Inloggen
JOSEPHINA MARGRIETHA - ID 18402


Kroniekberichten

Datum 17 augustus 1876
Krant HV - Het Vaderland
Type bericht Binnenlandse berichten, diverse

Advertentie. Verkoop bij rechterlijk gezag van het botterschip genaamd JOSEPHINA MARGRIETA,

gevoerd geweest door schipper J. de Best, toebehorende aan A. de Best, gedomicilieerd te Amsterdam, liggende te Schiedam in de Nieuwe-haven, groot negenenveertig tonnen, met al deszelfs staand en lopend want, inventaris en verdere scheepsbenodigdheden, bestaande in: Vijf kabels, vier verhaallijnen, acht zeilen, als: twee kluivers-, twee stagfok-, een bezaan-, een groot, een klein en een topzeil, drie meertouwen, drie ankers, twee houten seinborden met stangen, een spil, een pompstok, vier ijzeren beugels, drie pompen, twee teerkwasten, een touwenfinder, twee kurkenzakken, een touwenmat, enig ijzerwerk, bestaande in: kousen, blokken en voetblok, enige oude vleetnetten, vier watervaten, vier netten en enig los garen, een vat bruine teer, fornuis, kolenbak, veertien houten waterbakken, een Hollandse vlag, een kompas, twee sluitlantaarns, een bollantaarn, twee bijlen, twee ijzeren waterketels, een boom en twee haken, twee korte bomen, twee gangspilhaken, twee houten emmers en twee riemen. Ten verzoeke van de heer Arie van der Hoog, scheepsbouwmeester, wonende te Edam, als zodanig door het bestuur zijner woonplaats de 18de september 1874 onder No. 570 voor het dienstjaar 1874/5 gepatenteerd geweest, domicilie kiezende te Rotterdam, ten kantore van de procureur Mr. George Jan Anttonius Faber, aan het Haringvliet No. 74, en te Schiedam ten huize van Andries van Pelt, Brigadier-Majoor titulair der Rijksveldwacht.,
1) Requirant uit krachte van de in executoriale vorm uitgegeven grosse, a. van een vonnis op de 15de  december 1875 gewezen door de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, Tweede Kamer, in het toen voor haar tussen de requirant, als eiser, en A. de Best, wonende te Amsterdam, als gedaagde, aanhangig rechtsgeding, bij welk vonnis laatstgenoemde is veroordeeld, om aan de requirant tegen kwijting en overgifte van de bijlbrief en zodanige andere scheepspapieren als waarop hij recht heeft, mits de onkosten vergoedende, te betalen de som van Een Duizend Vijfhonderdzesenzeventig Gulden Vierenvijftig Cent, met de renten a zes percent van af de dag der dagvaarding (16 juli 1875) tot de voldoening, alsmede met zijn veroordeling in de kosten, en zulks voor het aan de requirant verschuldigde saldo wegens verrichte timmermans werkzaamheden, besteed arbeidsloon, verstrekte materialen en gedane verschotten, benevens overeengekomen verdiensten ter zake van de ten behoeve van A. de Best vervaardigde Botter JOSEPHINA MARGRIETA, welk schip bij bedoeld vonnis is verklaard te zijn verbonden voor genoemde schuld, welke bij preferentie daarop kan worden verhaald, en b. van een arrest op de 16de juni dezes jaars, gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam tussen dezelfde partijen, op en naar aanleiding van het door A. de Best van voornoemd vonnis ingesteld hoger beroep, waarbij eerstgenoemd vonnis in hoofdzaak is bevestigd, doch wat aangaat de veroordeling van A. de Best in de renten, dat deze zal zijn ad zes percent ’s jaars overeen bedrag van Een duizend driehonderd zesentwintig Gulden vierenvijftig Centen, vanaf de dag der oorspronkelijke dagvaarding (16 Juli 1875) tot aan de dag der voldoening, en overeen bedrag van Tweehonderd vijftig Gulden, vanaf de dag der dagvaarding tot van waarde verklaring van het op het genoemd Botterschip gelegd conservatoir arrest (3 november 1875) tot aan de dag der voldoening; en
2). arrestant op voormeld Botterschip JOSEPHINA MARGRIETA en toebehoren, en zulks ten einde uit de gerechtelijke verkoop daarvan te verhalen de door A. de Best aan de requirant, ter zake voorschreven per resto verschuldigde som van Een duizend vijfhonderd zesenzeventig Gulden vierenvijftig Centen, met renten en kosten. De executant heeft voorschreven botterschip ingezet op een som van Vijfhonderd Gulden. De verkoop zal plaats hebben ter terechtzitting van de Arrondissements-rechtbank te Rotterdam, in het Gerechtsgebouw aan het Haagscheveer aldaar, op woensdag den zes september 1800 zesenzeventig, des voormiddags te elf uren. De Memorie van Lasten is gedeponeerd ter Griffie van gezegde Rechtbank, en kopie daarvan ligt ter visie ten Kantore van voornoemde ondergetekende procureur, bij wie nadere inlichtingen te bekomen zijn. Mr. G.J.A, Faber, Procureur.

 

Afbeelding