|
Van 28 oktober j.l. tot 4 november daaraanvolgende des jaars 1846 zijn uit twee in het Vriesche Gat verongelukte schepen, COLLINA (opm: buitenlander, zie NRC 021146), kapt. J.A. Tonnissen, en NEELTJE, kapt. J.F. Kuipers (opm: zie NRC 021146), geborgen en te Zoutkamp aangebracht 42 mudden tarwe en 103 mudden lijnzaad, welke granen zodanig door zeewater waren beschadigd, dat dezelve, ter voorkoming van verder bederf, zo spoedig mogelijk moesten worden verkocht. Deze verkoop heeft in het openbaar plaats gehad te Zoutkamp, op 9 november 1846, en heeft een som van NLG 521,50 opgebracht, zijnde het provenu dier verkoop, onder overlegging van de cognossementen, gereclameerd, voor zo verre de goederen aanbelangt, geborgen uit het schip COLLINA, door de heer B. Bulsing, scheepsmakelaar te Groningen, en voor zo verre betreft de goederen, geborgen uit het schip NEELTJE, door de heren Kuiper, Van Dam en Smeer, te Rotterdam. Na welbevinding der stukken is de afgifte van het gereclameerde bevolen bij onze resolutie van 2 maart j.l. no. 20. Op 31 oktober jl. is aan de Zeeweringen, onder de gemeente Bierum komen aandrijven een houten mast, met een vaste steng, waarschijnlijk afkomstig van een brikschip, voorzien van het nodige ijzerwerk en zonder tuigage, zijnde de mast lang 17 ellen, 8 palmen en 5 duimen. Deze mast is te Bierum in bewaring gesteld, doch, aangezien de eventuele opbrengst van die mast bij publieke verkoop de kosten, die op die verkoop zullen vallen, zeer waarschijnlijk niet zou kunnen bestrijden, zo is de Burgemeester Opperstrandvonder van Bierum in dat geval geautoriseerd, om de mast provisioneel onder zijn bewaring te houden en dezelve in een te doene oproeping van rechthebbenden op eventueel te stranden goederen te vervatten. Op 10 april j.l. is onder de gemeente Uithuizen opgevist en geborgen een witte zeeton, gemerkt met zwarte letters op de bodem: no. 4, Groningen, en, zo mede een boot, zonder merk of kentekenen, lang plus/minus 5 à 6 ellen. Van de berging van gemelde zeeton is aan de heer kapitein luitenant ter zee onder-inspecteur van het Loodswezen te Groningen, door de Heer Staatsraad Gouverneur kennis gegeven en verzocht op de afhaling, tegen het verschuldigde bergloon, order te stellen. Ten aanzien van de boot is aan de Burgemeester-Opperstrandvonder te Uithuizen te kennen gegeven, dat, wanneer de opbrengst derzelve bij een eventuele verkoop niet zo veel mocht renderen, dat de kosten, welke op die verkoop vallen, daaruit kunnen worden bestreden, als dan de boot zo een nadere oproeping van rechthebbenden op gestrande goederen te vervatten. Door de Voogd van het eiland Rottum zijn geborgen, in de maand april j.l., 80 mudden kool- of raapzaad, min of meer door zeewater beschadigd, waarvan een gedeelte aan bederf onderhevig was, en dus onverwijld moest verkocht worden, doch een ander gedeelte voor herstelling der kwaliteit door doelmatig aan te wenden middelen tot droging vatbaar is geacht. De verkoop van het eerste gedeelte heeft reeds plaats gehad; voorts zijn tevens geborgen 1.698 stuks waterflessen van verschillende grootte en 602 dozijn roemers, mede van verschillende grootte, vallende onder de rubriek glad, ongekleurd en ongeslepen glaswerk, en eindelijk nog 252 stuks flessen (zogenaamde karaffen) en 89 dozijn roemers, vallende onder de rubriek geribt en gefigureerd glaswerk. Alle deze goederen zijn afkomstig uit het wrak van het tjalkschip de VROUW WOBBEGIEN, gevoerd geweest door J.M. de Vries (opm: WOBBEGIENA, zie NRC 230447), te Groningen te huis behorende. Door de kapt. A.G. Greven, voerende het kofschip LIBRA, van Veendam, is bovengenoemd tjalkschip de VROUW WOBBEGIEN, op 18 april j.l. (opm: 1847), in zinkende staat op de hoogte van Schiermonnikoog ontdekt, en door hem van hetzelve overgenomen twee matrozen (opm: waarschijnlijk de op 18 maart in Delfzijl aangemonsterde stuurman Geert Johannes Dijkstra, 29 jaar, en de 14-jarige kok Jan Jans de Vries), (hebbende de kapitein met vrouw en een kind het schip de vorige dag reeds verlaten) en zijn van hetzelve geborgen onderscheidene scheepsgoederen, welke door genoemde kapitein te Termunterzijl zijn aangebracht; zijnde gemelde goederen vervolgens in tegenwoordigheid van de eigenaar J.M. de Vries meergenoemd, publiek verkocht. Ten aanzien der zeevaart is door de Kamer van Koophandel en Fabrieken medegedeeld, dat de kleine vrachtvaart ter zee in het afgelopen jaar reeds zeer vroeg is hervat geworden, waartoe de zachte winter van 1845 op 1846 de gelegenheid aanbood. De vooruitzichten van de koers der vrachten waren echter niet gunstig, doch daar de voorraad van granen, door aanzienlijke consumptie en uitvoer, vooral naar de Rijnstreken, genoegzaam geheel was opgeruimd, gaf dit aanleiding tot vrij geregelde bevrachting, maar tot enigszins gedrukte koers, Alleen de haringvrachten in Noorwegen maakten hierop een uitzondering, daar deze over het algemeen goed en voor de Russische havens zelfs buitengewoon hoog waren, waarvan echter de Nederlandse schepen niet hebben kunnen profiteren wegens de onzekerheid, waarin de handel was gelaten over de al of niet toelating der Nederlandse vlag in Rusland. Ook op de verscheping van zout van St. Ubes en Liverpool naar Riga en Nerva heeft die onzekerheid der vlag-rechten een nadelige invloed gehad; de rederijen zijn dan ook zeer verheugd, dat deze zaak thans definitief is geregeld. De stellige ontdekking van het bederf in de roggevelden in de maand juni des vorigen jaars en iets later de ziekte der aardappelen hadden een gunstige invloed op de vrachten, die zich tot aan het einde van het zeeseizoen op een goede hoogte staande hielden. Van de beide verst verwijderde Russische havens Archangel en Odessa werd een buitengewoon grote massa granen, onder Nederlandse vlag, tegen goede vrachten aangevoerd, en vooral van Odessa werd laat in het najaar scheepsruimte tot zeer hoge vracht op Nederland gevraagd, waarvan echter, wegens het te ver gevorderde jaargetijde, slechts weinig bodems hebben kunnen profiteren. De samenloop dezer omstandigheden heeft het jaar 1846 dooreengenomen vrij gunstig doen zijn voor de kleine vrachtvaart ter zee, waarvoor bovendien nog het fraaie weder bevorderlijk is geweest, daar slechts zeer weinig stormen gewoed en dientengevolge weinig zeeverliezen plaats gehad hebben. In de maand december zijn evenwel enige rampen voorgevallen, die nog enigszins nadelig voor de provinciale zee-assurantie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn geworden. Dat jaar mag echter als een der voordeligste beschouwd worden, hetwelk deze rederijen sedert 1830 hebben gehad. De scheepsbouw, die met de scheepvaart in nauw verband staat, is in het jaar 1846 gunstig geweest. Genoegzaam alle nieuw gebouwde scheepshollen zijn tot vrij goede prijs verkocht; intussen zijn ook voor verscheidene Groningse rederijen schepen buiten de provincie gebouwd, doordien deze hebben gemeend, gehoor te moeten geven aan het verlangen des handels, die, in de laatste jaren bij voorkeur schoenerschepen, in plaats van koffen, verkiest, vooral voor de vaart op de Middellandse Zee. Het is te wensen, dat de scheepsbouw-meesters in deze provincie, door het bouwen van schoenerschepen, het verplaatsen van hun tak van nijverheid naar elders zullen trachten te voorkomen.
|