|
Amsterdam, 17 februari. Kapt. J.B. Mulder, voerende het schip (opm: smak) VROUW CATHARINA, van Heiligenhafen naar Amsterdam, meldt uit het Nieuwe Diep in dato de 13e dezer, dat hij de 8e dito van Tonningen gezeild is met de schepen DE GOEDE HOOP, kapt. D.H. Puister; DE VROUW NEELTINA, kapt. H.H. Top en DE JONGE DIRK, kapt. D.D. Kuitze, alle drie mede van Heiligenhafen; GERBERDINA, kapt. E.P. Drent, van Bandholm; DE VROUW ZWAANTJE, kapt. J.K. Hazewinkel en DE JONGE ALIDA, kapt. H. Brinkman, van Dantzig; alle naar Amsterdam bestemd; DIANA, kapt. J.A. Panjer van Dantzig naar Harlingen. Daags daarvoor waren vertrokken de schepen ENGELINA, kapt. J.K. de Jonge, van Neustadt; DE VROUW AUKJE, kapt. K. Eijsses, van Koningsbergen en VROUW GEERTRUIDA (opm: kof), kapt. R.C. Jaski, van Dantzig, alle drie naar Amsterdam; FENNEGINA, kapt. G. Detmers, van Dantzig naar Harlingen en DE VROUW MARGARETHA, kapt. A.T. Steffens, van Riga naar Antwerpen (de laatste reeds te Zierikzee binnen). Kapt. A.T. Steffens, voerende het schip DE VROUW MARGARETHA, van Riga naar Antwerpen, meldt van Zierikzee van de 11e februari, dat hij de vorige dag aldaar in goede staat is binnengelopen en de reis binnendoor dacht voort te zetten.
|