|
Raad voor de Scheepvaart. Voorts deed de Raad uitspraak betreffende het zinken van het tjalkschip JANTIENA. De Raad is van oordeel, dat het verloren gaan van de JANTIENA moet worden toegeschreven aan het breken van het roer en het daarop gevolgde lek worden van het schip, waardoor de JANTIENA een speelbal werd van wind en golven. Met de pomp kon men het water niet bijhouden, zodat de bemanning, naar de mening van de Raad, tenslotte verplicht was het schip te verlaten. – (Zie ook uitspraak No. 23). (opm: in de registers wordt dit schip steeds vermeldt als JANTINA, zo ook in Marhisdata) extra: Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van maandag 19 februari 1917 No. 12. N°. 23. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart, betreffende het zinken van het tjalkschip JANTINA. Het tjalkschip JANTINA is op 3 november 1916 tijdens stormweer gezonken, nadat het door de bemanning was verlaten. Na het te dezer zake gehouden voorlopig onderzoek door de scheepvaartinspectie in het III-de district besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, dat overeenkomstig het voorstel van de hoofdinspecteur dd. 15 januari 1917 de Raad een nader onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze scheepsramp. De zaak werd behandeld ter openbare zitting van 25 januari 1917 en als getuigen onder ede gehoord J. Swiers en G. Tunteler, beiden wonende te Groningen, ten tijde van deze ramp respectievelijk gezagvoerder en stuurman op de JANTINA. De Raad nam voorts kennis van de buitengewone scheepsverklaring door gezagvoerder en bemanning van dit schip op 5 december 1916 afgelegd voor de consul-generaal van de Nederlanden te Stockholm; het journaal kon niet worden overgelegd, daar het — blijkens mededeling van de gezagvoerder — bij de landing op het eiland Ösel door de Russische autoriteiten in beslag is genomen. Uit een en ander is het navolgende gebleken: De tjalk JANTINA, in 1901 van staal gebouwd, in eigendom bevaren door de schipper J. Swiers te Groningen, vertrok op 16 oktober 1916 van Lysekill met een lading kopsteen naar Stockholm. Het schip was bij vertrek zeewaardig, de bemanning bestond uit 4 personen. Omstreeks 26 oktober passeerde men de noordpunt van Öland, waarna het slecht weer werd, ZO wind met motregen en mist, zodat men de kust niet kon naderen zonder verkenning. Op 31 oktober kreeg men schade aan het grootzeil, welke echter hersteld kon worden. De 1e november liep de wind naar WZW met stormweer en hoge zee. Men trachtte het schip over stuurboord te krijgen, toen een breker over het achterschip sloeg en het roer weg nam. Het roer bleef een ogenblik aan de grondtalie onder het schip zitten en de schipper voelde, dat het schip op het roer stootte. De stuurman, die aan het roer stond, werd door de helmstok tegen boord geslingerd en gekneusd. De JANTINA dreef hulpeloos in de storm en kreeg veel water over dek. Bij peiling van de pomp bleek het schip water te maken. De volgende dag sloeg het B.B. zwaard los en ging verloren, nadat het enige malen tegen het schip had geslagen. Men was, na het wegslaan van het roer, aan het pompen gegaan, welke arbeid gedurende 36 uren werd voortgezet. Daar het schip steeds dieper kwam te liggen en de kop van tijd tot tijd geheel onder water kwam, verliet men op 3 november in de boot het schip. Men bevond zich toen, volgens gegist bestek, nabij het eiland Ösel. Toen men de JANTINA verliet, lag deze zeer diep in het water. Na ongeveer vier uur geroeid te hebben, kreeg men land in zicht en gelukte het door de branding te landen. Na enige tijd langs het strand gelopen te hebben, werd men door de kustwacht opgemerkt en, onder verdenking van spionage, gevangen genomen. De bemanning werd vervolgens naar Reval gebracht, waar men drie weken gevangen werd gehouden. Daarna werd men naar Petrograd vervoerd, waar de schipbreukelingen door tussenkomst van de Nederlandse Consul eindelijk werden vrijgelaten, waarop zij naar Nederland terugkeerden. De Raad is van oordeel, dat het verloren gaan van de JANTINA moet worden toegeschreven aan het breken van het roer en het daarop gevolgde lek worden van het schip, waardoor de JANTINA een speelbal werd van wind en golven. Met de pomp kon men het water niet bijhouden, zodat de bemanning, naar de mening van de Raad, tenslotte verplicht was het schip te verlaten. Aldus gedaan op 25 januari 1917 door de heren mr. A.J. Cnoop Koopmans, voorzitter; W. Allirol, L. Roosenburg, C.L.J. Kotting, D.H. Hinlopen, leden; J. Mooi, buitengewoon lid; E. Balk, plaatsvervangend buitengewoon lid; in tegenwoordigheid van de secretaris van de Raad, mr. H.B. Tjeenk Willink en uitgesproken door de voorzitter ter openbare zitting van 5 februari 1917.
|