Inloggen
JANTINA - ID 3166


Kroniekberichten

Datum 23 maart 1911
Krant NNO - Nieuwsblad van het Noorden

Niet vertonen van een zeebrief.
De schipper Reinder H., van het tjalkschip JANTINA, varende onder Nederlandse vlag, is door de kantonrechter veroordeeld tot NLG 1,50 boete subs. 2 dagen hechtenis, omdat hij de 26ste februari met zijn schip Altona is binnengelopen en zich daar niet bij de Nederlandse consul hoeft vervoegd om de zeebrief te tonen.
Het O.M. vroeg eveneens NLG 1,50 boete, subs. 2 dagen hechtenis.

Afbeelding
Datum 27 maart 1916
Krant RN - Rotterdamsch Nieuwsblad
Type bericht Binnenlandse berichten, diverse

Delfzijl, 24 maart. Na een tegenspoedige reis van 3 maanden kwam gisteren alhier binnen van Glückstadt het tjalkschip JANTINA, kapt. J. de Groot, welk schip van het begin van de oorlog aldaar heeft gelegen. Gedurende de reis heeft het schip twee weken op het Duitse Wad aan de grond gezeten, waarna het eindelijk met veel moeite weer vlot kwam.

Afbeelding
Datum 07 september 1916
Krant RN - Rotterdamsch Nieuwsblad
Type bericht Verkoop schepen

Delfzijl, 5 september. De zeetjalk JANTINA, voorheen bevaren door de heer J. de Groot te Groningen, is voor geheime prijs verkocht aan de heer J.W. Swiers. Het schip is geladen met oud ijzer voor Gotenburg.

Afbeelding
Datum 19 december 1916
Krant NNO - Nieuwsblad van het Noorden
Type bericht Strandingen, verongelukking en vermissing

In Russisch gevangenschap.
De hier thuis behorende zeetjalk JANTINA, kapitein en eigenaar J. Zwiers, is op 3 november jl. geladen met steen gezonken in de Oostzee bij het eiland Oesel in de mond van de Golf van Riga. De bemanning, bestaande uit kapt. Zwiers, de stuurman G. Tunteler, beiden van Groningen, de matroos J. Schuitema van Delfzijl en de 15-jarige kok Joh. Jonker van Groningen, wist zich in eigen boot te redden met medeneming van de scheepspapieren en wat kleren. Na 4 uur roeien door een woelige zee kwamen zij op het eiland Oesel aan wal. Hier werden zij al spoedig door Russische militairen, die hen voor spionnen hielden, gevangen genomen en in een hok op stro gebracht. De volgende dag bracht een torpedoboot het viertal, dat intussen van alles wat enige waarde had beroofd was, naar Arkolli aan de vaste wal, vanwaar zij een treinreis van 21 uur maakten naar Reval, steeds onder strenge militaire bewaking. In Reval werden zij na verhoor tezamen in een zeer vuile gevangenis gebracht, waar het eten uiterst slecht was. Zij kregen elk slechts 1½ pond brood en een ketel warm water per dag, lagen op de vloer, die vol ongedierte was en hadden dekking noch verschoning.
Na elf dagen werd de kapitein van zijn mannen gescheiden en in een toren opgesloten. Tien dagen zat hij daar, toen men hem weer naar zijn mannen bracht. Het verhoor had blijkbaar de autoriteiten overtuigd, dat zij niet met spionnen, maar met schipbreukelingen te doen hadden. Zij werden nu althans per trein naar Petersburg gebracht, hoewel nog steeds onder geleide. Na nog 2 dagen in Petersburg gevangen te hebben gezeten, kregen zij aanraking met de Nederlandse consul, die hun vrijlating bewerkte, hun geld voorschoot en zorgde voor hun terugkeer naar Nederland. De reis ging eerst per spoor naar het noorden, naar Tornea (36 uur), daarna per slede over het ijs, toen van Haparanda per spoor (38 uur) naar Stockholm, waar zij door de Nederlandse consul aldaar weer verder werden geholpen met geld en in het zeemanshuis liefderijk werden verpleegd. In Haparanda was de kok, door de doorgestane vermoeienis en het lijden, ziek geworden. Hij is in het ziekenhuis te Stockholm achter gebleven en is daar nu weer beterende. Van Stockholm gingen de schipbreukelingen naar het zuiden, voeren over naar Duitsland en kwamen zo hier weer aan. In Weener waren zij nog een dag door de Duitse autoriteiten vast gehouden. Het schip was verzekerd. De bemanning is echter al haar kleren kwijt.

Afbeelding
Datum 06 februari 1917
Krant AH - Algemeen Handelsblad
Type bericht Uitspraak Raad voor de Scheepvaart (bijvoegsel Staatscourant)

Raad voor de Scheepvaart. Voorts deed de Raad uitspraak betreffende het zinken van het tjalkschip JANTIENA. De Raad is van oordeel, dat het verloren gaan van de JANTIENA moet worden toegeschreven aan het breken van het roer en het daarop gevolgde lek worden van het schip, waardoor de JANTIENA een speelbal werd van wind en golven. Met de pomp kon men het water niet bijhouden, zodat de bemanning, naar de mening van de Raad, tenslotte verplicht was het schip te verlaten. – (Zie ook uitspraak No. 23).
(opm: in de registers wordt dit schip steeds vermeldt als JANTINA, zo ook in Marhisdata)
extra:
Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van maandag 19 februari 1917 No. 12.
N°. 23. Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart, betreffende het zinken van het tjalkschip JANTINA. Het tjalkschip JANTINA is op 3 november 1916 tijdens stormweer gezonken, nadat het door de bemanning was verlaten. Na het te dezer zake gehouden voorlopig onderzoek door de scheepvaartinspectie in het III-de district besliste een commissie uit de Raad voor de Scheepvaart, dat overeenkomstig het voorstel van de hoofdinspecteur dd. 15 januari 1917 de Raad een nader onderzoek zou instellen naar de oorzaak van deze scheepsramp. De zaak werd behandeld ter openbare zitting van 25 januari 1917 en als getuigen onder ede gehoord J. Swiers en G. Tunteler, beiden wonende te Groningen, ten tijde van deze ramp respectievelijk gezagvoerder en stuurman op de JANTINA.
De Raad nam voorts kennis van de buitengewone scheepsverklaring door gezagvoerder en bemanning van dit schip op 5 december 1916 afgelegd voor de consul-generaal van de Nederlanden te Stockholm; het journaal kon niet worden overgelegd, daar het — blijkens mededeling van de gezagvoerder — bij de landing op het eiland Ösel door de Russische autoriteiten in beslag is genomen. Uit een en ander is het navolgende gebleken: De tjalk JANTINA, in 1901 van staal gebouwd, in eigendom bevaren door de schipper J. Swiers te Groningen, vertrok op 16 oktober 1916 van Lysekill met een lading kopsteen naar Stockholm. Het schip was bij vertrek zeewaardig, de bemanning bestond uit 4 personen. Omstreeks 26 oktober passeerde men de noordpunt van Öland, waarna het slecht weer werd, ZO wind met motregen en mist, zodat men de kust niet kon naderen zonder verkenning. Op 31 oktober kreeg men schade aan het grootzeil, welke echter hersteld kon worden. De 1e november liep de wind naar WZW met stormweer en hoge zee. Men trachtte het schip over stuurboord te krijgen, toen een breker over het achterschip sloeg en het roer weg nam. Het roer bleef een ogenblik aan de grondtalie onder het schip zitten en de schipper voelde, dat het schip op het roer stootte. De stuurman, die aan het roer stond, werd door de helmstok tegen boord geslingerd en gekneusd. De JANTINA dreef hulpeloos in de storm en kreeg veel water over dek. Bij peiling van de pomp bleek het schip water te maken. De volgende dag sloeg het B.B. zwaard los en ging verloren, nadat het enige malen tegen het schip had geslagen. Men was, na het wegslaan van het roer, aan het pompen gegaan, welke arbeid gedurende 36 uren werd voortgezet. Daar het schip steeds dieper kwam te liggen en de kop van tijd tot tijd geheel onder water kwam, verliet men op 3 november in de boot het schip. Men bevond zich toen, volgens gegist bestek, nabij het eiland Ösel. Toen men de JANTINA verliet, lag deze zeer diep in het water. Na ongeveer vier uur geroeid te hebben, kreeg men land in zicht en gelukte het door de branding te landen. Na enige tijd langs het strand gelopen te hebben, werd men door de kustwacht opgemerkt en, onder verdenking van spionage, gevangen genomen. De bemanning werd vervolgens naar Reval gebracht, waar men drie weken gevangen werd gehouden. Daarna werd men naar Petrograd vervoerd, waar de schipbreukelingen door tussenkomst van de Nederlandse Consul eindelijk werden vrijgelaten, waarop zij naar Nederland terugkeerden.
De Raad is van oordeel, dat het verloren gaan van de JANTINA moet worden toegeschreven aan het breken van het roer en het daarop gevolgde lek worden van het schip, waardoor de JANTINA een speelbal werd van wind en golven. Met de pomp kon men het water niet bijhouden, zodat de bemanning, naar de mening van de Raad, tenslotte verplicht was het schip te verlaten. Aldus gedaan op 25 januari 1917 door de heren mr. A.J. Cnoop Koopmans, voorzitter; W. Allirol, L. Roosenburg, C.L.J. Kotting, D.H. Hinlopen, leden; J. Mooi, buitengewoon lid; E. Balk, plaatsvervangend buitengewoon lid; in tegenwoordigheid van de secretaris van de Raad, mr. H.B. Tjeenk Willink en uitgesproken door de voorzitter ter openbare zitting van 5 februari 1917.

Afbeelding