Inloggen
GORECHT - ID 2534

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1927
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
Nat. Official Number: 566 Z GRON 1927
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: One mast
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Scheepswerf Firma J. Smit & Zoon, Foxhol, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 62
Launch Date: 1927-10-25
Delivery Date: 1927-12-05
Technical Data

Engine Manufacturer: N.V. Appingedammer Bronsmotorenfabriek, Appingedam, Groningen, Netherlands
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 105
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Brons Nr. 1541 Type C/D (280x350)
Speed in knots: 7.50
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 187.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 107.00 Net tonnage
Deadweight: 235.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 11000 Cubic Feet
 
Length 1: 33.56 Meters Length overall (Loa)
Length 2: 32.00 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.46 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.34 Meters Depth, moulded
Draught: 2.10 Meters Draught, maximum
Ship History Data

Date/Name Ship 1927-12-05 GORECHT
Manager: Jan Westers Hzn., Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Jan Westers Hzn., Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NTRV

Date/Name Ship 1932-01-20 GORECHT
Manager: Jan Westers Hzn. & Roelof Boerma, Groningen, Groningen, Netherlands
Eigenaar: N.V. Zeereederij Motorschoener 'Libelle', Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NTRV

Date/Name Ship 1933-02-01 GORECHT
Manager: E. Wagenborg's Scheepvaart- & Expeditiebedrijf N.V., Delfzijl, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Roelof Boerma, Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: NTRV
Additional info: Verkoopprijs fl. 25.000,-- Call sign 1934: PEJO

Date/Name Ship 1936-00-00 GORECHT
Manager: Freight Express Ltd, London, Great Britain
Eigenaar: Roelof Boerma, Groningen, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Groningen / Netherlands
Callsign: PEJO

Ship Events Data

1927-10-00: NRC 26-10-1927: Scheepsbouw. Foxhol, 25 Oct. Van de scheepswerven van de firma J. Smit en Zn., alhier, is heden voor rekening van de schipper-eigenaar J. Westers te Groningen met goed gevolg te water gelaten een stalen motorboot, met de afmetingen 31.50 X 6.40 X 2.45 M. en een laadvermogen van 235 à 240 ton. Het schip is gebouwd onder toezicht van bureau Veritas en scheepvaart-inspectie en zal worden voorzien van een 105—120 Brons motor.
1927-12-07: Op 07-12-1927 als GORECHT, zijnde een motorvrachtschip, groot 529.94 m3, liggende te Foxhol, door D. Loorbach, beëdigd scheepsmeter te Groningen, ten verzoeke van Jan Westers, schipper te Groningen, van haar brandmerk voorzien door het inbeitelen van 566 Z GRON 1927 op 't achterschip, achterkant lichtkap motorkamer aan bakboordzijde.
1928-03-26: Voorwaarts 26-03-1928: Gorecht. Amsterdam, 25 Maart. De Nederlandsche motorboot Gorecht, welke dezer dagen op reis van Denemarken naar Londen de haven van Nieuwediep binnenliep wegens lekkage aan het dek, heeft deze schade aan de werf der firma Verschure & Co. alhier hersteld en vertrok inmiddels wederom naar de bestemmingshaven.
1930-04-11: Op 11-04-1930, bij het binnenloopen van de haven van Duinkerken, tijdens mist tegen het oostelijk breekwater gestooten.

Scheepvaart 17-09-1930: Raad voor de Scheepvaart. Vrijdag 19 Sept. a.s., des namiddags kwart vóór drie onderzoek door den Raad voor de Scheepvaart naar de oorzaak van het ongeval, op 11 April 1930 overkomen aan het motorschip Dorecht (tijdens dik van mist op het Oostelijk breekwater van den ingang van de haven van Duinkerken geloopen); b. de klacht van den Hoofdinspecteur voor de Scheepvaart tegen den schipper van de Gorecht terzake van met beschadigd schip de haven van Duinkerken verlaten zonder een bewijs van zeewaardigheid te hebben verkregen.

Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Vrijdag 28 en Zaterdag 29 November 1930 nr.232. No.111 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart:
a. in zake het motorschip Gorecht, dat bij het binnenloopen van de haven van Duinkerken tijdens mist tegen het oostelijk breekwater heeft gestooten; betrokkene: Jan Westers, schipper; b. betreffende de klacht van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart tegen Jan Westers, schipper van voornoemd motorschip, ter zake van het niet aanvragen van een bewijs van zeewaardigheid na bovengenoemd ongeval. Op 11 April 1930 heeft het motorschip Gorecht bij het binnenloopen van de haven van Duinkerken tijdens mist tegen het oostelijk breekwater gestooten. Naar aanleiding van het ten deze door de Scheepvaarinspectie ingesteld voorloopig onderzoek is door den
hoofdinspecteur voor de scheepvaart bij den Raad voor de Scheepvaart een klacht ingediend van den volgenden inhoud: ,,De hoofdinspecteur voor de scheepvaart, verwijzende naar de stukken betreffende het op 11 April 1930 plaats gehad hebbende ongeval, overkomen aan het motorschip Gorecht nabij den ingang van de haven van Duinkerken; overwegende, dat daaruit blijkt, dat schipper Jan Westers, nadat hij met het motorschip Gorecht was vastgeraakt en dientengevolge het schip was beschadigd, na binnenkomst te Duinkerken de haven weer heeft verlaten, zonder voor zijn schip een bewijs van zeewaardigheid te hebben verkregen; overwegende, dat deze handelwijze in strijd is met hetgeen in den algemeenen maatregel van bestuur tot uitvoering van de artikelen 5, 9 en 17 der Schepenwet is voorgeschreven, en geacht moet worden een misdraging op ite leveren jegens de reederij en de schepelingen; Gelet op de artikelen 48 en 49 der Schepenwet, stelt aan den Eaad voor de Scheepvaart voor een onderzoek in te stellen en den schipper Jan Westers, voornoemd, te hooren. In overeenstemming met het voorstel van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart besliste de bij artikel 29 der Schepenwet bedoelde commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaken van het ongeval zou instellen en dat tevens een onderzoek naar de gegrondheid van voorschreven klacht zou worden ingesteld. Bovendien besliste de commissie, dat het onderzoek naar het ongeval ook zou loopen over de vraag, of dit wellicht mede was te wijten aan een daad of nalatigheid van den schipper Jan Westers. Het onderzoek had plaats ter zitting van den Raad van 19 September 1930, in tegenwoordigheid van den hoofdinspecteur voor de scheepvaart. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der Scheepvaartinspectie en hoorde den schipper, voornoemd, als betrokkene en tevens als aangeklaagde buiten eede. De voorzitter zette hem doel en strekking van. het te houden onderzoek en verhoor uiteen, terwijl hij hem gelegenheid gaf tot zijn verdediging aan te voeren, al hetgeen hij daartoe dienstig zou achten, hem daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: Het Nederlandsche motorschip Gorecht , gemeten 187,07 bruto- en 107,18 netto-registerton, onderscheidingssein N. T. E. V., is in het jaar 1928 van staal gebouwd en geclasseerd bij Bureau Yeritas. Het heeft een Brons- motor van 105 P.K. Tijdens het ongeval was het schip eigendom van schipper Jan Westers, te Groningen. In den avond van 10 April 1930 vertrok de Gorecht, bemand met 4 personen, van Londen naar Duinkerken, ibeladen met 130 ton oud papier, diepgang 6^ voet. Reeds na het passeeren van de Goodwin werd het mistig en ook onder de Belgische kust, waar men den volgenden avond omstreeks 9 uur was, hing nog steeds mist. Het lichtschip Dyck werd evenwel verkend en gezien, en van dit lichtschip werd koers gesteld op de roode gasboei. De schipper zag alle boeien van het vaarwater, behalve de beide laatste, t. w. boei 15 en 16. Voorbij deze boeien zag hij echter wel eenige stoomschepen ter reede voor anker liggen, waarvan hij zoowel de lichten als den romp waarnam. Het schip had den stroom mede, de vaart zal ongeveer 3 mijl zijn geweest. Het schip moet tusschen de boeien 15 en 16 door zijn gevaren. Ter hoogte van genoemde voor anker liggende schepen gekomen, werd op de gis met langzaam werkenden motor koers gesteld op den ingang van de haven; de stuurman en de kok stonden uit te kijken. Vervolgens werd 7 vadem gelood. Lichten werden niet gezien en ook het mistsein met de bel van de boei ter plaatse of van de pier werd niet gehoord. Plotseling kwam het breekwater vooruit in zicht; ondanks dat dadelijk achteruit werd geslagen, stootte de Gorecht met het voorschip tegen den buitenkant daarvan. Daar de voorpiek reeds met ballastwater was gevuld, kon aanvankelijk niet worden geconstateerd of deze water maakte. De schipper is vervolgens de haven binnengekomen en heeft aan de losplaats gemeerd. Eerst den volgenden dag kon worden gezien, dat de voorsteven krom stond; ook werd bemerkt, dat de voorpiek een weinig lekte. Eerst om 3 uur 's middags was men met de lossing gereed. Daar het Zaterdag was, heeft de schipper geen moeite meer gedaan om een expert te vinden. Wel heeft hij met een kapitein, eveneens aangesloten bij de Onderlinge Verzekering Maatschappij „Oranje", te Groningen, een nauwkeurig onderzoek ingesteld en bevonden, dat het aanvaringsschot geheel in orde was. Hij achtte het daarom volkomen verantwoord de reis naar Vlissingen te ondernemen. Als reden, waarom hij bij dezen mist niet op de reede ten anker was gegaan, gaf de schipper op, dat het juist tegen hoog water was en hij dan alleen de losplaats kan bereiken. Hij was met het vaarwater ter plaatse volkomen vertrouwd, daar hij reeds sinds geruimen tijd elke week in de haven van Duinkerken kwam. Hij verklaarde door den mist, die op den wal blijkbaar veel dikker was dan op het water, te zijn misleid. De hoofdinspecteur voor de scheepvaart heeft aangevoerd : dat de navigatie aanvankelijk wel goed is geweest, doch deze gevaarlijk begon te worden, toen hij, niets ziende, de oostelijke pier nam, terwijl hij de westelijke pier had moeten nemen; dat hij echter in het geheel niet had mogen doorvaren, toen hij de ten anker liggende schepen voorbij voer en hij, bij hoog water 7 vadem loodende, had moeten ankeren; dat ook de klacht gegrond is, hetgeen de schipper zelf toegeeft; dat de desbetreffende voorschriften nodig zijn, omdat het in den regel niet aan de schippers zelf kan worden overgelaten om te beoordeelen of de reis kan worden voortgezet; dat hij op Zaterdagmorgen zeer gemakkelijk werk er van had kunnen maken om een expert te krijgen. De Raad is, wat het ongeval betreft, van oordeel, dat de schipper te gewaagd heeft gevaren. Toen hij de boeien 15 en 16, waar hij, gelijk hij zelf verklaarde, tusschendoor moet zijn gevaren, niet zag, had hij moeten ankeren. Ook de klacht is gegrond. Dat het Zaterdag was, is geen gegronde reden om geen moeite te doen een expert te vinden. De Raad straft den schipper Jan Westers, geboren 18 December 1892, wonende te Groningen, zoowel omdat het ongeval is toe te schrijven aan een daad of nalatigheid zijnerzijds, als omdat de klacht gegrond is, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, plaatsvervangend voorzitter; G. J. Lap, W. Bakker, A. L. Boeser, leden; H. de Booy, plaatsvervangend lid; H. Wegener, buitengewoon lid; G. Mulder, plaatsvervangend buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden plaatsvervangend voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 25 October 1930. (Get .) B. M. Taverne, G. J. L ap, W. Bakker, A. L. Boeser, H. de Booy, H. Wegener, G. Mulder, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1934-05-23: Scheepvaart 23-05-1934: Brugge—Londen. Zaterdag 26 Mei zal met het Ned. m.s. Gorecht een nieuwe wekelijksche dienst voor het vervoer van stukgoederen tusschen Brugge en Londen worden geopend. Deze dienst is ingesteld op initiatief van een groep belanghebbenden te Brugge, die het Comptoir Maritime et Commercial oprichtten. De Gorecht, van kapt. J. Westers te Groningen, 187 ton bruto en 107 ton netto, werd in 1927 bij J. Smit & Zoon te Foxhol gebouwd. Het schip kan laden en lossen aan alle kaden van de Theems tot in het hart van Londen.
1938-12-26: NvhN 23-05-1939: De stranding van de „Gorecht”. Kapitein komt terug op zijn verklaringen. De kapitein en de ex-stuurman van het Groninger kustvaartuig „Gorecht", een scheepje van 187 bruto registerton uit Oude Pekela, legde gistermiddag voor den Raad voor de Scheepvaart zeer verschillende verklaringen af omtrent het verloop van een niet voorspoedige reis van Sheerness naar Antwerpen in December van het vorige jaar, tijdens welken tocht de „Gorecht" nabij Cadzand strandde, doch later op eigen kracht weer vlot kwam. De raad was bijeengekomen om naar de oorzaak van deze stranding een onderzoek in te stellen, waarbij de kapitein op schuldvraag werd gehoord.
Deze kapitein handhaafde tijdens het verhoor zijn reeds vroeger afgelegde verklaring, dat tijdens de geheele reis regelmatig was gelood. Geregeld was het water 5 tot 6 vadem geweest, doch plotseling was er maar 2 vadem gelood. Een oogenblik later was het schip vastgeloopen. De stuurman daarentegen deelde den raad mede, dat de kapitein onwaarheid sprak en dat er gedurende de geheele reis geen lood aan dek was geweest. Voorzitter: — Hebt u iets tegen den kapitein? U bént toch ontslagen is het niet? Stuurman: — Tegen den kapitein heb ik niets. Ik heb nooit ruzie met hem gehad. Ik ben uit eigen wil weggegaan, omdat ik oneenigheid had met de vrouw van den kapitein, die ook aan boord was. Ik kon toch wel een ander baantje krijgen.
Voorzitter: — Uw eerste verklaring voor den inspecteur was toch gelijkluidend aan die van den kapitein. Stuurman: — Ja, de kapitein zei,- dat ik moest zeggen, dat er gelood was. Dat heb ik ook gedaan, maar ik kreeg er spijt van en heb toen de waarheid gesproken. Gelood is er niet. Dan onderwerpt de voorzitter den kapitein aan een scherp verhoor. Hij wijst hem er op, dat hij verstandiger doet de waarheid te spreken.
Na eenigen tijd volgt de kapitein den welgemeenden raad inderdaad op. Hij geeft toe, dat 't verhaal van het regelmatig looden verzonnen is en dat de oorzaak van de stranding aan een onvoorzichtige navigatie is te wijten. Later zal de raad uitspraak doen.

Leeuwarder courant 24-05-1939: Nasleep van een onvoorspoedige reis. Kapitein bekent onjuiste verklaringen te hebben afgelegd. De kapitein en de ex-stuurman van het Groningsche kustvaartüig „Gorecht", een scheepje uit Oude Pekela, legden Maandagmiddag voor de Raad voor de Scheepvaart zeer verschillende verklaringen af omtrent het verloop van een niet voorspoedige reis van Sheerness naar Antwerpen in December van het vorige jaar, tijdens welke tocht de „Gorecht" nabij Cadzand strandde, doch later op eigen kracht weer vlot kwam. De Raad was bijeengekomen om naar de oorzaak van deze stranding een onderzoek in te stellen. De kapitein handhaafde tijdens het verhoor zijn reeds vroeger afgelegde verklaring, dat tijdens de geheele reis regelmatig was gelood. Geregeld was het water 5 tot 6 vadem geweest, doch plotseling was er maar 2 vadem gelood. Een oogenblik later was het schip vastgeloopen. De stuurman daarentegen deelde de Raad mee, dat de kapitein onwaarheid sprak e_ dat er gedurende de geheele reis geen lood aan dek was geweest. Voorzitter: Hebt u iets tegen den kapitein? U bent toch ontslagen is het niet? Stuurman: Tegen den kapitein heb ik niets. Ik ben uit eigen wil weggegaan, omdat ik oneenigheid had met de vrouw van den kapitein, die ook aan boord was. Uw eerste verklaring voor den inspecteur was toch gelijkluidend aan die van den kapitein, merkte de voorzitter op. Ja, antwoordde de stuurman. De kapitein zei, dat ik moest zeggen, dat er gelood was. Dat heb ik ook gedaan, maar ik kreeg er spijt van en heb toen de waarheid gesproken. Gelood is er niet. Na een scherp verhoor gaf de kapitein toe, dat het verhaal van het regelmatig looden verzonnen was en dat de oorzaak van de stranding aan ctn onvoorzichtige navigatie was te wijten.

Bijvoegsel tot de Nederlansche Staatscourant van Vrijdag 18 en Zaterdag 19 Augustus 1939, no.161. No.106. Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake de stranding tijdens mist van het motorschip Gorecht op de kust van Zeeuwsch Vlaanderen nabij Kadzand. Betrokkene : kapitein Jan Kosmis. Op 26 December 1938 is het motorschip Gorecht tijdens mist gestrand op de kust van Zeeuwsch Vlaanderen nabij Kadzand. In overeenstemming met het voorstel van den inspecteur- generaal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van deze stranding zou instellen. Bovendien besliste genoemde commissie, dat het onderzoek tevens zou loopen over de vraag, of het ongeval wellicht mede was te wijten aan de schuld van den kapitein Jan Kosmis, wonende te Oude Pekela. Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 22 Mei 1939, buiten tegenwoordigheid van den inspecteur-generaal voor de scheepvaart, die door andere ambtsbezig- heden verhinderd was de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie en hoorde als getuige onder eede den stuurman Eise Swijghuizen. De kapitein Jan Kosmis, bijgestaan door diens raadsman jhr. mr. C. C. van Valkenburg, advocaat te Amsterdam, werd, als betrokkene, buiten eede gehoord. De voorzitter zette betrokkene doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem, alsmede diens raadsman, gelegenheid tot hun verdediging aan te voeren, hetgeen zij daartoe dienstig achtten, den betrokkene daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Gorecht is een Nederlandsch motorschip, roepnaam P E J O, gebouwd in 1927, metende 187,07 bruto-, 107,18 netto-registerton, voorzien van een Bronsmotor van 105 pk, toebehoorende aan B. Boerma, te Groningen. Op 26 December 1938 des voormiddags te 3 uur vertrok het vaartuig van Sheerness met een lading oud ijzer, met bestemming naar Antwerpen. De diepgang was vóór 7 voet 9 duim, achter 8 voet 3 duim. De bemanning bestond uit vijf personen, met inbegrip van de echtgenoote van betrokkene. Op dien 26sten December dés voormiddags te 5.30 uur werd het lichtschip Tongue en des middags te 12 uur het lichtschip West Hinder voorbij gevaren. De koers was O. t. Z. per stuurkompas, waarvan de deviatie op dien koers naar de meening van betrokkene ongeveer + 1/8 streek bedroeg. De wind was zuidwest, kracht 3 tot 4. Het was mistig. Getuige Swijghuizen heeft verklaard als volgt: Hij had na het vertrek uit Sheerness met den matroos M. Leenders de wacht tot op 26 December 1938 des voormiddags te 8 uur, waarna hij en die matroos naar kooi gingen. Te 12 uur op den middag van dien dag kwamen zij beiden weer op wacht. Ongeveer te 4 uur op dien namiddag werden zij door betrokkene afgelost. Getuige meende op laatstgemeld tijdstip het mistsein van het lichtschip Wandelaar te hooren. Dit schip was echter niet te zien. Het zicht was ongeveer 2 mijl. Te 4.30 uur op dien namiddag begaven getuige en genoemde matroos zich wederom naar kooi. De kapitein bleef met den kok aan dek. Even te voren had getuige de lichtjes op de kust gezien. De kapitein stond op dat tijdstip aan het roer. Getuige zeide nog tegen betrokkene: „Wij zitten dicht onder den wal." Getuige heeft niet gelood. Het lood is zelfs niet aan dek geweest. Eenige minuten na 5 uur liep het schip vast. Getuige ging naar het dek. Hij zag de kust. De mist was niet erg dik. Het sneeuwde niet. Aanvankelijk heeft betrokkene ter zitting van den Raad verklaard: dat voormelde verklaring van getuige Swijghuizen in strijd met de waarheid is afgelegd, daar, nadat het lichtschip Wandelaar, dat op ongeveer 200 m afstand te zien was, te 3 uur op dien namiddag voorbij gevaren was, voortdurend is gelood, waarbij het vaartuig werd gestopt om een zuivere looding te verkrijgen en geregeld 5 tot 6 vadem water werden verkregen; dat te 5 uur, een kwartier na de laatste dier loodingen, plotseling 2 vadem werden gelood; dat liij dadelijk na die looding volle kracht achteruit gaf, doch het schip strandde en vast bleef zitten. Betrokkene heeft ter 's Raads zitting later verklaard, dat de ter zitting van den Raad afgelegde verklaring van getuige Swijghuizen de waarheid bevat, behoudens, dat, naar de meening van betrokkene, het minder gunstig weer was dan getuige heeft verklaard. Als vaststaande neemt de Raad derhalve aan, dat, nadat betrokkene het mistsein van het lichtschip Wandelaar had meenen te hooren, zonder dat dit lichtschip echter werd waargenomen. O. t. N. is gestuurd, tot de stranding, zooals betrokkene nader heeft verklaard, en dat in het geheel niet is gelood, terwijl het mistig weer was en men op het vaartuig geenerlei verkenning had gekregen. Volgens betrokkene en getuige Swijghuizen heeft het schip bij vallend water vastgezeten, totdat het op 27 December 1938 bij opkomend water met eigen middelen is vlotgekomen. Het weer was inmiddels opgeklaard. Het schip bleek te zijn gestrand ongeveer een halve mijl zuidwestelijk van de ter hoogte van Kadzand liggende lichtboei. Daarna is het vaartuig onder aanwijzing van een te Vlissingen aan boord genomen loods naar Antwerpen gevaren, waar het op 27 December 1938 des namiddags te 3 uur is aangekomen. Eenige dagen later bleek bij onderzoek te Rupelmonde, dat het schip beschadigd was, doordien een aantal wrangen waren gebroken, eenige spanten waren gescheurd en enkele bodemplaten moesten worden vernieuwd. Betrokkene heeft nog verklaard, dat de loods, die op de Schelde dienst deed, hem heeft medegedeeld, dat het stuurkompas soms 7/8 a 3/4 streek afwijking had, hoewel de deviatietabel als grootste afwijking voor den aldaar gevolgden koers 1/4 streek aanwees. Nog is den Raad gebleken : 1°. dat betrokkene aan getuige en aan den matroos M. Leenders bij of kort na de stranding had te kennen gegeven, dat zij, wanneer zij over het ongeval door de scheepvaartinspectie zouden worden gehoord, in strijd met de waarheid moesten verklaren, dat de stuurman gelood had; 2°. dat dienovereenkomstig door den stuurman en dien matroos bij hun verhoor door den inspecteur voor de scheepvaart in het 3de district L. Korstanje, blijkens diens op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal dd. 2 Januari 1939, ieder voor zich, is verklaard, dat de stuurman steeds had gelood, waarna de stuurman bij diens verhoor door dien inspecteur, blijkens diens op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal dd. 8 Februari 1939 heeft verklaard op 2 Januari 1939 een onware verklaring te hebben gedaan en die verklaring te herroepen. Betrokkene heeft ter zitting van den Raad nog verklaard: dat hij erkent schuld te hebben aan de stranding en berouw te hebben over zijn pogingen om den stuurman en den matroos valsche verklaringen te doen afleggen, waarna zijn raadsman en hij zelf de clementie van den Raad voor de Scheepvaart ten aanzien van een op te leggen straf hebben ingeroepen, omdat betrokkene te voren nog nimmer voor den Raad ter verantwoording is geroepen. De Raad voor de Scheepvaart oordeelt als volgt: De stranding is toe te schrijven aan de schuld van betrokkene. Hij heeft zéér onvoorzichtig gehandeld door, wetende, dat hij een lading oud ijzer aan boord had en dat die lading invloed zou kunnen hebben op het kompas, met dien invloed geen rekening te houden en aan te nemen, dat hij op een plaats bij de Nederlandsche kust was uitgekomen, waar dit zou zijn geschied, indien het kompas normaal had aangewezen. Betrokkene had bij de nadering in den mist van de Nederlandsche kust geenerlei verkenning omtrent de plaats, waar het schip zich bevond. Desniettemin is hij, zonder het lood te gebruiken, in den mist doorgevaren, hoewel hij moest weten, dat hij aldus groote kans liep om te stranden op de kust. Indien het lood hem bij de nadering van de kust geen zekerheid zou gegeven hebben omtrent de plaats, waar het schip zich bevond, had hij moeten stoppen, totdat het weer was opgeklaard en hij verkenning van den wal had verkregen. Alsdan zou het hem niet moeilijk zijn gevallen den van het lichtschip Wandelaar tot de monding van de Wester Schelde duidelijk afgebakenden vaarweg te vinden. Na te melden straf van schorsing acht de Raad in dit geval geboden, waarbij de Raad rekening wil houden met het feit, dat betrokkene ten slotte voor de waarheid is uitgekomen en berouw heeft getoond over zijn houding tegenover den stuurman en den matroos Leenders. Mitsdien: Straft den betrokkene Jan Kosmis, geboren 17 Februari 1910, wonende te Oude Pekela, door hem de bevoegdheid te ontnemen om als kapitein te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 2 der Schepenwet, voor den tijd van veertien dagen. Aldus gedaan door de heeren mr. dr. F. C. van Geer, tweedeplaatsvervangend-voorzitter, F. J. van Yeen en C. J. Canters, plaatsvervangende leden, E. Kramer, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door den eerste-plaatsvervangend-voorzitter prof. mr. B. M. Taverne, ter openbare zitting van den Raad van 5 Augustus 1939. (get.) F. C. van Geer, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.
1940-05-16: Overgenomen door de Netherlands Shipping & Trading Committee, Londen en in beheer bij Freight Express Ltd. te London, later bij John Carter (Poole) Ltd. te Poole en W.D.Tamlyn te Plymouth. 22 Mei 1940 in timecharter bij het Ministry of Shipping, Londen. In opdracht van de Koninklijke Marine en onder Britse vlag met een Britse bemanning van 26 mei tot 1 juni 1940 deelgenomen aan de operatie 'Dynamo' (evacuatie van Duinkerken). Het schip redde onder commando van Capt. D.M. Edwards 47 leden van de geallieerde troepen. Op 9 juni 1940 deelgenomen aan de evacuatie van Le Havre (operatie 'Cycle') Op 21 Juni 1940 nam zij, samen met tientallen andere Nederlandse coasters, deel aan de evacuatie van Guernsey om de bewoners van het eiland te evacueren en naar Weymouth te brengen. Enige uren na hun vertrek werden de Kanaaleilanden door de Duitsers bezet. Op 30 november 1940 bij een Duitse luchtaanval geraakt door een brandbom op het achterschip dat totaal uitbrandde. De machinekamer liep vol bluswater. Gerepareerd en weer in de vaart.
1942-01-15: Final Fate:
Onderweg van Highbridge naar Newport (Mon.) op een mijn gelopen bij Highbridge, Somerset en gezonken. Wrak gevonden 21-01-1942 op drie mijl van Burnham Lighthouse. De gehele bemanning (7 personen) onder wie Capt. K.L. Daniels zijn omgekomen. De teboekstelling wordt pas 19-11-1957 doorgehaald.

Afbeeldingen


Omschrijving: Gorecht (bj 1927)
Gemaakt door: Unknown