|
Middelburg, 18 januari. Thans zijn wij in staat gesteld het ontvangen relaas van het gebeurde tussen kaptein J.A. van de Putte, voerende het schip (opm: fregat) MIDDELBURG, op zijn reis van deze stad naar Batavia, en een zeerover mede te delen (opm: zie RC 241018). “Op den 12 juni 1818, omstreeks 2 uren in de namiddag, zagen wij, ten noord-oosten van ons, twee zeilen, waarvan een, in ons kielwater gekomen zijnde, met ons koerste, en, gedurende de avond, meer en meer naderde, zo dat wij die voor een schooner erkenden, presumptief (opm: vermoedelijk) op de Canarische eilanden thuis behorende. Wij hadden een noord-noord-ooste frisse bramzeilskoelte, met eerste kwartiers maanlicht en liepen 7 mijlen vaart, wanneer, in de eerste wacht, circa 11 uren, door de achter ons zeilende schooner een kanonschot werd gedaan, hetgeen ons tot een teken van inwachting strekte; waarop wij langzamerhand onze lijzeilen, stagzeilen, bezaan- en grootzeil innamen, terwijl wij intussen de gehele equipagie lieten opkomen, de militaire kanonniers bij het geschut plaatsten, en, onder de directie van de militaire luitenant, de Heer E.J. Wagener, onze scheepsgeweren, pistolen en sabels aan de oudste soldaten werden ter hand gesteld; onze matrozen wapenden zich tegen een entering met bijlen, koevoeten, handspaken, enz, en alles bereidde zich dus tot een regelmatige defensie. Te half 12 uren was de schooner zo nabij gekomen, dat wij onder zijn geschut waren, en dit bewees hij dadelijk, door ons een kogel toe te zenden, welke aan stuurboordszijde, digt bij ons voorschip, te water kwam. Ieder was nu met de beste gezindheid op de aangewezen post, het kanon met kogels en schrootbossen geladen, de lonten brandende en voorraad van kruit, kogels enz. bij de hand; nu lieten wij de bramzeilen strijken en de fok opgeijen, ook de ra’s aanbrassen en het schip tot een streek van zuid-oost oploeven, om alzo de vijand een zijde aan te bieden en van ons achterschip te verwijderen; ook behielden wij daardoor het voordeel van voortgang en alzo stuur in het schip te behouden; daarentegen kwam de vijand in dwarszee, en alzo in een moeijelijker water dan voor de wind; in deze half wachtende positie naderde de schooner ons stuurboords achterschip tot onder de spreekroeper; wij hadden de Hollandse vlag waaijen, waarvan het maanlicht nog even de kleuren deed onderscheiden, doch de schooner vertoonde geen vlag. De opper-stuurman D.J. Bulsing vroeg in het Hollands ”tot welke Natie hij behoorde en wat hij van ons begeerde”, waarop in de Engelse taal werd geantwoord “I am a pirate, give over, or else I will fire on you”. (Ik ben een zeerover; gij moet u overgeven of ik zal op u vuren). Het was toen 40 minuten over 11 uren; het scheen ons toe zijn voornemen te zijn om ons te enteren. Waartegen al ons volk onder de regelingen (opm: railings) van het boord gemaskerd was geplaatst, en er een algemene stilte heerste. De hoogte van ons schip en de moeijelijke zee deden hem zeker van dit plan afzien, want hij verwijderde zich tot op een geweerschot langs onze stuurboordszijde, en wij kwam hem daarmede te hulp door het afhouden van twee kompasstreken. Nu riep men ons andermaal toe om te strijken en ons over te geven; doch daar op hem door de opper stuurman toegeroepen zijnde “Indien gij schiet, schurk, zullen wij het u dubbel betaald zetten”, begon hij ons dadelijk de laag te geven, zo uit zijn kanon, als donderbussen en handgeweer. Alzo geattakeerd (opm: aangevallen) zijnde, werd met onze gepointeerde (opm: gerichte) kanonnen op de vijand losgebrand, en daar hij continueerde, werd dit van onze zijde niet onbeantwoord gelaten; de vijandelijke kanonskogels vlogen tussen de hoogte onzer masten en boven onze hoofden over, en zijn schroot van het handgeweer rolde, zonder te beschadigen, rond en langs onze benen; van onzentwege moeten wij gelukkiger contra gesalueerd hebben, wijl wij eerst zijn topzeil-ra en vervolgens zijn achterzeils-piek zagen vallen. Intussen manoeuvreerden wij in dier voege, dat de schooner niet voor of achterwaarts kwam, om alzo onze stuurboords stukken op de beste wijze te kunnen gebruiken; en daar wij ons werk maakten om niet driftig te schieten, maar wel te pointeren (opm: richten), deed dit, zo wel als het vuren uit ons handgeweer, de rover, reeds vijf minuten na middernacht, van zijn voornemen afzien, en men zag hem nu bij de wind om den noord-westen zich van ons verwijderen en zijn schieten staken. Nu roerde men de trom, en onder het gejoel der gehele equipagie zond men hem kogels na, zo verre hem die nog konden bereiken, terwijl men zich verheugde, spoediger dan men had durven hopen, van een brutale vijand, die niets dan moord en plundering bedoelde, ontslagen te zijn. Gelukkig niemand onzer zich gekwetst bevindende, hadden ook zijn kogels aan ons schip of tuig geen schade toegebragt, dat aan de meerdere beweging, die de vijandelijke schooner door het holle water onderging, hoogstwaarschijnlijk is toe te schrijven; daarentegen durven wij ons, uit zijn spoedige aftogt, vleijen, hem een aanzienlijke schade, ook door ons schroot aan zijn manschappen, te hebben toegebragt, want, na 15 à 20 minuten erkende hij ons voor de sterksten, door het op een lopen te zetten. De schooner, welke wij, om zijn geringe grootheid, in de namiddag niet geteld hadden, scheen het maaksel van een Amerikase loodsboot, van ca. 100 à 120 ton, waarschijnlijk met 50 man; terwijl zijn geschut op vier 24 ponds karonnades (opm: carronade, kort kanon van gering gewicht, maar met grote boring, ook wel smasher genoemd) begroot wordt, waaruit hij 10 of 12 schoten op ons heeft gedaan, die hem met 11 uit de onzen zijn beantwoord, zo wel als het vuren uit het handgeweer. Onder het bivouak van de ganse equipagie, gedurende de gehele nacht, en alle mogelijke voorzorgen, koersten wij naar het eiland Palma (opm: Canarische eilanden), op welks breedte en gegiste lengte wij ons bevonden; terwijl wij ons, op de middag van den 13 juni, op de noorder breedte van 27 graden 43 minuten, en de lengte van 18 graden 30 minuten bewesten Greenwich, bevonden en onze reis zonder hinder vervolgden.” Bij dit relaas wordt grote tevredenheid betuigd over de contenance (opm: houding) en de activiteit van de opper-stuurman D.J. Bulsing, en van de militaire luitenant, de heer E.J. Wagener, zo wel als van de andere stuurlieden, van de equipagie en enige der militairen. Dit zelfde had ook plaats bij de ontmoeting, twee dagen bevorens, van een kaper van 16 zware karonnades, zeggende te Buenos-Ayres thuis te horen, doch welk bezoek, na wederzijdse verkenning en gevraagde onderrigtingen, vreedzaam afliep. Kaptein Van de Putte is den 30 september 1818 op de rede van Batavia gearriveerd, hebbende den 18 augustus te voren de Kaapse Baai-Fals (opm: False Bay) verlaten.
|