|
Amsterdam, 18 november. Directeuren van de Zuidhollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen te Rotterdam, hebben in de loop van dit jaar de volgende beloningen toegekend: Aan kapitein W. de Zeeuw Bagchus, voerende het hoekerschip THETIS, van Vlaardingen, de grote zilveren medaille en aan Abraham Noordhoek, matroos op genoemd schip, de zilveren medaille, voor de redding van de equipage van het Rapenburger schoenerschip NICOLAUS, kapt. Gauthier, op de reis van Archangel naar Schiedam, 26 september in de Noordzee gezonken. Aan K. Wijtsma, kapt. op het Nederlandse schoenerschip CORNELIA SUSANNA, de gouden medaille, aan A. Klip, stuurman op die bodem, de grote zilveren medaille, aan de matrozen Y. De Jong en B. Monje, aan de kok F. Ceter en aan de lichtmatroos J. Odes de bronzen medaille, voor de redding van de equipage van het Amerikaanse schip HEAD MONSOON, kapt. Joseph B. Perry, op dereis van Liverpool naar Philadelphia, de 23e november 1865 verlaten. Aan kapt. W. Dooren, voerende het te Rotterdam thuis behorende barkschip IDA ELIZABETH, de gouden medaille, aan de eerste stuurman C. Janses, de grote zilveren medaille, aan de matrozen W. Kleyndijk, J. de Jonge en A. Steendam, de bronzen medaille, voor de redding op 22 januari van kapt. John Casey, gevoerd hebbende het Engelse barkschip JANE LOWDEN, dat op de reis van Quebec naar Engeland met een lading hout geheel ontramponeerd op zijn lading ronddreef; de kapitein was nog alleen in leven, zijnde de overige equipage van honger omgekomen, terwijl hij 28 dagen bijna zonder voedsel in de mars had doorgebracht. Een geldelijke beloning aan de equipage van de Loodsboot van Brielle, schipper P. de Harder, voor de redding van de equipage van het Vlaardingse hoekerschip JONGE JAN, de 17e april bij het binnenkomen van de Maas aan de grond geraakt en later gezonken. De zilveren medaille aan P. Wapenaar, schipper op het te Vlaardingen thuis behorende hoekerschip VERNIEUWDE HOOP, voor de redding op 6 maart 1866 van de equipage van het Belgische driemast schoenerschip ANNA, kapt. E. Craemer, op zijn reis van Texel naar Antwerpen, op die datum verbrand. De grote zilveren medaille aan H. Carpenter, voerende het Engelse schoenerschip JAMES HULL, voor de redding van de equipage van het Nederlandse galjootschip AFINE, kapt. K.J. Potjewijd (opm: schoenerkof AFIENA, bouwjaar 1849, kapt. Jan Klaassens Potjewijd), de 9e januari jl. in de Noordzee mastloos ronddrijvende. De gouden medaille aan de kapt. ter zee H.M. Jansen, commanderende Zr.Ms. corvetschip VAN SPEYK. De grote zilveren medaille aan de luit. ter zee 2de kl. C. Schuylenburg en aan de adelborst 1ste kl. L.P.D. op ten Noort. De zilveren medaille aan M. Spolet, bootsmansmaat. De bronzen medaille aan de matrozen F. Geldhoff, L.H. van Suylem, G. Wijtenkamp, W. van Oostrom, J. Schulte, J. Wederstrijd, J. Musaar, J. Wagenaar en W. Koning, allen aan boord van genoemd oorlogschip, voor de redding op 1 januari van de equipage van het Nederlandse schoenerschip CATRIENA MARIA, kapitein E.T. Mooi, in de Atlantische Oceaan in zinkende staat verlaten. De grote zilveren medaille aan T. Hessels, visiteur bij de recherche te water en de zilveren medaille aan A. Griep, sloeproeier op het recherchevaartuig van het Nieuwe Diep, voor de redding op 3 augustus van de schipper Hoins, voerende het tjalkschip BAUDINA, met vrouw en kind, diens vader en de loods. Gemeld tjalkschip was die dag in de Zuiderzee op de hoogte van Hindelopen aan de grond geraakt en gezonken. De grote zilveren medaille aan W. Grainger, kapitein van het Eng. barkschip QUEEN OF INDIA, voor de redding op de 9e juli van de stuurman en een gedeelte van de equipage van het Nederlandse barkschip JOANNES, kapt. J.D.P. Zetteler, de 22e juni 1866 op het Kaapsche Rif gezonken, hebbende deze manschappen 17 dagen in de sloep rondgezworven. De grote zilveren medaille aan Freeman Lincoln, kapitein van het Amerikaanse schip LEUCOTHEA, voor de redding op de 24e juni van kapt. J.D.P. Zetteler en een gedeelte der equipage van het Nederlandse barkschip JOANNES, die twee dagen in de sloep hadden rondgezworven. De directie heeft in het verleden jaar op aanzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken een reddingboot gestationeerd te Zoutelande, op het eiland Walcheren, hetgeen een uitgaaf gevorderd heeft van NLG 4.775. In dat jaar zijn uit het onder administratie van directeuren van de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen staande fonds van wijlen mejuffrouw Ida Maria de Raath, aan 48 weduwen en 101 wezen van in de uitoefening van hun beroep noodlottig omgekomen zeelieden, uitbetaald geworden NLG 1.629.
|