Inloggen
SCHERPENDRECHT - ID 5760

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1918
Classification Register: Germanischer Lloyd (GL)
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Steamship
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Joh. Berg - Scheepswerf & Machinefabriek 'Eems', Farmsum, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 490
Delivery Date: 1918-11-15
Technical Data

Engine Manufacturer: Joh. Berg, Farmsum, Groningen, Netherlands
Motor Type: Steam, Triple Expansion
Number of Cylinders: 3
Power: 400
Power Unit: IHP (IPK)
Eng. additional info: 12 5/8, 19 13/16 & 31½ - 21 5/8
Speed in knots: 8
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 493.10 Gross tonnage
Net Tonnage: 248.37 Net tonnage
Deadweight: 670.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 30000 *** Onbekend ***
Bale: 28000 *** Onbekend ***
 
Length 2: 160.0 Feet (British) Registered
Beam: 25.8 Feet (British) Registered
Depth: 11.9 Feet (British) Depth, moulded
Ship History Data

Date/Name Ship 1918-11-15 SCHERPENDRECHT
Manager: Phs. van Ommeren N.V., Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Maatschappij 'Kustvaart', Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PRVD

Date/Name Ship 1922-04-00 LA MAILLERAYE
Manager: Worms & Co., Le Havre, France
Eigenaar: Worms & Co., Le Havre, France
Shareholder:
Homeport / Flag: Le Havre / France
Callsign: OLAS

Date/Name Ship 1941-02-21 LA MAILLERAYE
Manager: Deutsches Reich, Unknown, Germany
Eigenaar: Deutsches Reich, Unknown, Germany
Shareholder:
Homeport / Flag: Unknown / Germany

Ship Events Data

1918-11-15: Het schip werd te water gelaten als NUBBEN voor de Rederi A/S Nordnaes te Bergen (Noorwegen), maar om onbekende redenen niet afgenomen. Het geheel voltooide schip lag in november 1918 te Delfzijl, toen eigendom van de scheepsbouwers J.Th. Wilmink en J. van Diepen, beide wonend te Groningen. Phs. van Ommeren kocht het schip en bloc met de ook voltooid te Delfzijl liggende NAN (later MEERDRECHT) voor samen NLG 810.000,- (zie document onder photos)
1919-12-04: De Telegraaf 05-12-1919: Scherpendrecht. Vlissingen, 4 Dec. Volgens alhier ontvangen bericht is het Nederlandsche s.s.”Scherpendrecht”, van Middlesbro naar Antwerpen, wegens een defect aan de machine bij West-Kapelle geankerd.
1920-11-18: Voorwaarts 19-11-1920: Scherpendrecht. Vlissingen 18 Nov. Het naar Antwerpen bestemde Nederl. stoomschip Scherpendrecht is tijdens mist op de Schelde bij Vinkenisse aan den grond gevaren. Er is een sleepboot ter plaatse.
1921-01-29: Algemeen Handelsblad 29-01-1921: Loods aan Boord ! De reede van Vlissingen. De oude wallen van Vlissingen bochtten bruinrood op uit de reeds paarlemoerende morgenzee. Door de Sardijngeul, zooals het vaarwater langs de stad heet, dat daar maar 100 meter diep is, draaiden we Oostwaarts in, naar binnen. Het water is hier zoo moeilijk en zoo nauw, dat de minste fout een schip vast doet loopen. Het heeft bovendien nog extra eigenaardigheden als bij kentering van tij, waarneer er een stroomnaad over het water loopt die er uitziet als een branding op een droogte en waarover dwarsheen moet worden gestuurd als 't schip niet uit zijn roer zal loopen. Telkens wisselden hier de commando's van den loods: 'Bit port! — Easy now! — Hard Port! Steady as she goes! — 'Bit starboard! — Hard starboard! — Steady as she goes!.... en de slanke jongen aan 't stuurrad herhaalde ze — en deed. Boven de wallen en, huizen en torens van de stad, boven haar havens en de Leviathan figuren van haar geweldige kranen brak een roode zon de wolken open. Eerst als een paddestoel met bobbeligen bovenkant. Toen als een correcte champignon. En toen droop de steel weg, rondde zich de zwam en werd een winterroode zonnebol. Het water bloosde. En 't werd 15 Januari op de ree van Vlissingen. Toen wendde loods Van Baaren zich tot den kapitein die, van zijn thee terug (we hadden op de brug ook thee gehad, een kop van die lichtgeurige zooals alleen een Engelsche trekpot schijnt te schenken) weer boven was gekomen. En hij zei: „Nu zal ik dus het sein voor een Hollandschen loods geven. “All richt", antwoordde de gezagvoerder. En de loods greep het trektouw en hing, met zijn heele lijf, de zware stoomfluit open. Het lange zwijgen van de zee zat onzen bas nog in de keel; eerst schorde hij maar 'n heesch geschraap naar buiten. Maar allengs gaf hij heel den asem van zijn diepe longen op in een geloei dat boven ons brulde over 't water en dat galmde tegen de muren van de pas ontwaakte stad. Twee lange stooten bulkten zoo naar buiten. En daar in de haven, op de motorbooten en in de wachtlokalen der loodsen, wisten ze nu: Een Hollandsche rivierloods wordt gercepen. Ware 't een Belg geweest dan zouden, na de lange, nog twee korte stooten zijn gevolgd. Maar op de reede kwamen ons twee motorbooten tegen: de Hollandsche èn de Belgische. De Hollandsche kwam langszij en liet den loods aan boord. Van de Belgische boot af werd, zeer dringend, iets geroepen naar de Glenshiel. Later, aan wal, bleek ons, dat dit een schip geweest was van een lijn waarvoor de Belgen geregeld loodsen leverden en die zij als een van “hun” lijnen beschouwden. Ze hielden zich echter weldra stil toen onze rivierloods aan boord was. Ik dankte den kapitein voor zijn beleefdheid en verliet, met den heer Van Baaren, het schip langs den valreep die nu ('t was goed half negen) heel wat beter zichtbaar was dan om half zes. Nu moet men echter niet denken dat het steeds zoo rustig gaat... of althans ging. Sedert België in den heer Rombouts een gentleman als inspecteur van het Belgische loodswezen te Vlissingen heeft, is de verhouding tusschen de beide inspecteurs, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, zeer goed. Die goede verhouding heeft geleid tot een afspraak welke, juist even vóór ik te Vlissingen aankwam, door kolonel Gooszen met zijn collega Rombouts was gemaakt en die de strekking had om de woeste tooneelen te fnuiken die zich bij aankomst van schepen op de ree vaak voordeden. Dan vlogen de beide motorbooten uit en dan zagen de Belgen, althans een zeker aantal van hen, er niet tegen op om zich nog aan boord te werken nadat de Hollandsche loods reeds aangenomen was en zelfs om, zonder zich te bekreunen om gevaar voor ongelukken, zoo mogelijk hun boot te wringen tusschen het schip en de Hollandsche boot wanneer die reeds langszij lag. We hebben, van één zoo'n geval als voorbeeld, een afschrift vóór ons liggen van een officieele verklaring afgelegd door den kwartiermeester van een Hollandsche motorboot. En, al zijn nu, na de afspraak tusschen de beide inspecteurs, de unfaire praktijken der Belgische loodsen op de rêe van Vlissingen misschien gestuit, het is toch goed dat zoo'n geval gepubliceerd wordt omdat het de stemming van de Hollandsche loodsen tegen de Belgen (of laat ons maar zeggen: tegen een deel van de Belgen) zoo verklaarbaar maakt. Wij geven dus hieronder de verklaring weer zooals ze luidt, met weglating van namen (omdat het persoonlijke element worden vermeden) en van een enkele, bijzonder ernstige beschuldiging van zeer persoonlijken aard ten aanzien van den schipper der Belgische motorboot. “Ondergeteekende X., kwartiermeester b/h Nederl. loodsw. te Vlissingen, verklaart te zijn uitgevaren naar een Grieksch stoomschip in oppositie met de Belg. motor. Langszijde gekomen verlangde de kapitein een Ned. binnenloods, welke ook overging. Terzelfder tijd kwam een ander s.s. in 't zicht in de Wielingen; dit s.s. gaf twee lange stoeten o/d stoomfluit. De Belgische motor stoomde er niettemin heen, en achter hem de Ned. motor; daar de Belgische motor ver vóór was, kwam deze 't eerst langszijde van het s.s. Het was het Eng. s.s. „Ruth". De kapitein en loods riepen beiden, dat zij een Hollandschen binnenloods moesten hebben, maar de Belgische kwartiermeester (schipper) Y. wilde niet van langzij weg gaan. Door de vaart welke het s.s. had, ongeveer vijf mijl, zakte de Belgische motor een weinig achteruit, zodoende kwam, er voor ons ruimte om aan den voorkant van de Belgische motor langszijde van het schip te komen, zoodat de binnenloods N.N. overging. Toen onze motor aldus langszijde lag, stoomde de Belgische motor tussohen óns en het s.s. in, zoodat die Belg. motor klem kwam, inmiddels volle kracht blijvende doordraaien. Toen liet de Belg. schipper Y. het roer los en kwam naar voren met de woorden: „Als er averij is, dan is dat jouw (de Holl. sch.) schuld. Je mag niet langszij komen als ik langszij leg." Ondergeteekende weet zeer goed, dat hij niet langszijde mag komen van de Belg. motor, doch dat hij niet langszijde van een schip mag komen, dat een Nederl. loods vraagt, daarvan is hem niets bekend. De Ned. motorafhaaldienst (verwisseldienst) wordt voornamelijk door genoemden schipper Y. zeer bemoeilijkt en ….........¹) onzen dienst veel oneerlijke concurrentie aangedaan. Nadat bovengenoemd s.s. van een loods was voorzien, zijn beide motoren weer naar binnen gegaan. Ongeveer 10 minuten na aankomst kwam de roeier A., welke de wacht op het hoofd had gehad, in den wacht. De roeier A. had den Belg. commissaris B. tegen schipper Y. hooren zeggen: ,Je moet hun heelemaal geen ruimte geven om langszijde van een schip te komen," waaruit kan worden opgemaakt, tevens indachtig aan zoovele soortgelijke gevallen, dat er van Belgische zijde aangespoord wordt om oneerlijke concurrentie te voeren. Vlissingen, 18 April 1920. (Volgt
onderteekening.) Nu is het mogelijk dat het met dergelijke dingen thans uit is. En het gedrag van de bemanning der (overigens geheel overbodiglijk uitgevaren) Belgische boot ten aanzien van de Glenshiel doet dit inderdaad denken. Dat is dan het gevolg van de afspraak tusschen de beide inspecteurs, volgens welke het aanbieden van een loods slechts op bedaarde en correcte wijze mag geschieden. De Hollandsche inspecteur had gewenscht dat, zoodra een schip dooreen sein duidelijk heeft te kennen gegeven, welke nationaliteit van loods het verlangt, de andere nationaliteit zou thuisblijven. Maar daartoe was de Belgische inspecteur niet to krijgen; hij vond dat de beide booten steeds moesten uitvaren ten einde den kapitein de “vrije keus" te geven, die hij volgens het tractaat moet hebben. Wij hebben in ons onderhoud met den heer Rombouts (waaraan wij overigens niet dan aangename herinneringen behouden) te vergeefs getracht, hem tot het inzicht te brengen, dat de kapitein zijn vrijheid even goed heeft buiten als op de reê en dat het sein : Ik wil een loods van die nationaliteit hebben, beteekent, dat hij zijn keus reeds gedaan heeft. Waarna iemand, die eenig quant-a-moi bezit, zich niet verder poogt op te dringen. Maar de heer Rombouts bleef het niet die opvatting van vrije keus oneens.
Intusschen, al zal dan nu misschien aan het openlijk handelen in strijd met tractaat en reglement een eind zijn gemaakt, de verholen machinaties zijn door geen orders van den inspecteur te fnuiken. Brieven als die van het bestuur van de Belgische Loodsenvereeniging, dien wij in ons vorige artikel publiceerden, ontsnappen natuurlijk aan elke controle. En dezelfde knoeigeest die uit zulk een brief spreekt, de geest van rusteloos wroeten, tegen de „vrije concurrentie", de geest die tractaat en reglement geheel verloochent en verleugent, die zal natuurlijk ook aan boord zijn van een schip, dat met een Belgischen loods van zulk een gezindheid uit zee komt. Den kapitein zal worden wijs gemaakt dat hij, voor Belgische havens, een Belgischen loods moet nemen. Daarom wordt ons aandeel in 't beloodsen der rivier onfeilbaar beïnvloed door ons aandeel in 't beloodsen der gaten (gelijk ook 't omgekeerde waar is), zoodat tekort aan materiaal in de gaten ons niet slechts daar, doch óók op de rivier te schade komt.
Maar het kwaad zit in hoofdzaak niet te Vlissingen, doch te Antwerpen. ln den officieelen Engelschen Zeemansgids, waaruit wij een vorig maal reeds iets citeerden, leest men (nadat gewaagd is van de gelijkgerechtigdheid der beide loodsdiensten): „Maar daar het geen Nederlandschen rivierloods veroorloofd is, het schip (te Antwerpen) in de havens te loodsen, moet het schip ter reede ten anker komeni en wachten op een Belgischen loods wat dikwijls een oponthoud van een tij beteekent." Nu getuigt, wat hier wordt meegedeeld, reeds van een praktijk, volkomen in strijd met het slot van Art. 14 vani bet Scheldereglernent. Maar bovendien behoeft er, bij verwisseling van loods, natuurlijk geen tij te verloopen! Overal waar het op de normale wijze geschiedt, is het een zaak van enkele minuten. Dit blijkt echter een van de vele praktijken te zijn, waarmede te Antwerpen het Hollandsche loodswezen wordt gesaboteerd. Alles wat met de Antwerpsche haven te maken heeft, van havenmeesters af tot waterklerken toe, pleegt „lijdelijk verzet" (zooals het in de moderne arbeidersbeweging zou heeten), zoodra het een schip betreft dat met een Hollandschen loods binnenkomt of dat met een Hollandschen loods uitvaren wil. Alles wordt bemoeilijkt en vertraagd en op zijn allerminst, als men formeel gedekt wil blijven, wordt voor een schip met Hollandschen loods niets vergemakkelijkt. Natuurlijk gaan de kapiteins dat allengs merken en het gevolg is dat zij, die vaak in de Antwerpsche haven komen, zich een Belgischen rivierloods laten geven, want men zorgt er wel voor dat, voor de kapiteins, de “vrije keuze" van een loods te Antwerpen die is van den speler dien men een carte forcêe laat trekken — en dat zij te Vlissingen hun schepen ook weer laten overgeven aan Belgische zeeloodsen. Doch bovendien zullen zulke kapiteins in de toekomst ook bij het binnenkomen een Belgischen loods nemen en dit reeds in de zeegaten doen, wanneer ze daartoe niet al een vorig maal waren gekomen door de valsche voorstellingen, die Belgische loodsen hun van de loodsregeling op de Schelde geven. Vandaar dat wij wezen op de wisselwerking tusschen zeedienst en rivierdienst. Vandaar dat wij, reeds in onze eerste artikelen, doelden op een indirecte oorzaak die nadeeüg werkt op het Nederlandsche aandeel in den zeedienst. En vandaar dat men in heel Antwerpen slechts... vier Hollandsche loodsen vindt. Wat natuurlijk onmogelijk ware bij een faire concurrentie, overeenkomstig tractaat en reglement. En dat het aandeel van Nederland in den naar-zeedienst op de rivier, naar de inspecteur-generaal van het loodswezen, ons mededeelde, slechts acht procent bedraagt! Misschien zijn ook, uit die praktijken te Antwerpen, zoo opzienbarende en ergerlijke gevallen te verklaren als die van de Beukelsdijk en de Vechtdijk waarvan de Nederlandsche gezagvoerders op de ree van Vlissingen Nederlandsche rivierloodsen weigerden. En misschien ook het nog niet gepubliceerde maar even ergerlijke geval van de Scherpendrecht. Op een vertoog van den Hollandschen inspecteur te Vlissingen heeft de Holland—Amerika-lijn haar kantoor te Antwerpen gelast, een Hollandschen loods voor het uitvaren te nemen. Het kantoor heeft dat gedaan... tot woede van den kapitein der Beukelsdijk (hoe 't met de Vechtdijk is gegaan in Antwerpen, is ons onbekend), die echter niets meer aan de zaak kon doen daar het loodsgeld was betaald en het Nederlandsche loodskantoor- natuurlijk!- niet bereid was, het terug te geven, gelijk de kapitein verlangde. Hij is dus wel met een Hollandschen rivierloods moeten uitvaren. En juist toen wij met de Glenshiel op de reede van Vlissingen kwamen, voer daar de Scherpendrecht naar Antwerpen op,., met, naar ons verzekerd is, een Belgischen loods. Een Hollandsen schip, van een Hollandsche firma. En met een Hollandschen kapitein, die... de zoon is van een Hollandschen loods te Vlissingen en die eenmaal gezegd had: “Ik heb hier zooveel van de Belgen gezien, dat ik nooit een Belgischen loods op mijn schip zou nemen". Toen deze Petrus dat zeide, heeft toch zeker ergens in de buurt een haan gekraaid. De Hollandsche loods, die op de Beukelsdijk aan boord wilde komen — want men dacht natuurlijk aan een vergissing toen een schip van de Holland America, lijn, twee lange en twee korte stooten gaf — zei, toen de stormladder voor zijn neus werd opgehaald, tot kapitein De Witte: “Ben jij een Hollander? Voel jij nu hier niets?" En hij sloeg zich op de borst. Hij deed daarmee, formeel, verkeerd. Maar wie, die nog niet gansch verlammelingd is, zegt hem dit niet hartgrondig na? Intusschen, er kunnen onbekende redenen zijn geweest voor de gezagvoerders der Benkelsdijk, Vechtdijk (Dit schip is, volgens een bezwaarschrift van de Nederlandsche loodsen, op de reede van Vlissingen gekomen met de Belgische vlag aan den voormast! ) en Scherpendrecht om zoo te handelen als ze deden en den Nederlandschen loodsdienst — en daarmee het Nederlandsche volk — een slag in 't aangezicht te geven. Wij onderstellen, dat deze heeren — die toch nog Nederlanders zijn reeds lang de behoefte gevoelen om van hun motieven rekenschap te geven aan de Nederlandsche natie. Welnu, het Handelsblad staat daartoe zeker voor hen open. We hopen dit driemanschap eerlang „er onder uit” te zien komen.
Toen ik, na mij wat te hebben opgefrischt, in het wachtlokaal der Hollandsche loodsen te Vlissingen (waar een aantal kribben staan al 3 rustplaatsen voor de loodsen die zich hier gereed hebben te houden), het telegraafkantoor binnenkwam, vond ik daar... twee loodsen van de No. 9! En wel dengene die mij zijn hut had afgestaan en mijn schaak-partner van den vorigen avond. De nacht had blijkelijk wat ingehaald van den achterstand des vorigen daags, want ze waren vlak achter ons binnengekomen, de eene op een Amerikaan, de andere op een... Belg, die nog wel den vermaarden naam van Peter Benoit droeg! Dit laatste maakte het versche geval van de Scherpendrecht weer wat goed. Maar niet de cijfers van de statistiek: 80 a, 85 % voor België. Die worden beheerscht door de Belgische verdragspraktijken. Wat daaraan voor ons te doen valt, zullen we in een slotartikel nagaan.
Algemeen Handelsblad 04-02-1921: Binnenland. Loods aan Boord. Naar aanleiding van wat wij schreven over het geval van de Scherpendrecht, ontvingen wij heb onderstaande schrijven van den gezagvoerder van dat schip: Mijnheer de redacteur! Uw artikel over de Scherpendrecht heb ik gelezen. Ik moet mededeelen dat het bericht over het varen met een Belgischen loods ep de Schelde op een absolute onwaarheid berust. De loods die op die reis bij mij aan boord was gekomen te Vlissingen, was de Nederlandsche loods Kamermans die mijn schip geloodst heeft tot Antwerpen. Ik wil u wel mededeelen, dat, zoolang ik op Antwerpen gevaren heb, er slechts tweemaal een Belgische zeeloods en driemaal een Belgische rivierloods bij mij aan boord is geweest. De rivierloodsen waren bij mij aan boord gezonden omdat de Nederlandsche loodsen nog niet van Antwerpen naar Vlissingen mochten loodsen. Ik geloof wel als men gedurende 18 maanden met tusschenpoozen op Antwerpen vaart en in dien tijd misschien 15 reizen doet, het varen met Belgische loodsen in bovengenoemden zin niet te beschouwen is als van eenige beteekenis. En dat dit geenszins aangeduid mag worden in afkeurenden geest ten opzichte van ondergeteekende die het zich een voorrecht acht Nederlander te zijn. Het bericht omtrent mijn schip heeft u zeker gekregen uit een bron die niet betrouwbaar is te noemen. Wenscht u weer eens inlichtingen, dan raad ik u zich tot loodspersoneel te wenden dat beter van de zaak op de hoogte is. Hoogachtend, P. N. Loesberg Jr. Rotterdam, 1 Febr. 1921. Wij bieden, naar aanleiding van dit schrijven, den gezagvoerder van de Scherpendrecht--al zijn wij in deze zonder schuld--de betuiging van ons leedwezen aan wegens het blijkelijk onverdiend werpen van een blaam ep zijn gedrag als Nederlander. En daarom plaatsen wij deze rehabilitatie dan ook buiten de gewone rubriek der ingezonden stukken; de heer L. heeft er recht op, dat zijn lezing van het geval (aan welker juistheid wij natuurlijk niet twijfelen) zooveel mogelijk aandacht trekke. Intusschen zijn wij zonder schuld, daar onza bron van inlichtingen precies die is, welke de heer L. ons aanbeveelt: het loodspersoneel te Vlissingen. Dit was trouwens zeer duidelijk in ons artikel vermeld en wij vermoeden dus, dat de heer L. niet ons artikel, maar een verkorte mededeeling eruit in een ander blad heeft gelezen. Ten slotte teekenen wij nog aan, dat één uiting in het bovenstaande schrijven ons onverklaarbaar is. “De (Belgische) rivierloodsen waren bij mij aan boord gezonden omdat de Nederlandsche loodsen nog niet van Antwerpen naar Vlissingen mochten loodsen". Niet mochten. Dat ware dan echter in flagranten strijd met tractaaft en reglement. En een zóó krasse schending ware wel héél bar.
1921-06-29: Rotterdamsch nieuwsblad 30-06-1921:
Vlissingen, 29 Juni. Het Nederlandsche stoomschip “Scherpendrecht”, teruggekeerd uit zee wegens slechte kolen, is op haven gekomen om te bunkeren.
1922-04-24: Voorwaarts 24-04-1922: Verkochte schepen. Rotterdam, 24 April. Het Nederlandsche stoomschip “Scherppendrecht” 493 BRT en 248 netto ton groot, in 1918 bij Joh.Berg te Delfzijl gebouwd en behoorende aan de N.V. Mij. Kustvaart te Rotterdam, is naar Frankrijk verkocht.
1941-02-21: De LA MAILLERAYE werd te Bordeaux door de Duitsers in beslag genomen. Het schip werd mogelijk gebruikt voor de Unternehmen Veltjens.
1944-08-05: Final Fate:
De onder Duitse vlag varende LA MAILLERAYE is te Pauillac (monding van de Gironde) door een geallieerde aanval getroffen en gezonken. Het wrak werd na de oorlog (1946 of 1947) gelicht en gesloopt.

Afbeeldingen


Omschrijving:
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving:
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: De verklaring van bouw van het stoomschip NUBBEN, later de SCHEPENDRECHT van Van Ommeren.
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: La Mailleraye 1918 ex Scherpendrecht
Gemaakt door: Unknown