|
Bij besluiten van den 3 dezer heeft het Z.M. behaagd als blijk van hoogstdeszelfs goedkeuring en tevredenheid zilveren medailles te verlenen aan de navolgende personen, als: aan G. van Rijn, voerman te Katwijk aan Zee, wegens zijn met goed gevolg bekroonde pogingen tot redding der equipage van het op 29 december 1849 nabij Katwijk gestrand Nederlands scheepje de VROUW ELISABETH; aan H. van Rooijen, aan W. Minderhoud, aan P. Verstraate, dijkwerkers, en aan A. Dingmans, stuurman ter koopvaardij te Westkapelle, wegens de door hun medewerking volbrachte redding der equipage van het nabij Westkapelle, de 7de februari 1850, gestrand Frans brikschip l’ AFRICAIN; aan J.T. de Kinder, schipper bij het Belgische loodswezen te Vlissingen, wegens zijn welgelukte pogingen tot het redden van de manschappen van een op 9 augustus 1850 nabij het hoofd van Vlissingen omgeslagen schuitje en vele door hem reeds vroeger volbrachte reddingen; aan de matroos der 1ste klasse Jochems en de vuurstoker J. Petersen, dienende op het stoomschip PHOENIX, wegens de door hen op 17 november 1849 met levensgevaar volbrachte redding van een over boord gevallen matroos in de baai van Soerabaya. Voorts heeft Z.M., bij besluit van den 3 dezer, no. 64, aan de kapitein Fermann, van het Noorse schip AMPHITRITE, als een blijk van hoogstdeszelfs erkentelijkheid wegens de door hem volbrachte redding van de bemanning van het op de Noorse kust gestrande Nederlandse schip de HOOP, de gouden medaille verleend; en bij besluit van den 3 dezer, no. 63, heeft Z.M. aan T. van den Akker, stadsarbeider en klapwaker te Breda, ter beloning van de door hem op 3 september 1850 met levensgevaar volbrachte redding van een nabij de stadspoort in het water gevallen persoon, als een blijk van goedkeuring en tevredenheid, toegekend een gratificatie van NLG 10,- en een loffelijk getuigschrift.
|