|
Harlingen, 7 november. Deelden wij mede, dat wij hier, ten gevolge der laatste stormen het verlies van twee schepen en een gedeelte der equipage te betreuren hadden, thans kunnen wij berichten, dat door twee schepen van hier gevestigde rederijen 22 schipbreukelingen van de dood zijn gered. Het kofschip BOUDINA ELIZABETH (opm: brik BAUDINA ELISABETH), kapt. J.P. de Jonge, van hier naar Sundsvall, zag de 18e der vorige maand, ’s avonds 5 uur, een Zweedse brik in nood, die later de EMILIE, kapt. Petersen, bleek te zijn. Op zijn komst zette de Zweed zijn sloep uit om naar het aanzeilende vaartuig te roeien, maar deze werd stukgeslagen en de in nood verkerenden moesten een onzekere toekomst afwachten. Inmiddels bleef kapt. De Jonge in hun nabijheid en had, hoe hoog de zee ook stond, des nachts tussen 3 en 4 uur bij maanlicht het geluk in twee reizen met zijn sloep de acht volwassen opvarenden te redden en vervolgens te Sundsvall aan land te brengen. Het andere schip, de MINERVA, kapt. T Jans, van Lulea naar Harlingen, ontmoette, volgens gisteren ontvangen telegram, het in zinkende toestand verkerende Nederlandse vaartuig het ZEEPAARD (opm: bark, kapt. P. Tobiassen), waarvan hij de 14 opvarenden redde en, door averij genoodzaakt, te Cuxhaven aan wal zette (opm: zie NRC 071169). Deze reddende schepen behoren aan de firma Hubert Jans & Co en Fontein.
|