|
Raad voor de scheepvaart De Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam stelde gisteren een onderzoek in naar het ongeval, overkomen aan het tjalkschip NOORDSTER, kapitein G. Veen alhier. Op weg van Londen naar Kopenhagen met een lading lijnkoeken aan boord, strandde de NOORDSTER op 30 Maart 1910, tijdens stormweer, bij het eiland Moen, aan de ingang van de Grote Belt. Het schip maakte veel water. Met een loodsboot werd de bemanning afgehaald, het schip liet men naar Kopenhagen slepen. Kapitein, Veen, als eerste getuige gehoord wist, hetzij uit onkunde, hetzij uit zenuwachtigheid, op geen van de vragen betreffende de navigatie een voldoend antwoord te geven. Tijdens het verhoor werd de zitting gedurende enigen tijd geschorst. Na heropening van de openbare zitting deelde de voorzitter de schipper mee, dat bij de Raad ernstige twijfel bestaat of hij wel bevoegd is als kapitein op een zeeschip dienst te doen en dat de Raad deze vraag zal onderzoeken. Hem werd daarom verboden gedurende de tijd, dat het onderzoek aanhangig is als gezagvoerder op te treden. De NOORDSTER ligt thans te Hamburg en zou maandag moeten vertrekken. De schipper deelde nog mee dat het journaal niet door hem, maar door de stuurman werd bijgehouden en dat hij daarvoor geen verantwoordelijkheid op zich wenste te nemen. De tweede getuige A. Schutte, was tijdens het ongeval matroos aan boord. Sinds die is hij tot stuurman bevorderd, zonder echter examen te hebben gedaan. Zeevaartkundig onderwijs heeft hij niet genoten. De streken van het kompas bleek hij behoorlijk te kennen. Als oorzaak van het ongeval gaf Schutte op, dat wind en zee het onmogelijk maakten boven Stevensklip te komen waarom een veilige rede werd opgezocht, die men in Bögeström hoopte te vinden. Het onderzoek in deze zaak was hiermede afgelopen. Uitspraak volgt later. De Inspecteur van de Scheepvaart, die deze zaak had geïnstrueerd, verzocht de Raad de schipper een nog jongen man, de bevoegdheid om als gezagvoerder op te treden, niet voor al te lange tijd te ontnemen. De voorzitter, mr. Pleyte wees de inspecteur er op, dat volgens de Schepenwet, de minister, wanneer de schipper voldoende bewijzen van bevoegdheid kan geven, om een schip over zee te brengen, ten allen tijde het recht heeft, het verbod weer in te trekken.
|