertrekken.

Op 19 juli, terwijl zij op de rede van de rivier de Stör lagen, draaide de wind naar het oosten. Ze lichtten het anker, gingen onder zeil en passeerden om tien uur ’s avonds het zogenaamde Duurschip buiten de Elbe, bij goed weer, en vervolgden hun koers.

Op 20 juli om vier uur ’s ochtends zagen zij het eiland Helgoland noordoost van hen liggen. De wind was zuidoost. In de namiddag draaide de wind naar het westen met een krachtige bries. Zij trokken hun zeilen bij en gingen op noordwestkoers. Tegen tien uur ’s avonds draaiden zij naar het zuiden. Op 21 juli in de ochtend werd de zee hol, de lucht zwaar bewolkt en kregen zij veel water over het schip. Daarom lieten zij het schip voor de wind zuidwaarts afdrijven.

Tussen negen en tien uur ’s ochtends zagen zij het eiland Juist en besloten, omdat zij voor het tij lagen, om de Oosterems aan te lopen. Omstreeks tien à elf uur zeilden zij binnen en gingen onder de zogenaamde Ransel voor anker. De wind was west met een sterke bries. Door aanhoudende winden en stormen moesten zij daar blijven liggen tot 5 augustus, zonder vooruitgang te kunnen boeken.

Op 5 augustus draaide de wind naar het oosten en het weer werd beter. Zij lichtten het anker, gingen onder zeil en kwamen die middag op zee, en vervolgden hun reis. Op 6 augustus bevonden zij zich in de voormiddag bij het eiland Terschelling. Zij kregen een loods aan boord, die hen om tien uur op de rede van Terschelling bracht. Ze werden daar ingeklaard, lichtten het anker en zeilden die avond door tot voor de zogenaamde Setting, waar zij opnieuw moesten ankeren.

Op 7 augustus ’s morgens gingen zij weer onder zeil en arriveerden veilig om zes uur in de haven van Harlingen.

Tot slot verklaarden de comparanten dat zij tijdens deze reis alle mogelijke zeemansinzet en zorgvuldigheid hebben betracht, voortdurend hebben gepompt, en dat alle geleden schade en tegenslagen uitsluitend te wijten zijn aan stormweer en natuurgeweld. De schipper, Tijs Dirks Ritsma, voegde zich bij hen en bevestigde de verklaring. Allen verklaarden dat zij deze verklaring indien nodig onder ede willen bevestigen. Pieter Harmen Piebes verdiende vier gulden per week, en Pijs Jacobs Visser drie gulden per week.

Gedaan en gepasseerd te Harlingen op 17 augustus 1821, in aanwezigheid van bovengenoemde getuigen. De comparanten tekenden deze akte, met uitzondering van Pijs Jacobs Visser, die verklaarde niet te kunnen schrijven of lezen.

 

Getranscribeerde tekst:
 „ 655 Zeven en Veertig 5 enden en te 8 46 5 8 ferBo Twaalf gedane electie van domicilium ter zyner woonstede, gete kend. Telk Pr Jan den Hoe En is dit Pericheel vervolgens tegens Verhooggeld opge roepen zynde niet verhoogd. Nadat dit alles afgelopen was, hebben wy in presen ze als boven het tegenwoordig Proce Verbaal van Craparatoire Toewyzing genoten, na hiertoe gevareerd: „hebben van Tadonch half acht tot acnt uuren in den omstanden bekend gemaakt te hebben, dat de Delinitive Toewezing zal blaats hebben op heden over veerkdagen ten zelfder uure en plaatze Riekende de Comparant ter zyner woonstede domiciliem, om deze Acte ter Executie te kunnen leggen, op welke plaats en z. niet tegenstaande ent belovende en 2. afstand doende en z. Gedaan en Gepasseerd te Harlingen in het Heeren Zodement voornoemd in tegenwoordigheid van Schelte Jacobs Brouwer, Heikman en Sibout Buma van Aardenburg, Siraa= onderwyzer, beide wonende in deze Stad, als verzochte getuigen: den Vyftienden Augustus Achtien Honderd Een en Twintig: en heeft de Comparant benevens de gemelde betuigen en ons Notaris, na gedane voorlezing, de tegenwoor„ dege Mirate getekend. S: B: Stientha Schelte I Brouwer S: B: v: Aardenburg Jacob Vanekuijs Nots. Eerste Blad. At H 108. voor onse H:r Jacob Havekuyk, Openbaar Notaris, rinde =zende te Haalman, Karton Hailingen, Arrondissement Leeu warden, Provintie Vriesland, in presentie van de natemeldene Getuigen zyn gecompareerd Pieter Harmen Piebes, Stuurman van de Pekel, e en Pijs Jacobs Visser, Kok van Scheermaunskoog, in voorschrevene qualiteiten varende op het Tjalkschip de Jonge Sns Ritsma, gevoerd wordende door schip per Thys Dirks Ritsma van Schiermanne Koog, gekomen van Rostoek, beladen met Rogge en ge destineerd naar Haalingen. Dewelke ten behoeve van een ieder, dien het mag aangaan, verklaarden, dat zy op den Eenen Twintig =sten Mei Achtienhonderd Eenen Twintig een begin maakten, om te laden, den Twee en Twintigsten dito eene volle en bekwame Lading in hadden en den Drie en Twintigsten dito van alles klaar waren, het schip hebt, digt en wel gekalfaat, de masten, pompen en luiken met dubbelde Kragen en presenningen voor zien volgens Zeemans costuum, ik zich alzo van het nodige hadden voorzien, om Koopmans Goederen over zee te transporteren; Dat zy op den Vier en Twintigsten dier maand 'S morgens ten drie uur met goedweeren werd van Rostock vertrokken, hebbende den Loots aan boord, om hunne voorgenomene reis te bevorderen dienzelfden morgen ten acht uuren en zee waren, wanneer de Loots van boord gino, naar behoren koere stelden ter plaatze hunner destinatie alle nodige zelen byzetten, zynde de wind Noord Oost met een sterke koelte, welke dier toenam, dat zij genoodzaak & waren tegen, den middag om twaalf uuren hettopzeil en te nemen, terwyl de wind zoo toenam, dat het ten twee uurer een storm waei, en de zee zeer hoog wierd, zodat dezelve het schip zeer slinderde en over hetzelve heer scoeg , waardoor het zeer op Singh en Lading aankwam, en het schip lek wierd, waardoor zy genoodzaakt werden ge stadig naar de pomp te lopen en met dezelve te werken, om het schip lens te houden; dat zy daarna met algemeen overleg resolveerden tot behoud van Scheb en Lading zoo mogelyk de Femer Land op te zoeken en ook des namiddags ten vier uuren geluktig en behouden ten anker kwamen, waagen de het eene zware storm de wendevoorden; dat ziy vervolgens het schip obredderden en rondsom hetzel „ve zogten, waar het bekomen lik was, hetwelk zo ontdekten voor in den boegeven onderwater en veroorzaakt was door het zwaarzeilen, welk lik zy goed voorzagen, zoodat het schiedigt was, dat de storm vervolgens aanheeld tot aan den Zes en twintigsten dier maand, toen het weder bedaar„ de en de wind Zuidlyk draaide, dat zy vervolgens sochtende. ten drie uur het anker ligten en onder zeilgingen met goedweer, doch dat de windspoedig zoo sterk toenam, dat zy de zeilen moesten reven„ vervolgens met diverse winden en weder hebben omgesukkeld, en veel zeewater op het schip gekregen zonder aanmerkelyke voorvallen, tot aan den Dertigsten dito - toen zy behouden te Rensburg arriveerden en den Eenendertigsten dito en ge„ klareerd wierden, en des nademiddags van daar vertrokken om verder de revier af te zeilen. dat zy op den Vierden Juny daaraanvolgende toen zi geavanceerd waren een stuk beneden den zogenaamden Colder, uit hoofde van een sterken tegenwind aldaar moesten ankeren, dat zy op den vyfden dito, de Wind Noord Oost ten zuiden dragende met een harde koelte„ smorgens zeer vroeg het groot zeil reefden het ankerligster onder zeil gingen en des nade middags ten drie a vier uur in zeezeelden, hunne koers stellende naar behoren; dat zy op den Zesden dito zoo verre geavanceerd waren, dat zy de Westbant van het Eiland Juist dwars van zich hadden, toen de wind naar het westen en west Noord westen draaide met een sterke en toenemende Koelte, terwyl de vloedstroom inviel, dat zy zoo mooglyk poogden met zwaar zeilende zogenaamde Eems te bezeilen, om Blad om niet weder achter uitte gaan en weder naar de bogt van de Elve te geraken of vervallen, dat zy dus zwaar zulden, om de Eems te kunnen bereiken doch dat de wind zoo sterk toenam en het schip door de persing der zeelen zoo zwaar onder waterlag, dat het weder zeer lek wierd, waar„ door zy van hun oogwerk moesten afzien, hunne zeilen moesten bergen en voor het enkel gereefd groot zeil, moesten laten dryven, ter„ wyl de zee zeer hoog was en geweldig op het schip sloeg, waardoor het zeer slingende en werkte en het zwaar op Schil en Lading, aankwam, en den volgenden nagt dezelfde winden weder aanhielden, dat zy op den Zevenden dito, weeven wind als voren, geen uitkomst ziende met algemeen overleg resol„ veerden, om tot behoud van schip en Lading zo mogelyk de Elve op te zoeken en binnen te lopen, vervolgens hunnen koers daarnaar in rigsten en 's avonds ten elf uaren behouden onder Enschaven ten anker kwamen; dat zy op den achsten dito weder hunne bekomene lek„ „kagien ontdekten en digt maakten; dat op den Elfden dito, toen de wind naar het Oosten liep, zy ten drie uuren sochtende het Anker ligtten en in zee voogden te zeilen, om haare reize te bevorderen, doch dat, toen zy nauwlyks en zee waren, de wind hun tegendraarde, zodat zy genoodzaakt waren, weder naar binoen te Zeilen en op den Twaalfden dito onder de kleine kaap by Caxhaven ankerden; dat zy vervolgens door zware stormen en tegenwon den op de Elve zyn opgehouden, zonder en zee te kunnen komen, zynde er niets aanwerkelyks voorgevallen, als dat zy wel tien malen van de Elve naar de steuren diverse andere plaatzen hebben moeten vluchten, om eene veilige rede opte zaeken, alle vlyt en moeite hebben aangewend, om in zee te kooren, doch door bovengemelde oorzaken daartoe niet in staat waren; dat zy op den Negentienden July daaraanvolgende toen zy op de steur ter redelagen, en de wind naar het Oosten draaide, ten eersten het anker legtten, onder zeil gingen en 'savonds ten tien uur het duurschip, t welk buiten de Elve ligt, passeerden, terwyl het weder goed was en zy hunnen koers stelden naar hunre destiratie; dat op den Twin„ tigsten dito zy 's morgens ten vier uuren het Eiland Helloland Noorde voord Oost van hen veilden, zynde de wind zuidoost, doch dat in den nademiddag de wind weder met een styve koelte naar het westen draide, en zy hunne zeelen by de windhaalden en in de Noordwest gingen leggen; dat zy T ragtsten ten tien uaren, de wind hand over hand toenemende, om de Zuid wendden; dat op den Eenen Twintigsten dito tegen den morgen de windsteeds toenam, de zee hol werd, de lucht zich zwaaren buisig zelte, en zy veel zeewater op het schip kregen, weshalven zy het om de Zuid lieten leggen, dat zy vervol„ gens in den voordemiddag tussenen negen en tien uuren het Eiland uist gewaarwierden en toende zoogenaamde Oosterlems konden bezeilen, en, daar zy toen voor den vloed had den, met algemeen overleg resolveerden, tot behoud van Schip en Lading, zoo mooglyk voornoemde Eems binnen te lopen, dewyl zy vreesden, weder spoedig met de vloedswoom in de bogt van de Elve bezet te worden, ten tien a elf uuren het zeegat bereikten en aldaar binnen zeilden en onder de zogenaamde Ransel ten anker gingen, zynde het een hande Kaelte, de wind west„ dat zo vervolgens aldaar uit hoofde van hande winden en zware stormen, zonder iets te kunnen vorderen, tot den Vyfden Augustus daaraan volgende hebben moeten, liggen, wanneer de wind op laatstgemelden dag naar het Oosten draaide en het weer goed wierd, waarop zy terstond het ankerligtten, onder zeilgingen. 'T achtermid„ dags en zee waren en hunnen koers stelden naar behoren Derde Blad. behoren; dat zy op den zesden dito in den voor de middag zich voor het Eilaad Persivelling be„ „vonden, aldaar een Loots aan boordontwingen, welke hen s voormiddags ten tien uur te Perschel ling op de reede ten anker bragt, aldaar op dien zelfden dag werden geklareerd, toen het anker ligsten en dien avond tot voor de zogenaamde setting kwamen, alwaar zy moesten ankeren; en dat zy eindelijk op den Zevenden dito 's morgens weder zeil maakten en sachtends ten zes uuren behouden in de haven van Harlingen arriveer„ den. — Eindelyk verklaarden de Comparanten, dat zy op voorsehrevendreis alle mogelyke zeemansinag gebruikt en en acht genomen, zoo veel mogelyk op de pompen geposten gepompt te hebben, zoo dat de rampen en schaden hun overgekomen zyn veroorzaakt door de woede van de zee, Gods weeren wind, buiten eenige schuld of regligen zie van de Comparanten of van den Schipper, welke laatstgemelde mede is gecompareerd, en betuigt voorschrevene Verklaring te affir =meren, willende dezelve, zoo als de andere Comparanten, ten allen tyde nader met solem: nelen Eede bevestigen; verdienende de eerste Comparant vier een tweede Golden en de tweede Comparant Drie Gulden perweek. — Gedaan en Gepasseerd te Harlingen ten Kantone van ons Notaris in tegenwoordigheid van Schelte Jacobs Brouwer, Weikman en Sibout Buma van Aardenburg, Schoolonderwyter, beide wonende in deze stad, als verzogte Getuigen: den Zeventienden Augustus Achtien Honderd Een en Twintig: En hebben de Comparanten / met uitzou =dering van Sis Jacobs Visser, die verklaarde niet te kunnen schryven noch tekenen en dit nooit geleerd te hebben:/ benevens de gemelde Getuigen en ons Notaris, na gedane vooreezing, de tegenwoordige Minute ge„ tekend. Pieter H Piebes Tijs Dirks Ritsma Schelte T. Brouwer P: B: v: Hardenburg. Jacob HanKuijk Nots. — of 27 Cents. Gereg:d te Barlingen den Zeventienden Augustus agttien honderd een en Twintig J:o 3onderd Zeven en Vijftig V=a 7: 1/10 Verz: — . 05 een. Ontvangen Zeven en Veertig Cents voor regt Sindio:-07 59 en Twaalf Cents voor Verzogingen Albarda Sz