Inloggen
ELZIENA - ID 2019

In dienst
Onder Nederlandse Vlag tussen:0000-00-00 / 0000-00-00

Identification Data

Bouwjaar: 1931
Classification Register: Bureau Veritas (BV)
Nat. Official Number: 1425 Z GRON 1931
Categorie: Cargo vessel
Voorstuwing: Motor Vessel
Type: General Cargo
Type Dek: Flush deck
Masten: Two masts
Rig: 2 derricks
Material Hull: Steel
Dekken: 1
Construction Data

Scheepsbouwer: Scheepswerf 'Gideon' J. Koster Hzn., Groningen, Groningen, Netherlands
Werfnummer: 129
Delivery Date: 1931-01-29
Technical Data

Engine Manufacturer: Deutz A.G., Motorenfabrik, Cologne (Köln), Germany
Motor Type: Motor, Oil, 4-stroke single-acting
Number of Cylinders: 3
Power: 150
Power Unit: BHP (APK, RPK)
Eng. additional info: Deutz Nr. 251212/14 Type (11-17 11/16)
Speed in knots: 7
Number of screws: 1
 
Gross Tonnage: 197.00 Gross tonnage
Net Tonnage: 94.00 Net tonnage
Deadweight: 250.00 tonnes deadweight (1000 kg)
Grain: 11000 Cubic Feet
 
Length 2: 32.94 Meters Length between perpendiculars (Lbp)
Beam: 6.4 Meters Breadth, moulded
Depth: 2.44 Meters Depth, moulded
Ship History Data

Date/Name Ship 1931-01-29 ELZIENA
Manager: Jacobus Patje, Sappemeer, Groningen, Netherlands
Eigenaar: Jacobus Patje, Sappemeer, Groningen, Netherlands
Shareholder:
Homeport / Flag: Sappemeer / Netherlands
Callsign: NPSB
Additional info: In 1934 call sign: PDXJ.

Ship Events Data

1931-01-30: NvhH 30-01-1931: Delfzijl, 29 Jan. Heden vond op de Eems de proeftocht plaats van het motorschip „Elziena", toebehoorende aan den heer J. Pattje te Sappemeer. Het schip is gebouwd op de scheepswerf „Gideon" van den heer J. Koster Hzn. te Groningen en heeft de volgende afmetingen: lengte 33.10 M, breedte 6.59 M. en holte 2.43 M. Het is groot bruto 558 kub. M. en netto 267 kub. M. en het ls gebouwd onder klasse Bureau Veritas en Scheepvaart Inspectie De voortstuwing geschiedt door middel van een 150—180 P.K. Compr. Deutz Dieselmotor waarmee op de proefvaart een snelheid werd behaald van 8.6 mijl, In de machinekamer is verder nog een hulpmotor opgesteld, eveneens een compressorlooze Deutz Dieselmotor van 6—7 P.K. Het laden en lossen geschiedt met behulp van twee motorlieren, gedreven door een 6—7 PK. compressorlooze Deutz Dieselmotor. De voorste hiervan kan tevens dienst doen bij het snelheffen der ankers. Het schip, dat van een Oertz-patent stroomlijn roer is voorzien, is zeer ten genoegen van den eigenaar.
1931-03-17: Voorwaarts 17-03-1931: Elziena, Rotterdam, 16 Maart. Het Nederlandsche motorschip Elziena, dat Zaterdagmiddag j.l. van Charlestown naar Brussel was vertrokken, is hedenmiddag met lichte machineschade te Hansweert binnengeloopen.
1931-04-18: Voorwaarts 18-04-1931: Elziena. Hamburg, 17 April. Het Nederlandsche motorschip Elziena, in ballast van Apenrade naar Hamburg, is in het Kielerkanaal nabij K.M. 38, met het Duitsche stoomschip Hever, met stukgoed van Hamburg naar Kopenhagen, in aanvaring geweest. Van beide schepen werden platen licht beschadigd.
Voorwaarts 26-06-1931: Elziena. Hamburg, 25 Juni. Het Seeamt te Flensburg schrijft de oorzaak van de aanvaring op 16 April j.l, in het Kieler kanaal nabij K.M. 38 tusschen het Nederlandsche motorschip Elziena en het Duitsche stoomschip Hever, aan den dikken mist toe. De door beide schepen na de aanvaring genomen maatregelen zijn juist geweest.
1931-05-26: Voorwaarts 27-05-1931: Elziena. Hamburg, 26 Mei. Het in Groningen thuisbehoorende motorzeilschip Elziena, van Limfjord naar Hamburg bestemd, is met verlies van schroef en andere schade te Cuxhaven binnengesleept door den vischkotter Avance 187, uit Finkenwaerd.
1932-10-10: NvhN 10-10-1932. Motorschade. Het te Groningen thuisbehoorende motorschip „Perifreja", kapt. Koopman, op weg van Kiel naar Duisburg en Keulen met metaalafval en het te Sappemeer thuisbehoorende motorschip „Elziena", kapt. Patje, met hout van Raumö naar Paimpol, kwamen te Delfzijl beide met motorschade binnen.
NvhN 12-10-1932: De reis voortgezet. Het motorschip „Elziena", kapt. J. Patje, dat te Delfzijl met motorschade, op weg naar Raumö naar Paimpol met hout, binnen kwam, heeft gerepareerd en de reis voortgezet.
1932-12-28: Tijdens een reis van Danzig naar Rotterdam motorschade en Cuxhaven binnengebracht. Gerepareerd.
1934-00-00: Akte.
Klik hier om het document te downloaden/openen
1934-02-01: Algemeen Handelsblad 04-02-1934: Elziena. (Glasgow, 1 Febr.) Het Nederlandsch motorschip „Elziena", geladen met superfosfaat, is in de rivier de Forth op een modderbank vast geloopen en men heeft tot nog toe te vergeefs getracht het schip weder vlot te krijgen. Waarschijnlijk zal sleepboothulp noodig zijn.
Algemeen Handelsblad 07-02-1934: Elziena. (Alloa, 3 Febr.) Het motorschip „Elziena", dat op een modderbank was vast geloopen (zié Ochtendblad 4 dezer) is zonder assistentie vlot gekomen. Indien het schip schade heeft, is deze blijkbaar gering, daar het geen water maakt.
1938-06-11: Aangekomen te Snodland bij de papierfabriek om een lading Chinaklei, geladen te Charlestown, te lossen. Bij laag water is het schip drooggevallen. 12 Juni 1938 omstreeks 13.00 uur kwam de 'Elziena' weer vlot en toen bleek het dieper te liggen dan bij aankomst. Bij peiling bleek ongeveer 1,60 meter water in het ruim te staan. Betrokkene motordrijver L.van Moolenbroek heeft in hoofdzaak verklaard: dat te Charlestown, alvorens de klei te laden, de ruimen met buitenboordwater waren gewassen. Dat ter hoogte van Sheerness de motor werd gestopt voor onderzoek en daarna weer te werk gesteld met bijzetting van de lenspomp op buitenboord, zodat nu beide aangebrachte pompen als koelwaterpomp dienst deden. Dat hij er niet aan gedacht heeft de buitenboordafsluiter dicht te zetten, daar hij aan dek werd geroepen om te helpen bij het meren te Snodland. Dat het op de 'Elziena' geen gewoonte was deze open te laten staan. Dat hij gedurende 2,5 jaar, die hij op de 'Elziena' voer, in de lensleiding nooit anders dan de driewegskraan, voorzien van een plug met T-gat, heeft gekend.
Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart: Het rapport van den inspecteur J. den Hollander, dat ter zitting is voorgelezen, luidt als volgt: Uit de verklaring van de bemanning blijkt, dat den 12den Juni 1938, toen het schip op de rivier te Snodland lag te wachten om te lossen, ongeveer 1,60 meter water in het ruim is gekomen. De oorzaak hiervan is geweest, dat de motordrijver den buitenboordsafsluiter zonder enige nood-zaak den geheelen nacht open heeft laten staan, alsmede ook de andere kranen niet heeft blind gezet. Door deze onverantwoordelijke daad en doordat onder de losse kleppen van de lensleidingen naar het ruim stukjes hout zaten, kon het buitenboordswater in het ruim lopen. Bij het onderzoek aan boord door de scheepvaartinspectie is verder gebleken, dat de driewegskraan in de lensleiding, in plaats van een plug met L-gat, van een plug met een T-gat is voorzien; dit is niet in overeenstemming met de tekening, zooals deze bij den bouw van het schip in 1930 is gemaakt. Wel is waar kan, doordat deze driewegskraan van een T-plug is voorzien, ook met de hoofdmotor-lenspomp de voor-en achterpiek worden lensgepompt, hetgeen niet kan geschieden, indien de plug van een L-gat is voorzien. Hierdoor ontstaat echter het gevaar, dat door onoplettendheid, zoals hierboven omschreven is, water in het ruim kan komen. Hoe dan ook, naar mijn mening is het ongeval toe te schrijven aan het feit, dat afsluiters en kranen openstonden, zonder eenig toezicht en zonder eenige noodzakelijkheid. Er wordt nu een kraan, voorzien van een plug met L-gat aangebracht. Tevens is het noodzakelijk, dat lensafsluiters en ook de lensflesschen regelmatig worden nagezien. Het is toch van het grootste belang, dat de losse klep behoorlijk werkt en dat geen vuil onder de klep kan komen, door middel van een slechte of vergane lensflesch, waardoor ook het lenzen op andere afdeelingen van het schip ten zeerste wordt bemoeilijkt. De Raad is van oordeel, dat de schuld van den betrokkene aan dit ongeval-welke schuld door den betrokkene ook niet wordt ontkend-vaststaat. De Raad wil, nu het tegendeel niet is komen vast te staan, aannemen, dat de betrokkene de driewegskraan met T-plug in de lensleiding heeft aangetroffen, toen hij aan boord kwam, zoodat hij voor deze door de scheepvaartinspectie niet toegestane inrichting niet aansprakelijk kan worden gesteld. Nu bij de behandeling van dit ongeval sedert het voorgevallene buiten schuld van den betrokkene reeds zoo geruime tijd is verlopen, meent de Raad met de straf van berisping te kunnen volstaan. Straft den betrokkene Lourens van Moolenbroek, geboren 13 November 1916, wonende te Oost-Souberg, door het uitspreken van een berisping. (12 januari 1940 uitgesproken)
1939-07-15: NvhN 15-07-1939: Delfzijl. Het te Sappemeer thuisbehorend motorschip “Elziena”, kapt. J.Patje, liep hier met lichte motorschade binnen.Het schip is op reis van Ipswich naar Köping en beladen met ijzer.
1939-07-20: De Maasbode 20-07-1939: m.s. Elziena. Delfzijl, 19 Juli. Het beslag van het motorschip Élziena is heden opgeheven, waarna het schip onmiddellijk naar Köping vertrok.
1940-03-02: Final Fate:
Met een lading uien onderweg van Ooltgensplaat (vertrokken van Vlissingen op 19 februari) naar Leith (via de Humber, vertrokken op 1 maart) ten zuiden van Longstone (bij Whitby) gebombardeerd door een Duits vliegtuig en in brand geraakt. Gezonken. Twee bemanningsleden, de kapitein, de 22 jarige H. Eldriks op zijn eerste reis als kapitein en de motordrijver Lou Molenbroek kwamen hierbij om het leven. De overige bemanningsleden werden na 36 uur opgepikt door het Deense hulpvaartyuig 'Sine' en te Blyth aan land gebracht.

Uitgebreid verslag in 'Het Vaderland' van 5 maart 1940: Onderweg van Ooltgensplaat naar Leith in Schotland met een lading uien als gevolg van een Duitse luchtaanval gezonken na in brand te zijn geschoten. Het had 5 bemanningsleden aan boord. Op ongeveer 20 mijl ten zuiden van Longstone naderde in de heldere sterrennacht een vliegtuig. Plotseling sloegen kogels in de deklast en in het achterdek. Kapitein Uldriks beval de motordrijver en de stuurman de reddingsboot overboord te zetten. Het vliegtuig was inmiddels gekeerd en liet op geringe hoogte twee bommen vallen. Eén trof de stuurhut, de andere sloeg in het achterdek. De reddingsboot viel te water. De motordrijver stortte dodelijk verminkt op het dek en overleed enkele ogenblikken later, de stuurhut brandde direct, alles was versplinterd en verwrongen. In de vlammen zag men het lichaam van de kapitein liggen. Stuurman Albert Dinkela, riep hem, maar de kapitein reageerde niet meer. Daarop hielp de stuurman de aan de linkerarm verwonde matroos Hendriks in de te water hangende boot. Kok Marinus de Jager had zichzelf inmiddels op een vlot in veiligheid gebracht. De Stuurman gooide de volgelopen boot los en duwde deze zwemmend naar het vlot. De 'ELZIENA' kapseisde en zonk. De drie overlevende staken later vanaf het vlot drie vuurpijlen af, die echter onopgemerkt bleven. Na dertig uur ronddobberen, werden zij de volgende middag gered door het Deense m.s.'Sine'. Het schip was ter voorkoming van aanvallen door de oorlogsvoerende naties conform de aanwijzingen in De Leidraad zwart geverfd. Op de boeg was aan elke zijde, in heldere kleuren, een Nederlandse vlag aangebracht. Ook op het dak van het stuurhuis was een Nederlandse vlag geschilderd en terzijde daarvan stond de naam Holland geschilderd, met witte letters op een zwart ondergrond. Verzuimd was echter om op de deklast een Nederlandse vlag aan te brengen.

Op 02-03-1940 onderweg van Ooltgensplaat naar Leith in Schotland met een lading uien als gevolg van een Duitse luchtaanval gezonken na in brand te zijn geschoten. Het had 5 bemanningsleden aan boord. Op ongeveer 20 mijl ten zuiden van Longstone naderde in de heldere sterrennacht een vliegtuig. Plotseling sloegen kogels in de deklast en in het achterdek.Kapitein Uuldriks (22),die zijn eerste reis als gezagvoerder. beval de motordrijver Lou Molenbroek en de stuurman de reddingsboot overboord te zetten. Het vliegtuig was inmiddels gekeerd en liet op geringe hoogte twee bommen vallen. Eén trof de stuurhut, de andere sloeg in het achterdek. De reddingsboot viel te water. De motordrijver stortte dodelijk verminkt op het dek en overleed
enkele ogenblikken later, de stuurhut brandde direct, alles was versplinterd en verwrongen. In de vlammen zag men het lichaam van de kapitein liggen. Stuurman Albert Dinkela, riep hem, maar de kapitein reageerde niet meer. Daarop hielp de stuurman de aan de linkerarm verwonde matroos Hendriks in de te water hangende boot. Kok Marinus de Jager had zichzelf inmiddels op een vlot in veiligheid gebracht. De Stuurman gooide de volgelopen boot los en duwde deze zwemmend naar het vlot. De “ELZIENA” kapseisde en zonk. De drie overlevende staken later vanaf het vlot drie vuurpijlen af, die echter onopgemerkt bleven.Na dertig uur ronddobberen, werden zij de volgende middag gered door het Deense m.s.”Sine” Het schip was ter voorkoming van aanvallen door de oorlogsvoerende naties conform de aan-wijzingen in De Leidraad zwart geverfd. Op de boeg was aan elke zijde, in heldere kleuren, een Nederlandse vlag aangebracht. Ook op het dak van het stuurhuis was een Nederlandse vlag geschilderd en terzijde daarvan stond de naam Holland geschilderd, met witte letters op een zwart ondergrond. Verzuimd was echter om op de deklast een Nederlandse vlag aan te brengen.
NvhN 05-03-1940: De ondergang van de „Elziena". In aansluiting op ons bericht van gisteren betreffende den aanval op het Groninger kustvaartuig „Elziena" kunnen we nog nader melden, dat het schip is gezonken tengevolge van bommen, welke het vliegtuig op het schip lieten vallen. De kapitein H. Uuldriks en de motordrijver Lou Molenbroek kwamen om het leven, terwijl de drie overige leden, stuurman Albert Dinkela, de kok Marinus de Jager en de matroos Hendrik Hendriks werden opgepikt nadat ze 36 uur op een vlot hadden rondgedreven. De stuurman heeft over den ondergang van het schip medegedeeld aan United Press, aldus het Alg. Handelsbl., dat de Elziena Zaterdag 24 Febr. vertrokken was van Galathee met een lading uien naar een van de Engelsche havens. Al spoedig bevond het schip zich langs de Engelsche kust. Wij waren verplicht, aldus de stuurman, naar Duins te gaan en hoorden, dat we zoo spoedig mogelijk moesten opvaren naar Southend, hetgeen den daarop volgenden Dinsdag dan ook geschiedde. Daarna werd de reis in Noordelijke richting voortgezet. Deze verliep echter zonder bijzondere gebeurtenissen. Zaterdag J.l. om ongeveer één uur hoorden we, aldus de stuurman, het geronk van een vliegtuig en even later naderde een Duitsche bommenwerper ons schip. Eenmaal cirkelde het toestel over ons heen en liet toen een bom vallen, welke vlak achter het roer terecht kwam, maar gelukkig geen schade aanrichtte. Kort daarop keerde de bommenwerper terug en begon ons met machinegeweervuur te bestoken, dit ondanks het feit, dat de weersomstandigheden voldoende gunstig waren, zoodat de inzittenden van den bommenwerper moeten hebben gezien dat op beide wanden van ons schip een groote Nederlandsche vlag was geschilderd. De bommenwerper kwam keer op keer terug en wierp achtereenvolgens nog drie bommen, die de verschrikkelijkste gevolgen hadden. De kapitein had, na zich vergewist te hebben, dat niemand door het machinegeweervuur was getroffen, onmiddellijk opdracht gegeven een der sloepen te laten strijken, maar terwijl wij, d.w.z. de kok Marinus de Jager uit Capelle achter Goes, de matroos H. Henderik uit Groningen en ik zelf daarmee bezig waren, liet de Duitscher vlak achter elkaar twee bommen vallen. De eerste kwam terecht in het stuurhuis, waarheen de kapitein was gesneld, waarschijnlijk om te trachten iets van zijn papieren te redden. Als voorzorgsmaatregel had hij zich plat op den grond gelegd, maar door een voltreffer moet hij op slag gedood zijn. Door de splinters van het stuurhuis, die tengevolge van de ontploffing in het rond vlogen, werd de kok De Jager flink aan het hoofd gewond; zijn toestand was echter zoodanig, dat hij ons kon blijven helpen de sloep over boord te zetten. We waren echter nauwelijks opnieuw begonnen de handen aan de talies te steken, toen een tweede bom in de machinekamer terecht kwam, waar de machinist nog aan het werk was. Hierdoor ontstond onmiddellijk brand. We snelden allemaal naar de nieuwe plek des onheils. De machinist leefde nog, maar hij was reeds bewusteloos en spoedig daarop overleed hij. Sloep vernield. Zoo'n oogenblik, vervolgde onze zegsman, als je gezien hebt dat er toch niets meer te redden valt, is je eenige gedachte: maak dat je er zelf levend afkomt. we probeerden dan ook met zijn drieën in de sloep te komen, maar opnieuw cirkelde de Duitscher boven ons en liet weer een bom vallen, die precies in de sloep terecht kwam. Daar ging onze laatste reddingspoging.
Ik zag, aldus vervolgde Hinderik zijn verhaal, dat een paar balken van de sloep nog aan elkaar waren gebleven en toen zat er dus niets anders meer op dan overboord te springen. Het water was afschuwelijk koud en het was een troost te zien, dat de kok en de matroos mij oogenblikkelijk volgden. Met eenige moeite slaagden wij er God zij dank in, met zijn drieën eenig houvast op het vlot te krijgen, dat onze toevlucht gedurende nog 36 uur zou zijn. Nog langen tijd zagen wij ons schip branden voordat het eindelijk na twee uur zonk; de kou was zeer hevig en liet zich door onze kletsnatte kleeren zoo verschrikkelijk voelen, dat het eenige middel was om dicht tegen elkaar aan te kruipen.
Het zijn 36 uren van ontzetting geworden; 36 uren, waarin wij geen land of schip zagen, geen voedsel te eten of water te drinken hadden en wij wanhoopten of er in deze wereld nog werkelijk vaste wal onder de voeten te krijgen zou zijn.
Toch kwam de redding; een kleine Deensche schoenenr, de „Sine" pikte ons Zondagmiddag op en toen was het ergste leed geleden. Een warme kooi deed wonderen, en niemand blij der dan wij, toen we eindelijk den vasten grond onder de voeten hadden, aldus besloot de geredde zijn verhaal.
Friesch dagblad 05-03-1940: Groninger kustvaarder „Elziena" beschotenen gezonken De kapitein en de motordrijver om het leven gekomen. De drie overige opvarenden gered.Het Nederlandsche motorschip „Elziena", thuisbehoorend te Sappemeer, dat op weg was van Galathee bij Ooltgensplaat naar Leith in Schotland met een lading uien, is op de Noordzee door een vliegtuig beschoten, waarbij de kapitein, de heer H. Uuldriks, en de motordrijver werden gedood. Reuter meldt hieromtrent nader uit Londen, dat het schip bij de beschieting in brand geraakte en dat het na twee uur tijds zonk, de bemanning bestond in totaal uit vijf personen. De drie overlevenden warden gered. Twee van hen werden gewond. De aanval geschiedde Zaterdagochtend vroeg. Op de scheepswanden waren groote Nederlandsche vlaggen geschilderd, zoodat de nationaliteit van het schip duidelijk zichtbaar was. Naar de kok, de heer Jager, die in het ziekenhuis is opgenomen, met verwondingen aan het hoofd, het gelaat en de armen, verklaarde, heeft een Duitsch vliegtuig, na zeer laag over het schip gecirkeld te hebben, de “Elziena" zesmaal met machinegeweervuur bestookt. De kapitein was om zich te beschermen plat op den vloer van de stuurhut gaan liggen en gaf mij, aldus de heer Jager, bevel om naar beneden te gaan. Het achterdek werd door een bom getroffen, waarna een andere bom de stuurhut versplinterde. De kapitein kwam hierbij om het leven. De heer Jager werd door de in het rond springende splinters van de stuurhut getroffen en gewond. Toen de motordrijver en de eerste stuurman trachtten een reddingboot neer te laten, dook het vliegtuig opnieuw omlaag en liet het een derde bom vallen, welke de reddingboot vernielde en den motordrijver doodde. „Ik gooide een vlot over boord, aldus vervolgde de heer Jager, en dook in de zee. De eerste stuurman en de matroos volgden mij en wij slaagden er in met het vlot weg te komen, maar het was zoo enorm koud, dat wij op elkaar moesten gaan liggen om een beetje warmte te krijgen. Een Deensch schip heeft de drie mannen, nadat deze 36 uur hadden rond gedreven, opgepikt. De „Elziena" was het eigendom van den heer J. Patje en had een bruto inhoud van 197 ton. Het was in 1931 te Groningen gebouwd. De N.V. Carebeka te Groningen trad als cargadoor van het schip op. Het was op 22 Februari van Galathee naar Leith vertrokken met een lading van 200 ton uien. De verschepers hiervan waren de N.V. Handel Maatschappij J. van As J.J.zn en de firma N. J. Mulder te Rotterdam. De „Elziena" werd Donderdag of Vrijdag jl. te Leith verwacht en was dus enkele dagen over tijd. De afladers hadden een telegram uit Leith ontvangen, waarin bericht werd, dat omtrent de aankomst van het schip nog niets bekend was.
Namen der opvarenden. Nader is gebleken, dat bij de beschieting van het Nederlandsche m.s. „Elziena" de kapitein H. Uuldriks en de machinist Lou Molenbroek om het leven zijn gekomen. De drie geredde leden der bemanning zijn: de eerste stuurman Albert Dinkele, de kok Marinus de Jager en de matroos Hendrik Hendriks. Zij zijn te Blyth aan land gebracht. Uuldriks, die 22 jaar was, maakte zijn eerste reis als kapitein.
De banier 05-03-1940: Nog meer kustvaarders onder mitrailleurvuur. Vlissingen, 4 Maart — De Nederlandsche kustvaarders „Wasa". „Amazone" en „Boekelo" zijn tijdens de vaart op de Noordzee door onbekende vleigtuigen met mitrailleurvuur bestookt. De schepen waren Vrijdagavond om zeven uur uit New Castle en Tyne vertrokken, allen geladen met kolen voor België. Zij werden aangevallen, nadat zij ongeveer een uur gevaren hadden. De „Wasa" en de „Boekelo" hebben inmiddels de haven van bestemming bereikt. Ze bekwamen geen schade bij de beschieting. Men heeft niet gehoord, dat dit bij de Amazone wel het geval zou zijn. Een Engelsche boot, welke in de nabijheid van het drietal Nederlandsche kustvaarders voer, werd gebombardeerd. Opvarenden van de “Boekelo" namen waar dat van den Engelschen wal af een vliegtuig werd neergeschoten en in zee stortte.“Sint Annaland”en “Schieland”werden reeds eerder aangevallen. Onze correspondent te Terneuzen schrijft: De Nederlandsche zeeschepen „Sint Annaland" en „Schieland" beiden eigendom van de te Rotterdam gevestigde Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij, zijn na het vertrek uit New Castle on Tyne door een „onbekend" vliegtuig aangevallen. Na met mitrailleurvuur te zijn bestookt, verliet de bommenwerper, want dit bleek het te zijn, beide schepen. Gelukkig werd niemand door de kogels geraakt en beide schepen konden zonder schade bekomen te hebben, de reis vervolgen. De „Sint Annaland" had een lading kolen voor de cokesfabriek te Sluiskil. Nadat de noodige formaliteiten waren vervuld, vertrok het schip nog den zelfden avond naar zijn bestemmingsplaats Sluiskil. Hieronder volgt een relaas ons door een ooggetuige gegeven. Vrijdagmorgen omstreeks kwart over zes toen wij ons ter hoogte van het lichtschip „Humber" bevonden, verscheen plotseling boven de „Sint Annaland" en vliegmachine. Het vliegtuig voerde zijn navigatielichten zoodat wij meenden met een Engelschman te doen te hebben. Doch dit kwam anders uit. Met groote snelheid kwam het op ons af, daalde tot even boven de mast, cirkelde rond de achtersteven en verdween daarna in de richting van de „Schieland" die evenwijdig aan ons opstoomde op een afstand van slechts 500 meter aan stuurboordzijde. We hoorden het gerikketik van een mitrailleur en zagen het lichtschijnsel dat de vuurstooten vergezelde. De „Schieland" werd beschoten....
De bemanning op ons schip werd gepord en in minder dan geen tijd stond zij gekleed, en voorzien van zwemvest aan dek We waren op alres voorbereid. Het vliegtuig verliet toen plotseling de „Schieland" en vloog recht op ons schip af. De mitrailleur begon te rikketikken en de kogels sloegen ter hoogte van de scheepsbrug in. Het was een „sauve qui peut" en ieder zocht dekking. De aanval duurde slechts kort Achter ons op een afstand van ruim 150 meter voer een Engelschman en deze was thans het doel van den bommenwerper. Het schip werd eveneens beschoten en toen de bemanning zich in de booten begaf, gaf de marconist een S.O.S.sein dat aan boord van onze boot opgevangen werd. We gaven hard bakboord draaiden op en stevenden op het aangevallen schip af om eventueel hulp te bieden. Aan boord van de „Schieland" voerde men dezelfde manoeuvre uit en onze schepen bevonden zich spoedig in de nabijheid van den Engelschman. Wat was hier gebeurd? Het bleek dat een bom in de machinekamer was terecht gekomen. Het schip zonk voor onze oogen in slechts enkele minuten. We zijn er omheen gevaren doch een drietal Engelsche bevond zich reeds in de nabijheid. We zagen dat de reddingssloepen beschenen werden door de zoeklichten van de oorlogsschepen en dat de schipbreukelingen aan boord werden genomen. We hebben toen onze reis weer tezamen met de “Schieland" voortgezet. Later vernamen wij nog dat een kogel op de „Schieland" het sloependek had doorboord en terecht gekomen was in de hut van den stuurman waar hij het hoofdkussen dat op bed lag, doorboorde. Gelukkig bevond de stuurman zich niet in de kooi, zoodat geen verdere onheilen werden veroorzaakt. Tot zoover het relaas van den ooggetuige. , Inmiddels is ook de „Schieland veilig en wel op zijn losplaats aangekomen. Naar verluidt zijn de sporen van inslaande kogels op beide schepen wel waar te nemen, doch schade werd verder niet aangericht. De „Jonge Willem” ook beschoten. De Engelsche bladen berichten, dat ook het Nederlandsche motorschip „Jonge Willem" van de Middellandsche Zeevaart Comp., dat vijftig overlevenden van het gebombardeerde Engelsche passagiersschip „Domala" redde, zelf heeft blootgestaan aan bommen en machinegeweervuur van Duitsche vliegtuigen. De bemanning van de „Jonge Willem" vertelde, dat een bom op slechts twintig voet van het schip in zee viel, en dat het vliegtuig een duikvlucht deed en de dekken met machinegeweerkogels bezaaide. Persoonlijke ongelukken kwamen niet voor. Een half uur later zag de bemanning, dat de „Domala" (welks ondergang wij gisteren meldden) aan den horizon in vlammen stond.
De courant nieuws van den dag 07-03-1940: Voor ’t eerst: Kapitein. De 22-jarige H.Uuldriks vond den dood bij het bombardement van het Nederlandsche kustscheepje „Elziena". Het was zijn eerste reis als kapitein. 't Moet heerlijk voor zoo'n zeeman zijn. Voor 't éérst op eigen schip kaptein! Een laatste groet nog naar de ree. De haven uit naar d'open zee. Wat moet dat voor zoo'n zeeman zijn: Voor 't éérst op eigen schip kaptein. Bij 't hooren van 't bekend geluid. Hij weet zóó goed, wat dat beduidt.... 't Moet vréés'lijk voor zoo'n zeeman zijn: Voor 't éérst op eigen schip kap'tein. De zee-gier valt het meesje aan: Met de „Elziena" is 't gedaan. Kap'tein voor d'allereersten keer! Gevallen op het veld van Eer. Eén ding pakt niemand U meer af: Uw rust in 't groote zeemansgraf. ( Clinge Doorenbos.)
De Telegraaf 12-03-1940: Geredden van de “Elziena” thans te Londen. (Van onzen correspondent.) Londen 11 Maart. — Hedenmorgen kwamen te Londen de overlevenden aan van het Nederlandsche motorschip „Elziena". dat in den nacht van Vrijdag op Zaterdag 1 Maart door een bom uit een Duitsch vliegtuig tn de Noordzee tot zinken werd gebracht. Het zijn de stuurman A. Dinkela. de kok M. de Jager en de matroos A, Hendriks. Wij hebben reeds uitvoerig het relaas van hun wedervaren vermeld. De geredden konden hieraan uiteraard weinig toevoegen. Aangaande de vraag of het vliegtuig dat het schip aanval, al dun niet in staat moet zijn geweest om zich er van te overtuigen, dat het met een neutraal schip te doen had, is het de meening van alle drie de opvarenden, dat dit inderdaad mogelijk moet zijn geweest. Wel was het nog nacht, maar de maan scheen helder. De naam van het schip was met witte letters op den zwarten romp geschilderd. Bovenop het dak van het stuurhuis was een groote Nederlandsche vlag geschilderd. Het vliegtuig vloog zóó laag over het schip heen, dat het, naar de meening der drie zeelieden, voor den piloot gemakkelijk moet zijn geweest om de vlag zelfs bij het maanlicht te onderscheiden. De mannen, die in het Banchor-hotel logeeren. begaven zich hedenmiddag naar het consulaat tot het afleggen van nadere verklaringen. Zij hopen in de eerstvolgende dagen naar Nederland terug te keeren.
04-07-1940 Uitspraak Raad voor de Scheepvaart: Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Donderdag 4 Juli 1940, no.128. No 67 Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart in zake het binnendringen van buitenboords- water in het ruim van het motorschip Elziena. Betrokkene: de motordrijver L. van Moolenbroek. Op 12 Juni 1938 is buitenboordswater in het ruim van het motorschip Elziena gedrongen, toen dit vaartuig nabij Snodland lag te wachten om te lossen. ïn overeenstemming met het voorstel van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart besliste een commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, als bedoeld bij artikel 29 der Schepenwet, dat de Raad een onderzoek naar de oorzaak van dit ongeval zou instellen en daarbij tevens na te gaan of het ongeval niet mede is te wijten aan schuld of nalatigheid van den motordrijver Lourens van Moolenbroek, wonende te Oost Souburg. Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 November 1939 buiten tegenwoordigheid van den inspecteurgeneraal voor de scheepvaart, die verhinderd was de zitting bij te wonen. De Raad nam kennis van de stukken Van het voorloopig onderzoek der scheepvaartinspectie, waarbij een teekening van de lens- en ballastleiding van het vaartuig en een rapport van den deskundige van die inspectie den inspecteur J. den Hollander. De Raad hoorde den motordrijver Lourens van Moolenbroek, voornoemd, als betrokkene, buiten eede. De voorzitter zette den betrokkene doel en strekking van het onderzoek uiteen en gaf hem gelegenheid tot zijn verdediging aan te voeren hetgeen hij daartoe dienstig achtte, hem daarbij het laatste woord latende. Uit een en ander is den Raad het volgende gebleken: De Elziena is een Nederlandsch motorschip, metende 196,94 bruto-, 94,35 netto-registerton, roepnaam P D X J, eigendom van J. Patje te Groningen. Het schip is voorzien van een Deutz Dieselmotor van 150 pk. Op 11 Juni 1938 kwam het schip van Charlestown met een lading Chinaklei in de kreek bij de papierfabriek te Snodland aan om aldaar te lossen. Met laagwater viel het schip droog. Toen het vaartuig op 12 Juni omstreeks te 1 uur 's middags weer vlot kwam, bleek het dieper te liggen dan bij aankomst. Bij peiling bleek ongeveer 1,60 m water in het ruim te staan. Betrokkene L. van Moolenbroek heeft in hoofdzaak verklaard : dat te Charlestown, alvorens de klei te laden, de ruimen met buitenboordswater waren gewasschen; dat ter hoogte van Sheerness de motor werd gestopt voor onderzoek en daarna weer te werk gesteld met bijzetting van de lenspomp op buitenboord, zoodat nu beide aangebrachte pompen als koelwaterpomp dienst deden; dat hij er niet aan gedacht heeft den buitenboordsafsluiter dicht te zetten, daar hij aan dek werd geroepen om te helpen bij het meren te Snodland; dat het op de Elziena geen gewoonte was dezen open te laten staan; dat hij gedurende de 2½ jaar, die hij op de Elziena voer, in de lensleiding nooit anders dan een driewegskraan, voorzien van plug met T-gat, heeft gekend. Het rapport van den inspecteur J. den Hollander, dat ter zitting is voorgelezen, luidt als volgt: „Uit de verklaring van de bemanning blijkt, dat den 12den Juni 1938, toen het schip op de rivier te Snodland lag te wachten om te lossen, + 1,60 m water in het ruim is gekomen. De oorzaak hiervan is geweest, dat de motordrijver den buitenboordsafsluiter zonder eenige noodzaak den geheelen nacht open heeft laten staan, alsmede ook de andere kranen niet heeft blind gezet. Door deze onverantwoordelijke daad en doordat onder de losse kleppen van de lensleidingen naar het ruim stukjes hout zaten, kon het buitenboordswater in het ruim loopen. Bij het onderzoek aan boord door de scheepvaartinspectie is verder gebleken, dat de driewegskraan in de lensleiding, in plaats van een plug met L-gat, van een plug met een T-gat is voorzien; dit is niet in overeenstemming met de teekening, zooals deze bij den bouw van het schip in 1930 is gemaakt. Weliswaar kan, doordat deze driewegskraan van een T-plug is voorzien, ook met de hoofdmotorlenspomp de voor- en achterpiek worden lensgepompt, hetgeen niet kan geschieden, indien de plug van een L-gat is voorzien. Hierdoor ontstaat echter het gevaar, dat door onoplettendheid, zooals hierboven omschreven is, water in het ruim kan komen. Hoe dan ook, naar mijn meening is het ongeval toe te schrijven aan het feit, dat afsluiters en kranen openstonden, zonder eenig toezicht en zonder eenige noodzakelijkheid. Er wordt nu een kraan, voorzien van een plug met L-gat, aangebracht.
Tevens is het noodzakelijk, dat lensafsluiters en ook de lensflesschen regelmatig worden nagezien. Het is toch van het grootste belang, dat de losse klep behoorlijk werkt en dat geen vuil onder de klep kan komen, door middel van een slechte of vergane lensflesch, waardoor ook het lenzen op andere afdeelingen van het schip ten zeerste wordt bemoeilijkt." De Raad is van oordeel, dat de schuld van den betrokkene aan dit ongeval — welke schuld door den betrokkene ook niet wordt ontkend — vaststaat. De Raad wil, nu het tegendeel niet is komen vast te staan, aannemen, dat de betrokkene de driewegskraan met T-plug in de lensleiding heeft aangetroffen, toen hij aan boord kwam, zoodat hij voor deze door de scheepvaartinspectie niet toegestane inrichting niet aansprakelijk kan worden gesteld. Nu bij de behandeling van dit ongeval sedert het voorgevallene buiten schuld van den betrokkene reeds zoo geruime tijd is verloopen, meent de Raad met de straf van berisping te kunnen volstaan. Mitsdien: Straft den betrokkene Lourens van Moolenbroek, geboren 13 November 1916, wonende te Oost-Souburg, door het uitspreken van een berisping. Aldus gedaan door de heeren prof. mr. B. M. Taverne, eersteplaatsvervangend-voorzitter, A. L. Boeser en J. N. Egmond, leden, R. Kramer, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van 's Raads secretaris mr. H. B. Tjeenk Willink, en uitgesproken door voornoemden voorzitter ter openbare zitting van den Raad van 12 Januari 1940. (get.) B. M. Taverne, H. B. Tjeenk Willink. Voor eensluidend afschrift, H. B. Tjeenk Willink, Secretaris.

Afbeeldingen


Omschrijving: Elziena 1931
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: 'Elziena' (bj 1931)
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: 'Elziena' at Torquay - photo: mid-30s
Gemaakt door: Unknown

Omschrijving: Elziena 1931
Gemaakt door: Mulder, P. (Piet)
Overige afbeeldingen


Omschrijving: