|
Door een welwillende hand werden wij in staat gesteld het volgende bericht, gedagtekend Shanghai 2 september, van de gezagvoerder van het Nederlandse koopvaardijschip de DOROTHEA, kapt. A. van den Kolk, omtrent het vergaan van die bodem (opm: zie NRC 011057) en de lotgevallen der bemanning mede te delen. De 14e juli, schrijft die kapitein, vertrok ik met de DOROTHEA van Macao met een lading thee en zijde voor Samarang en Batavia. De 16e des avonds, mij volgens vrij nauwkeurige waarnemingen op 21º05’ N.B. en 116º40’ O.L. bevindende met goed weer, gene inkleuring in het water, noch branding bespeurende, kreeg het schip onverwachts een hevige schok. Niemand wist wat er gaande was. Het schip schoot, daar er een stevige koelte woei, een weinig vooruit, maar bleef al spoedig onbeweegbaar vastzitten. Het voorschip zwaaide gedurig heen en weder, liggende het ene ogenblik west en aan het andere N.O. en zo weder terug. Daardoor ontwarende dat alleen het achterschip vastzat, werd er eenparig besloten hetzelve te lichten, waarop vooreerst alle watervaten van het achterdek ledig gestort, de lading uit het achterruim en de ballast onder dezelve overboord geworpen werden, waarmede de ganse nacht, onder aanhoudend stoten van het schip, werd doorgebracht. Het schip bleef dicht, wordende er, niettegenstaande het aanhoudend op dezelfde plek stootte en slechts weinig of niets vooruit schoot, niet meer dan 4 duimen water gepeild. Des nachts ten 3 ure nam het water een weinig toe, namelijk van 4 tot 6 duimen en werden de pompen uitgezet. De 17 juli des morgens ten 5 ure kreeg het schip een allergeweldigste schok en bevonden we al zeer spoedig 1½ voet water in hetzelve. In weerwil van aanhoudend pompen wies het al meer en meer, het roer was gebroken en, op een klein gedeelte na, geheel weg van het schip, dat nu zwaarder begon te werken. De masten schudden en kraakten, en ten 6 ure kregen wij opnieuw een zware schok, waardoor het water in het ruim nog meer toenam, stijgende tot 3 voeten, ofschoon de pompen niet stil stonden, waarop besloten werd de boten in gereedheid te brengen en over boord te zetten. Omstreeks ten 8 ure ontving het schip weder een buitengewoon hevige schok en hoorden we van het dek het water met verschrikkelijk geweld het ruim binnen stromen. Ook liep in één ogenblik het achterruim bijna vol. De steeds schuddende en krakende masten dreigden nu op ons te zullen storten, terwijl het gehele dek zich gelijk een golvende zee bewoog, zodat we tussen beide nauwelijks op de benen konden staan. Aan redding of behoud van het schip viel niet meer te denken en de ganse bemanning wendde zich tot mij om hetzelve te verlaten en, mocht het zijn, een veilige haven te zoeken. In alle haast werden er nu van ieder enige kledingstukken, benevens wat brood en drinkwater in de boten geworpen. Ik nam het dekkompas, het azimuthkompas, scheepskijker, chronometer en verdere instrumenten, het kajuitzilver, het scheepsjournaal, enige kaarten, al de scheeps- en mijn eigen papieren mede. Onder dit alles deed het schip niet dan stoten en kraken en dreigde ieder ogenblik op zijde te zullen vallen. Na van al het bovenstaande behoorlijke verklaring opgemaakt en die door de meesten te hebben laten ondertekenen, was ieder slechts op redding van zijn leven bedacht. Allen sprongen in de boot en sloep en riepen mij spoedig neder te komen, daar die lichte vaartuigen het, door het verschrikkelijke stoten, hetgeen trouwens ook waar was, niet lang op zijde van het wrak zouden uithouden. Aan dat roepen gehoor gevende, klom ik ook af en nu werden de slepers afgesneden, de bootzeilen bijgezet en stevenden we, daar de wind vrij zuidelijk was, westwaarts op, hopende Macao of Hongkong weder te bereiken. Na vier dagen met afwisselend goed en slecht weder in de boten gedobberd te hebben, kregen we land te zien. Het werd stil en we roeiden westelijk op, vertrouwende in de nabijheid van Hongkong te zullen komen. Diezelfde dag (21 juli) klaarde het weder zoveel op dat we zo ten naaste bij een breedte kregen, waaraan wij bespeurden veel oostelijker te moeten staan, dan wij gegist hadden. Wij zagen land van het N.W. tot N.O. en verder niets dan enige Chinese vissers. De volgende morgen was het zeer mooi weder, doch stil. Ten 8 ure des ochtends, ontwaarde ik door twee verschillende observatiën, aan de chronometer en de gegiste breedte, dat we hoe langer zo verder oostelijk afdreven, hebbende toen reeds nagenoeg 117º O.L. Thans kwam ik met mijn stuurman overeen om niet langer westelijk op te werken, maar daar we water en brood genoeg in de boten hadden, voor de wind naar Amoy af te houden, hopende die plaats spoedig te zullen bereiken. Het bleef echter dood stil en daarom besloten we tot op de middag te wachten en eerst nauwkeurig te zien, wat breedte wij hadden. Reeds sedert de vroege morgen, hadden we vele vissersvaartuigen gezien, enige zelfs zeer dicht in onze nabijheid, doch geen derzelven scheen acht op ons te slaan. Juist op de middag (22 juli) lichtten echter verscheidenen, na elkander in een voor ons onverstaanbare taal te hebben toegeroepen, te gelijktijdig hun ankers en kwamen, roeiende en zeilende, op ons aan. Wij deden, dit ziende, ons best, om hen met roeien en tevens zeilende te ontlopen, doch dit mocht ons niet gelukken, en maar al te spoedig ondervonden we, wat zij in hun schild voerden. Meer dan vijftig grote vissersvaartuigen, ieder met tien à twaalf koppen bemand, waren in een ogenblik rond onze boten. Een derzelven, liep de grote boot recht van achteren in, onmiddellijk sprongen 8 à 10 met grote messen gewapenden in dezelve en sloegen, recht en links, hoewel met het platte, tussen ons in. Inmiddels liepen enige anderen langs beide zijden der boot, zodat ze met rovers als overdekt was. Toen ging het aan een plunderen; al onze goederen, instrumenten, provisiën, water, enz waren in een ogenblik overgemand, de buikdelling der boot opengehakt, alle hoeken en gaten onderzocht en ons werd niets overgelaten, zelfs geen dronk water, hoewel we allen op de knieën hierom smeekten. De trommel met alle scheepspapieren, waarin mede de getekende verklaring van het verongelukken van het schip, lang door mij met de rechterhand vastgehouden, smekende die te mogen behouden, was ik echter genoodzaakt over te geven, daar mij het scherpe van een mes op de pols gezet en gedreigd werd de hand te zullen afkappen, indien ik niet onmiddellijk losliet. Alles uit de boot zijnde, klom een dier onmensen naar boven, sneed de zeilen van de mast en nam vervolgens ook al het touwwerk mede, latende letterlijk niets in de boot dan twee riemen en een handspaak. Ook onze sloep waarin 8 man met de opperstuurman, onderging hetzelfde lot; niets, ook zelfs geen dronk water, mochten zij, in weerwil van al hun smeken behouden. In de grote boot was ik met 18 personen, waaronder mijne vrouw en kind, benevens twee passagiers.. Daarop hielden de rovers van ons af en we dankten God dat we tenminste ons leven tot hiertoe hadden mogen behouden. Dan onze betrekkelijke vreugde was van korte duur. Spoedig kwamen enige dier rovers terug en dwongen ons met het mes op de keel onze klederen uit te trekken en af te geven. Moedernaakt werden wij uitgeschud en die klederen meegenomen, latende dezen een oude broek, dien een oud hemd enz. Ook mijn vrouw en kind hadden zeer veel van die onverlaten te lijden. Alle kledingstukken, die hun aanstonden, werden haar van het lichaam getrokken of gesneden. Daarop verlieten de rovers ons, doch het gezicht in de beide uitgeplunderde boten was allerakeligst, zittende de meesten onzer in hun blote lijf, blootshoofds in de gloeiende zon, en geen drop water tot lafenis. Buitendien hadden we het verlies te betreuren van een onzer lotgenoten, namelijk de matroos F. Sacklee, die, waarschijnlijk door schrik bevangen, bij de eerste aanklamping der boot over boord sprong en ongetwijfeld in de golven zijn dood vond. Een andere matroos, Poetsma, die evenzo handelde, werd echter weder binnenboord getrokken en was zodanig door schrik bevangen, dat hij ijlende onder in de boot lag en zich thans nog hier in het hospitaal bevindt, hoewel merkelijk in beterschap toenemende. Uit allen was nu voor een ogenblik de moed geweken en hopeloos zaten we bij elkander, op Godsgenade ronddrijvende. Spoedig echter ontwaakten wij uit die moedeloze toestand en besloten, daar het land in ’t gezicht was, recht op hetzelve aan te roeien en de boten op strand te zetten, dewijl we noch eten noch drinken hadden. Dit mocht ons echter niet gelukken, alzo het te vroeg donker werd en we dus geen geschikte plaats tot landing konden vinden. We hielden derhalve die nacht langs de wal. Te middernacht herleefde alle hoop, daar we voor ons uit een stoomboot in ’t gezicht kregen, kunnende duidelijker derzelver gekleurde lichten onderscheiden; alle krachten werden ingespannen om ze te bereiken, doch vruchteloos, aangezien plotseling alle lichten verdwenen en we in den donker niets meer konden onderkennen. Met het aanbreken van de dag (23 juli) hielden we weder recht naar de wal toe, Op de middag naderden we een ten anker liggende visserspraauw, waaraan wij door tekenen te verstaan gaven, dat we honger en dorst hadden. Waarschijnlijk met ons lot begaan, liet men ons op zijde van dat vaartuig komen en kregen wij allen, 25 personen sterk, vol op rijst en water. Ik kon echter uit de opvarende dier praauw volstrekt niet te weten komen, op welk gedeelte der kust van China we ons bevonden. Met de hand wezen zij mij evenwel een plaats aan de wal aan, waar ik moest landen, zullende als dan volgens hun verzekering in goede handen vallen en waarschijnlijk verder geholpen worden. Na enige tijd op zijde van die praauw uitgerust te hebben, aanvaardden we, naar omstandigheden welgemoed, de tocht naar de ons aangewezen plaats. Dicht onder de wal komende, werden we aangeklampt door twee Chinese vaartuigen en van ons begrepen hebbende, dat we een veilige haven zochten, bood de schipper van een derzelven aan, ons aldaar te brengen, mits ik vooraf een schuldbekentenis van 200 Spaanse matten tekende, waaraan door mij, niet anders kunnende handelen, voldaan werd. Toen namen ze ons op sleeptouw en brachten ons tegen de avond in een kleine baai of inham om aldaar tot de volgende morgen te wachten, aangezien de stroom tegen was. Ook van hem kregen we rijst en water, waarop wij ons onder in de boten ter ruste legden. Ten 2 ure des nachts werden we gewekt, op nieuw op sleeptouw genomen en westelijk opgeroeid naar de haven van Shantou (Swatow), alwaar we tegen de middag aankwamen. Daar vonden wij, behalve enige Engelse, ook twee Nederlandse schepen, namelijk het Nederlandse barkschip FORMOSA, kapt. A.C.F. Krull en de brik ANNA, kapt. H. Harmsz, bij welke laatste wij op zijde schoten. Met de meeste hartelijkheid werden wij door genoemde kapiteins en hun bemanningen ontvangen en zij besloten dadelijk ons te verdelen en ieder op zijn schip de helft onzer te bergen en voedsel te verlenen (opm: zie NRC 080458). Later bood kapitein Harmz mij met vrouw en kind en gehele equipage vrije overtocht naar de plaats zijner bestemming, Shanghae (opm: Shanghai), aan, hetwelk ik gretig aannam, dewijl ik voorzag, dat mijn matrozen daar spoedig geplaatst konden worden. De 29e juli vertrokken wij met de brik ANNA van Swatow en bereikten, na een door stilte zeer lange reis Shanghae op de 16e augustus. Zo spoedig mogelijk begaf ik met de bemanning naar de consul, die haar een plaats aanwees in het sailors-home en mij met mijn huisgezin in het zogenoemde Commercie hotel. Van het vergaan van de DOROTHEA en onze lotgevallen is procesverbaal opgemaakt en na gedane voorlezing door de gehele aanwezig zijnde equipage ondertekend. Thans zijn de meesten van mijn volk reeds op verschillende Engelse en Amerikaanse schepen geplaatst en zal ik, volgens mededeling van de consul, naar Hongkong overgezonden worden, om van daar over Java naar Nederland te vertrekken.
|