Inloggen
DIANA - ID 1683

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1936
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
Nat. Official Number: 1755 Z GRON 1936
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: Two masts
Rig: 2 derricks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Firma Gebr. Niestern & Co., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 205
Launch Date: 1936-08-27
Delivery Date: 1936-09-30
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 2-stroke single-acting
Number of Cylinders: 4
Power: 195
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons. Nr. 5707 Type T (240x360)
Speed in knots: 8
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 313.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 149.00 Net tonnage
Deadweight: 355.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 20000 Cubic Feet
Bale: 19000 Cubic Feet
 
Length 2: 38.89 Meters Registered
Beam: 7.34 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.64 Meters Depth, moulded
Ship History Data

Date/Name Ship 1936-09-26 DIANA
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Jacob de Voogd, Schiedam, Zuid-Holland, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Delfzijl / Netherlands
Callsign: PDPQ

Ship Events Data

1936-08-27: DELFZIJL, 27 Augustus. Heden werd van de werf van de Gebr. Niestern alhier met goed gevolg een motorschip te water gelaten. Dit schip met afmetingen van 41.15X7.30X2.90 M. en een D.W. van 380 ton is gebouwd onder klasse Bureau Veritas en Scheepvaart-Inspectie, groote kustvaart voor rekening van den heer J. de Voogd te Schiedam. Het zal van een Brons motor van 200 P.K. worden voorzien. Bij genoemde werf is nog een motorschip van hetzelfde type in aanbouw voor rekening van den heer A. Noë te Delfzijl.
1936-09-28: De Eemsbode 29.09.1936: Op de Eems werd gisteren een welgeslaagde proeftocht gehouden met het nieuwe, fraaie, motorzeeschip 'DIANA', kapitein-eigenaar J. de Voogd van Rotterdam. Het schip is gebouwd bij de firma Gebr. Niestern te Farmsum, onder klasse Veritas en Scheepvaart Inspectie en voorzien van een 200 Pk Appingedammer Brons motor waarmee het een snelheid van ruim 9½ mijl behaalde. De 'Diana' is modern uitgerust en van alle gemakken voorzien, het schip is plm. 360 ton DW. De electrische verlichting werd uitgevoerd door de heer J. van Bruggen te Delfzijl.
1936-09-28: Op 28-09-1936 als DIANA, zijnde een motorvrachtschip, groot 886.473 m3, liggende te Delfzijl, door J. Gerrits, scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Jacob de Voogd te Schiedam, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 1755 Z GRON 1936 op het achterschip aan stuurboordzijde in achterkant dekhuis op het verhoogd achterdek.
1936-09-30: NvhN 01-10-1936. Proefvaart „DIANA”. Op de Eems te Delfzijl vond gisteren de goed geslaagde proefvaart plaats van het nieuwe motorschip Diana, gebouwd op de werf van de Gebr. Niestern te Delfzijl, onder klasse Bureau Veritas en Scheepvaart-Inspectie, groote kustvaart, voor rekening van kapt. J. de Voogd te Delfzijl. Het schip is van het kruiser-hek type met plaatsteven en het is voorzien van een dubbele bodem, volgens het patent van genoemde scheepswerf. Het heeft twee Mannesmann masten met twee Mannesmann laadboomen. Bij elke mast is een motorlier geplaatst, die door een Deutz motor van 10—12 P.K. gedreven wordt. De motor, die de voorste lier aandrijft, geeft tevens aandrijving aan de ankerlier, terwijl de motor, die de achterste lier aandrijft in de motorkamer geplaatst is en daar eveneens als hulpmotor dienst doet, voor het drijven van de hulpwerktuigen en de dynamo. De geheele verlichting van het schip is electrisch. Deze installatie werd geleverd en ingebouwd door de fa. J. van Bruggen te Delfzijl. Als hoofdmotor is in de motorkamer een Brons motor van 200 P.K. geplaatst, waarmede het schip in ballast een snelheid van ruim 9 ½ mijl behaalde. De afmetingen van het schip zijn als volgt: lengte over alles 41.15 M., breedte op het grootspant 7.30 M. en holte in de zijde 2.90 M. Het laadvermogen bedraagt 360 ton en het is netto 148 54 Reg. ton en bruto 312.91 Reg. ton. Het schip is keurig betimmerd en ook de afwerking laat niets te wenschen over. Op de proefvaart bleek het zeer licht te besturen, terwijl eveneens zeer goed met het vaartuig gemanoeuvreerd kon worden. Het schip, dat een zeer fraaien indruk geeft, is uitgerust met een radio-peilinstallatie. Het voldeed op de proefvaart ruim aan alle gestelde eischen en het werd hierna zeer ten genoegen door den kapitein overgenomen.
1938-06-23: De Maasbode 24-06-1938: m.s. Diana. Goole, 23 Juni. Het Ned. motorschip Diana in ballast binnengekomen heeft het steenwerk bij de brug beschadigd. De schade aan de Diana is nog niet bekend. Goole, 23 Juni. Het in ballast alhier aangekomen Nederl. m.s. Diana heeft eenige schade veroorzaakt aan het steenwerk van de Lowther Bridge. Of het schip schade heeft, is niet bekend. Naar verluidt, zal het morgen vroeg met een lading van hier vertrekken.
1938-12-10: NvhN 14-04-1939: De Diana voer tegen Engelsch stoomschip aan. De Raad voor de Scheepvaart onderzocht de oorzaak van de aanvaring van het Groninger m.s. „Diana" en het Engelsehe „Enid Mary" op het Noordzeekanaal bij de Hembrug op 10 December j.l. Als getuigen werden gehoord de kapitein van het Nederlandsche schip, de loods van het Engelsche schip en een knecht van de Hembrug. De kapitein van de „Diana", een schip van 313 bruto register ton, verklaarde met zijn schip van Boulogne komende op weg naar Amsterdam te zijn geweest. Op den avond van den tienden December, even voor het invallen van de duisternis, kwam het schip bij de Hembrug. Van de brug af werd het rood groen sein gegeven, hetgeen beteekent dat de brug weldra zal opengaan. Op ongeveer 500 meter voor de brug werd gestopt en later is langzaam achteruitgeslagen. Het schip naderde tot bij het roode licht. Ik wilde juist achteruit gaan — aldus de kapitein — toen van de brug werd geroepen „vooruit". Het sein bleef op rood. Ik voer volle kracht door en zag toen het Engelsehe schip. Beide schepen hebben lang volle kracht achteruit gegeven, maar de aanvaring kon niet worden voorkomen. De verklaring van den scheepsregelaar van de Hembrug werd voorgelezen. Het was later gebleken, dat de knecht, in strijd met de order, het licht voor de richting Amsterdam op groen en dat voor de richting IJmuiden op rood had gezet. Vervolgens werd de loods van het Engelsehe schip gehoord. Deze verklaarde: toen de brug open was, werd het sein voor mijn schip op veilig gezet. De Raad zal verder beraadslagen en later uitspraak doen.
Algemeen Handelsblad 14-07-1939. Hembrugseinen verkeerd bediend. Raad voor de Scheepvaart doet uitspraak inzake aanvaring in het Noordzeekanaal. Verklikkerlichten noodzakelijk. De Raad voor de Scheepvaart heeft heden uitspraak gedaan inzake de aanvaring van het Nederlandsche motorschip „DIANA” met het Engelsche stoomschip „Enid Mary” in het Noordzeekanaal bij de Hembrug op 10 Dec. 1938. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring in hoofdzaak is terug te voeren tot het verkeerd bedienen van de seinen op de Hembrug door den brugwachter wegwerker bij de Nederlandsche Spoorwegen. Deze erkende ronduit een fout te hebben gemaakt en hij schreef dit hieraan toe, dat hij nog slechts kort op de Hembrug werkzaam was en nog niet voldoende op die hoogte was van de bediening der lichten, welke bediening, volgens dien getuige, geen eenvoudig werk is. Zoo kon het gebeuren, dat iedereen op de brug in de veronderstelling verkeerde, dat voor IJmuiden groen en voor Amsterdam rood werd getoond, terwijl in werkelijkheid het omgekeerde het geval was. Een verklikker of ander contrôlemiddel was, gelijk getuige verklaarde, niet aanwezig. Men moet naar het licht toegaan om te zien of het juiste sein wordt gegeven. Zoo kon zich ook het zonderlinge geval voordoen, dat de wnd. scheepsregelaar de „Diana” aanmaande om toch vooruit te slaan, terwijl dit schip, volgens verklaring van den kapitein, juist op het punt stond terug te keeren, omdat het sein voor IJmuiden op onveilig stond. Dit alles, terwijl de „Enid Mary” volkomen terecht, immers op het voor Amsterdam getoonde groene licht, aanstalten maakte om door de brug te gaan. Nog in ander opzicht heeft de op de brug gemaakte fout deze aanvaring in de hand gewerkt. Indien nl. de „Diana” tijdig groen had gekregen, was dit schip nimmer aan de verkeerde zijde van het vaarwater terechtgekomen en had het nimmer haar groene licht aan de „Enid Mary” kunnen toonen, hetgeen dit laatste schip aanleiding gaf haar tweestootssignaal te geven. Wat de „Diana” als een fout moet worden aangemerkt, is, dat zij, door de stoppalen heen, de brug tot op een afstand van 40 meter was genaderd. Dit had zij in geen geval mogen doen en het heeft den raad getroffen, dat dit is gebeurd, terwijl de „Diana” een loods aan boord had. Had de „Diana” zich aan het reglement gehouden, dan was hoogstwaarschijnlijk het „vooruit” roepen door den scheepsregelaar achterwege gebleven, met alle gevolgen van dien. Hoogstwaarschijnlijk zal bij bedoelde overtreding het sein om zich gereed te houden voor de doorvaart, in verband met de grootte van het schip, een rol hebben gespeeld. Hiermede is niet gezegd, dat bij de toedracht van deze aanvaring de fout van de brug kan worden uitgeschakeld. Integendeel moet, gelijk gezegd, deze fout als de hoofdzaak van deze aanvaring worden aangemerkt en de raad wil er ten slotte op wijzen, dat dit geval wel duidelijk heeft geleerd, hoe ongewenscht het is, wanneer de bediening van het seinen — zooals hier, volgens de verklaring van getuige het geval was — zelfstandig aan eerstbeginnenden wordt overgelaten. Immers, genoemde getuige verklaarde zelf met de bediening der seinen niet voldoende vertrouwd te zijn geweest. Voorts is het zeer wenschelijk, dat de stand der seinlichten door verklikkerli chten aan den seingever worde bekend Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Vrijdag 28 en Zaterdag 29 Juli 1938, no.146. No 93. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het Nederlandsche motorschip Diana niet het Engelsche stoomschip Enid Mary in het Noordzeekanaal bij de Hembrug. Op 10 December 1938 is het Nederlandsche motorschip Diana in het Noordzeekanaal bij de Hembrug in aanvaring gekomen met het Engelsche stoomschip Enid Mary. In overeenstemming met liet voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 14 April 1939 buiten tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart of diens plaatsvervanger, die beiden verhinderd waren de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuigen: Arien Doeksen en Hendrik van Keulen, onderscheidenlijk kapitein op de Diana en loods op de Enid Mary ten tijde van de aanvaring, zoomede Albertus Zondervan, wegwerker bij de Nederlandsche spoorwegen, die destijds dienst deed op de Hembrug. De verklaring van den vervangend scheepsregelaar den gepensionneerden loodsschipper Jan Arnoldus Koningstem, bij gemeld voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie afgelegd, is door den secretaris ter zitting voorgelezen. Uit de verklaringen en bescheiden is den Raad het volgende gebleken: De Diana is een Nederlandsch motorschip, metende 312,91 bruto-, 148,54 netto-registerton, roepnaam P D P Q, lang 127 voet 7 duim, breed 24 voet 1 duim en toebehoorende aan J. de Voogd, te Schiedam. Het schip is in het jaar 1936 te Delfzijl van staal gebouwd en uitgerust met een Brons-Dieselmotor van 195 pk. De Enid Mary is een Engelsch stoomschip, metende 582 bruto-, 291 netto -registerton, lang 174,5 voet, breed 28,6 voet en behoort toe aan de British Isles Coasters Ltd., te Cardiff. De door den kapitein en door den stuurman van de Diana, die op reis was van Boulogne naar Amsterdam, te Amsterdam afgelegde scheepsverklaring houdt o. m. in: Te 4.53 uur des namiddags bevond de Diana zich op de hoogte van de Fordhaven. Op de brug bevonden zich de kapitein Doeksen, de stuurman de Groot en de loods Groet. De machine werkte langzaam vooruit. Op de Hembrug werd groenrood geseind, hetgeen volgens den loods het sein was, dat de brug voor ons geopend werd. Aan den anderen kant van de brug werden twee tegenliggers gezien. Op 500 m vóór de brug werd de machine gestopt, terwijl het schip langzaam naar de brug dreef. Het sein op de Hembrug stond nog onveilig. De brug draaide open en was geheel geopend, toen de Diana tot op 150 m van de brug gekomen was. Het sein op de Hembrug bleef onveilig. Nu werd langzaam achteruit gegeven en de Diana kwam op ongeveer 40 m vóór de brug gestopt te liggen, de kop in de as van het vaarwater, het achterschip iets aan bakboord hiervan, als gevolg van wind en achteruitdraaien. Het schip was gereed om terug te keeren, daar het sein van de Hembrug nog steeds onveilig was. Op dit moment werd door den brugwachter „vooruit" geroepen en toen hieraan direct geen gevolg werd gegeven, werd door den brugwachter nogmaals „vooruit" geroepen. Hierop werd met s.b.-roer vol vooruit gegeven, terwijl van den anderen kant een schip, hetgeen later het Engelsche stoomschip Enid Mary bleek te zijn, recht op ons aan lag. Van dit schip werden een oogenblik later 2 korte stooten gehoord. De Diana, die toen al naar s.b.-zijde van het vaarwater liep, antwoordde met één korten stoot. Hierop gaf de Enid Mary weer 2 korte stooten en daarna de Diana weer één korten stoot. Direct hierop gaf de Enid Mary 3 korte stooten, hetgeen door de Diana beantwoord werd met 3 korte stooten en vol achteruit der machine. De Enid Mary liep hierna hard naar bakboord, scherend op onze b.b.-zijde en raakte met b.b.-boeg de Diana even vóór de midscheeps aan bakboord. Op de Diana werd daarna hard b.b.-roer en vol vooruit gegeven om het achterschip vrij te krijgen, doch de Enid Mary beschadigde nog de brug van de Diana met zijn anker. De aanvaring had plaats juist door de Hembrug aan s.b.-zijde van het vaarwater. De kapitein verklaarde nog, dat, toen hij voor het eerst 2 korte stooten van de Enid Mary hoorde, de Diana zich in het midden van de brugopening bevond; dat hij op dat oogenblik het toplicht en het roode boordlicht van het tegenkomende schip zag; dat na het voor de tweede maal wisselen der seinen het groene boordlicht zichtbaar werd. De verklaring van den loods van het stoomschip Enid Mary getuige H. van Keulen komt neer op het volgende: De Enid Mary kwam in den namiddag van 10 December 1938 omstreeks te 5 uur tegen den tijd van opening vóór de Hembrug. De brug werd geopend zonder dat eenig sein was gegeven. Zoodra de brug open was, zag hij aan den anderen kant twee toplichten, die flink openstonden, benevens een groen boordlicht. Dit deed hem veronderstellen, dat het schip den noordwal opzocht. Ter hoogte van de afstandspalen, op 500 m uit de as van de brug gekomen, toonde de brug groen. Hij naderde, steeds langzaam varende, de brug, de beide toplichten en het groene boordlicht vóór hem aan stuurboord houdende. Hij gaf hierop 2 korte stooten, met de bedoeling aan den verkeerden kant te passeeren. Het egenliggende schip, dat later bleek het motorschip Diana te zijn, kwam nu om de zuid. Een sein van één korten stoot heeft hij niet gehoord. Daarom gaf hij dadelijk na het sein van 2 korte stooten 3 korte siooten en sloeg volle kracht achteruit, met s.b.-roer. De Enid Mary raakte de Diana aan bakboord bij het breken van den boeg. Desgevraagd verklaarde deze getuige nog, dat het niets bijzonders was, dat een klein vaartuig als de Diana tegelijkertijd van den anderen kant naderde; dat hij voortdurend twee toplichten en groen van de Diana heeft gezien, totdat op het laatste oogenblik, toen dit vaartuig vlak bij den pijler plotseling overkwam, het roode boordlicht zichtbaar werd; dat de Enid Mary op het oogenblik van de botsing ongeveer 15 m van den noordelijken pijler was verwijderd; dat de wind Z.Z.O. was, kracht 3. De verklaring van den bij het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie gehoorden gezagvoerder van het Engelsche schip stemt in hoofdzaak met die van den loods overeen. De gepensionneerde loodsschipper Jan Arnoldus Koningstem heeft bij het voorloopig onderzoek o. m. verklaard: dat hij op 10 December 1938 als vervangend scheepsregelaar dienst deed op de Hembrug; dat, even voordat de brug zou worden geopend voor het tijdvak 17.53—18.06, er drie schepen voor de doorvaart gereed lagen, t. w. één uit de richting IJmuiden en twee uit de richting Amsterdam; dat deze beide laatste schepen tijdens het opendraaien van de brug zich nog buiten de 500-m-afstandspalen bevonden, terwijl het schip uit de richting IJmuiden reeds ter hoogte van de 150-m-stoppalen was; dat hij daarom alleen in de richting IJmuiden het flapsein rood-groen toonde, alvorens de brug te openen, ten teeken zich gereed te houden voor de doorvaart ; dat het zijn bedoeling was dit schip — het motorschip Diana — het eerst door te laten, daar er rondom de oostpijlers eenige bakken voor reparatie lagen, die het vaarwater eenigszins versperden, zoodat er na het passeeren van de Diana voor de van Amsterdam komende schepen een veilige doorvaart zou zijn; dat hij met den chef-brugwachter had afgesproken aan den kant van IJmuiden het sein groen te toonen en het aan den kant van Amsterdam rood te laten staan; dat de chef-brugwachter aan den brugwachter order gaf aldus te seinen; dat hij, nadatde brug geopend was, zag, dat de Diana achteruitsloeg en in schuinsche richting in de brugopening bleef liggen; dat hij dit schip daarop eenige malen toeriep vooruit te varen; dat het voorste schip uit de richting Amsterdam toen nog ter hoogte van de veerpont was; dat hij, even nadat de Diana weer verder voer, vernam, dat de brugwachter Zondervan de lichten verkeerd had getoond, nl. Amsterdam groen en IJmuiden rood; dat hij oogenblikkelijk order gaf het sein richting Amsterdam op rood te zetten, terwijl het sein richting IJmuiden rood bleef; dat hij niet begrijpt, waarom de Enid Mary 2 korte stooten gaf, nu de Diana met haar kop ongeveer midden in het vaarwater lag, het achterschip naar den noordwal, zoodat de Enid Mary onmogelijk stuurboord op stuurboord kon passeeren; dat de aanvaring plaats had bij het uiteinde van de brug aan den Amsterdamschen kant, terwijl de Diana ongeveer anderhalven meter vrij was van de aldaar liggende lichters. De brugwachter getuige A. Zondervan verklaarde: dat hij, zijnde wegwerker bij de Nederlandsche spoorwegen, sinds 19 November 1938 op de Hembrug dienst deed; dat hij nog geen voldoende routine had in het bedienen der lichten en in strijd met de bedoeling van den chef-brugwachter op 10 December de lichten verkeerd heeft bediend, zooals hij later heeft bemerkt, nl. zoo, dat Amsterdam groen had en IJmuiden rood; dat, zoodra de verkeerde stand der seinen was ontdekt, de fout dadelijk is hersteld; dat de schepen elkaar meer aan den zuidkant van het vaarwater dan in het midden daarvan hebben geraakt. De ltaad is van oordeel, dat deze aanvaring in hoofdzaak is terug te voeren tot het verkeerd bedienen van de seinen op de Hembrug door den brugwachter A. Zondervan, wegwerker bij de Nederlandsche spoorwegen. Deze erkende ronduit een fout te hebben gemaakt en hij schreef dit hieraan toe, dat hij nog slechts kort op de Hembrug werkzaam was en nog niet voldoende op de hoogte was van de bediening der lichten, welke bediening, volgens dien getuige, geen eenvoudig werk is, zoo kon het gebeuren, dat iedereen op de brug in de veronderstelling verkeerde, dat voor IJmuiden groen en voor Amsterdam rood werd getoond, terwijl in werkelijkheid het omgekeerde het geval was. Een verklikker of ander controlemiddel was, gelijke getuige Zondervan verklaarde, niet aanwezig. Men moet naar het licht toegaan om te zien of het juiste sein wordt gegeven. Zoo kon zich ook het zonderlinge geval voordoen, dat de waarnemend scheepsregelaar Koningstem de Diana aanmaande om toch vooruit te slaan, terwijl dit schip, volgens verklaring van den kapitein, juist op het punt stond terug te keeren, omdat het sein voor IJmuiden op onveilig stond. Dit alles, terwijl de Enid Mary volkomen te recht, immers op het voor Amsterdam getoonde groene licht, aanstalten maakte om door de brug te gaan. Nog in een ander opzicht heeft de op de brug gemaakte fout deze aanvaring in de hand gewerkt. Indien nl. de Diana tijdig groen had gekregen, was dit schip nimmer aan de verkeerde zijde van het vaarwater terechtgekomen en had het nimmer haar groene licht aan de Enid Mary kunnen toonen, hetgeen dit laatste schip aanleiding gaf haar tweestootssignaal te geven. Hoewel dus deze aanvaring in hoofdzaak tot de verkeerde seingeving op de brug is terug te voeren, moet nog worden nagegaan, of onder de nu eenmaal gegeven omstandigheden door de beide schepen de juiste maatregelen zijn getroffen. De Raad stelt hierbij op den voorgrond, dat tusschen de wederzijds afgelegde verklaringen geen eenstemmigheid bestaat. De loods van de Enid Mary verklaart uitdrukkelijk, dat door dit schip slechts éénmaal — nl. toen de Diana groen toonde — het sein van 2 korte stooten is gegeven en dat, toen daarna de Diana naar den zuidkant overschoor, onmiddellijk 3 korte stooten zijn gegeven. De Raad acht deze verklaring aannemelijk, in het bijzonder ook, dat de Diana inderdaad haar groene licht heeft getoond, daar dit de eenige aanleiding voor de Enid Mary kon zijn om 2 korte stooten te geven. De verklaring van den kapitein van de Diana, dat tweemaal de seinen van resp. 2 korte stooten en één korten stoot zijn gewisseld, komt den Raad zeer onwaarschijnlijk voor. Overigens is dit laatste verschil niet van groot belang. Wat nu de door de beide schepen gevolgde navigatie betreft, op die van de Enid Mary heeft de Raad geen aanmerkingen. Met de Diana is het in zooverre anders gesteld, dat dit schip de bejjalingen van het hier geldende reglement niet heeft in acht genomen. De Raad acht het begrijpelijk, dat de Diana, op het geroep „vooruit" van de brug af, inderdaad is komen opzetten, doch strikt genomen was dit toch niet juist en had de kapitein beter gedaan om terug te roepen, dat het sein voor hem op onveilig stond. Ware dit toen tot den scheepsregelaar doorgedrongen, dan is het nog de vraag wat deze gedaan zou hebben, wanneer hij zich er van had overtuigd, dat de Enid Mary kwam opzetten. Wat echter aan de Diana wel als een fout moet worden aangemerkt, is, dat zij, door de stoppalen heen, de brug tot op een afstand van 40 m was genaderd. Dit had zij in geen geval mogen doen en het heeft den Raad getroffen, dat dit is gebeurd, terwijl de Diana een loods aan boord had. Had de Diana zich aan het reglement gehouden, dan was hoogstwaarschijnlijk het „vooruit" roepen door den scheepsregelaar achterwege gebleven, met alle gevolgen van dien. Hoogstwaarschijnlijk zal bij bedoelde overtreding het sein om zich gereed te houden voor de doorvaart, in verband met de grootte van het schip, een rol hebben gespeeld. Hiermede is niet gezegd, dat bij de toedracht van deze aanvaring de fout van de brug kan worden uitgeschakeld. Integendeel moet, gelijk gezegd, deze fout als de hoofdoorzaak van deze aanvaring worden aangemerkt en de Raad wil er ten slotte op wijzen, dat dit geval wel duidelijk heeft geleerd, hoe ongewenscht het is, wanneer de bediening van de seinen — zooals hier volgens de verklaring van getuige Zondervan het geval was — zelfstandig aan eerstbeginnenden wordt overgelaten. Immers, genoemde getuige verklaarde zelf met de bediening der seinen niet voldoende vertrouwd te zijn geweest. Voorts is het zeer wenschelijk, dat de stand der seinlichten door verklikkerlichten aan den seingever kenbaar worde gemaakt. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, R. Kramer en B. Kruys, buitengewone leden, in ttegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 14 Juli 1939. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1939-10-12: 21-09-1940 Uitspraak raad voor de scheepvaart: Kapitein van m.s. „Diana" volgde voorschriften niet op. Tenslotte volgde uitspraak inzake de klacht van den inspecteur voor de Scheepvaart tegen den toenmaligen kapitein van het motorschip „Diana", wegens het niet opvolgen der voorschriften in oorlogstijd voor het aandoen der Nederlandsche zeegaten gegeven. De Raad voor de Scheepvaart oordeelt dat de klacht gegrond moet worden verklaard. Aangeklaagde had op de hoogte moeten zijn van de in den Zeemansgids voor de Nederlandsche Kust en in de berichten aan zeevarenden openbaar gemaakte voorschriften, in oorlogstijd voor het aandoen der Nederlandsche zeegaten gegeven. Hij heeft onverantwoordelijk gehandeld, door, wetende, dat er oorlogstoestand bestond, niet nauwkeurig kennis van die voorschriften te nemen en zich niet daanaan te houden, doch het Schulpengat op eigen risico in te varen. Aldus heeft hij zijn schip en de opvarenden aan groot gevaar blootgesteld. Zijn verweer, gegrond op den, volgens hem destijds heerschenden mist en op de haast die hij had, kan niet tot zijn verontschuldiging strekken, gelet op het groote gevaar, dat ontstaat bij niet stipte naleving der voorschriften. De Raad bestraft den aangeklaagde, door hem de bevoedgheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van veertien dagen.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Dinsdag 1 October 1940, no.191
No.103 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de klacht van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart tegen Frans Stam, kapitein van het motorschip Diana, wegens het niet opvolgen der voorschriften in oorlogstijd voor het aandoen der Nederlandsche zeegaten gegeven.
Op 27 November 1939 is door den inspecteur-generaal voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud : ,,De inspecteur-generaal voor de scheepvaart; gezien het proces-verbaal, opgemaakt op 12 October 1939 door den kapitein-luitenant ter zee K.M.R. A. W. Fischer en dooiden inspecteur-generaal voor de scheepvaart ontvangen op 20 November 1939; Overwegende, dat daaruit blijkt, dat het motorschip Diana op 12 October 1939 het Schulpengat is binnengekomen, zonder dat daarbij de voorschriften werden nagekomen, vermeld in de „Berichten aan Zeevarenden", n°. 201, dd. 29 Augustus 1939; overwegende, dat de gezagvoerder Frans Stam aansprakelijk moet worden geacht voor de naleving van die voorschriften en dat niet-naleving gevaar voor schip en opvarenden kan medebrengen ; overwegende, dat dit in gevaar brengen een misdraging tegenover de schepelingen oplevert; gelet op de artikelen 48 en 49 van de Schepenwet; stelt aan den Raad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den kapitein F. Stam te hooren." Een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 49 der Schepenwet, besliste, dat naar de gegrondheid van voorschreven klacht een onderzoek door den Raad zou worden ingesteld. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 18 Maart 1940, in tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de overgelegde stukken en hoorde den kapitein Frans Stam, voornoemd, als aangeklaagde, buiten eede. Na voorlezing van de klacht zette de voorzitter den aangeklaagde de beteekenis daarvan uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Een op den ambtseed door den kapitein-luitenant ter zee K.M.B., tevens onbezoldigd Rijksveldwachter, opgemaakt proces-verbaal dd. 12 October 1939 houdt zakelijk in, dat aan verbalisant aan het Bureau Zeeverkeer van het commandement der marine te Willemsoord op 12 October 1939 des voormiddags omstreeks te 9.10 uur werd kennis gegeven door den kustwachtpost Huisduinen, dat het kustvaartuig Diana zonder het voeren van een onderzoekingssein het Schulpengat kwam binnenvaren; dat bovendien door het voor het Schulpengat op post zijnde onderzoekingsvaartuig geen bericht was gezonden, dat aldaar een vaartuig was gepasseerd, zoodat dus ook geen toestemming tot doorvaren was verleend; dat eenigen tijd later door den loodscommissaris werd getelefoneerd, dat bij Huisduinen een kustvaartuig lag, dat een loods vroeg; dat op die aanvrage afwijzend is beschikt; dat een marinevaartuig werd gezonden met den officier van den binnenonderzoekingsdienst, om het schip naar de reede te brengen, aldaar te verankeren en den kapitein voor verhoor naar het Bureau Zeeverkeer te leiden. Aangeklaagde heeft ter zitting van den Raad verklaard als volgt: Hij deed in October 1939 dienst als kapitein op het Nederlandsche motorvaartuig Diana, toebehoorende aan J. de Voogd te Overschie, groot bruto 312,91, netto 148,54 ton. Op 10 October 1939 vertrok de Diana in ballast van Londen naar Harlingen. Op 12 October 1939 des voormiddags te 1.50 uur werd, blijkens een op dat tijdstip op de lichten van IJmuiden en Egmond genomen kruispeiling, de Nederlandsche kust benoorden Egmond aangeloopen. Totdat de dag aanbrak, werd op en neer gehouden, ongeveer 2' uit de kust. Des voormiddags te 6.30 uur was het vaartuig volgens de gis ter hoogte van Callantsoog, welke plaats wel te zien, doch door het slechte zicht niet behoorlijk te verkennen was. Het lood werd gaande gehouden en een diepte van 7 èi 8 vadem gelood. Er werd op en neer gehouden en gezocht naar het bewakingsvaartuig en het loodsvaartuig. Aangeklaagde besloot, toen het bewakingsvaartuig niet kon worden gevonden, langzaam langs de kust door het Schulpengat naar binnen te varen. Het zicht bleef slecht, het eerste, dat men kon verkennen, waren de kapen van den Zanddijk. Bij Huisduinen zag aangeklaagde op de Diana, die de loodsvlag voerde, het vlaggesein ,,loods kan niet naar buiten komen". Nadat het vaartuig nabij Huisduinen eenigen tijd had stilgelegen, werd het door een marinevaartuig aangehouden en naar de reede gebracht. Aangeklaagde heeft tot zijn verweer aangevoerd: dat hij niet precies op de hoogte was van de voorschriften in oorlogstijd voor het aandoen der Nederlandsche zeegaten gegeven; dat hij op den ochtend van dien 12den October haast had om de reis naar Harlingen voort te zetten en vreesde, dat te veel tijd verloren zou gaan, indien hij moest wachten tot het optrekken van den mist om het onderzoekingsvaartuig op te sporen; dat hij wist in overtreding te zijn door zonder toestemming van dat vaartuig naar binnen te varen, doch niet er aan gedacht heeft, dat gevaar voor mijnen bestond en dat overigens zijn overtreding een ernstig karakter zou dragen. De inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft ter zitting van den Raad als zijn oordeel te kennen gegeven, dat de klacht gegrond is, immers vaststaat, dat aangeklaagde in overtreding is geweest: dat aangeklaagdes verweer, niet precies op de hoogte te zijn geweest van de voorschriften, en het gevaar, dat geloopen werd, niet hoog aan te slaan, moet worden verworpen, daar aangeklaagde de voor- schriften moet kennen en juist omdat hij den omvang van het gevaar niet kan beoordeelen, zich aan de voorschriften heeft te houden. De Raad voor de Scheepvaart oordeelt als volgt: De klacht moet gegrond worden verklaard. Aangeklaagde had op de hoogte moeten zijn van de in den „Zeemansgids voor de Nederlandsche kust" en in de „Berichten aan Zeevarenden" openbaargemaakte voorschriften in oorlogstijd voor het aandoen der Nederlandsche zeegaten gegeven. Hij heeft onverantwoordelijk gehandeld, door, wetende, dat er oorlogstoestand bestond, niet nauwkeurig kennis van die voorschriften te nemen en zich niet daaraan te houden, doch het Schulpengat op eigen risico in te varen. Hij had, toen hij vóór den mond van het Schulpengat geen onderzoekingsvaartuig aantrof, zooals uitdrukkelijk is voorgeschreven, niet naar binnen mogen varen, doch buiten de territoriale wateren moeten blijven, totdat hij dit vaartuig waarnam. Aldus heeft hij zijn schip en de opvarenden aan groot gevaar blootgesteld. Zijn verweer, gegrond op den, volgens hem, destijds heerschenden mist en op de haast, die hij had, kan niet tot zijn verontschuldiging strekken, gelet op het groote gevaar, dat ontstaat bij niet stipte naleving der voorschriften. De Raad oordeelt, dat, gelet op den ernst der gepleegde overtreding, na te melden straf moet worden toegepast. Mitsdien: Bestraft den aangeklaagde, Frans Stam, geboren 18 Juni 1885, wonende te Vlaardinger-Ambacht, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van veertien da-gen. Aldus gedaan door de heeren mr. dr. F. C. van Geer, tweedeplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door den eerste-plaatsvervangend-voorzitter prof. mr. B. M. Taverne, ter openbare zitting van den Raad van 20 September 1940. (get.) F. C. van Geer. „ H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1939-11-18: De Tijd 20-11-1939: Aanvaring op Noordzeekanaal. Tusschen twee kustvaarders. In het Noordzeekanaal zijn Zaterdagavond ter hoogte van de Coenhaven twee kustvaarders van resp. 350 en 400 ton, de „Oise" en „Diana" in aanvaring gekomen. Het eerstgenoemde schip kwam uit de Coenhaven en voer stadwaarts, de „Diana" kwam van de stad, op weg naar IJmuiden. De Diana kreeg een gat van ruim één meter ter hoogte van de machinekamer boven de waterlijn. De „Oise" werd zeer ernstig aan stuurboord beschadigd. De havenpolitie was spoedig ter plaatse, benevens enkele sleepbooten. Voorloopig zijn de schepen voor anker gegaan. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. De Tijd 12-06-1940: Aanvaring op het Noordzeekanaal. De eerste zitting van den raad voor de scheepvaart na den oorlog. Na een periode van ongeveer anderhalve maand, waarin in verband met den oorlog geen zittingen plaats vonden, is de raad voor de scheepvaart bijeengekomen ten einde een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de aanvaiing tusschen het m.s. „Oise", metende 175 bruto rëgisterton, en het m.s. „Diana", metende 313 bruto rëgisterton op het Noordzeekanaa.l op 18 November 1939.
Als getuigen werden de beide loodsen van deze schepen gehoord. Allereerst was het woord aan den loods van de „Diana". Het schip was omstreeks kwart over vijf van de Javakade met bestemming Bristol en een lading stukgoederen aan boord in de richting IJmuiden vertrokken. Het was een bijzonder donkere avond, doch helder. Er stond weinig wind. Bij het passeeren van de Coenhaven zag getuige plotseling uit deze haven een laag op het water liggend vaartuig, dat later de „Oise" bleek te zijn, dwars voor overloopen. Onmiddellijk werd aan boord van de „Diana" de machine gestopt en op volle kracht achteruit gesteld. De aanvaring bleek echter niet te voorkomen. Alles ging zeer snel in zijn werk. De „Diana" raakte de „Oise" met het voorschip tegen het achterschip. De schade was betrekkelijk ernstig, al maakten de schepen geen water. De voorgelezen verklaring van den kapitein van de „Diana" kwam geheel overeen met deze verklaring. Er waren geen signalen gehoord Qtgegeven. Het schip had steeds de stuurboordzijde van het water gehouden. De loods van de „Oise", die vervolgens werd gehoord, verklaarde, dat dit schip uit de Coenhaven vertrok met bestemming Parijs. Bij het verlaten van de haven werd even gestopt, om een uit IJmuiden komend zeeschip te laten passeeren. Voordien was signaal gegeven. Later niet meer. Toen het schip ten slotte de haven verliet, bleek het niet naar zijn roer te luisteren. De machine werd op volle kracht gezet om meer druk op het roer te geven. Plotseling zag men aan boord op korten afstand de lichten van de „Diana". Direct daarop volgde de aanvaring. De kapitein van de „Oise", wiens verklaring werd voorgelezen, had den loods verzocht bij het verlaten van de haven signaal te geven, welk verzoek niet was opgevolgd. Nadat nog enkele leden van den raad vragen hadden gesteld was het woord aan den waarnemend Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart, den heer Mante, die als zijn meening te kennen gaf, dat de aanvaring voorkomen had kunnen worden, indien aan boord van de , ,Oise" eerder de machine op volle kracht achteruit was gesteld, terwijl in ieder geval een signaal had moeten worden gegeven. Den loods van de „Diana" treft geen schuld. Uitspraak van den raad volgt later.
De Tijd 27-07-1940: Aanvaring bij de Coenhaven: Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan in zake de aanvaring van het motorschip “Oise" met het motorschip „Diana” in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven op 18 November 1939. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip „Oise", dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende „Diana" voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen. Op de „Oise" wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de „Oise" zich voor den boeg van de „Diana" plaatste, komt in elk geval voor de rekening van de „Oise". Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de “Oise" verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de laagliggende „Oise" niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de „Oise" op onvoorzichtige wijze uit de Coenhaven komende zich in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods, die als loods op de „Oise" dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dat dit sein voor de „Diana" geenszins hoorbaar was.
Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip „Diana" ten deze geen blaam treft.
Algemeen Handelsblad 27-07-1940: Een aanvaring bij de Coenhaven. De „Oise" had schuld. De Raad voor de Scheepvaart heeft uitspraak gedaan in zake de aanvaring van het motorschip „Oise" met het motorschip „Diana" in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven op 18 November 1939. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip „Oise". dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende „Diana" voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen, omdat niemand op dit schip heeft kunnen of moeten bevroeden, dat de „Oise" in het vaarwater voor den boeg van de „Diana" zou komen. Had de „Oise" voor het verlaten van de Coenhaven een attentiesein gegeven — tot het geven waarvan dit schrp in elk geval verplicht was — dan was men op de „Diana" eerder op de aanwezigheid van de „Oise" verdacht geweest en had dit schip wellicht nog iets kunnen doen. Thans merkte de „Diana" de „Oise" eerst op, toen laatstgenoemd schip de monding van de Coenhaven verliet. Overigens is deze nalatigheid van de „Oise" voor de toedracht van deze aanvaring van bijkomstige beteekenis en is met name invloed daarvan op de aanvaring niet vastgesteld. De „Diana" kon niet verwachten, dat de „Oise" het vaarwater zou blijven oversteken in plaats van tijdig naar stuurboord of naar bakboord te gaan. Op de „Oise" wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de „Oise" zich voor den boeg van de „Diana" plaatste, komt in elk geval voor rekening van de „Oise". Hiermede is de schuld van de „Oise" aan deze aanvaring reeds afdoende vastgesteld. De Raad merkt voorts nog op, dat het van de „Oise" niet juist was om, toen men bemerkte, dat het schip niet bakboord uit wilde gaan, volle kracht vooruit te geven om, zooals dan steeds wordt aangevoerd, drang op het roer te krijgen. In den regel wordt, wanneer een schip, om welke reden dan ook, niet naar het roer wil luisteren, door een dergelijke manoeuvre het tegendeel bereikt van hetgeen wordt beoogd, terwijl inmiddels de plaats des gevaars snel wordt genaderd. Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de „Oise" verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de laagliggende „Oise" niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de „Oise" op zulk een onvoorzichtige wijze zich, uit de Coenhaven komende, in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods, die als loods op de „Oise" dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dat dit sein voor de „Diana" geenszins hoorbaar was. Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip „Diana" ten deze geen blaam treft.
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Donderdag 8 Augustus 1940, no.153
No.88 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de aanvaring van het motorschip Oise met het motorschip Diana in het Noordzeekanaal ter hoogte van de Coenhaven. Op 18 November 1939 is het motorschip Oise, na het verlaten van de Coenhaven, in het Noordzeekanaial in aanvaring gekomen met het motorschip Diana. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij art. 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze aanvaring zou instellen. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 11 Juni 1940 in tegenwoordigheid van den plaatsvervangend inspecteurgeneraial voor de scheepvaart G. Mante. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuigen Theodorus Jacobus Vader en Arnoldus Ahrend, ten tijde van de aanvaring onderscheidenlijk als loods dienst doende op de Diana en de Oise. De kapitein van de Oise, Dirk Stam, kon niet op de oproeping verschijnen. Zijn bij gemeld voorloopig onderzoek afgelegde verklaring is ter zitting voorgelezen, gelijk ook die van den kapitein van de Diana, Frans Stam. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het motorschip Oise is een Nederlandsch vaartuig, metende 175,51 bruto-, .104,84 netto-registerton, roepnaam P G L Z, eigendom van Wm. H. Müller & Co. N. V., te Rotterdam. Het schip heeft een Deutz-Dieselmotor van 150 pk. Het motorschip Diana is een Nederlandsch vaartuig, metende 312,91 bruto-, 148,54 netto-registerton, roepnaam " P D P Q, eigendom van J. de Voogt, te Overschie. Het schip heeft een Bronsmotor van 250 pk. De verklaring van den loods van de Oise, getuige Ahrend, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op 18 November 1939, des namiddags te 5.30 uur, kwam hij aan boord van het motorschip Oise, om dit schip, dat in de Coenhaven te Amsterdam lag en bestemd was voor Parijs, naar zee te brengen. Nadat de kapitein het schip ontmeerd had, voer hij, onder commando van den kapitein, in de richting van het Noordzeekanaal, s.b.-wal houdende. Nadat het schip ontmeerd was, is een aangehouden stoot gegeven als aandachtssein. Bij het naderen van den uitgang van de haven zag men aan bakboord twee toplichten van een vaartuig, komende uit de richting van de Hembrug. De motor is gestopt en, nadat het schip voorbij was, weer op halve kracht vooruitgezet met hard b.b.-roer om de haven uit te draaien. Even later zag men de toplichten van een vaartuig, dat uit de richting Amsterdatm kwam, van achter de loodsen, aan s.b.-zijde van de Coenhaven gelegen, vandaan komen. Daar de Oise niet bakboord uitging, werd de motor op volle kracht vooruit gezet, ten einde meer drang op het roer te krijgen. De Oise bleef echter recht doorloopen, zoodat zij het andere vaartuig, dat het motorschip Diana bleek te zijn, met s.b.-achterschip raakte. Door hard s.b.- roer te geven, was nog getracht het achterschip vrij te varen, doch vergeefs. De ter zitting voorgelezen verklaring van den kapitein van de Oise, Dirk Stam, komt in hoofdzaak overeen met die van den loods. De kapitein heeft o. m. nog verklaard, dat hij vóór het uitvaren van de Coenhaven nog aan den loods heeft gevraagd, of er geen sein moest worden gegeven, waarop de loods antwoordde, dat zulks niet noodig was; dat, toen de motor op volle kracht vooruit was gezet, om meer drang op het roer te krijgen, de Oise langzaam naar bakboord draaide. Dit laatste ontkent de loods; naar diens meening is de Oise steeds rechtuit blijven varen. De verklaring van den loods van de Diana, getuige Vader, komt in hoofdzaak neer op het volgende: Op 18 November 1939, des namiddags te 5.15 uur, is hij met het motorschip Diana, dat aan de Javakade lag en bestemd was voor Bristol, afgevaren. Tot bij de Coenhaven gekomen, varende aan s.b.-zijde van het vaarwater op ongeveer 40 meter uit den wal, met halve kracht werkenden motor, vaart pl.m. 5+ mijl, zag hij eensklaps, laag op het water, de lichten van een vaartuig — toplicht groen — om den hoek van de oostzijde van de haven komen. Aanvankelijk meende hij, dat het een binnenvaartuig was, bestemd voor Amsterdam, doch later bleek het de Oise te zijn. Geen enkel sein was gehoord. De Oise liep dwars het vaarwater over en niettegenstaande de Diana den motor dadelijk stopte en volle kracht achteruitsloeg, had een aanvaring plaats. De Oise raakte de Diana met s.b.-achterschip tegen den voorsteven. De ter zitting voorgelezen verklaring van den kapitein van de Diana, Frans Stam, stemt geheel overeen met die van den loods. De plaatsvervangend inspecteur-generaal voor de scheepvaart heeft aangevoerd: dat uit het onderzoek is gebleken, dat het motorschip Diana geheel normaal heeft gevaren en dat dit schip geen enkel verwijt treft; dat echter het motorschip Oise, uit de Coenhaven komende, in den vaarweg van de Diana is gekomen, zoodat door deze verkeerde manoeuvre van de Oise wel een aanvaring moest volgen; dat voorts is gebleken, dat de Oise voor de Diana zichtbaar werd, toen de Oise nog in de monding van de Coenhaven was; dart de Oise dus toen nog niet veel vaart kan hebben gehad en toen voor dit schip aangewezen was om volle kracht achteruit te geven, waardoor hoogstwaarschijnlijk nog een aanvaring zou zijn voorkomen; dat het ook een ernstige tekortkomingvan de Oise is geweest om geen aandachtssein te geven, toen zij op het punt was de haven te verlaten. De Raad is van oordeel, dat deze aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van het motorschip Oise, dat het vaarwater overstak en de geheel reglementair varende Diana voor den boeg kwam. Dit laatste schip heeft niets kunnen doen om de aanvaring te voorkomen, omdat niemand op dit schip heeft kunnen of moeten bevroeden, dat de Oise in het vaarwater voor den boeg van de Diana zou komen. Had de Oise vóór het verlaten van de Coenhaven een attentiesein gegeven — tot het geven waarvan dit schip in elk geval verplicht was —, dan was men op de Diana eerder op de aanwezigheid van de Oise verdacht geweest en had dit schip wellicht nog iets kunnen doen. Thans merkte de Diana de Oise eerst op, toen laatstgenoemd schip de monding van de Coenhaven verliet. Overigens is deze nalatigheid van de Oise voor de toedracht van deze aanvaring van bijkomstige beteekenis en is met name invloed daarvan op de aanvaring niet vastgesteld. De Diana kon niet verwachten, dat de Oise het vaarwater zou blijven oversteken in plaats van tijdig naar stuurboord of naar bakboord te gaan. Op de Oise wordt de ongewilde manoeuvre hieraan toegeschreven, dat het schip niet heeft willen luisteren naar het roer, al is dan later gebleken, dat aan de werking van het roer niets haperde. Hoe dit echter ook zij, de verkeerde manoeuvre, waardoor de Oise zich voor den boeg van de Diana plaatste, komt in elk geval voor rekening van de Oise. Hiermede is de schuld van de Oise aan deze aanvaring reeds afdoende vastgesteld. De Raad merkt voorts nog op, dat het van de Oise niet juist was om, toen men bemerkte, dat het schip niet bakboord uit wilde gaan, volle kracht vooruit te geven om, zooals dan steeds wordt aangevoerd, drang op het roer te krijgen. In den regel wordt, wanneer een schip, om welke reden dan ook, niet naar het roer wil luisteren, door een dergelijke manoeuvre het tegendeel bereikt van hetgeen wordt beoogd, terwijl inmiddels de plaats des gevaars snel wordt genaderd. Wanneer ten slotte nog wordt bedacht, dat, gelijk de loods van de Oise verklaarde, het uitzicht over den oostelijken haveningang voor de faagliggende Oise niet vrij was, is het te meer onbegrijpelijk, dat de Oise op zulk een onvoorzichtige wijze zich, uit de Coenhaven komende, in het vaarwater begaf. De hulpbinnenloods Ahrend, die als loods op de Oise dienst deed, verklaarde wel, dat op dit schip een attentiesein was gegeven, doch op zoodanig tijdstip, dait dit sein voor de Diana geenszins hoorbaar was. Uit al het voorafgaande blijkt, dat het motorschip Diana ten deze geen blaam treft. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend- voorzitter, J. N. Egmond, lid, J. T. A. J. Bruinsma, plaatsvervangend lid, B. Kruys, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid vam 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 26 Juli 1940. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink, Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1940-05-16: Final Fate:
Ingeschreven bij the Netherland’s Shipping & Trading Committee, Londen en in beheer bij Freight Express, Londen. Op 27 mei in timecharter van Ministry of Transport. Op 18 jan. 1941, tijdens een reis van Newport naar Watchet in het Kanaal van Bristol, op een mijn gelopen in pos. 51.18 N. - 3.10. W. Twee leden van de bemanning werden gered door het meevarende m.s. 'Crescendo'. De overige vier en de Engelse loods kwamen om het leven. De route instructies, verstrekt door de Britse Admiraliteit, werden strikt opgevolgd. Het m.s. 'Crescendo' liep de 'Diana' op en in de namiddag van 18 januari bevond zich de 'Crescendo' op ongeveer 50 meter afstand van de 'Diana'. Te 15.20 uur had een zware ontploffing ter hoogte van het achterschip van de 'Diana' plaats. Door de matrozen Schuls en Spieker, die zich op het voorschip bevonden en sneeuw ruimden, werd waargenomen dat of de kapitein, of de loods, die zich nog aan boord bevond, van de brug werd geslingerd. Het achterschip werd geheel weggeslagen en het schip zonk in 2 minuten. De beide genoemde matrozen wisten zich aan het vlot hetwelk van het dek was weggeslagen vast te klemmen en zich zodoende te redden. Zij werden door de 'Crescendo' opgepikt. De 'Crescendo' is nog geruime tijd blijven rondvaren, doch het mocht niet gelukken meer schipbreukelingen op te pikken. Bij deze ramp lieten de na te noemen zeelieden het leven: A. Doeksen, kapt., W.J. Bosman, stuurman, J.A. v.d. Windt, 1e Machinist en A. Kool, kok en de Engelse loods Fred Gapper van Newport. Arien Doeksen zou de volgende dag 25 jaar zijn geworden. Kapitein Arien Doeksen werd op 20 januari 1916 geboren te Kinnum op Terschelling. Hij volgde van 1929 tot 1933 en in 1934 de stuurmansopleiding aan de Willem Barentsz School. In 1932 en 1933 nam hij daar deel aan de radiocursus. Eind 1934 slaagde Doeksen voor zijn derde rang Grote Handelsvaart. Arien Doeksen bleef ongehuwd. Doeksen werd kapitein-eigenaar van de coaster 'Diana'. In de mei dagen van 1940 kon hij daarmee naar Engeland ontkomen. De 'Diana' werd daar, net als tal van andere Nederlandse coasters, ingezet voor het binnenlands vervoer van met de konvooien over de oceanen aangevoerde goederen. (De teboekstelling bij het Kadaster werd op 16-07-1946 doorgehaald.)

Afbeeldingen


Omschrijving: Diana 1936
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: De 'Diana' met als thuishaven Delfzijl.
Gemaakt door: Unknown
Onderwerp: Havenopname