Inloggen
DOGGERSBANK - ID 1740

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1933
Classification Register: Lloyd's Register of Shipping (LR)
Nat. Official Number: 1951 Z DORD 1932
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Rig: 2 derricks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: N.V. Industrieële Maatschappij 'De Noord', Alblasserdam, Zuid-Holland, Netherlands
Werfnummer: 492
Delivery Date: 1933-00-00
Technical Data

Engine Manufacturer: Humboldt-Deutz Motoren A.G., Cologne (Köln), Germany
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 4
Power: 200
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz-Diesel, 11-17 11/16
Speed in knots: 8
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 309.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 219.00 Net tonnage
Deadweight: 365.00 tons deadweight (1016 kg)
Grain: 22238 Cubic Feet
Bale: 41000 Cubic Feet
 
Length 1: 43.69 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 40.20 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 7.20 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.69 Meters Depth, moulded
Draught: 2.44 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1932-12-28 DOGGERSBANK
Manager: W.H. Hodde & C. Blokdijk, Alblasserdam, Zuid-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Scheepvaart Maatschappij 'Kustvaartbelangen', Alblasserdam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Alblasserdam / Netherlands
Callsign: NMGB
Additional info: Callsign 1934 PDRF

Date/Name Ship 1938-01-07 SEMARANG
Manager: N.V. Koninklijke Paketvaart-Maatschappij, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Eigenaar: N.V. Koninklijke Paketvaart-Maatschappij, Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Amsterdam / Netherlands
Callsign: PKSZ

Date/Name Ship 1943-00-00 SUMA MARU
Manager: Gouvernement van Japan, Japan
Eigenaar: Gouvernement van Japan, Japan
Shareholder:
Homeport / Flag: Onbekend / Japan

Ship Events Data

1932-12-29: Op 29.12.1932 als DOGGERSBANK, zijnde een stalen motorvrachtschip, met 1 laadruim met 2 luiken, machinekamer, 2 oliebunkers,commandobrug met stuurhut, 1 laadinstallatie met 2 laadbomen, 1 schoorsteen, officierslogies, volkslogies, 1 schroef gedreven door een Deutz-ruwoliemotor 200 PK, groot bruto 876.02 M3, liggende te Dordrecht, door C.J. Lambrechtse, scheepsmeter te Rotterdam, ten verzoeke van N.V Scheepvaart Mij. "Kustbelangen" te Alblasserdam van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1951 Z DORD 1932 op het achterschip aan B.B. zijde achter tegen het achterste dekhuis.
1933-01-19: Het Vaderland 19-01-1933: Een motorvrachtboot naar Oost-Indie.
Vanmiddag 2 uur is de motorvrachtboot Doggersbank metende 350 ton, van de Parkkade te Rotterdam in ballast naar Oost-Indië vertrokken. Gerekend wordt dat ze de reis in ongeveer drie maanden zal doen.
Deze vrachtboot, welke gebouwd is door de N. V. Industrieele Maatschappij de Noord te Alblasserdam, voor rekening van de heeren Hodde en Blokdijk uit Amsterdam, die als kapitein en eerste stuurman optreden, is met dubbelen bodem, groote ruimen voor de wilde vrachtvaart in den Archipel. Vanochtend was het schip, dat gedreven wordt door een Deutz Diessel-motor van 200 pk. en ingeschreven is als eerste klas Lloyd's, uit Alblasserdam vertrokken. De bemanning bestaat uit de beide eigenaars en een 2de stuurman, twee machinisten en drie matrozen. Als cargadoor treedt op J. Salomon's Shipping en Forwarding Office, te Rotterdam.
1933-01-20: Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië 20-01-1933: Schip voor de Wilde Vaart. In den Archipel. Aneta seint uit Rotterdam : De vrachtboot DOGGERSBANK, welke bestemd is voor de wilde vaart in den Archipel, is naar Nederlandsch-Indië vertrokken. De Doggersbank werd door de Industrieele Mij. „De Noord" te Alblasserdam gebouwd voor rekening van de Amsterdammers Hodde en Blokdijk. De heer Hodde treedt op als kapitein en de heer Blokdijk als eerste stuurman. De reis zal vermoedelijk drie maanden duren.
1933-01-20: De Tijd 20-01-1933: Motorkustvaart. Proefneming in Indië. De Rotterdamsche correspondent van het „Handelsblad" meldt aan zijn blad:
Het kleine motorschip voor de kustvaart verovert zelfs in dezen tijd nog terrein, daar de mogelijkheid om met deze schepen zoowel kanalen en rivieren als de zeeën te bevaren, vrachtbesparing geeft. Daardoor ontstaan voor deze vaart nog telkens nieuwe vervoergebieden. Zoo is Donderdag van Rotterdam vertrokken het motorvrachtschip „DOGGERSBANK", een schip van 350 ton, gebouwd bij de Noord te Alblasserdam. De eigenaars van dit schip, de heeren Hodde en Blokdijk uit Amsterdam brengen dit vaartuig naar Ned.-Indië en gaan er daar de wilde vaart mee beoefenen.
1933-03-15: Indische courant 15-03-1933: Scheepsberichten. Wilde vrachtboot aangekomen. Voorspoedige reis van 50 dagen van d e „Doggersbank". Na een voorspoedige reis van 50 dagen liet Zaterdagmorgen het motorschip „Doggersbank", een 350-tons scheepje, bestemd voor de zoogenaamde wilde vrachtvaart in den Indischen archipel, in de buitenhaven van Priok zijn anker vallen.
Het schip staat onder commando van den heer W. H. Hodde en heeft verder een bemanning van 6 personen, namelijk een 1e en 2e stuurman, een 1e en 2e machinist en 2 matrozen, meldt de „Javabode".
Behoudens zeer zwaar weer in de Golf van Biscaye is de reis zonder bijzondere voorvallen verloopen. De „Doggersbank" werd voor rekening van de heeren W., H. Hodde en C. Blokdijk gebouwd op de werf „de Noord" te Alblasserdam. Het is een geheel stalen schip met comfortable ruimte voor de bemanning en wordt gedreven door 2 Deutzmotoren. Dat de „Doggersbank" van goede klasse is. blijkt wel uit het feit, dat het schip in de hoogste Lloyd klasse namelijk 101 a met kruis, werd aangeslagen. De snelheid bedraagt 9 mijlen per uur. Gedurende de reis naar Ned.- Indië werd gemiddeld 190 mijlen per dag afgelegd. De maximum-snelheid heeft 230 mijlen bedragen.
1933-03-22: Sumatra Post 22-03-1933: Hollandsche Ondernemingsgeest. Twee stuurlieden exploiteeren een eigen vrachtscheepje! Aan den Pasar Ikan te Batavia ligt thans gemeerd een klein vrachtschip, dat 19 Januari uit Nederland (Rotterdam) is vertrokken, en na een reis van vijftig dagen langs de gewone route Java heeft bereikt. Het is bemand met zeven stoere knapen, die met dit schip zich een bestaan willen veroveren en verzekeren, aldus het Bat. Nwbld. De „DOGGERSBANK"—zoo is het scheepje genaamd—is eigendom van twee gewezen stuurlieden van de Java China Japan Lijn, de heeren W. H. Hodde—die als kapitein thans de leiding heeft—en C. Blokdijk, die als eerste stuurman deel uitmaakt van de bescheiden equipage van dit schip. Beiden zijn tevens directeuren der N.V. tot exploitatie van den genoemden vracht vaarder. Gebouwd op de werf „de Noord" te Alblasserdam in opdracht van beide genoemde stuurlieden is dit kranige scheepje een bewijs van Hollandschen ondernemingsgeest, en Hollandsch doorzettingsvermogen. Beide heeren zijn er toe gekomen—op zijn Hollandsch! — „voor zichzelf te beginnen", wijl zij in de vrachtvaart in dezen Archipel in concurrentie met de bestaan de maatschappijen gunstige perspectieven meenden te kunnen zien, en wijl tengevolge van de slechte toestanden, ' ook in het scheepvaartbedrijf, waarvan zij zelven persoonlijk min of meer slachtoffer werden vanwege de onzekere toekomst, voor de noodzaak gesteld werden zelf aan te pakken. En dit hebben zij dan ook gedaan met een bewonderenswaardige energie. Het scheepje heeft een laadvermogen van ruim 300 ton, het is een stevig-solide gebouwd vaartuig, dat in de vrachtvaart in deze Indische wateren hun wel te pas zal komen. De reis uit Europa herwaarts is volbracht met een gemiddelde vaart van 9 mijl, zoodat ook de vaarcapaciteit van dit schip voor het doel waarvoor het bestemd is, zeer voldoende kan worden geacht. Dat de heeren Hodde en Blokdijk de economische depressie ten spijt, de uitvoering van hun plan hebben doorgezet, geeft biijk van hun ernstigen wil om te slagen. Zij zijn zonder lading —in ballast —hier gearriveerd, doch hopen erin te kunnen slagen, hier voldoende emplooi voor hun schip te vinden. Wij hebben gisteren een kijkje aanboord van de ,Doggersbank" genomen. De ruimte is uiteraard bekrompen wat betreft de logies van het personeel, dat behalve uit de genoemde leidende officieren ook bestaat uit een tweeden stuurman, een Duitsch ingenieur, de heer Weltinger, als hoofd van de machinekamer, een tweeden machinist en twee Hollandsche matrozen van wie één met de zorgen voor het combuis is belast. Alles is dan ook gericht op het vervoer van lading. Voorloopig blijft het schip op Pasar Ikan gestationneerd, waar na deze eerste reis de machinekamer grondig moet worden nagezien, en dan zal het trachten, in de wilde vaart vrachten te vervoeren.
1933-05-12: De Indische courant 12-05-1933: Pontianak. (Van onzen correspondent.) De „Doggersbank”.
Verleden week liep, behalve de booten van Java en Singapore, nog een derde schip op Vrijdagochtend te Pontianak binnen, n.l. de kleine motorboot „Doggersbank". „Klein maar dapper". is een uitdrukking, die zeker van toepassing is op dit pittige scheepje, dat terstond begon met een volle lading in te nemen en Zondagmiddag afgeladen naar Pnok vertrok. Het bootje vaart voorloopig op de route Priok — Pontianak, voor rekening van de firma Gyselman en Steup terwijl de agentuur hier ter stede wordt waargenomen door de firma Suhl. Voor kleine afschepers levert het varen van de „Doggersbank" veel aantrekkelijks, daar de tarieven aanzienlijk lager zijn dan die der K. P. M.
1933-06-04: Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Donderdag 26 Juli 1934, no.142.
No. 69 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van C. Blokdijk en W. Weltinger, destijds onderscheidenlijk eerste-stuurman en eerstemachinist aan boord van het motorschip Doggersbank, tegen W. H. Hodde, kapitein van genoemd motorschip, wegens het slapen op wacht. Op 17 Juni 1933 is door C. Blokdijk en W. Weltinger, destijds onderscheidenlijk eerste-stuurman en eerste-machinist aan boord van het motorschip Doggersbank, ten havenkantore te Tandjong Priok, in Nederlandsch Oost-Indië, een klacht ingediend tegen W. H. Hodde, kapitein van genoemd motorschip, ter zake van het feit, dat deze op 4 Juni 1933, des avonds omstreeks te 9 uur, gedurende de reis van de Doggersbank van Cheribon naar Batavia, op wacht zou hebben gesiapen. De klacht is door de autoriteiten in Nederlandsch-Indië ter behandeling doorgezonden aan den inspecteur-generaal voor de scheepvaart te 's Gravenhage, door wien deze op 19 September 1933 is ontvangen. Nadat op zijn verzoek de beide klagers, de aangeklaagde en de roerganger in Nederlandsch-Indië nader zijn verhoord, werden de stukken op 17 Februari 1934 ter secretarie van den Raad voor de Scheepvaart ontvangen met het voorstel van den inspecteur-generaal aan dien Raad om een nader onderzoek in te stellen. Overeenkomstig dit voorstel besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 49 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de gegrondheid van de klacht zou instellen, welk onderzoek ter zitting van 12 Juni 1934 buiten tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart, die wegens ambtsbezigheden was verhinderd, heeft plaats gehad. De Raad nam kennis van de stukken van het ten deze ingesteld voorloopig onderzoek, waarbij een situatieteekening van de brug van het motorschip Doggersbank. De aangeklaagde, W. H. Hodde, voornoemd, die hier te lande geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, was op de dagvaarding, hem op de bij de wet voorgeschreven wijze beteekend, niet verschenen. Derhalve is verstek tegen hem verleend en heeft de behandeling buiten zijn tegenwoordigheid plaats gehad. De klacht en de verklaringen, aan de klagers, aan den aangeklaagde en aan den kwartiermeester A. J. M. Mohr, te Tandjong Priok door den havenmeester aldaar afgenomen, zijn door den secretaris voorgelezen, alsmede een brief van aangeklaagde, uit Indië ontvangen, waarin deze mededeelt niet persoonlijk bij het onderzoek tegenwoordig te kunnen zijn, doch dat hij geheel blijft volharden bij de verklaring, destijds door hem afgelegd ten overstaan van den havenmeester te Tandjong Priok, en daar niets aan heeft toe te voegen. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Doggersbank is een Nederlandsch motorschip, metende 809,24 bruto-, 219,47 netto-registerton, van de N. Y. Scheepvaartmaat- schappij „Kustvaartbelangen , te Alblasserdam. Het schip wordt gebezigd voor de kustvaart in Nederlandsch-Oost-Indie. De klagers hebben hun klacht als volgt nader toegelicht en gemotiveerd : C. Blokdijk, dat hij, nadat de Doggersbank op 4 Juni 1933 te ongeveer 6.40 uur 's avonds van Cheribon was vertrokken met bestemming Batavia, omstreeks te 9 uur door den eerste-machimst Weltinger werd gewekt, met de mededeeling, dat de kapitein, die de eerste wacht waarnam, op de brug zat te slapen, dat hij zich daarop naar de brug heeft begeven en den kapitein in slapenden toestand aantrof, zittende op een bank in de stuurhut; dat hij den kapitein toen niet heeft gewekt, doch ongeveer een half uur op de brug is blijven uitkijken, totdat de kapitein opstond, vermoedelijk gewekt door een sissend geluid, veroorzaakt door het afzetten van den luchtcompressor; dat hij daarop weer van de brug af is gegaan en zich ter ruste heeft begeven, waarna hij te middernacht de wacht heeft overgenomen ; dat het motief tot het indienen van de klacht met van persoonlijken aard is, doch dat hij dit noodig oordeelde, omdat het schip in beladen toestand dicht onder de kust voer en hij zich tegenover hypotheekhouder en assuradeuren niet verantwoord achtte, wanneer hij het geval zou verzwijgen. W. Weltinger, , dat hij den avond van vertrek — 4 Juni 1933 — de wacht had en nu eens in, dan weer bij de motorkamer vertoefde, omdat de motor automatisch wordt gesmeerd en de motorkamer van dek af volledig kan worden overzien; ... dat hij, aan dek zijnde, aan het kielwater van het schip bemerkte, dat dit sterk gierde, terwijl hij bovendien hoorde, dat het roer op de brug herhaaldelijk over en weer werd gelegd; dat door het gieren van het schip het toerental van den motor wel een tiental slagen minder was dan normaal en het kielwater als een halve cirkel werd gezien; dat hij zich daarom — het was omstreeks te 9 uur 's avonds — op de brug heeft begeven om de wacht aldaar te waarschuwen, doch den kapitein slapende aantrof, zittende op een zich in de stuurhut bevindende bank, terwijl de roerganger hem door gebaren te kennen gaf vooral geen leven te maken; dat hij den kapitein toen niet heeft gewekt, doch den eerste stuurman heeft gewaarschuwd, die daarop naar de brug is gegaan; dat hij naar de motorkamer terug is gegaan en de luchtflesch heeft opgevuld, waarna hij, zich weer aan dek begevende, den kapitein, rookende, op de brug zag staan; dat ook bij hem het motief van de klacht niet van persoonlijken aard is, doch hij zich tijdens de wacht van den kapitein niet meer veilig voelde en, op dezelfde gronden als de eerste stuurman, het niet verantwoord achtte te zwijgen. Aangeklaagde heeft van zijn kant aangevoerd: dat het schip op 3 Juni 1933, des namiddags te 5 uur, van Semarang naar Cheribon is vertrokken; dat hij gedurende de reis van Semarang naar Cheribon, ten gevolge van zijn gewoonte om mede wacht te loopen, te weten de eerste wacht, weinig rust had genoten; dat het schip op 4 Juni te Cheribon in lading lag, op welke plaats hij, ondanks zware hoofdpijn, den geheelen dag druk in de weer is geweest voor het behandelen van ladingzaken; dat hij op 4 Juni 1933 des namiddags te 6.40 uur van Cheribon is vertrokken met bestemming Batavia; dat hij 's avonds te 8 uur de eerste wacht van den tweedestuurman overnam; dat hij, na te hebben geconstateerd, dat alles in orde was, is gaan zitten op een bank in de stuurhut, van waar men een ruim en vrij uitzicht heeft over den horizon, zoowel vooruit als op zij; dat hij toen, door vermoeidheid overmand, een oogenblik is gaan knikkebollen; dat hij, weer van de bank opstaande, den eerste stuurman aan stuurboord op de brug zag staan, die daarop, zonder een woord te zeggen, dadelijk naar beneden ging; dat hij zeker niet langer dan een kwartier kan hebben gedommeld ; dat hij te middernacht de wacht heeft overgegeven aan den eerste stuurman; dat hij nu en dan met den eerste stuurman, die medevennoot is in de maatschappij, welke de Doggersbank beheert, verschil van meening had gehad over de exploitatie van het schip, terwijl hij voor den eerste-machinist weinig sympathie gevoelde; dat hij zich later te Batavia geneeskundig heeft laten onderzoeken, doch dat toen geen lichamelijke gebreken bij hem zijn geconstateerd. De kwartiermeester A. J. M. Mohr heeft verklaard, dat hij op 4 Juni 1933, vanaf het vertrek van Cheribon, omstreeks te 6.30 uur 's middags tot middernacht aan het roer heeft gestaan; dat ook hij, door de vele werkzaamheden gedurende de afgeloopen dagen, wat moe en suf was en dientengevolge niet voortdurend nauwkeurig op het kompas lette, waardoor hij het roer herhaaldelijk moest overleggen; dat hij een enkele maal zelfs wel tot 2 ½ streek toe van den koers is afgeweken; dat de kapitein, die bij vertrek op de brug was geweest, om 8 uur 's avonds daar weer terugkwam om de wacht van den tweede-stuurman over te nemen; dat de kapitein is begonnen met den koers te controleeren en op de brug heen en weer te loopen, doch dat hij daarna op de bank in de stuurhut is gaan zitten; dat hij nog geen vijf minuten daar zal hebben gezeten, toen de eerste-machinist op de brug verscheen, door de openstaande deur in de stuurhut keek, vervolgens bij de reeling ging staan en kort daarop, zonder iets te hebben gezegd of gedaan, weer naar dek is teruggekeerd; dat niet lang daarna de eerste-stuurman boven kwam, ongeveer tien minuten op de brug heeft gestaan en weer naar beneden ging; dat de kapitein tegelijkertijd weer van de bank opstond; dat hij den kapitein, zittende op de bank, wel heeft zien knikkebollen, doch niet bepaald heeft zien slapen. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft de navolgende conclusie schriftelijk aan den Raad overgelegd: Uit de schriftelijke behandeling van de klacht tegen den gezagvoerder Hodde van het motorschip Doggersbank is mij gebleken, dat de gezagvoerder na een zeer drukken dag en met hoofdpijn op de E. W . de wacht hebbende op de brug op een bank is gaan zitten en is ingedommeld. De eerste-machinist, die op de brug komt, ziet dit, denkt er niet aan den kapitein te wekken met het oog op de veiligheid van het schip, maar gaat den te kooi liggenclen eerste-stuurman mededeeling doen van hetgeen hij heeft waargenomen. Laatstgenoemde gaat daarop naar de brug, wekt eveneens den kapitein niet, maar blijft staan uitkijken tot den kapitein door luchtgeblaas (vullen luchtvaten aanzetlucht) wakker wordt. De eerste-stuurman zegt dan niets en gaat weer naar beneden. De machinist is de luchtvaten dadelijk, na bij den eerstestuurman geweest te zijn, gaan bijvullen. Geheel vullen duurt 15 á 20 minuten. Het bijvullen heeft dus korter geduurd. De door den stuurman geschatte tijd is vrij zeker zeer aan den ruimen kant geweest om het feit voor den kapitein te verzwaren. De kwartiermeester aan het roer is m. i. zuiverder in zijn schatting. De stuurman heeft tijdens hij op de brug was niets aan den koers behoeven te veranderen en het schip liep in de juiste richting. Dit neemt niet weg, dat de klacht gegrond is en de kapitein wakker en op de been had moeten blijven. Toch geeft de wijze, waarop de beide officieren deze aangelegenheid hebben behandeld, mij den indruk, dat zij door hun handelwijze op unfaire wijze getracht hebben om de door den kapitein begane fout in een zoo ongunstig mogelijk daglicht te plaatsen, waarbij de stuurman waarschijnlijk hoopte, dat de kapitein dan als zoodanig niet zou kunnen worden bestendigd en hij zelf zijn plaats zou kunnen innemen. Dit is m.i. ook de indruk van de directie der N. V. Scheepvaartmaatschappij , “Kustvaartbelangen''. Eenige maanden geleden heeft de directie mij medegedeeld, dat de stuurman reeds vrijwillig van boord was vertrokken en de machinist binnenkort zou volgen en de exploitatie van het schip en de financieele resultaten daarvan zeer bevredigend zijn. De Raad is van oordeel, dat, gelijk de aangeklaagde zelf moet toegeven, de klacht gegrond is. Hoewel het feit op zich zelf, dat de kapitein, als wachthebbend officier dienstdoende, slapende wordt aangetroffen, zeer ernstig is, meent de Raad toch, dat, onder de gegeven omstandigheden, met een berisping kan worden volstaan. Vooreerst is hier gebleken, dat de kapitein, hoewel twee stuurlieden aan boord hebbende, zelf wacht mee liep, terwijl hij op den dag zelf en den dag daaraan voorafgaande voortdurend drukke bezigheden aan den wal had gehad. Voorts hebben de klagers niet gehandeld, zooals zij in het gegeven geval hadden behooren te handelen. Toen de eerste-machinist den kapitein slapende aantrof, had hij hem moeten wekken, wat nog te meer klemde, nu hij aan het kielwater van het schip bemerkte, dat de roerganger niet in staat bleek te zijn behoorlijk te sturen. Ook de klager Blokdijk heeft niet juist gehandeld, toen hij op de brug ging staan zonder den kapitein wakker te maken en daar bleef staan tot deze wakker werd. De verzekering van beide klagers, dat geen persoonlijke redenen hen tot de klacht hebben geleid, is niet in overeenstemming met hun optreden. Mitsdien: Straft de Raad den aangeklaagde, W. H. Hodde, kapitein, verblijvende in Nederlandsch Oost-Indië aan boord van het motorschip Doggcrsbank, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. II Taverne plaatsvervangend voorzitter, C. J. Canters en G. J. Lap, leden, G. Botje, plaatsvervangend lid, M. A. Hooykaas en P. A. Arriëns, buitengewone leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zittina van den Raad van 13 Juli 1934. (get.) B. M. Taverne. C. J. Canters. G. J. Lap. G. Botje. M. A. Hooykaas. Arriëns. H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1933-06-22: De Indische courant 22-06-1933: Scheepsberichten. De „DOGGERSBANK”. Op de reede van Soerabaia ligt momenteel de „Doggersbank", het vrachtscheepje, dat onlangs op eigen kracht uit Nederland herwaarts kwam, welke zeemansprestatie zooveel bewondering heeft gewekt. Het schip vaart, zooals bekend, onder den eigenaar-gezagvoerder en toeft hier voor het innemen van diverse lading.
1933-07-12: De Indische Courant 12-07-1933: De kleine scheepvaart. Weinig resultaten van actie tegen Japansche concurrentie. Naar de „Loc." omtrent het in de vaart brengen van kleine scheepjes verneemt, die zouden moeten ageeren tegen de Japansche concurrentie, kan daarvan weinig resultaat worden verwacht. Het zijn voor kleine schepen ook al slechte tijden en bovendien komt er allerlei geharrewar bij, zooals aan boord van de „Doggersbank", waarvan een lid der bemanning bij den Duitschen consul, en de machinist en de stuurman bij den havenmeester klachten hebben ingediend inzake de behandeling aan boord e.d. Dit bevordert uiteraard het werken met-resultaten niet. Het eigenaardige van deze „Doggersbank"-affaires is, dat dit scheepje vaart op een Nederlandschen zeebrief en dat de klachten dus eerst naar Nederland moeten worden doorgezonden voor onderzoek.
1933-11-14: Sumatra Post 14.11.1933: Wat bepalingen beletten. Stuurman die niet een Hollandsch Diploma bezat. In tijden als deze, waarin velen onder het juk der werkloosheid gebrukt gaan, is het vreemd te moeten ontdekken, dat door een bloote formaliteit de werkloosheid als het ware bestendigd kan worden. Wij hebben hier het oog op het geval van het aanmonsteren van een stuurman voor het motorschip „DOGGERSBANK", schrijft de Java Bode.
Een tweetal doortastende jonge menschen, stuurman van beroep en destijds ten gevolge va,n de malaise bij de J.C.J.L. ontslagen, had met hulp van een reeder in Holland een scheepje uitgebracht om hier de z.g. wilde vaart uit te oefenen. Beiden zijn voor een, althans voor hen, belangrijk bedrag in dit bedrijf geïnteresseerd en vermoedelijk hebben zij er hun laatste spaarpenningen ingestoken. Veel winst werpt dit bedrijfje nog niet af, deels uit onbekendheid met een dergelijke manier van vrachtvaren, deels door de concurrentie van de K.P.M. Nu lukte het den eersten stuurman van dit scheepje een vrij goede betrekking aan den wal te vinden, maar om deze betrekking te kunnen aanvaarden moest hij voor een plaatsvervanger zorgen, aangezien de gezagvoerder niet alleen met het schip mocht uitvaren. Het toeval wilde, dat hij vrij spoedig een werkloozen stuurman in het bezit van een eerste rangsdiploma ontmoette. Bedoelde stuurman was echter niet in het bezit van een z.g. Hollandsch diploma. Hij had in 18 zijn eerste rang hier in Indië gehaald. Ter betere oriënteering van den lezer diene, dat de diploma's voor stuurlieden en machinisten zoowel hier in Indië als in Holland kunnen worden behaald en beide diploma's volkomen gelijkwaardig zijn. Hollandsche diploma's worden gevraagd voor het varen op schepen, varende op een Nederlandschen zeebrief,; omgekeerd zijn de Indische diploma's vereischt voor het varen op schepen met een Nederlandsch- Indischen zeebrief. Wil iemand in het bezit van een Hollandsch diploma,aanmonsteren op een schip met Nederlandsch Indischen zeebrief, dan ontvangt hij op vertoon van zijn Hollandseh diploma van den hoofd-inspecteur van Scheepvaart een Indisch diploma; wil iemand met een Nederlandsch-Indisch diploma varen op een schip met Nederlandschen zeebrief dan ontvangt hij van den inspecteur-generaal van Scheepvaart in Holland een Hollandsch diploma. Ten bewijze, dat men hier met een bloote formaliteit te doen heeft, teekenen wjj aan, dat er nu nog op verschillende schepen der K.P.M., schepen dus, varende op Nederlandsch-Indischen zeebrief, gezagvoerders varen met een Hollandsch eerste rangsdiploma, die dit certificaat nog nimmer voor Indisch diplomna hebben ingeruild. Eveneens varen er bij de N.K P.M. stuurlieden met uitsluitend Indisch diploma's, terwijl deze schepen varen op een Nederlandschen zeebrief. Voorts is het meerdere malen voorgekomen, dat schepen der K.P.M, uit Holland werden uitgebracht dus nog op een Nederlandschen zeebrief voeren terwijl de gezagvoeders hun Indisch diploma niet hadden ingewisseld vooreen Hollandsch certificaat. Hieruit volgt, dat men het over het algemeen met die inwisseling niet zoo nauw neemt. De betrokken havenmeestersweten immers wel, dat de diploma's volkomen gelijkwaardig zijn. Nu beging de gezagvoerder van de „Doggersbank" de... onvoorzichtigheid om den Havenmeester te Priok te vragen, of hij den nieuw aangenomen stuurman wel mocht aanmonsteren, aangezien de „Doggersbank" nog steeds op een Hollandschen zeebrief vaart. Uit den aard der zaak moest toen die havenmeester wel den hoofd-inspecteur van Scheepvaart van een en ander in kennis stellen. Nu zou men verwachten, dat laatstge noemde autoriteit vergunning zou geven tot aanmonsteren, mits de betrokken stuurman zijn diploma afdroeg aan den Haven meester, zoodat deze dit briefje ter aanvullig met een Hollandsch diploma naar den inspecteur generaal in Holland kon zenden. De'hoofd-inspecteur van Scheepvaart meende "echter niet vooruit te moeten loopen op de beslissing van Holland. Wel werd op kosten van den werklooze naar Holland getelegrafeerd en had de gezagvoerder van de „Doggersbank" ter zake twee telefoongesprekken met Holland, waarop drie dagen later het antwoord van den inspecteur-generaal kwam, luidende: Geen bezwaar. Alleen het niet treden in de bevoegdheden van inspecteur generaal van Scheepvaart in Holland was oorzaak dat: een schip drie dagen werd opgehouden, een stuurman de kans liep een goede walbetrekking te missen en een werklooze stuurman zich de kans op een baantje bijna zag ontgaan. Wij geven toe, dat volgens de letter van de wet de hoofd inspecteur niet anders kon handelen, doch wij hopen toch, dat de door ons gepubliceerde feiten zullen kunnen bijdragen tot een meer soepelen uitleg van voorschriften besluit, het blad.
1934-10-09: Bataviaasch nieuwsblad 09-10-1934:
De Doggersbank. De Straits Times van 4 October heeft een „Mystery Ship" ontdekt. ZU schrijft: Wat is het geheim van het motorschip de Doggersbank? Sinds eenigen tijd vaart het heen en weer tusschen Singapore en de havens van Java zonder een kilogram vracht of een enkelen passagier aan boord. Reis na reis vertrekt het vaartuig leeg en komt leeg terug. Dit is reeds zoo dikwijls geschied, dat men in scheepvaartkringen dit wat geheimzinnig gaat vinden en naar de reden vraagt. De Doggersbank, 309 ton groot, is eigendom van de Scheepsmaatschappij de Hoogh en het schip heeft een bemanning van 12 koppen. Kapitein is 11. Hodder. Het kwam Woensdag 3 October te Singapore aan en vertrok dienzelfden dag naar Soerabaja en Bandjarmassin. Aldus onze overwalsche collega. Het verhaal van de Str. Times behoeft niet dadelijk tot verontrustende gedachten te leiden. Het schip kan bijvoorbeeld lading hebben gebracht naar een haven nabij Singapore, om daarna leeg in Singapore aan te komen tot het laden van olie enz., waarna het uit een, wederom nabij gelegen, plaats lading naar Java kan brengen. Het komt dan steeds leeg te Singapore aan om eveneens leeg te vertrekken. Maar de reden kan natuurlijk ook elders te zoeken zijn.
De Indische courant 10-10-1934: Een Mysterieschip. De eeuwig leege „Doggersbank”.
De Java-bode vertaalde uit de Straits Times van 4 dezer: „Wat is het geheim van het motorschip „Doggersbank"? Nu reeds eenigen tijd vaart het tusschen Singapore en Java-havens zonder een pond lading te vervoeren of een enkelen passagier. Trip na trip vertrekt het schip leeg en komt het leeg terug. Dit is zoo vaak gebeurd, dat scheepvaartkringen eenigszins verbaasd zijn en zich beginnen af te vragen, wat de reden hiervan is. De „Doggersbank" is een scheepje van bruto 309 ton en netto 219 ton. Het schip arriveerde gisteren te Singapore en vertrok nog denzelfden dag naar Bandjermasin en Soerabaja."
De Indische couran12-10-1934: De „Doggersbank.” Geen mysterie-schip. Vrachtenpolitiek.........Men schrijft ons : In uw blad van gisteren las ik het door U uit die Java-Bode overgenomen stukje betreffende het mysterie-schip „De Doggersbank", die als de Vliegende Hollander, ledig, de zeeën doorkruist tusschen Soerabaia, Singapore en Bandjermasin. Misschien is het niet kwaad om hier met een enkel woord te verduidelijken,, dat deze „Doggersbank" in het geheel geen mysterie-schip is en uitsluitend als een gevolg van dwangmaatregelen, getroffen door onze machtige en koninklijke interinsulaire scheepvaart- maatschappij, gedwongen is deze schijnbaar nuttelooze en kostbare trips zonder lading te maken. De „Doggersbank", een scheepje van ca. 300 ton, was door een Chinees gecharterd voor het vervoer van producten en goederen tusschen Soerabaia, Bandjarmasin en Singapore en de kapitein en de bemanning vonden hiermede een behoorlijk bestaan. Dat dit niet lang kon duren, was duidelijk, indien, men weet, op welke wijze hoogergenoemde Mij. met concurreerende kustvaartscheepjes omspringt. Al heel gauw werden dus de door deze Mij. genoteerde tarieven, die enorm hoog zijn (de vracht van een zak suiker naar Europa kost minder dan de vracht hiervan bijv. naar Sumatra) aanmerkelijk verlaagd en werd de betrokken Chinees, die het bootje gecharterd had, uitgenoodigd tot een bespreking met de directie van deze Mij. in Batavia Een regeling werd getroffen en voortaan moet hij zijn goederen wederom verzenden met schepen van deze Mij.
Waar echter de Chinees een contract had met de „Doggersbank", kon dit niet zoo maar verbroken worden, maar moet thans de kapitein toch zijn reizen maken, — echter zonder lading — tot expiratie van het contract. Wij gelooven echter niet, dat de Chinees de kosten van deze reizen zal betalen ? !
De kapitein en de bemanning van de „Doggersbank" zijn indertijd met dit kleine notedopje van 300 ton uit Nederland naar de Oost getrokken om te trachten in deze wateren een eerlijk stuk brood te verdienen.
, De couranten hebben dit feit vermeld en gewezen op den moed van de wakkere bemanning om dezen langen en gevaarlijken tocht met zoon rtlein scheepje te maken. Dat waren tenminste kerels, in wie de geest van onze groote zeevaarders huisde!!
En eenmaal hier, wordt het hun vrijwel onmogelijk gemaakt hun brood te verdienen !
1934-16-okt Soerabaijasch handelsblad:
Het Vrachtenvraagstuk Waarom de Doggersbank ledig door den Archipel vaart.
Naar aanleiding van het ook door ons vermelde bericht uit de „Straits Times". die de aandacht vestigde op het feit, dat de kleine vrachtvaarder “Doggersbank" telkens ledig te Singapore komt. schrijft men het volgende aan de “Indische Crt." : Misschien is het niet kwaad om hier met een enkel woord te verduidelijken, dat deze „Doggersbank" in het geheel geen mysterie-schip is en uitsluitend als een gevolg van dwangmaatregelen, getroffen door onze machtige en koninklijke interinsulaire scheepvaartmaatschappij, gedwongen is deze schijnbaar nuttelooze en kostbare trips zonder lading te maken.
De “Doggersbank" een scheepje van ca. 300 ton, was door een Chinees gecharterd voor het vervoer van producten en goederen tusschen Soerabaia. Bandjarmasin en Singapore en de kapitein en de bemanning vonden hiermede een behoorlijk bestaan. Dat dit niet lang kon duren, was duidelijk, indien men weet op welke wijze hoogergenoemde Mij- met concurreerende kustvaartscheepjes omspringt. Al heel gauw werden dus de door deze Mij. genoteerde tarieven, die enorm hoog zijn (de vracht van een zak suiker naar Europa kost minder dan de vracht hiervan bijv. naar Sumatra) aanmerkelijk verlaagd en werd de betrokken Chinees, die het bootje gecharterd had, uitgenoodigd tot een bespreking met de directie van deze Mij. in Batavia Een regeling werd getroffen en voortaan moet hij zijn goederen wederom verzenden met schepen van deze Mij. Waar echter de Chinees een contract had met de „Doggersbank", kon dit niet zoo maar verbroken worden, maar moet thans de kapitein toch zijn reizen maken, — echter zonder lading — tot expiratie van het contract. Wij gelooven echter niet, dat de Chinees de kosten van deze reizen zal betalen ? ! De kapitein en de bemanning van de “Doggersbank" zijn indertijd met dit kleine notedopje van 300 ton uit Nederland naar de Oost getrokken om te trachten in deze wateren een eerlijk stuk brood te verdienen. De couranten hebben dit feit vermeld en gewezen op den moed van de wakkere bemanning om dezen langen en gevaarlijken tocht met zoo'n klein scheepje te maken. Dat waren tenminste kaerels. in wie de geest van onze- groote zeevaarders huisde ! En eenmaal hier, wordt het hun vrijwel onmogelijk gemaakt hun brood te verdienen ! Tot zoover de inzender van de Indische Crt. Wij vernemen, op de informaties welke wij ingewonnen hebben, het volgende :
Een Chineesche kongsie te Bandjarmasin heeft met den kapitein van de “Doggersbank".. destijds een contract aangegaan om op geregelde tijden stukgoederen te vervoeren van Soerabaja naar Bandjarmasin en na lossing aldaar, rubber uit Bandjarmasin in te nemen voor Singapore. Onder dit charter zijn verschillende reizen door de “Doggersbank" gedaan, waarbij het vervoer van bevolkingsrubber uit Borneo de voornaamste rol speelde. De vrachtprijzen waren belangrijk lager dan die van de K. P. M.. zoodat de afscheper, ondanks de geheven uitvoerrechten op bevolkingsrubber, het product tegen loonender prijzen in Singapore van de hand kon doen, dan menig rubberexporteur uit andere gewesten. Door speciale tarieven voor den afscheper vast te stellen heeft de concurrentie dezen bewogen geen lading meer aan de “Doggersbank" mede te geven. De kapitein, die de volledige-nakoming van het chartercontract, waarbij hem een minimum vracht is gegarandeerd, eischt, moet nu van zijn kant aan de verplichting, welke op hem rust, voldoen en de vastgestelde reizen maken, desnoods zonder eenige lading.
Soerabaijasch handelsblad 09-11-1934:
Het Mysterieuze schip. De Cheribonsche correspondent van het Nieuws meldt: Eenigen tijd geleden ontleenden verschillende bladen aan de „Straits Times" een bericht over de mysterieuze tochten van het ms. „Doggersbank," dat zonder eenige uit- of thuislading een geregelden dienst bevaart tusschen Bandjermasin — Soerabaja — Singapore. Bij nadere beschouwing zijn deze tochten echter niet zoo geheimzinnig als ze op het eerste gezicht wel lijken. Het schip werd namelijk door een Chineesche kongsie met verschillende agentschappen door den geheelen Archipel gecharterd met de bedoeling paal en perk te stellen aan, en een tegenwicht te vormen tegen de hooge vrachttarieven voor verschillende producten van genoemde plaatsen naar Singapore. Door de hooge tarieven was het bedoelden handelaren niet mogelijk hunne producten ook maar met een eenigszins loonende winst te verschepen. De kongsie liet het ms. „Doggersbank" eerst in vrije concurrentie varen tegen ongeveer gelijke vrachten, die door de concurrentie echter hoe langer hoe meer afbrokkelden. Voor deze tarieven kon de „Doggersbank" niet langer loonend varen, zoodat dit schip werd uitgeschakeld. De Chineesche kongsie besloot echter dit schip toch op hetzelfde traject in de vaart te laten als rem voor eventueele vracht-opzettingen van andere zijde. De bij de „Charter-partij" aangesloten handelaren betalen thans voor het vervoer van hun producten een sterk gereduceerden vrachtprijs, die met een onderling overeengekomen en af te rekenen toeslag wordt verhoogd, tot dekking van de charter-kosten. Hiermede is de sluier van het „Doggersbank" mysterie weggevallen.
Bataviaasch nieuwsblad 15-01-1935:
Het mysterieuze M.S. Doggersbank heeft hier een week lang aan de kade gelegen, gedurende welken tijd de gezagvoerder en de agent aan den wal alle moeite hebben gedaan om het schip afgeladen te krijgen. Zij zijn hierin slechts ten deele geslaagd, omdat de K.P.M, gedurende deze periode haar vrachten belangrijk verlaagde. Er werd cfrea 70 ton lading ingenomen voor Batavia.
Wellicht zou er in andere deelen van den Archipel, die niet zoo intensief door de Paketvaart worden bevaren, weer lading zijn te boeken. In een dergelijk geval kunnen deze kleine kustvaarders optreden als de ladingaanbrengers van de K.P.M.
1936-08-29: Bataviaasch nieuwsblad 29-08-1936: Copra-verscheping. Aneta seint uit Posso, dat het m.s. „Doggersbank" op zijn eerste reis in de Tomini-bocht 5.000 picol copra voor Gorontalo heeft ingeladen. Wegens gebrek aan laadruimte heeft het schip enkele havens overgeslagen.
1942-01-00: Gevorderd door de Koninlijke Marine als patrouillevaartuig voor de bewaking van Soerabaja. Ter voorkoming van in-beslagname door de Japanners, op 2 maart 1942 te Soerabaja op het Marine etablissement op last van de Commandant Zeemacht tot zinken gebracht. 21 Juli 1943 door de Japanners gelicht.
1944-10-26: Final Fate:
Bij Malili (aan de noordkust van de Golf van Boni, Celebes) als gevolg van een geallieerde luchtaanval gezonken. Eind 1945 wrak teruggevonden in de Malili rivier en als onherstelbaar geabandonneerd. (De teboekstelling bij het Kadaster wordt op 11-12-1951 doorgehaald.)

Afbeeldingen


Omschrijving: Doggersbank 1933
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Doggersbank 1933
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: foto verkregen van de hr. Yuataka
Gemaakt door: onbekend