|
Rotterdam, 1 augustus. Volgens door ons ontvangen telegram uit Londen, werd het vaartuig MARY, van Dordt, door de equipage verlaten. Deze werd te Dover geland. PGC 020888 Voor de rechtbank te Leeuwarden stond terecht H.E, oud 28 jaar, schipper, wonende te Munnekezijl, die te Delfzijl was aangemonsterd als kok op het Nederlandse barkschip IDA, kapt. Wolkammer te Farmsum, voor een reis naar Engeland en waarheen het schip dan zou gaan en om vervolgens naar Nederland terug te keren. In Schotland heeft hij geweigerd de reis verder mede te maken. Het schip was geladen met stro en ballast, en na lossing in Schotland werd het geladen met steenkool voor Riga. Toen lekte het schip zodanig, dat beklaagde en vier anderen - die te Groningen en Winschoten zullen terecht staan - weigerden verder mee te gaan. Het schip werd onderzocht en zeewaardig verklaard, waarop de vice-consul die vijf personen, toen ze bleven weigeren, naar Rotterdam heeft opgezonden, om hen als muitelingen terecht te doen staan. De stuurman, de zeilmaker en een matroos verklaarden dat de reis zo gevaarlijk was, dat ze hem liever niet wensten mede te maken. De substituut officier van Justitie, Mr. J.P van Outeren betreurde het dat de rechtbank gevangenisstraf moest en niet een kleine geldboete kon opleggen. Hij vorderde een dag gevangenisstraf en de rechtbank heeft beklaagde daartoe veroordeeld.
|