|
Rotterdam, 1 december. Omtrent de moeilijke reis van de koftjalk FREDRIK (zie vorig No.) verneemt men nog de volgende bijzonderheden: Behalve de gewone bemanning waren ook de vrouw en 2 kinderen van de gezagvoerder aan boord toen men 27 oktober van Gotenburg vertrok. Men was nauwelijks een dag in zee toen een zware storm opstak en een in Hoorn woonachtig matroos van 19 jaren overboord viel en verdronk, in weerwil van de pogingen tot redding. Teneinde beschutting te zoeken voor de aanhoudende storm liep men te Christiansand binnen en vertrok eerst weer van daar toen een andere matroos was aangemonsterd en het weer opklaarde. Lang heeft het mooie weer niet geduurd, want na enige dagen stak opnieuw een storm op, welke spoedig tot een orkaan aangroeide. Torenhoge zeeën sloegen over het schip heen en braken de stutten van de deklast gezaagd hout als pijpestelen af. Van de deklading ging toen een groot gedeelte overboord, waardoor het schip over een zijde kwam te liggen. Uit zelfbehoud moest men dus trachten het schip weer recht te krijgen, en was de enigste manier de overige deklading over boord te werpen, met welke arbeid een dag gemoeid was. Buitendien kwamen nog enige brekers op het voorschip terecht, waardoor veel water in de piek kwam te staan, doch slaagde men er in dit weer met emmers uit te scheppen. Verschillende schades aan stagen, verschansing en over dek werden waargenomen, terwijl de zeilen gedeeltelijk scheurden en wegwoeien. Naar de kapitein, die reeds jaren ter zee vaart, meedeelde, heeft hij nog nimmer de zee zo woest gezien.
|