|
Ingezonden stukken. Onder de zeetijdingen, voorkomende in dit blad van de 9e dezer, wordt bericht dat het schip HERCULES, kapt. Rapp, met een lading hout van Riga herwaarts bestemd, op de kust alhier gestrand en door een sleepboot was afgebracht. Dat bericht verdient een nadere toelichting, omdat daarin de sloeperlieden worden voorbijgegaan, zonder wier krachtdadige hulp dat afslepen niet zou zijn gelukt. Het bewuste schip, niet willende wenden, liep met een hevige ONO wind, bij hooggaande zeeën, recht op de kust aan ; de kapitein liet een anker uitwerpen, doch zag zich, volgens zijn eigen verklaring, spoedig gedrongen het te laten slippen. Het schip, nu op de stenen kust geraakt, stampte geweldig, zodat het een gedeelte der loze kiel verloor en de kapitein zijn vrees te kennen gaf dat de masten over boord zouden gaan. In die hachelijke toestand roeiden intussen vier sloepen naar het schip en boden de kapitein hunne assistentie. Terstond borgen zij de zeilen en bevestigden de sleeptrossen der stoomboot aan het schip, hetwelk toen werd afgesleept en in de haven gebracht. Wij hebben gemeend deze terechtwijzing in het belang der sloeperlieden niet achterwege te mogen laten, omdat het kloekmoedig gedrag dier mensen zo dikwijls uit nevenbelangen wordt verkleind of geminacht, als maar eerst de redding van schip en equipage onder hun beleid is volbracht. Er is hier reeds zo menigmaal op gewezen, dat die sloeperlieden bij strandingen en schipbreuken dikwijls wonderen van moed en zelfopoffering aan de dag hebben gelegd, waar anderen stomme toeschouwers bleven, welnu men dove die moed door koude zelfberekening niet uit, maar wakkere die aan door hen naar verdiensten te belonen. Nieuwe Diep, 11 augustus. Een vriend der sloeperlieden.
|