|
Raad voor de Scheepvaart. De Raad voor de Scheepvaart heeft gisteren de volgende uitspraken gedaan: Uitspraak betreffende het stranden van het tjalkschip CHRISTINA. De Raad is van oordeel, dat de stranding van de CHRISTINA is veroorzaakt door verkeerde manoeuvres van de schipper. Deze heeft met onklaar gemaakt B.B.-anker zijn schip gedurende twee dagen laten drijven, terwijl hij wist dat S.B.-anker onbruikbaar was en is zodoende op de kust verdaagd. Hij heeft geen poging gedaan om van de kust af te komen, wat zeker niet onmogelijk was, daar hij zich, toen de wind uit het westen kwam, nog ver uit de wal bevond en met ruime wind, desnoods met de stagfok alleen, om de noord had kunnen zeilen en trachten rond Skagen te komen om daar te ankeren. Door deze daad en nalatigheid is de scheepsramp veroorzaakt en daarom straft de Raad de schipper, door hem de bevoegdheid te ontnemen als schipper te varen op een schip, als bedoeld bij artikel 3 van de Schepenwet, voor de tijd van een maand. Het heeft de aandacht van de Raad getrokken, dat de ketting van stuurboord anker op de CHRISTINA geborgen was in de voorpiek en niet, zoals bakboord ankerketting in een kettingbak. De voorpiek is geen goede bergplaats, daar bij slingerend schip de ketting, zoals in het onderhavige geval Is gebleken, gemakkelijk onklaar kan geraken. Aanbeveling zal het naar de mening van de Raad verdienen, dat de ankerkettingen op alle schepen in een kettingbak worden geborgen, waar zij behoorlijk gestuwd kunnen worden. Ook is de Raad gebleken, dat op de CHRISTINA, evenals bij vele schepen in de kleine vaart, de reservezeilen in het voorlogies worden geborgen. Bij slecht weer is deze bergplaats door het overkomende water vaak moeilijk of niet te bereiken en is het dus beter deze zeilen achterin te bergen, waar zij steeds bij de hand zijn, wanneer het nodig is ze aan te slaan, hetgeen wel steeds juist bij slecht weer het geval zal zijn. NRC 120117 Raad voor de Scheepvaart. Uitspraak betreffende de klacht tegen A. Bloemker, gewezen schipper van het tjalkschip CHRISTINA. De Raad is van oordeel, dat uit het onderzoek niet is gebleken, dat A. Bloemker, schipper van de CHRISTINA zich heeft schuldig gemaakt aan misdraging jegens zijn rederij, nu hij, onbekend met de bepalingen van het consulair reglement, is afgegaan op de aanwijzingen van de viceconsul te Thisted, die zelf de bemanning heeft afbetaald en reisgeld verstrekt. Zijn verklaring dat hij, wegens het uitblijven van de nodige bescheiden, nog geen verantwoording kan doen van zijn gevoerd beheer, komt de Raad ook aannemelijk voor, immers het is bekend dat reizigers door Duitsland geen papieren of bescheiden over de grens mogen meevoeren.
|