Ned. Staatscourant 02-03-1921
Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart betreffende
het stranden van het stoomschip EEM (betrokkene: gezagvoerder P. J. Pols).
Op 28 december 1920 is het stoomschip EEM in de nabijheid van Berwick op de Oostkust van Engeland gestrand. Overeenkomstig het voorstel van de hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, dat deze de oorzaak van het ongeval zou onderzoeken. De commissie, overwegende, dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan, welke de vraag doen rijzen, of het ongeval is veroorzaakt door een nalatigheid van den kapitein van de EEM, besloot tevens, dat deze ter zake zou worden gehoord. De beschikking der commissie werd tijdig aan den kapitein Pieter Josephus Pols, wonende te Rotterdam, betekend en het onderzoek vond plaats ter openbare zitting van de Raad van 29 Januari 1921. Gehoord werden als betrokkene genoemde kapitein en verder als getuigen onder ede: Thomas Schotman en George Karel van der Starre, de eerste wonende te Rotterdam en eerste stuurman op de EEM, de tweede te Amsterdam en derde stuurman op de EEM. De Raad nam verder kennis van de stukken van het voorlopig onderzoek door de scheepvaartinspectie omtrent de ramp ingesteld, van het journaal van de EEM en van een scheepsverklaring door den kapitein en een deel van de bemanning afgelegd voor den consul der Nederlanden te Leith.
Uit een en ander is de Raad het volgende gebleken: stoomschip EEM, in eigendom behorende aan de N. V. Maatschappij „Houtvaart", te Rotterdam, groot 1319,48 bruto, 741,31 netto reg. ton, bemand met 27 koppen, was op 27 september 1920 uit Nederland vertrokken. Na eerst Port Talbot en La Guaira te hebben bezocht, kwam men in Curaçao, waar een lading fosfaat werd ingenomen bestemd voor Berwick o/Tweed. Op 27 november vertrok de EEM van Curaçao. In de avond van 26 december 1920, ongeveer 6.30, werden de Longstone eilanden op een afstand van 3½ mijl gepasseerd, het weer evenals het zicht waren goed. Om 7.45 peilde de kapitein, die nimmer te Berwick was geweest, het licht van gemelde
eilanden Z. 36° O. en het licht van Farn Z. 4° O., terwijl hii een licht, dat hij aanzag voor dat van de pier van Berwick peilde op N. 860 w. (alles r.w.) De kapitein had van Longstone eilanden zijn koers zodanig gesteld, dat, als hij dwars van Berwick was, hij daarvan 5 mijl zou zijn verwijderd. Toen de EEM nu dwars van Berwick was en de kapitein hetgeen hij aanzag voor het vuur van de pier van Berwick, W. t. Z. peilde rekende de kapitein, dat hij ook werkelijk 5 mijl van de kust af was, en stuurde hij op de kust in om een ankerplaats te zoeken, wijl hij voor het binnenlopen moest wachten tot het hoog water was, hetgeen des nachts om 3.11 het geval zou wezen. De EEM liep een vaart van ongeveer 5 mijl. Bij het veranderen van de koers was de eerste stuurman naar de bak gegaan bij de uitkijk, de derde stuurman werd opgedragen te loden en de kapitein zelf stond op de brug met de roerganger.
De derde stuurman, die het handlood gebruikte, loodde eerst 10 vadem geen grond, toen nog eens 10 vadem, geen grond, toen 8 vadem, grond, dadelijk zette de kapitein de telegraaf op volle kracht achteruit, terwijl op hetzelfde ogenblik de eerste stuurman riep, dat hij branding zag. Te gelijker tijd echter stootte het schip en bleef vastzitten, ongeveer 5 minuten, nadat men op het land was gaan in stomen. Omstreeks 11 uur is de EEM weer vlot gekomen en is men uit de wal gestoomd om te ankeren en het daglicht af te wachten; de volgende dag kwam een loods aan boord. Het bleek de kapitein, dat het licht, dat hij voor dat van de pier van Berwick had aangezien, vermoedelijk een licht van de spoorweg was geweest, het licht van de pier was namelijk reeds sinds geruime tijd geblust, hetgeen hem onbekend was. De EEM heeft vastgezeten op ongeveer ¼ mijl van de kust ter hoogte van Buchet Rocks. In Berwick is het schip nagezien, het vertoonde enige deuken maar was niet lek; met een voorlopig certificaat van zeewaardigheid vertrok men naar Rotterdam. De Raad is van oordeel, dat onoordeelkundige navigatie van de kapitein oorzaak is van het ongeval. De kapitein had volstrekt geen zekerheid, toen hij de wal instuurde, dat hij 5 mijl van de kust was, zoals hij aannam. Immers hij peilde alleen een licht van Berwick recht vooruit, maar had geen dwarspeiling, zodat hij de afstand tot de kust slechts kon gissen. Wel had hij van de Longstone eilanden af zijn koers zodanig gesteld, dat hij, dwars van Berwick gekomen, de kust op 5 mijl afstand zou hebben, maar hem ontbrak de waarborg, dat hij de gestelde koerslijn werkelijk hield, hetgeen dan ook kennelijk niet is gebeurd; de stroom zal hem hebben ingezet.
Toen de kapitein dus naar de wal instuurde, had hij zeer zorgvuldig moeten loden; dit was te meer nodig, omdat ondiepten daar ter plaatse plotseling oprijzen, waartegen de zeilaanwijzingen nadrukkelijk waarschuwen. De loding, zoals die geschiedde met een handlood bij een 5 mijl’s vaart, zonder grond te pijlen, was ten ene male onvoldoende. Bij elke loding had men moeten stoppen en zich niet tevreden moeten stellen met 10 vadem, geen grond. Het is verder gebleken, dat de kapitein niet behoorlijk de „Berichten aan Zeevarenden" heeft nagegaan; niet alleen in dat van 3 Januari 1920 n°. 2, maar ook in dat van 12 Augustus 1920 n°. 191, staat vermeld, dat het licht van Berwick Pier geblust is. Ter zake van de onoordeelkundige navigatie, welke het ongeval veroorzaakte, straft de Raad P. J. Pols, gezagvoerder, geboren 5 April 1890 te Dongen, wonende te Rotterdam, door hem de bevoegdheid te ontnemen als schipper te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor de tijd van veertien dagen. Aldus gedaan op 29 januari 1921 door de heren mr. G. Kirberger, plaatsvervangend voorzitter, D. H. Hinlopen, C. J. Canters, G. J. Lap, leden; W. Bakker, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemde plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van 2 februari 1921. (Get.) G. Kirberger, Hinlopen, C. J. Canters, G. J. Lap, W. Bakker, H. B. Tjeenk Willink.
Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.