|
Raad voor de Scheepvaart. De TUBANTIA. Gisteren werd uitspraak gedaan in zake het stoomschip TUBANTIA. Wij laten deze uitspraak hier in haar geheel volgen: Het dubbelschroefstoomschip TUBANTIA, groot 13.910,88 / 8.561,07 reg. ton, toebehorende aan de N.V. Koninklijke Hollandsche Lloyd te Amsterdam, vertrok 15 maart 1916, met een lading stukgoed en 80 passagiers, van Amsterdam bestemd voor Zuid Amerika. De diepgang bedroeg gemiddeld 26 voet. De bemanning bestond uit 280 personen. Onder de lading bevonden zich, blijkens het manifest, geen ontplofbare stoffen. Te 6.15 uur namiddag was men in zee en werd koers gezet op het Maas vuurschip. Voor het vertrek uit IJmuiden waren alle waterdichte deuren in het benedenschip gesloten, benevens die deuren in de bovendekken, welke niet voor de dienst onmisbaar waren. Alle patrijspoorten waren gesloten, sommige, met blinden voorzien. Aan elke passagier was een kaart uitgereikt, waarop vermeld stond de sloep, waarbij men was ingedeeld. De buitensloepen waren buitenboord gedraaid en tot op de reling gevierd. Zwemvesten, waren voor elk lid van de bemanning en elke passagier aanwezig; waarloze zwemvesten waren aan dek over de luiken verdeeld. Het schip was helder verlicht; twee booglampen buitenboord beschenen de naam op de zijde geschilderd, terwijl eveneens twee booglampen de naam op de spiegel verlichtten. Een verlicht naambord was bovendien tussen de schoorstenen gehesen. Te 9.59 uur passeerde men het Maas-vuurschip en werd koers gesteld W 58 Z magnetisch op het vuurschip Noord-Hinder. De kapitein wilde bij de Noord Hinder ten anker komen om bij dag nog de Downs te kunnen bereiken. Tot de Noord Hinder beschouwde hij de route als ongevaarlijk. De weersgesteldheid was heiige kim, zichtafstand 4 à 5 mijl, flauwe ONO koelte, woelige zee. De vaart van het schip bedroeg 9 à 10 mijl, welke vaart gelopen werd tot het ogenblik van de ontploffing. Te 12 uur gaf de kapitein de wacht over aan de eerste stuurman. Met die waren op de brug de derde en vierde stuurman. Er was een uitkijk op de bak en een in het kraaiennest. Te 2 uur werd de kapitein geroepen en gaf deze orders alles gereed te maken om ten anker te gaan. Er waren toen geen schepen in het gezicht en ook het Noord Hinder lichtschip werd niet waargenomen. Te 2.15 uur werd 17½ vadem gelood en begaf de kapitein zich in de kaartenkamer om de loding te controleren. De vierde stuurman stond op de brug aan bakboordzijde bij de telegraaf, de eerste stuurman was aan stuurboordzijde bezig met de machinekamer te spreken. Plotseling zag de vierde stuurman Van Leuven, naar stuurboord ziende, een streep, lichter dan de kleur van het water op 6 streken aan stuurboord, welke zich zeer snel met een, naar zijn schatting, meer dan 25 mijl vaart voortbewoog, recht op het schip aan. De streep was niet breed en geleek op de zoglijn van een schip, een rechte lijn vormend. Hij riep uit: „Kijk daar eens!" en vóór hij de tijd had naar stuurboord te lopen om de streep te volgen, had een hevige ontploffing plaats. De matroos P. Groot, die uitkijk hield in het kraaiennest, zag tegelijkertijd eveneens een streep op 6 streken aan stuurboord het schip snel naderen. De streep was wit, een kaarsrechte, smalle lijn, welke hij, wat snelheid betreft, juist met het oog kon volgen. Daar deze matroos herhaaldelijk schietoefeningen met torpedo's gezien had, herkende hij deze streep onmiddellijk als de bellenbaan van een torpedo. Voor deze streep het schip had bereikt en eer hij tijd had gehad te waarschuwen, volgde een ontploffing. Hij snelde naar de brug en deelde de eerste stuurman zijn bevinden mee, die inmiddels reeds naar stuurboord had uitgekeken en daar eveneens een witte streep op het water had gezien ter hoogte van luik III. De ontploffing had plaats in de midscheeps achter de eerste schoorsteen. Een schok deed het schip trillen, rook en kruitdamp stegen op en een regen van splinters en glasscherven kwam over de brug en de midscheeps. Het schip viel ongeveer 4 graden over stuurboord en begon spoedig dieper te liggen. De vierde machinist Wouters, die de wacht op de stookplaats had, was met een tremmer in de stuurboord bovenbunker gegaan om een schuif, die door kolen geblokkeerd was, open te maken. Hij bevond zich bij een luikje, dat hij wilde openen om de bunker te verlaten, toen hij een flauw licht, als een soort bliksemlicht, waarnam, gevolgd door een hevige knal, welke uit de midscheeps scheen te komen. Een golf water kwam naar binnen, waardoor beide mannen nat werden en de lamp, die zij bij zich hadden, werd gedoofd. De machinist hoorde kolen naar beneden vallen, waaruit hij opmaakte, dat in de bunker een gat was ontstaan, waardoor de kolen en het water naar beneden - op en tussen de ketels en de stookplaat - vielen. Met veel moeite gelukte het de machinist de kolen bij het luik te verwijderen en het luik te openen, waardoor hij en de tremmer, die buiten staat was zelfstandig te handelen, langs het tweede rooster van de stookplaats konden ontsnappen. Op de stookplaats kwam ten gevolge van de ontploffing dadelijk veel water, zodat de waterdichte deuren naar de machinekamer niet meer geopend konden worden. Het personeel, dat zich op de stookplaats bevond, begaf zich onmiddellijk naar boven. Aan dek had men inmiddels maatregelen tot redding genomen. De machine werd op stop en volle kracht achteruit gecommandeerd tot het schip stil lag. Het sein voor de schepelingen om aan dek bij de sloepen te komen werd gegeven. Draadloos werd om hulp geseind; vuurpijlen werden afgestoken. Ronden werden door het schip gedaan om alle passagiers op te zoeken, eerst door de hofmeesters, later door de officieren en ten slotte door de kapitein zelf. De bakboord sloepen werden bemand; de passagiers er in geholpen en de sloepen gestreken met behulp en onder toezicht van de officieren. De bakboord sloepen waren in ongeveer 5 minuten van boord. Daarna werden de stuurboord sloepen gestreken, waarbij bleek, dat enkele door de ontploffing waren verbrijzeld. De bemanning werd over andere sloepen verdeeld. Door het, niet gelijk vieren van één van de boten kwam deze schuin te hangen, doch deze fout werd spoedig zonder ongelukken hersteld. In ongeveer 10 minuten waren alle sloepen van boord. Doordat enkele stuurboord sloepen lek waren geslagen door de ontploffing, doch op hun luchtkasten dreven, sprongen sommige passagiers te water, doch het gelukte allen te redden. Het bakboord anker was inmiddels geworpen, waardoor de stroom de sloepen vrij van het schip zette. Een nieuwe manillatros werd aan bakboord uitgevierd, aan stuurboord hing de loglijn, ten behoeve van de sloepen, welke zich aan het schip wilden vasthouden. Het was gedurende deze tijd mistig geworden en de klokken werden geluid; uit vrees voor aanvaring. Na enige tijd kwam het stoomschip BREDA in zicht en zond de kapitein van de TUBANTIA een boot daarheen met het verzoek de ronddrijvende sloepen op te zoeken, waaraan werd voldaan. Aan boord van de TUBANTIA bleven toen de kapitein met 20 man, voor wie twee sloepen aan S.B. gereed waren. Ongeveer een half uur na de ontploffing werden ruim II en IV nog droog gepeild. Ook de machinekamer maakte geen water. Op de stookplaats werd voortdurend gepompt. De dynamo in de machinekamer was enige tijd na de ontploffing stil blijven staan, doch de hulp-dynamo aan dek werkte uitstekend, waardoor de verlichting goed bleef. Men zag bij het instellen van een onderzoek, dat een gat in de huid van het schip was geslagen, terwijl verschillende patrijspoorten met de in de huid geklonken koperen randen waren uitgerukt. Ook aan dek en in de hutten en zalen was ontzettende schade aangericht. De TUBANTIA zonk langzaam dieper en men hoorde het water in de machinekamer en in de ruimen lopen, doordat het water door de gaten, waar eens de patrijspoorten waren, binnendrong. Te 6.38 uur voormiddag kwam water in de voor-kuil; de kapitein, ziende dat zijn schip verloren was, gaf order het schip te verlaten. Men roeide naar de tros, waaraan werd vastgemaakt op 300 meter van het schip. Te 6.53 uur dook de TUBANTIA voorover, viel daarna over bakboord op zij en zonk in de diepte weg. De sloepen, welke hadden rondgedreven, werden door het stoomschip BREDA gevonden en de meeste schipbreukelingen werden daar aan boord genomen, evenals de sloep waarin zich de kapitein bevond. Een andere sloep voer naar het Noord-Hinder lichtschip en werd de bemanning van daar door inmiddels te hulp gekomen Nederlandse torpedoboten overgenomen, terwijl anderen door het stoomschip LA CAMPINA werden opgenomen. Tijdens het ronddrijven werd door enkelen aan stuurboord van de TUBANTIA een laag op het water schijnend heen en weer draaiend zoeklicht waargenomen, dat spoedig weer verdween. Bij een later ingesteld duikeronderzoek is nog gebleken, dat de TUBANTIA gezonken is op 6½ mijl afstand van het Noord Hinder lichtschip, in peiling W ⅛ Z. Het schip ligt op zij met het gat naar boven. Het gat loopt aanvankelijk smal van de hoogte van het shelterdek naar onderen tot een breedte van 12 meter uit tot op de bodem van het schip, terwijl een gedeelte van de kimkiel is weggeslagen. De deskundige, kapitein-luitenant ter zee C.J. Canters, gaf als zijn mening te kennen, dat, hoewel uit de aard van de ontploffing niet kan worden uitgemaakt of deze door een mijn dan wel door een torpedo is veroorzaakt, de TUBANTIA door een torpedo is getroffen. De streep, welke door de 4e stuurman, de uitkijk en de 1e stuurman is gezien, is, naar zijn mening, de bellenbaan van een torpedo geweest. Bovendien zijn in de sloepen van de TUBANTIA, welke uit zee zijn binnengebracht, stukken metaal gevonden, welke volgens het onderzoek, door de Marine-torpedodienst ingesteld, afkomstig zijn van een bronzen Schwartzkopff-torpedo. Men heeft op de Nederlandse kust zulk een torpedo, waarop een exercitieladingkamer, gevonden, voorzien van het merk van de Duitse marine. Een bronzen Schwartzkopff-torpedo kan een baan van ongeveer 1000 meter afleggen en wordt gesteld op een diepte van 2 tot 4 meter; dit hangt af van de diepgang van het doel, dat men treffen wil. Daar het gat, in de TUBANTIA geslagen, zeer groot is, valt niet met zekerheid te bepalen op welke diepte zij is getroffen. Voor zover men uit het gevonden metaal de middellijn van de torpedo heeft kunnen bepalen, meent hij, dat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat dit een 35 cm torpedo is geweest, in welk geval deze eerder door een torpedoboot dan door een onderzeeër is afgeschoten. Dat de TUBANTIA door een onderzeeboot zou zijn aangevaren en daardoor de ontploffing veroorzaakt, acht hij, gezien het bovenstaande, uitgesloten. De snelheid, waarmee de bellenbaan zich volgens de afgelegde verklaringen door het water bewoog, is daarvoor te groot. Ook behoeft, wanneer een onderzeeboot een ander vaartuig aanvaart, niet steeds een ontploffing te volgen. De getuige J. Wilmink omschreef de wijze, waarop de stukken metaal, in de boten van de TUBANTIA gevonden, in zijn bezit zijn gekomen. Hij heeft deze stukken ter beschikking van de Regering gesteld en is absoluut zeker dat de stukken, in de boten gevonden, dezelfde zijn als die, welke hij aan de deskundige Canters heeft overhandigd. Ook verklaarde hij, dat een onderzoek naar hetgeen de sloepen, welke genummerd waren No. 15 en 20, bevatte, is ingesteld door personeel van de agenten van zijn maatschappij te Rotterdam en dat eerst toen het metaal is voor de dag gekomen. Volgens de verklaringen van de getuigen en van de deskundige en de inhoud van het journaal, staat — naar 's Raads mening — vast: Dat de TUBANTIA zich in de nacht van 16 op 17 maart bevond in de nabijheid van het Noord Hinder lichtschip, lopende een vaart van ongeveer 9 mijl; dat naam, herkomst en nationaliteit van het schip op duidelijke en op een afstand te herkennen wijze waren aangegeven; dat voorbereidende maatregelen waren genomen om ten anker te gaan en het schip daarom te 2.20 door een hevige ontploffing aan stuurboord is getroffen in de kolenbunker, achter de eerste schoorsteen. Door deze ontploffing werd een groot gat in de huid van het schip geslagen, welk gat van de bodem van het schip zich tot ongeveer het shelterdek uitstrekte. Ook werden, naast andere schade aan het schip; verschillende patrijspoorten met de koperen bekleding uitgerukt, waardoor ter hoogte van het maindek gaten ontstonden. Door het in de stookplaats en de bunkers stromende water kwam het schip dieper te liggen en stroomde het water aldus door de bovengenoemde gaten, later ook over het kuildek, van boven in de machinekamer en de ruimen, ten gevolge, waarvan de TUBANTIA ongeveer 4 uren na de ontploffing is vol gelopen en gezonken. De getuigen Van Leuven en Groot hebben beiden een streep op het water met grote snelheid de TUBANTIA zien naderen, gericht op de plek, waar de ontploffing heeft plaats gehad, terwijl ook de getuige Vreugdenhil deze streep na de ontploffing heeft gezien. De omschrijving van wat de getuigen gezien hebben laat geen twijfel, dat de door hen geziene streep de bellenbaan van een torpedo is geweest. Uit de verklaring van de deskundige Canters is gebleken, dat de in de boten van de TUBANTIA gevonden stukken metaal ontwijfelbaar afkomstig zijn van een bronzen Schwartzkopff-torpedo. De verklaringen van genoemde getuigen en deskundige, in onderling verband en samenhang beschouwd, bewijzen, dat de ontploffing is veroorzaakt door een torpedo, welke, op enige afstand onder een hoek van 6 streken hetzij door een onderzeeër, hetzij door een torpedoboot is afgeschoten zonder enige voorafgaande waarschuwing. Deze torpedo is gebleken een bronzen Schwartzkopff-torpedo te zijn en was, blijkens de afwezigheid van enig ander schip in de nabijheid, bestemd de TUBANTIA te treffen. Dat bij deze ramp geen mensenlevens te betreuren zijn, is gedeeltelijk te danken, aan het feit, dat de TUBANTIA is getroffen op een plek, waar geen verblijfplaatsen waren voor passagiers of bemanning. Daarnaast is echter het beleidvolle, kalme optreden van kapitein Wijtsma, op waardige wijze bijgestaan door zijn officieren en bemanning, oorzaak, dat maatregelen zijn genomen, welke de redding van alle opvarenden ten gevolge hebben gehad. Vermelding verdient voorts de handelwijze van de 4e machinist Wouters, die, zich in de bunker bevindende, waar in de nabijheid de ontploffing plaats had, zijn tegenwoordigheid van geest behield en zodoende zichzelf en de tremmer, die zich met hem in de bunker bevond, wist te redden. Aan deze allen mag een erkenning van hun kloekmoedig optreden zeker niet worden onthouden.
|