|
Harlingen, 17 april. Onze kusten getuigen weder, welke zeerampen laatstleden vrijdag (opm: 15 april) hebben plaats gehad. De storm, die, bij Z.W. wind, in de namiddag plotseling uit het N.W. losbrak en in ’t hevigste aan een orkaan grensde, joeg enige menigte schepen op lager wal, en deed vele stranden. Bij Texel, Vlieland en Terschelling telt men verscheidene en daaronder grote schepen gezonken of gestrand. De stoomboot STAD AMSTERDAM, van Hamburg komende, kon niet meer tegen het woedende element inwerken en joeg met volle stoomkracht te Terschelling op het strand. De equipage en de passagiers werden gered en de laatsten hier gisteren avond behouden aangebracht. Men hoopt dat de stoomboot ook nog gered kan worden. De Noordse brik JOSEPHINE, kapt. Andersen, van Amsterdam naar Noorwegen, is hier gisteren door twee loodschuiten mastenloos binnen gebracht. Van de hier te huis behorende ballastschepen, die bij de Ballastplaat lagen, sloegen twee voor het anker weg; het ene schip verloor het roer, doch is behouden binnen gekomen, maar het andere zonk met schipper en knecht, die beide omkwamen. Gedurig wordt hier geborgen of gevonden tuigage aangebracht. Heden morgen vond een vissersschuit in het Vlie drie masten, met al het zeil en touwwerk, aan elkander verenigd. Met behulp van een ander schuit werd de vondst op sleeptouw genomen en in de late avond hier binnen gebracht. Het hier thuishorende kofschip de HOUTHANDEL, kapt. J. de Jong, van Noorwegen komende, is letterlijk over klippen en banken heen gestormd en na een reis van ruim anderhalve dag binnen gekomen. Onder de voorbeelden van bijzondere bewaring moeten wij eindelijk nog wel melden de redding der equipage van de hier thuis behorende hektjalk HET VERTROUWEN, kapt. H. Ploeg. Vrijdag morgen verliet dat vaartuig met nog zes andere schepen (waarvan men tot nu tot niets weet) de rede van ‘t Vlie. Toen de storm opstak keerde hij terug om, zo mogelijk, weder binnen te komen, hetgeen gelukte. Een Spaanse schoener (opm: schoenerbrik JOSEPHA Y AMALIA, zie o.a. NRC 180459) volgde zijn voorbeeld, maar geraakte aan de grond. Kapt. Ploeg zag dit, keerde terug en had het geluk de equipage, bestaande uit 10 man, te redden. Niet lang daarna geraakte hij echter zelf aan de grond, en nauwelijks hadden de Spanjaarden bemerkt, dat het schip in zinkende toestand verkeerde, of zij sprongen in hun eigen boot, gevolgd door een der beide scheepsjongens van kapt. Ploeg. Zij sneden, misschien in de verwarring, ook de vanglijn los der boot, die bij het schip behoorde, en waarin zich de stuurman bevond, om die tot vertrek gereed te maken. Beide boten werden nu door de golfslag voort gezweept en waren weldra aan het VERTROUWEN, waarop zich nog kapt. Ploeg, een matroos, een jongen en de Engelse loods van het Spaanse schip zich bevonden, uit het oog. De Spanjaarden ontmoetten weldra een ledige boot, die zij aanhielden. Hun kapitein wilde nu enige manschappen daarin doen overgaan, maar zij verklaarden allen bij hun bevelhebber te willen blijven. Daarop ging de scheepsjongen van kapt. Ploeg er alleen over en verdween weldra uit hun oog. Zijn moed werd echter beloond. Achter Makkum sloeg hij over een haard; bij de tweede haard sprong hij uit de sloep en kwam behouden op de zeedijk en vervolgens te Makkum, waar ook de Spanjaarden aankwamen. Gisteren morgen werd kapt. Ploeg met zijn bij hebbenden door de Vlielander loodsschuit no. 6 gered en hier aangebracht. Zij hadden de gehele nacht in de mast gezeten. Nu werd alleen nog de stuurman vermist, over wiens lot men zeer bezorgd was; maar gisteren avond keerde ook die hier gezond terug. Hij was, nog vrijdag avond, behouden te Workum aangekomen. Allen mogen zich dus in hun behoud verheugen, en groot is de blijde deelneming, die hunne, bijna wonderdadige redding, hier heeft verwekt.
|