|
Batavia, 28 – 30 juni. Vergaan van het schip LUITENANT GENERAAL KROESEN. Sedert enige dagen wachtte men het stoomschip LUITENANT-GENERAAL KROESEN, van de Nederlandsch Indische Stoomvaart-Maatschappij, dat van Atchin te Padang gekomen was en van daar over Benkoelen en Telok Betong herwaarts zou stomen. De 24e dezer bracht de kapitein van dat schip, Verloop, de verschrikkelijke tijding, dat dit vaartuig in de avond van 21 dezer aan de ingang van de Lampong-baai op een blinde klip was gelopen en vijftien minuten daarna, terwijl men bezig was de sloepen te bezetten, het schip letterlijk door midden gebroken, de achterste helft met vele passagiers gezonken en het andere gedeelte omgeslagen was. De eerste sloep was bovendien door de aandrang van mensen mede omgeslagen. De kapitein had 2½ uur in zee op een stuk hout gedreven en was toen door een zijner sloepen opgenomen. Aan het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië van 28 juni ontlenen wij de volgende: Bijzonderheden omtrent de redding der overgebleven passagiers. Heden morgen ten half twaalf is de BARON BENTINCK hier aangekomen, medebrengende van Telok Betong mevr. Bosch met een kind en de heren Edeling, Braam, Schultz, Rosenraat en maj. Booms. Hadden sommigen nog gehoopt, dat dit schip nog andere geredden zou meebrengen dan de reeds bekenden, zo is die hoop teleurgesteld. Van maj. Booms weet men, dat hij van allen het langst op het water drijvende heeft rondgezwalkt. Er is slechts één kind van mevr. Bosch gered. De huisjongen van maj. Booms, die te water was geraakt, zag het drijven op een beddenkussen, waarover een mat gebonden was; hij had het geluk het te bereiken en aan de bemanning der boot, die ook hem redde, toe te reiken. Het blijkt, dat de passagiers, althans sommigen onder hen, en daaronder mevr. Bosch, plaats genomen hadden in een der boten langs het achterschip. Mevr. Bosch had toen haar jongste kind bij zich; de andere kinderen waren nog niet in de boot, toen het achterschip zonk. De boot, die nog vast was in de davits, dreef, totdat het schip diep genoeg weggezakt was om ook de boot naar beneden te slepen; in die tussentijd waren de passagiers op de tent over het achterdek, toen die gelijk kwam met de boot, uitgestapt en zonken met het schip mee. Het kind, dat mevr. Bosch bij zich had, kwam daarbij om. Weder boven komende waren sommigen, de geredden, zo gelukkig iets te grijpen, waarop zij zich boven konden houden, en drijvende, met behulp van een plank, een stoel, bank, of enig stuk van ’t schip, zag men het donker worden, en bracht men een vreselijke nacht door. De heer Schultz moet het eerst aan land gekomen zijn. Mevr. Bosch, drijvende op een plank, zag, toen het licht werd, een inlander op een der houten scheepsroosters drijvende, wist daarheen te komen en had daardoor een veel steviger steun dat te voren. Toen duurde het tot twee ure in de middag, het was toen donderdag, eer zij aan land kwamen, tweemaal door de branding teruggeslagen, maar weldra geholpen door de heer Schultz en een inlander, die daar in de nabijheid waren aangespoeld. Het eerst wat men deed, was in het bos drinkwater opzoeken. Men had het geluk dit spoedig te vinden, en, aan ‘t strand teruggegaan, zag men daar ook weldra de heer Edeling en voorts de heer Rosenraat aan land drijven. Eten had men niet anders dan enkel een blik gedroogde labberdaan en een vaatje boter, dat daar werd aangespoeld en waarvan de inhoud door enige geredde matrozen bij lepels vol werd gegeten; voorts de vruchten, die men in het bos kon vinden. Die nacht bracht men aan ’t strand door. Het gezelschap werd nog met enige inlanders en matrozen, die eveneens gered waren, vermeerderd. De plaats waar men zich bevond was een punt aan de Peperbaai. De volgende dag beweerden de inlanders, dat het hun gelukken zou een kampong te vinden. Enigen van het gezelschap, bij wie de hoop op die uitkomst sterker was dan de afmatting, ondernamen een tocht in het bos, waar zij urenlang vergeefs zochten. Mevr. Bosch bevond zich onder dezen. Toen het donker werd, bleef er niets anders over, dan de nacht (van vrijdag op zaterdag) in het bos door te brengen. De volgende morgen besloot men het strand weder op te zoeken, en op die tocht had men het geluk de controleur van Telok Betong met de inlanders, die naar schipbreukelingen waren gaan zoeken, tegen te komen. Deze voorzagen de ongelukkigen van enig voedsel, en lieten hen naar Poeloe Lananga brengen, waar sommigen, waaronder ook maj. Booms, aangeland waren, en dat tot verenigingspunt diende, van waar men gezamenlijk naar Telok Betong ging. Hetzelfde blad meldt in zijn nummer van 30 juni: Naar wij vernemen, is de heer Edeling, als deskundige door de officier van justitie uitgenodigd hem een rapport in te zenden omtrent de schipbreuk. De heer Edeling, die op een luik, een stoel en een roeiriem twintig uur heeft rondgedreven, is op het uiterste ogenblik gered geworden door een inlander, die gedurende de eerste uren na de schipbreuk in zijn nabijheid had gedreven, maar een uur of vier voor hem, omstreeks vrijdagmiddag, reeds aan wal gekomen was. De heer Edeling, vrijdag de 23ste ten 4 ure het land naderende, geraakte in de branding en was reeds 4 maal door de golven vooruit en achteruit geslagen en bedolven, toen die inlander, die reeds weder enigszins bij krachten gekomen was, zich zover mogelijk in de branding begaf en het geluk had juist in tijds een hand te grijpen, die de heer Edeling, op het punt van te verdrinken, boven water uitstak. De tocht door het bos, die de heer Edeling op zaterdag met mevr. Bosch, de heer Schultz enige inlanders mede maakte, moet buitengewoon bezwaarlijk zijn geweest. Het terrein bestond afwisselend uit bergjes van twee en driehonderd voet hoog, en moerasgrond tussen de wortels der rizophoren, waar men somtijds tot aan het midden inzakte. De heer Rosenraat, die ook een groot aantal uren in ’t water heeft doorgebracht, heeft zich, naar wij vernemen, een bank, waarop hij, in vereniging met nog een ander stuk hout dreef, zien ontnemen door een ander drenkeling. Daarentegen kwam hem al spoedig een Engels machinist achterop drijven, die op zulk een zwaar stuk hout zat, dat hij geen bezwaar maakte, de ander daarop plaats te verlenen. Na nog eenmaal daarvan afgeslagen te zijn door de golfslag, heeft de heer Rosenraat zijn plaats daarop weder kunnen bereiken, en is waarschijnlijk de enige geweest, behalve zijn metgezel, die drijvende de lange reis naar land in gezelschap heeft afgelegd. Na deze voorlopige berichten deelt het blad omtrent de schipbreuk zelve, alsook omtrent de redding van enkele personen, de volgende nadere bijzonderheden mede: Het diner was afgelopen. Alle kajuitpassagiers hadden zich naar boven begeven, behalve mevrouw Weghake, de heer Welters en de Madurese luitenant, die in hun hutten waren gegaan, en behalve de vier heren Pet, Roozenraat, Thieme en Boom, die juist begonnen waren een partijtje te maken, toen zich een schok deed gevoelen. De opmerking werd gemaakt dat het zeker de schroef was die brak, en op voorstel van de heer Pet kwam men overeen de kaarten even neer te leggen en naar boven te gaan kijken. Pas waren deze heren boven, of het schip begon van achteren over stuurboord over te hellen. Kapt. Thieme dadelijk ziende, dat er gevaar was, stelde terstond voor om mevr. Bosch met haar kinderen in de naaste boot langs het achterschip te zetten. Men liet geen ogenblik verloren gaan, doch door het hellen van het schip hing de boot in de davits een eindwegs van de verschansing af. Men nam het dochtertje en wierp het om het zo zeggen in de boot, daarna het oudste zoontje, daarop op dezelfde wijze met alle krachtsinspanning mevr. Bosch zelve; doch toen was de afstand tussen de boot en het boord zo groot geworden, dat men het jongste kind niet meer in de schuit kon krijgen. Op dat ogenblik kwam een tweede veel heviger stoot, waardoor de personen op het dek tegen de daar aanwezige voorwerpen gesmakt werden en het achterschip geheel overzij ging, zodat de kajuit vol water liep. De heren Pet, Edeling en Boom liepen naar de hoge zijde van ’t schip en beproefden daar een bank los en overboord te werken. De heer Thieme was intussen bezig zich van zijn klederen te ontdoen. Gedurende al die tijd was noch van de manschappen noch van de scheepsofficieren iemand op het achterdek geweest. Doch op dat ogenblik kwam kapt. Verloop aan, riep: “hij zinkt” en ging daarop terug naar zijn hut. De heer Pet, op enige afstand ziende, dat de kapitein iets was komen zeggen, vroeg aan maj. Boom: “Is alles reddeloos verloren?”- en het antwoord behoefde weldra niet meer gegeven te worden. Luitenant Ahn, zittende in een grote lange stoel, waarschijnlijk dit voor een goed drijfmiddel houdende, vroeg nog aan maj. Boom, of hij zwemmen kon, en toen deze kon antwoorden: “Als een rat”, feliciteerde hij hem: zeggende: “Ik ben zo gelukkig niet, ik zal mij moeten laten verdrinken.” In het volgend ogenblik ziet maj. Boom, over de verschansing aan de hoge bakboordzijde heenziende, een sloep met zes man er in, onder welke een Europeaan langszij van het schip. Zonder bedenken springt hij overboord, gevolgd door zijn inlandse bediende, aan wiens zorg mevr. Boom bij het vertrek van haar echtgenoot naar Atchin, de veiligheid van zijn meester had aanbevolen. De majoor zwemt naar de sloep, tracht die te bereiken, waarop een der matrozen – er waren slechts zes man in de sloep – een boom tegen het schip steekt, afhoudt, en onder het geroep van “dajong”, de roeiers zich met de boot verwijderen. “Mijnheer!” roept maj. Boom de Europeaan in de boot toe, “Ik ben maj. Boom, denk om mijn vrouw en acht kinderen.”, doch vergeefs. Aldus afgewezen, greep maj. Boom, steeds vastgehouden door zijn bediende, een touw, en half klimmende, half door de golven opgeworpen, bevond hij zich weldra weder op het schip, opklauterende tegen de zonnetent, terwijl het schip onder hem meer en meer wegzonk. De inlandse jongen liet zijn meester geen ogenblik los. Opeens komt een derde hevige schok, waarop onmiddellijk de grote ijzeren mast met donderend geraas omver sloeg in schuinse richting naar achteren over de hut van de kapitein, in zijn val en die van het tuigage zeker 50 of 60 mensen verbrijzelde, wier akelige kreten het vreselijk geluid vermeerderde en ontzettender maakte. Het gehele achterschip liep nu in een oogwenk vol water en verdween, met allen die zich daarop bevonden, in de diepte. De majoor, door zijn jongen losgelaten, kwam al watertrappende spoedig boven, ofschoon hij toch veel zeewater binnengekregen had, welk hij het geluk had weldra weer kwijt te raken. Bovenkomende stootte hij het hoofd tegen iets, en denkende dat het de kiel van een der boten was, spande hij reeds alle krachten in om daaronder vandaan te komen, toen het voorwerp week en bleek een deur te zijn, waaruit het onderpaneel was weggeslagen. Met de linkerarm zich daaraan vasthakende, greep hij met de rechter een stuk hout, dat in zijn nabijheid kwam en zag rond. Van het schip was niets meer te bespeuren, en in ’t eerst ook van de opvarenden niets, doch toen de beweging in ’t water begon te bedaren, ontmoette hij weldra op stukken hout en houten voorwerpen drijvende de kapt. Rosenraat, een Engelse machinist en een aantal inlandse matrozen. Slechts een half uur vermocht men bij elkaar te blijven, toen dreef majoor Boom met vier inlanders, onder welke een inlandse vrouw, van de anderen af. Eer het 12 uur ’s nachts was, had hij deze ongelukkigen, die misschien minder gelukkig waren geweest in het vinden van een groot voorwerp om op te drijven, één voor één in de diepte zien verdwijnen. Na nog enige tijd alleen rondgedreven te hebben, gevoelde hij iets tegen zijn borst stoten en bemerkte hij weldra, dat dit een drijvende plank uit het dek was, hij wist die met de benen te omklemmen, en had nu, behalve de beide steunsels onder zijn armen, ook een welkome steun onder het lijf, die hem de kracht in armen spaarde. Tegen de morgen ontdekte de majoor Boom op een afstand een klip waarop zich zes mensen bevonden, die hij echter niet kon herkennen, ofschoon zij hem toewuifden. Bang zijnde voor de hevige branding op die klip, deed hij ook weinig moeite om daarheen te komen. Niet ver van daar bevond zich tegen en op een andere klip een weinig buiten de hevigste branding een persoon, geheel ongekleed; deze omstandigheid doet aan kapt. Thieme denken, die zich van zijn klederen ontdaan had. Maj. Boom kon over het vlakke water heen zich horen toeroepen: “kom hier maj. Boom, dan zijn wij met zijn beiden”; maar het was hem onmogelijk die klip te bereiken, daar hij integendeel verder afdreef. Die gehele dag, donderdag, ontmoette de schipbreukeling niemand meer. Hij dreef verscheidene eilanden op een afstand voorbij en moest zich ieder ogenblik het hoofd nat houden tegen de brandende zonnehitte. Van tijd tot tijd gelukte het hem eetbare voorwerpen op te vangen, bestaande in gedroogde aardappelen van het schip afkomstig. Telkens zag hij djerooks drijven, doch het gelukte hem slechts één daarvan te bemachtigen. Was de vorige nacht kalm, helder en niet geheel donker geweest en snel voorbijgaan, de nu aanbrekende nacht was geheel anders. Na zonsondergang stak er een zware bui uit het noordwesten op, met zware golfslag. De plank die de drijvende tot nog toe gesteund had, werd hem onder het lijf weggeslagen; en de lucht was vinnig koud, ook het water, waarschijnlijk doordien de schipbreukeling in een andere stroom terechtgekomen was. Die stroom bracht hem de Lampong-baai binnen, die gehele baai in een kring rond en tegen de morgen in de Padada-baai. Ten 4 ure, toen de dikste duisternis wegtrok, hoorde maj. Boom een geluid van branding om zich heen, en omziende, zag hij iets wits achter zich en bespeurde hij dat hij naar land dreef. Weldra ziende, dat de branding hier niet tegen stenen, maar op een strand van leemgrond sloeg, spande hij hier al zijn krachten in om door een zwembeweging der benen, die hij na het verlies van de plank weder vrij had, het land te bereiken en voelde spoedig daarna grond. Twee en drie keren op het strand geworpen en weder teruggespoeld, bleef hij eindelijk liggen zonder een lid te kunnen verroeren en wachtte hij het opkomen der zon af. Toen de eerste zonnestralen hem een weinig verkwikten, ontdeed hij zich met de uiterste moeite van zijn uniformjas en pantalon; na enige rust ook van zijn schoenen en een deel zijner onderkleren, en begaf zich daarop op weg om iets verfrissends in het bos te vinden. Een papaja en wat blimbing waren al wat hij vond, maar een welkom gezicht was een jonge aanplant van pisangbomen als bewijs, dat er mensen in de nabijheid woonden. Dit gezicht gaf kracht om verder op te zoeken, en na een groot kwartier werd een alleenstaande vissershut gevonden, waar zekere hadji Akob tijdelijk verblijf hield. Iets anders dan rijst en vruchten was daar niet te krijgen, maar de ontvangst was allerliefderijkst; de geredde bleef er de gehele dag en de volgende nacht, van vrijdag op zaterdag door. De volgende dag bracht zijn gastheer hem met zijn sampan naar Telok Betong, waar hij zaterdag ten half drie aankwam en door dr. Heesen en echtgenote allervriendelijkst verpleegd werd tot aan het vertrek van de BARON BENTINCK. Het eerste bericht van de “vermoedelijke” redding van maj. Boom is waarschijnlijk daaraan toe te schrijven, dat de Majoor het langst van allen heeft rondgedreven, en een der personen, die voor hem aan wal kwamen, hem in zee drijvende gezien heeft. De bediende van de majoor Boom, die zijn meester tot op het laatste ogenblik had trachten te helpen en hem zelfs bij het wegzinken nog had toegeroepen: “Denk aan mevrouw”, dreef daarna een uur op een stuk hout in het water rond, toen hij het kind van mevrouw Bosch zag drijven, dat volgens hem zonder iets om op te drijven, gekleed in een hansop, zich door het spartelen met de handjes en voetjes van zelf drijvende hield en enige tijd te voren door de baboe, die in een boot gered is, was opgegeven. Na ongeveer 6 uren op die wijze te hebben rondgedreven, kwamen beiden onder het bereik van een schuitje, dat met matrozen der boot was gevuld en waar ook reeds de baboe van mevr. Bosch in was opgenomen. Nadat de bediende van majoor Boom het kind aan de opvarende had toegereikt, werd ook hij door de sloep opgenomen. De man nam het kind op de schoot en maakte, door het voorover met het hoofd naar beneden te houden, dat het zeewater, dat naar binnen was gegaan, werd uitgespuwd. Niets werd verder door de opvarenden van deze schuit gezien, dan ontelbare stukken hout enz., doch van mensen zag of hoorde men in de duisternis niets. Bij het klaren van de dag zag men gelukkig land en stuurde naar een plaats toe, waar men, hoewel de branding hevig was, beproefde te landen. Dit gelukte. Het bleek, dat men zich op een Poeloe-langar bevond. Men deed nu in de eerste plaats een poging om te zien of er ook mensen te vinden waren en om van hen eten en drinken te krijgen. Na een kleine mars kwamen zij aan de woning waar zij de vrouw des huizes, wier man, een hadjie, afwezig was, hun lot vertelden en om wat water en rijst vroegen, met de geruststellende of liever de meer doeltreffende dan geheel juiste mededeling dat de “Kompagnie” de onkosten wel zou vergoeden. Na wat rijst en water gebruikt te hebben, kregen zij ook een prauwtje van de vrouw ter leen benevens 2 man, die nu (het was reeds 10 uur in de morgen) met de bediende van de heer Boom naar Telok Betong trachtten te komen, waar zij dan ook ten zes uur aankwamen. De sloep, waarin de kapt. Verloop en anderen waren, was reeds vóór hen gearriveerd, zodat het onheil reeds bekend was en er behalve de gouvernementsstomer reeds vijf schuiten waren uitgezonden om zo mogelijk nog anderen te redden. Volgens een bericht in de Indiër van 28 juni bevonden zich aan boord van het verongelukte schip: I. Passagiers der 1e klasse: a. van Atchin majoor Boom; kapt. Thieme, Welters en Lublink Weddik, 1e luit. raden Djojo Poespito van de barisan van Pamakasan; b. van Padang: mevr. de weduwe Bosch en drie kinderen; mr. Weghake, de hoofdingenieur Pet, de hoofdambtenaar Edeling, de 1e luit. der mariniers Ahn, en de agent van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij te Padang, Nagtglas Versteeg; c. van Benkoelen: de kapt. Rozenraad en mej. Leicester. II. passagiers 2e klasse: a. van Atchin: één Europese sergeant en één ziekenoppasser; b. van Padang: de heren Van Braam en Schultz, drie Europese onderofficieren en één Chinees. III. passagiers der 3e klasse: a. van Atchin; 55 waaronder enige Europese militairen en 57 koelies van de leveranciers. b. van Padang: 19 Europese militairen, één Europees marinier en één Chinees. IV. passagiers der 4e klasse: 36 personen. Van de passagiers der 3e en 4e klasse werden gered 35 personen, en van de bemanning van het stoomschip 25 man, waaronder de gezagvoerder. In een telegram van de Resident der Lampongse districten, van 23 juni, werd gemeld: “Van het stoomschip is niets meer te bespeuren. De postpakketten zijn geheel verloren geraakt, terwijl van de zich aan boord bevindende personen, wier aantal op 300 wordt geschat, slechts ruim een zestigtal werd gered.” Blijkens een later bericht echter van de Indiër zijn door de BARON BENTINCK in plaats van 60, honderd en zes personen van het verongelukte schip hier overgebracht. Behalve de reeds genoemde geredden, die te Telok Betong waren aangekomen, bevonden zich de 23e twaalf personen op het eiland Salangka. Nevens de Gouvernements stomer TJINRANA en de door de resident der Lampongs uitgezonden prauwen, is ter opsporing der schipbreukelingen ook Zr. Ms. stoomschip BROMO naar het toneel des onheils vertrokken. De BROMO, die in last heeft de klip te zoeken waarop de schipbreuk heeft plaats gehad, was nog niet teruggekomen. Naar men verneemt, geschiedt dat onderzoek op zodanige wijze, dat door telkens twee sloepen kettingen onder water gesleept te worden, die wanneer men een klip passeert, daartegen stuiten. De grote vraag – zegt het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië – is natuurlijk, of de klip, waarop het schip vergaan is, werkelijk onbekend was. Sommigen houden dit voor onmogelijk. Volgens anderen wordt echter de maritieme opname niet met zoveel nauwkeurigheid en spoed bijgehouden, dat het bestaan van een in de laatste tijd opgerezen koraalklip onbekend zou kunnen zijn. Bij de vele gelegenheid, die de kapitein heeft gehad om, te midden der vele eilanden, het punt waar zijn schip zich bevond voor de stranding waar te nemen, zal de kwestie van de klip ongetwijfeld uitgemaakt kunnen worden en daarmede het oordeel over de gezagvoerder mogelijk worden. Het publiek begrijpt zeer goed, dat de last om te bewijzen dat er zulk een onbekende klip was, op de gezagvoerder rust. Naar men verneemt, zal er ten voordele van de passagiers en hun betrekkingen, die bij de ramp met de LUITENANT-GENERAAL KROESEN verliezen geleden hebben, een inzameling gehouden worden en is vanwege de stoomvaart-maatschappij bekend gemaakt, dat zij, indien er zich een commissie vormt, voor dat doel NLG 30.000,- beschikbaar houdt; afgescheiden natuurlijk van schadevergoedingen, die zij verplicht mocht zijn te betalen. Men verneemt voorts, dat een gerechtelijk onderzoek in de zaak zal plaats hebben, en het niet, gelijk met de aanvaring van de KROONPRINS en de ATJEH, bij een particulier onderzoek vanwege de stoomvaart-maatschappij zal worden gelaten.
|