Inloggen
ALBERDINA - ID 151


Kroniekberichten

Datum 06 september 1898
Krant PGC - Provinciale Groninger Courant
Type bericht Strandingen, verongelukking en vermissing

(Geen datum) Van de werf van Gebr. G. & H. Bodewes, scheepsbouwmeesters te Martenshoek, werd met goed gevolg te water gelaten een stalen zeetjalk, groot plm. 85 last, voor rekening van kapitein E. Schuur te Groningen. (opm: ALBERDINA, ter vervanging van de gezonken koftjalk ALBERDINA, zie o.a. NRC 080498)

Afbeelding
Datum 21 november 1899
Krant PGC - Provinciale Groninger Courant

Brunsbüttel, 17 november. De ijzeren tjalk ALBERDINA is hedenmorgen in het kanaal aangevaren door het Zweedse stoomschip IRIS en bekwam daardoor zware schade aan bakboord. Het schip kwam hedenmorgen alhier in de binnenhaven en zal de lading hout moeten lossen. De IRIS heeft de reis naar Holtenau voortgezet.
(Dit bericht heeft waarschijndelijk betrekking op de Nederlandse tjalk ALBERDINA, kapt. E. Schuur, van Stolpemünde (opm: Ustka) naar Rotterdam bestemd.)

Afbeelding
Datum 16 augustus 1909
Krant PGC - Provinciale Groninger Courant

Delfzijl, 16 augustus. De Groninger tjalk ALBERDINA, kapt. Schuur, van Emden naar Dantzig bestemd, is gister met 3 tjalken door de sleepboot SCHIERMONNIKOOG naar zee gesleept. Door de hoge zee is de tros gebroken waardoor de schepen losraakten en met elkaar in aanvaring kwamen. Daardoor brak de boegspriet van de ALBERDINA die met de sleepboot is teruggekeerd. De RIVAL, schipper Pronk, kreeg schade aan het achterschip en ingedrukte platen en keerde eveneens terug in de haven. Alle averij is boven de waterlijn.

Afbeelding
Datum 25 november 1916
Krant NNO - Nieuwsblad van het Noorden

Delfzijl, 21 november. Gisteren is alhier binnengekomen van Köje (Zweden) met bestemming naar Rotterdam het te Groningen thuis behorende tjalkschip ALBERDINA kapt. G. de Vries, dat in de Noordzee door stormweer de deklast hout heeft verloren. Ook werden de beide zwaarden gebroken en de verschansing op verschillende plaatsen stuk geslagen. De reis zal verder binnen door vervolgd worden.

Afbeelding
Datum 29 november 1916
Krant RN - Rotterdamsch Nieuwsblad

Delfzijl, 26 november. De jl. donderdag hier binnengesleepte koftjalk ALBERDINA kapt. De Vries, is naar Groningen gesleept en zal vandaar waarschijnlijk naar de bestemming Rotterdam gebracht worden. (opm: zie ook NNO 251116)

Afbeelding
Datum 26 mei 1917
Krant RN - Rotterdamsch Nieuwsblad

Nederlandse tjalk tot zinken gebracht.
Woensdagmiddag halfvier is door een Duitse onderzeeër in de Noordzee tot zinken gebracht het tjalkschip ALBERDINA, eigenaar G.P. de Vries te Groningen. De opvarenden, de eigenaar-schipper voornoemd, de stuurman C. Venema en de matroos G. Dekker, zijn door de logger SCH-195, schipper M. Pronk te Scheveningen, donderdagochtend halfzes opgepikt en 's namiddags ongeveer 2.30 uur te Scheveningen aangebracht.

Afbeelding
Datum 20 juni 1917
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Raad voor de Scheepvaart. Donderdag 21 juni, in de namiddag om 2 uur, onderzoek naar het tot zinken brengen op 20 mei 1917 van het zeilschip VOORWAARTS, schipper-eigenaar F.J. Bonninga te Groningen.
Maandag 25 juni, 1.30 uur namiddags, voortzetting van het op 6 juni jl. geschorst onderzoek inzake de loggers MA-45 en MA-166.
Daarna onderzoek naar het tot zinken brengen op 23 mei 1917 van het zeilschip ALBERDINA, schipper-eigenaar G.P. de Vries te Groningen. Vervolgens behandeling van de klacht tegen de schipper van de ALBERDINA ter zake van mishandeling van de matroos-kok A.J. Gooyers.

Afbeelding
Datum 26 juni 1917
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Raad voor de Scheepvaart. Gisteren werd een onderzoek ingesteld naar het tot zinken brengen op 23 mei jl. van het zeilschip ALBERDINA, schipper-eigenaar G.P. de Vries te Groningen. Schipper De Vries verklaarde op 7 januari l.l. van Rotterdam te zijn vertrokken met een lading gecondenseerde melk, bestemd voor Havre. Op 31 januari werd, op last van de loods, dicht bij de Engelse kust geankerd. Toen men voor anker lag werd 51/2 vaam gelood. Voor anker liggende, draaide het schip, door het omgaan van het anker. Bij het zwaaien stootte het schip. Aanvankelijk bleef het ruim droog, maar spoedig daarop maakte het schip water. Met behulp van een Engels marinevaartuig werd het schip naar Ramsgate gebracht. Het water was toen tot vijf voet gestegen. Te Ramsgate werd de melk gelost en het schip hersteld. Na veertig dagen te Ramsgate gelegen te hebben (men wilde het schip niet eerder laten vertrekken), werd naar Havre gevaren. In een Franse haven werd hierop een lading stenen en gips ingenomen met bestemming naar Rotterdam. Op 23 mei, 's namiddags 3 uur, op een 18 mijl WNW van de Hoek van Holland, kwam een onderzeeër in zicht. De onderzeeër loste een waarschuwingsschot, waarop de bemanning, uit drie personen bestaande, naar de onderzeeër roeide. De kapitein van de onderzeeër vroeg om de scheepspapieren en zei vervolgens, dat hij het schip tot zinken moest brengen, omdat het uit een Franse haven kwam. „Het is goed", antwoordde de schipper de commandant van de onderzeeër, die nogal vriendelijk was. De scheepspapieren werden afgenomen, bommen werden aan boord van de ALBERDINA gebracht, die binnen 8 à 9 minuten tot zinken werd gebracht. De bemanning van de ALBERDINA werd aan haar lot overgelaten. Roeiende en zeilende voer de bemanning kustwaarts. 's Avonds 11 uur kwam het vuur van Scheveningen in zicht en de volgende dag, 's ochtends half zes, werd de bemanning opgepikt door de Scheveningse logger TONIJN, (SCH-195). Te half drie bereikte men Scheveningen. Het bleek uit de behandeling, dat de schipper De Vries zonder certificaat was uitgevaren. De uitspraak volgt later.
Vervolgens werd behandeld een klacht tegen de schipper van de ALBERDINA wegens mishandeling van de 16-jarige matroos-kok A.J. Gooyers. Volgens zijn klacht, voor de consul afgelegd, werd klager op 20 december 1916 te Rotterdam aangemonsterd als lichtmatroos-kok voor een reis van Rotterdam naar Havre. Voordien had hij nog nooit gevaren. In volle zee droeg de kapitein hem op, het zwaard op te draaien. Dit ging de kapitein niet vlug genoeg, waarop de gezagvoerder, volgens hem, hem zulk een schop gaf, dat hij met het linker been op een ijzeren pin terechtkwam. Het been zwol op en was een week later nog niet geheeld. Voldoende zorg werd, volgens klager, aan de verpleging van de wond niet besteed. Een week na het gebeurde moest klager in het hospitaal opgenomen worden, waar hij vier weken verpleegd werd. Na zijn ontslag uit het hospitaal keerde klager weer aan boord terug. Op een zaterdagmiddag met de gezagvoerder naar de wal willende gaan, om zijn haar te laten knippen, schudde de kapitein, volgens klager, aan het want, waardoor klager te water viel, tussen schip en wal in. De kapitein deed niets tot zijn redding. Een soldaat haalde hem uit het water, waarop hij naar het zeemanshuis werd gebracht. De volgende dag keerde klager aan boord terug. Hij wilde toen het schip verlaten, maar de gezagvoerder sloot hem in het matrozenlogies op. Een paar dagen later slaagde hij er in van het schip weg te lopen. Klager, als getuige gedagvaard, was volgens de verklaring van een dokter niet in staat te komen. Kapitein De Vries ontkende de jongen geschopt te hebben. Deze struikelde over de ribbetjes van de stuurplank. Ook ontkende hij aan het want te hebben geschud, ten gevolge waarvan de jongen in het water viel. Ook houdt de schipper vol, de beenwond van de jongen elke dag verzorgd te hebben. De zeeman C. Venema, die ook op de ALBERDINA voer, verklaarde, dat de jongen hem zelf verzekerd heeft: „ik ben gevallen over de stuurplank". Ook van het schudden aan het want door de schipper is, volgens getuige, niets aan. De volgenden dag toch vertelde de jongen zelf in het water te zijn gevallen. De "suffe jongen" had, volgens hem, geen lust in het zeevaren; „er zat", zei hij, „geen natuur in de jongen". Hierna werd de zitting voor enige tijd geschorst. De Raad besliste vervolgens, dat de behandeling van de zaak voorlopig zal worden verdaagd, teneinde alsnog de matroos-kok Gooyers te horen. Het nieuwe onderzoek zal eerst kunnen plaats vinden als schipper De Vries van een reis naar Havre met de AGINA zal zijn teruggekeerd.

Afbeelding
Datum 12 juli 1917
Krant NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant

Raad voor de Scheepvaart. De Raad heeft heden uitspraak gedaan betreffende het aan de grond stoten van het tjalkschip ALBERDINA en het tot zinken brengen van dit vaartuig. De Raad is van oordeel, dat de oorzaak van het aan de grond lopen van de ALBERDINA te Margate Road moet gezocht worden in de omstandigheid, dat het schip te dicht bij de kust geankerd was, zodat dit bij het ankerop gaan, ten gevolge van de NW wind blijkbaar in te ondiep vaarwater is gekomen. Het is in strijd met de wettelijke bepalingen en derhalve afkeurenswaardig, dat de schipper na de reparatie te Ramsgate, al was deze door een expert van Veritas goedgekeurd, is vertrokken zonder af te wachten, dat hem het certificaat van deugdelijkheid door de Consul-Generaal te Londen was toegezonden. Wat het tot zinken brengen van de ALBERDINA betreft, kan de Raad slechts vaststellen, dat dit is geschied door een Duitse onderzeeër en dat hiervoor als reden is aangevoerd, dat het vaartuig een lading aan boord had, welke in een Franse haven was ingenomen.

Afbeelding
Datum 27 juli 1917
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Raad voor de Scheepvaart. Gisteren werd voortgezet de op 25 juni jl. geschorste zaak, waarbij werd behandeld een klacht tegen de schipper van de ALBERDINA, wegens mishandeling van de 16-jarige matroos-kok (zie Avondblad van maandag 25 juni). Thans werd de 16-jarige jongen als getuige gehoord. Hij nam nu van zijn klacht terug, dat de kapitein hem in het water had doen vallen, door aan het want te schudden. De Inspecteur van de Scheepvaart uitte als zijn mening, dat, nu de jongen blijkbaar maar iets had verzonnen tegenover de consul te Londen, teneinde deze medelijdend te stemmen met het oog op de desertie, de rest van de klacht ook niet de moeite waard is, verder te worden besproken. Uitspraak volgt later.

Afbeelding
Datum 10 augustus 1917
Krant AH - Algemeen Handelsblad

Raad voor de Scheepvaart. In de gisteren gehouden zitting deed de Raad uitspraak in de vroeger vermelde zaak: Betreffende de klacht tegen G.P. de Vries, schipper van het zeilschip ALBERDINA. De Raad is van oordeel, dat uit het onderzoek niet is gebleken, dat G.P. de Vries, schipper van het tjalkschip ALBERDINA, de lichtmatroos A.J. Gooyers zou hebben mishandeld en zich aldus zou hebben schuldig gemaakt aan misdraging jegens genoemde schepeling. Wel is gebleken — hetgeen ook door klager werd erkend — dat beklaagde hem, nadat hij zich aan het been had verwond, heeft verbonden en verzorgd en in Engeland aangekomen, aanstonds geneeskundige hulp heeft ingeroepen. Niet onwaarschijnlijk is Gooyers, nog weinig vertrouwd op zeeschepen, gestruikeld en op dek gevallen waarbij hij zich ernstig aan het been heeft bezeerd, gelijk de kapitein verklaarde. In verband met de geringe waarheidszin, door deze klager bij het indienen van zijn klacht aan de dag gelegd, vermag de Raad, ook aan zijn verklaringen, voor zover gehandhaafd, weinig waarde te hechten.

Afbeelding