Ned. Staatscourant 02-03-1921
Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart betreffende de aanvaring
van het motorzeilschip SAN ANTONIO met de kettingboot n°. 1 van de Gemeente Amsterdam op het IJ. Op 9 juli 1920 is het motorzeilschip SAN ANTONIO in aanvaring gekomen met een kettingboot van de Gemeente Amsterdam op het IJ. Overeenkomstig het voorstel van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart besloot een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, dat deze de oorzaak van het ongeval zou onderzoeken, welk onderzoek plaats vond in 's Raads openbare zitting van 19 januari 1921. Als getuigen onder ede werden gehoord: Gerrit Jan Kramer, wonende te Groningen, Simion Hammerstein, wonende te Rotterdam, Nicolaas Pietersen en Jan Porsius, beiden wonende te Amsterdam, onderscheidenlijk schipper op de SAN ANTONIO, eigenaar van de SAN ANTONIO, schipper en dekknecht op de stoompont. Verder nam de Raad kennis van de stukken van het voorlopig door de Scheepvaartinspectie ingesteld onderzoek, waaronder het proces-verbaal van verhoor van de loods Gerrit Driessen en van de machinist van de kettingboot Hendrik Wyngaarde. Uit een en ander is de Raad het navolgende gebleken: De driemast motorschoener SAN ANTONIO, groot 410,14 bruto, 213,97 netto reg. ton, in eigendom toebehorende aan S. Hammerstein te Rotterdam, vertrok in de nacht van 8 op 9 juli 1920 om 1 uur van de Handelskade te Amsterdam naar IJmuiden. De bemanning telde 10 personen; voornoemde Driessen als loods en de eigenaar-reder waren mede aan boord. De lading bestond uit koffie voor Bremen. Het schip, dat voorzien is van een 160 pk. Dieselmotor, waarmee het in beladen toestand 8 mijl per uur kan lopen, stuurt goed. Het weer was mooi, helder zicht. Het groene en het rode licht, zomede het toplicht, waren brandende, de vaart was ongeveer 4 mijl per uur. De kapitein en de loods waren op het achterdek, een roerganger stond aan het roer en een uitkijk vóór op het dek. Nadat men een eind had afgelegd en daarbij voor enige vaartuigen had afgehouden, zag men de stoompont, kettingboot no. 1, vertrekken van de Amsterdamse steiger om in rechte lijn over te steken naar de steiger aan de Buiksloterweg. Op ongeveer 100 meter van de kettingboot werden van dit vaartuig 2 stoten op de fluit gehoord, welke de loods beantwoordde met 1 stoot op de luchtfluit, terwijl hij te gelijker tijd de motor liet stilstaan. Men verwachtte, dat de kettingboot zou stoppen, zodat men vóór haar zou kunnen overgaan, en het was de bedoeling van de ene stoot om dit aan de kettingboot kenbaar te maken. Trouwens het was, naar het zeggen van de getuigen Kramer en Hammerstein, niet mogelijk om naar stuurboord uit te wijken, omdat zich daar een zeilschip bevond, terwijl, indien men bakboord was opgegaan, de SAN ANTONIO recht op de pont zou zijn ingevaren. De kettingboot, die nogmaals 2 stoten op de fluit gaf, stopte echter niet en de loods, dit bemerkende, gelastte op een afstand van ongeveer 25 meter van de boot de motor op volle kracht achteruit te zetten; de reder, die op het dek bij de handel stond, voldeed onmiddellijk aan de last. De botsing was echter niet te vermijden en de SAN ANTONIO trof met haar voorsteven de kettingboot aan de voorkant op ongeveer een-derde van de lengte. De boot lag toen op plm. 70 meter uit de Noordwal, die 320 meter van den Zuidwal is verwijderd. De SAN ANTONIO bleef eerst met haar voorsteven in de kettingboot zitten, zodat verscheidene passagiers van de boot op de SAN ANTONIO oversprongen. De ketting van de boot was aan de achterkant gebroken, die aan de voorkant was echter heel gebleven, en het gelukte dan ook de steiger aan de Buiksloterweg te bereiken. De SAN ANTONIO ging ten anker; zij had zo goed als geen schade. De kettingboot was om 1.20 van de Amsterdamse steiger vertrokken. Nadat zij over het midden van het IJ was gekomen, kwam een tjalk in de weg; de schipper trok aan de trekbel, hetgeen voor de machinist het sein was de stoom af te sluiten, waaraan deze voldeed. Toen de tjalk voorbij was, drukte de schipper op de elektrische bel, ten teken dat de stoom weer kon worden toegelaten, hetgeen gebeurde. Inmiddels had de schipper een schip, dat later de SAN ANTONIO bleek te zijn, zien naderen; een toplicht had noch hij, noch getuige Porsius gezien, en zij leidden daaruit af, dat het schip geen zeeschip, maar een motorbotter was. Toen dit vaartuig meer en meer naderde, gaf de schipper 2 stoten op de fluit, om, naar hij zei, te vragen wat het naderende schip eigenlijk wilde; hij zowel als getuige Porsius verklaarden geen antwoord van de SAN ANTONIO te hebben vernomen; hadden ze één stoot gehoord, welke naar de bemanning van de SAN ANTONIO inderdaad gegeven is, dan zouden zij daaruit hebben opgemaakt, dat de SAN ANTONIO vóór de kettingboot over wilde gaan. Naar de verklaring van de machinist van de kettingboot werd wederom éénmaal aan de trekbel getrokken en kort daarop het sein op de elektrische bel gegeven; de schipper kon hieromtrent geen bepaald uitsluitsel geven; zeker is, dat hij nogmaals 2 stoten op de fluit gaf en dat zeer kort daarop de aanvaring plaats vond, met het gevolg als bovengemeld. De kettingboot is later, nadat ze de steiger had bereikt, gezonken, alle opvarenden konden het vaartuig tijdig verlaten. De Raad is van oordeel, dat de oorzaak van de aanvaring gelegen is bij de kettingboot. Ingevolge artikel 82 van het Binnen-aanvaringsreglement moeten schippers van veerponten, die zich bewegen langs een dwars door het vaarwater gelegen kabel — gelijk de kettingboot doet — bij het oversteken het vaarwater voor alle vaartuigen vrij laten. De schipper van de kettingboot had dus bij het naderen van de SAN ANTONIO moeten stoppen, eventueel tegenstoom doen geven. Hij heeft de SAN ANTONIO tijdig gezien; wel verklaart hij, evenals getuige Porsius, het toplicht niet te hebben waargenomen, maar dit doet niets ter zake, want hij zag het groene en het rode licht en hij erkende, dat hij begreep, dat het naderende schip een motorschip was; zijn toevoeging, dat hij van oordeel was, dat het geen zeeschip was, is van alle belang ontbloot. De bewering van de schipper van de kettingboot, dat hij de vaart niet uit zijn vaartuig kon krijgen, bewijst alleen, dat hij niet tijdig en niet voldoende zijn maatregelen heeft genomen. Van de SAN ANTONIO was het misschien voorzichtiger geweest eerder achteruit te slaan, alhoewel toegegeven moet worden, dat zij mocht verwachten, dat de kettingboot haar de weg zou vrijlaten. De seinen, welke op de SAN ANTONIO en de kettingboot zijn gegeven en kennelijk zogenaamde „vraagseinen" waren, zijn ten enenmale verkeerd. De kettingboot, welke noch stuurboord, noch bakboord uit kan, behoort nimmer 1 of 2 stoten op de fluit te geven. Dergelijke „vraagseinen" kunnen slechts verwarring stichten en dienen te worden nagelaten.
Aldus gedaan op 19 januari 1921 door de heren mr. G. Kirberger, plaatsvervangend voorzitter, W. Allirol, D. H. Hinlopen, C. J. Canters, G. J. Lap, leden, W. Bakker, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemde plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van 2 februari 1921. (Get.) G. Kirberger, W. Allirol, Hinlopen, C. J. Canters, G. J. Lap, W. Bakker, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, — Secretaris.