Inloggen
OISE - ID 4833

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1926
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
Nat. Official Number: 11721 GRON 1926
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo, Paris trade-low air draft
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Rig: 1 derrick
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Scheepswerf 'Gideon' J. Koster Hzn., Groningen, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 104
Launch Date: 1926-10-25
Delivery Date: 1926-12-01
Technical Data

Engine Manufacturer: Deutz A.G., Gasmotoren-Fabrik, Cologne (Köln), Germany
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz Type (280x450)
Speed in knots: 8.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 176.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 105.00 Net tonnage
Deadweight: 235.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 12361 Cubic Feet
Bale: 10983 Cubic Feet
 
Length 1: 32.73 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 30.16 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 5.82 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.48 Meters Depth, moulded
Draught: 2.18 Meters Draught, maximum
Configuration Changes

Datum 26-02-1954
Type: Shiptype/category changed
Omschrijving: Uit de zeevaart.

Ship History Data

Date/Name Ship 1926-11-15 OISE
Manager: N.V. Wm. H. Müller & Co.'s Erts- en Scheepvaartbedrijf, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Wm. H. Müller & Co.'s Erts- en Scheepvaartbedrijf, Rotterdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Rotterdam / Netherlands
Callsign: PNHS
Additional info: Call sign 1934: PGLZ

Date/Name Ship 1953-11-30 OISE
Manager: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Klaas Kamp, Haren, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PGLZ

Date/Name Ship 1954-01-25 OISE
Manager: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Kamp's Scheepvaart- en Handelmaatschappij N.V., Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PGLZ

Ship Events Data

1926-10-25: Algemeen Handelsblad 25-10-1926: Scheepsbouw. Van de werf „Gideon" te Groningen, is te water gelaten het casco van de motorvrachtboot "OISE" voor de N.V. Wm. H. Muller en Co. te Rotterdam. Het schip is gebouwd voor de groote kustvaart met verhoogd voor- en achterdek en kruiserhek, volgens de hoogste klasse Veritas en Scheepvaart inspectie. Het laadvermogen is 270 ton tot aan dek toegeladen en 240 ton op het Plimsol-merk. Het voorstuwingsvermogen bestaat uit een drie cyl. 150 P.K. compressorloozen Deutz Dieselmotor en hulpzeiltuig. Onmiddellijk na den stapelloop werd de kiel gelegd voor een motorvrachtboot voor de groote kustvaart, groot 180 ton, voor Nederl. rekening.
1926-11-15: Dagregister deel 25 nummer 536, zestien November 1900 zes en twintig. Bijlbrief. De ondergeteekende J. Koster Hzn., scheepsbouwer te Gideon nabij Groningen, verklaart hiermede dat op zijne Scheepswerf te Gideon voornoemd is gebouwd en nieuw te water gelaten voor rekening van N.V. Wm. H. Müller & Co. Erts en Scheepvaartbedrijf te Rotterdam, welke met den verkorte naam Wm. H. Müller & Co. pleegt te worden aangeduid, de staalijzeren motorvrachtboot genaamd “Oise” welk vaartuig in eigendom toekomt aan genoemde Naamloze Vennootschap. Groningen 15 November 1926. J. Koster Hzn. (In de kantlijn staat bijgeschreven: 11721 en Blijkens verklaring van den Scheepsmeter te Groningen d.d. 19 November 1926 nr. 669 is nevens vermeld vaartuig gebrand met het merk 11721 GRON 1926 en in de andere kantlijn staat bijgeschreven: Opnieuw geboekt deel I No. 106)
1926-12-04: Algemeen Handelsblad 04-12-1926: De motorvrachtboot „OISE", gebouwd op de werf Gideon te Groningen, voor de N.V. Wm. Muller en Co's Scheepvaart en Ertsbedrijf, te Rotterdam, heeft op de Eems met goed gevolg proef gevaren. Het schip is groot 270 ton tot aan dek toe geladen en 240 ton op het Plimsoll merk. De voortstuwing geschiedt door een 150/180 pk. compressorlooze Deutz Diesel motor, waarmede bet schip een snelheid behaalde van 8.9 mijl. Het is gebouwd onder hoogste klasse Veritas en Scheepvaartinspectie voor de kleine kustvaart met uitbreiding tot de geheele Noord-Oostzee en het. Eng. Kanaal. De door dezelfde reederij aan bovenstaande werf nog in aanbouw gegeven motorvrachtboot van 500 ton voor de groote kustvaart, zal „Batavier VII" worden genaamd. De kiel werd gelegd voor een motorvrachtboot van 210 ton, voor rekening van den heer H. Landstra te Groningen, en niet voor den heer J. K Zorge, zooals gemeld.
1927-02-15: Op 15-02-1927 als OISE, zijnde een motorschip, groot 497.20m3, liggende te Rotterdam door C. van Silfhout, scheepsmeter te Rotterdam ten verzoeke van de N.V. Wm.H. Müller & Co's Erts- en Scheepvaartbedrijf, gevestigd te Rotterdam van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 106 Z GRON 1927 op het dek van het achterschip. (Opm.: De vroeger merken zijnde 11721 GRON 1926 zijn verwijderd.)
1932-09-23: NvhN 23-09-1932: M.s. „OISE". Het m.s. „Oise", van Wm. H. Muller en Co.'s Erts en Scheepv.-bedrijf, heeft bij het binnenkomen in de haven van Klngslynn, schade gekregen aan de keerkoppeling. Het schip is gesleept door de „Batavier I", van dezelfde reederij, van Kingslynn vertrokken en arriveerde gisteren te Rotterdam in de haven. De schade zal bij Marckmann's Machinefabriek en Scheepswerf worden gerepareerd. Vermoedelijk zal men hiermede 26 dezer gereed zijn.
1937-12-19: De Tijd 19-12-1937: Nederlandsch schip aangevaren. Het Nederlandsche m.s. „OISE" is te Hamburg teruggekeerd, wegens schade. Het schip lag tijdens mist op de Elbe geankerd en werd aangevaren door het Duitsche s.s. „Nordwest". De kapitein van de „Oise" werd aan de beenen gewond en is in een ziekenhuis opgenomen.
1939-11-18: De Tijd 20-11-1939: Aanvaring op Noordzeekanaal. Tusschen twee kustvaarders.
In het Noordzeekanaal zijn Zaterdagavond ter hoogte van de Coenhaven twee kustvaarders van resp. 350 en 400 ton, de „Oise" en „Diana" in aanvaring gekomen. Het eerstgenoemde schip kwam uit de Coenhaven en voer stadwaarts, de „Diana" kwam van de stad, op weg naar IJmuiden. De Diana kreeg een gat van ruim één meter ter hoogte van de machinekamer boven de waterlijn. De „Oise" werd zeer ernstig aan stuurboord beschadigd.
De havenpolitie was spoedig ter plaatse, benevens enkele sleepbooten. Voorloopig zijn de schepen voor anker gegaan. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. De Tijd 12-06-1940: Aanvaring op het Noordzeekanaal. De eerste zitting van den raad voor de scheepvaart na den oorlog
Na een periode van ongeveer anderhalve maand, waarin in verband met den oorlog geen zittingen plaats vonden, is de raad voor de scheepvaart bijeengekomen ten einde een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de aanvaiing tusschen het m.s. „Oise", metende 175 bruto rëgisterton, en het m.s. „Diana", metende 313 bruto rëgisterton op het Noordzeekanaa.l op 18 November 1939.
Als getuigen werden de beide loodsen van deze schepen gehoord. Allereerst was het woord aan den loods van de „Diana". Het schip was omstreeks kwart over vijf van de Javakade met bestemming Bristol en een lading stukgoederen aan boord in de richting IJmuiden vertrokken. Het was een bijzonder donkere avond, doch helder. Er stond weinig wind. Bij het passeeren van de Coenhaven zag getuige plotseling uit deze haven een laag op het water liggend vaartuig, dat later de „Oise" bleek te zijn, dwars voor overloopen. Onmiddellijk werd aan boord van de „Diana" de machine gestopt en op volle kracht achteruit gesteld. De aanvaring bleek echter niet te voorkomen. Alles ging zeer snel in zijn werk. De „Diana" raakte de „Oise" met het voorschip tegen het achterschip. De schade was betrekkelijk ernstig, al maakten de schepen geen water. De voorgelezen verklaring van den kapitein van de „Diana" kwam geheel overeen met deze verklaring. Er waren geen signalen gehoord Qtgegeven. Het schip had steeds de stuurboordzijde van het water gehouden. De loods van de „Oise", die vervolgens werd gehoord, verklaarde, dat dit schip uit de Coenhaven vertrok met bestemming Parijs. Bij het verlaten van de haven werd even gestopt, om een uit IJmuiden komend zeeschip te laten passeeren. Voordien was signaal gegeven. Later niet meer. Toen het schip ten slotte de haven verliet, bleek het niet naar zijn roer te luisteren. De machine werd op volle kracht gezet om meer druk op het roer te geven. Plotseling zag men aan boord op korten afstand de lichten van de „Diana". Direct daarop volgde de aanvaring. De kapitein van de „Oise", wiens verklaring werd voorgelezen, had den loods verzocht bij het verlaten van de haven signaal te geven, welk verzoek niet was opgevolgd. Nadat nog enkele leden van den raad vragen hadden gesteld was het woord aan den waarnemend Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart, den heer Mante, die als zijn meening te kennen gaf, dat de aanvaring voorkomen had kunnen worden, indien aan boord van de , ,Oise" eerder de machine op volle kracht achteruit was gesteld, terwijl in ieder geval een signaal had moeten worden gegeven. Den loods van de „Diana" treft geen schuld. Uitspraak van den raad volgt later.
De Tijd 27-07-1940: Aanvaring bij de Coenhaven: Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan in zake de aanvaring van het motorschip “Oise" met het motorschip „Diana” in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven op 18 November 1939. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip „Oise", dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende „Diana" voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen. Op de „Oise" wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de „Oise" zich voor den boeg van de „Diana" plaatste, komt in elk geval voor de rekening van de „Oise". Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de “Oise" verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de laagliggende „Oise" niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de „Oise" op onvoorzichtige wijze uit de Coenhaven komende zich in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods, die als loods op de „Oise" dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dat dit sein voor de „Diana" geenszins hoorbaar was.
Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip „Diana" ten deze geen blaam treft.
Algemeen Handelsblad 27-07-1940: Een aanvaring bij de Coenhaven. De „Oise" had schuld. De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan in zake de aanvaring van het motorschip „Oise" met het motorschip „Diana" in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven op 18 November 1939. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip „Oise". dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende „Diana" voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen, omdat niemand op dit schip heeft kunnen of moeten bevroeden, dat de „Oise" in het vaarwater voor den boeg van de „Diana" zou komen. Had de „Oise" voor het verlaten van de Coenhaven een attentiesein gegeven — tot het geven waarvan dit schrp in elk geval verplicht was — dan was men op de „Diana" eerder op de aanwezigheid van de „Oise" verdacht geweest en had dit schip wellicht nog iets kunnen doen. Thans merkte de „Diana" de „Oise" eerst op, toen laatstgenoemd schip de monding van de Coenhaven verliet. Overigens is deze nalatigheid van de „Oise" voor de toedracht van deze aanvaring van bijkomstige beteekenis en is met name invloed daarvan op de aanvaring niet vastgesteld. De „Diana" kon niet verwachten, dat de „Oise" het vaarwater zou blijven oversteken in plaats van tijdig naar stuurboord of naar bakboord te gaan. Op de „Oise" wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de „Oise" zich voor den boeg van de „Diana" plaatste, komt in elk geval voor rekening van de „Oise". Hiermede is de schuld van de „Oise" aan deze aanvaring reeds afdoende vastgesteld. De Raad merkt voorts nog op, dat het van de „Oise" niet juist was om, toen men bemerkte, dat het schip niet bakboord uit wilde gaan, volle kracht vooruit te geven om, zooals dan steeds wordt aangevoerd, drang op het roer te krijgen. In den regel wordt, wanneer een schip, om welke reden dan ook, niet naar het roer wil luisteren, door een dergelijke manoeuvre het tegendeel bereikt van hetgeen wordt beoogd, terwijl inmiddels de plaats des gevaars snel wordt genaderd. Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de „Oise" verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de laagliggende „Oise" niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de „Oise" op zulk een onvoorzichtige wijze zich, uit de Coenhaven komende, in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods, die als loods op de „Oise" dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dat dit sein voor de „Diana" geenszins hoorbaar was. Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip „Diana" ten deze geen blaam treft.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Donderdag 8 Augustus 1940, no.153
No.88 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Oise met het motorschip Diana in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven. Op 18 November 1939 is het motorschip Oise, na het verlaten van de Coenhaven, in het Noordzeekanaial in aanvaring gekomen met het motorschip Diana. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 11 Juni 1940 in tegenwoordigheid van den plaatsvervangend inspecteurgeneraial voor de scheepvaart G. Mante. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuigen Theodorus Jacobus Vader en Arnoldus Ahrend, ten tijde van de aanvaring onderscheidenlijk als loods dienst doende op de Diana en de Oise. De kapitein van de Oise, Dirk Stam, kon niet op de oproeping verschijnen. Zijn bij gemeld voorloopig onderzoek afgelegde verklaring is ter zitting voorgelezen, gelijk ook die van den kapitein van de Diana, Frans Stam. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Oise is een Nederlandsch vaartuig, metende 175,51 bruto-, .104,84 netto-registerton, roepnaam P G L Z, eigendom van Wm. H. Müller & Co. N. V., te Rotterdam. Het schip heeft een Deutz-Dieselmotor van 150 pk. Het motorschip Diana is een Nederlandsch vaartuig, metende 312,91 bruto-, 148,54 netto-registerton, roepnaam " P D P Q, eigendom van J. de Voogt, te Overschie. Het schip heeft een Bronsmotor van 250 pk. De verklaring van den loods van de Oise, getuige Ahrend, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op 18 November 1939, des namiddags te 5.30 uur, kwam hij aan boord van het motorschip Oise, om dit schip, dat in de Coenhaven te Amsterdam lag en bestemd was voor Parijs, naar zee te brengen. Nadat de kapitein het schip ontmeerd had, voer hij, onder commando van den kapitein, in de richting van het Noordzeekanaal, s.b.-wal houdende. Nadat het schip ontmeerd was, is een aangehouden stoot gegeven als aandachtssein. Bij het naderen van den uitgang van de haven zag men aan bakboord twee toplichten van een vaartuig, komende uit de richting van de Hembrug. De motor is gestopt en, nadat het schip voorbij was, weer op halve kracht vooruitgezet met hard b.b.-roer om de haven uit te draaien. Even later zag men de toplichten van een vaartuig, dat uit de richting Amsterdatm kwam, van achter de loodsen, aan s.b.-zijde van de Coenhaven gelegen, vandaan komen. Daar de Oise niet bakboord uitging, werd de motor op volle kracht vooruit gezet, ten einde meer drang op het roer te krijgen. De Oise bleef echter recht doorloopen, zoodat zij het andere vaartuig, dat het motorschip Diana bleek te zijn, met s.b.-achterschip raakte. Door hard s.b.- roer te geven, was nog getracht het achterschip vrij te varen, doch vergeefs. De ter zitting voorgelezen verklaring van den kapitein van de Oise, Dirk Stam, komt in hoofdzaak overeen met die van den loods. De kapitein heeft o. m. nog verklaard, dat hij vóór het uitvaren van de Coenhaven nog aan den loods heeft gevraagd, of er geen sein moest worden gegeven, waarop de loods antwoordde, dat zulks niet noodig was; dat, toen de motor op volle kracht vooruit was gezet, om meer drang op het roer te krijgen, de Oise langzaam naar bakboord draaide. Dit laatste ontkent de loods; naar diens meening is de Oise steeds rechtuit blijven varen. De verklaring van den loods van de Diana, getuige Vader, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op 18 November 1939, des namiddags te 5.15 uur, is hij met het motorschip Diana, dat aan de Javakade lag en bestemd was voor Bristol, afgevaren. Tot bij de Coenhaven gekomen, varende aan s.b.-zijde van het vaarwater op ongeveer 40 meter uit den wal, met halve kracht werkenden motor, vaart pl.m. 5+ mijl, zag hij eensklaps, laag op het water, de lichten van een vaartuig — toplicht groen — om den hoek van de oostzijde van de haven komen. Aanvankelijk meende hij, dat het een binnenvaartuig was, bestemd voor Amsterdam, doch later bleek het de Oise te zijn. Geen enkel sein was gehoord. De Oise liep dwars het vaarwater over en niettegenstaande de Diana den motor dadelijk stopte en volle kracht achteruitsloeg, had een aanvaring plaats. De Oise raakte de Diana met s.b.-achterschip tegen den voorsteven. De ter zitting voorgelezen verklaring van den kapitein van de Diana, Frans Stam, stemt geheel overeen met die van den loods. De plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat uit het onderzoek is gebleken, dat het motorschip Diana geheel normaal heeft gevaren en dat dit schip geen enkel verwijt treft; dat echter het motorschip Oise, uit de Coenhaven komende, in den vaarweg van de Diana is gekomen, zoodat door deze verkeerde manoeuvre van de Oise wel een aanvaring moest volgen; dat voorts is gebleken, dat de Oise voor de Diana zichtbaar werd, toen de Oise nog in de monding van de Coenhaven was; dart de Oise dus toen nog niet veel vaart kan hebben gehad en toen voor dit schip aangewezen was om volle kracht achteruit te geven, waardoor hoogstwaarschijnlijk nog een aanvaring zou zijn voorkomen; dat het ook een ernstige tekortkomingvan de Oise is geweest om geen aandachtssein te geven, toen zij op het punt was de haven te verlaten. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip Oise, dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende Diana voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen, omdat niemand op dit schip heeft kunnen of moeten bevroeden, dat de Oise in het vaarwater voor den boeg van de Diana zou komen. Had de Oise vóór het verlaten van de Coenhaven een attentiesein gegeven — tot het geven waarvan dit schip in elk geval verplicht was —, dan was men op de Diana eerder op de aanwezigheid van de Oise verdacht geweest en had dit schip wellicht nog iets kunnen doen. Thans merkte de Diana de Oise eerst op, toen laatstgenoemd schip de monding van de Coenhaven verliet. Overigens is deze nalatigheid van de Oise voor de toedracht van deze aanvaring van bijkomstige beteekenis en is met name invloed daarvan op de aanvaring niet vastgesteld. De Diana kon niet verwachten, dat de Oise het vaarwater zou blijven oversteken in plaats van tijdig naar stuurboord of naar bakboord te gaan. Op de Oise wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de Oise zich voor den boeg van de Diana plaatste, komt in elk geval voor rekening van de Oise. Hiermede is de schuld van de Oise aan deze aanvaring reeds afdoende vastgesteld. De Raad merkt voorts nog op, dat het van de Oise niet juist was om, toen men bemerkte, dat het schip niet bakboord uit wilde gaan, volle kracht vooruit te geven om, zooals dan steeds wordt aangevoerd, drang op het roer te krijgen. In den regel wordt, wanneer een schip, om welke reden dan ook, niet naar het roer wil luisteren, door een dergelijke manoeuvre het tegendeel bereikt van hetgeen wordt beoogd, terwijl inmiddels de plaats des gevaars snel wordt genaderd. Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de Oise verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de faagliggende Oise niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de Oise op zulk een onvoorzichtige wijze zich, uit de Coenhaven komende, in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods Ahrend, die als loods op de Oise dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dait dit sein voor de Diana geenszins hoorbaar was. Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip Diana ten deze geen blaam treft. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend- voorzitter, J. N. Egmond, lid, J. T. A. J. Bruinsma, plaatsvervangend lid, B. Kruys, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid vam 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 26 Juli 1940. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink, Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1940-05-26: Door de Duitsers gevorderd en in dienst bij de Kriegsmarine. Lag bij de bevrijding van Noorwegen (9 mei 1945) te Aalesund. 28 Augustus 1945 weer terug aan de eigenaar.
1941-03-08: Het Vaderland 08-03-1941: Kapitein en stuurman gestraft wegen stranding motorschip OISE. De raad voor de scheepvaart heeft thans uitspraak gedaan inzake het aan den grond stooten van het motorschip Oise onder de Oostkust van Oeland in December j.l. De raad is van oordeel, dat het aan de Oise overkomen ongeval, dat zeer gemakkelijk tot verlies van het schip had kunnen leiden, doch gelukkig nog goed is afgeloopen, is te wijten aan de schuld, zoowel van den stuurman als van den kapitein. Het is niet minder dan ergerlijk — aldus de raad — dat onder de gegeven omstandigheden, bij goed vurenzicht en een zeer gemakkelijke navigatie, het schip niettemin heeft gestooten. De raad straft den kapitein en den stuurman door hun de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein resp. als stuurman te varen op een schip, voor den tijd van resp. drie en twee maanden.
1954-02-26: Final Fate:
Uit de zeevaart; verkocht aan Hendrik Johan Fongers & Willem de Jonge, Rotterdam. Op 19 maart 1954 doorverkocht aan N.V. Rederij v/h J.G. van der Linden, Rotterdam. Op 18 april 1956 wordt de teboekstelling als zeeschip doorgehaald en ingeschreven met brandmerk 3411 B GRON. In 1956 verbouwd en verlengd als beun/zandschip en op 4 november 1957 als 'Marnel' van Martinus Cornelis Oomen te Raamsdonkveer. Op 3 oktober 1969 verkocht aan N.V. Stolk's Handelsonderneming, Hendrik Ido Ambacht. Op 13 oktober 1969 'Ria-N' van Cornelis Nobel, Werkendam. Op 14 november 1969 'Via Nova' van Florus Hovestadt te Werkendam. Op 16 januari 1974 verkocht aan V.o.f Gebr. Snoek te Urk die haar bij Scheepswerf Metz lieten verbouwen. Het in 1956 verlengde gedeelte werd verwijderd en een ijs-installatie ingebouwd om vissersschepen van ijs te voorzien. Het lag vervolgens te Den Oever (1987), in Lauwersoog (1989) en op Urk (1992), naamloos. De teboekstelling in het Kadaster wordt op 21 augustus 1990 doorgehaald. In juli 1993 nog als ijsfabriek te Urk gesignaleerd.

Afbeeldingen


Omschrijving: Oise 1926
Gemaakt door: Skyfotos Ltd.
Klik hier voor website fotograaf
Onderwerp: Luchtfoto

Omschrijving: Oise 1926
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: de vroegere 'Oise' als ijsfabriek liggende te Lauwersoog.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)

Omschrijving: de vroegere 'Oise' als ijsfabriek liggende te Lauwersoog.
Gemaakt door: Groot, H. de (Harry)
Algemene informatie

 

RN 070341
Het stranden van de OISE. Kapitein en stuurman gestraft.
De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan inzake het aan de grond stoten van het motorschip OISE onder de oostkust van Oeland op 28 december 1940.
De Raad is van oordeel, dat het aan de OISE overkomen ongeval, dat zeer gemakkelijk tot verlies van het schip had kunnen leiden, doch gelukkig nog goed is afgelopen, is te wijten aan de schuld van de stuurman zowel als aan de kapitein.
Het is ergerlijk aldus de Raad dat onder de gegeven omstandigheden, bij goed vurenzicht en een zeer gemakkelijke navigatie, het schip niettemin heeft gestoten.
De Raad straft de kapitein en de stuurman door hun de bevoegdheid te ontnemen als kapitein of als stuurman te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 van de schepenwet, voor de tijd van respectievelijk drie en twee maanden.