|
Rotterdam, 30 augustus. Van Den Briel wordt van den 28 gemeld, dat de vorige uitgezeilde schepen wel in zee gekomen zijn; den 27 arriveerden de LUDWICH, kapt. J.J. Nangzouw, van Riga; de CATHARINA, kapt. J. Steege, van Libau; de GULDBORGLUND, kapt. L. Hansen, van Bandholm; de FREDRIK, kapt. J.F. Woitge, van Wolgast; HET VOGELTJE, kapt. D. Lucas, van Krageroe; de BERTHA, kapt. J.G. Lentz, van Stettin; de MARGINA, kapt. P.H. Mulder, van Christiaansand; de CATHARINA, kapt. J.P. Lindboom, van Stokholm; de VRIENDSCHAP, kapt. G.H. Smith, van Dramme, en de JONGE JAN, kapt. A. Fokke, van Dantzig; den 28 zeilden DE PEGASUS, kapt. D. Nielsen, naar Kopenhagen; de ELIZA, kapt. T. Liere, naar Christiaansand; de VRIENDSCHAP, kapt. H.J. Ketelaar, naar Kiel; de HOFFNUNG, kapt. C.P. Otto, naar Elseneur; de VROUW HELENA, kapt. M.A. Dooije, naar Dantzig; de DOLPHIJN, kapt. W. Schepman, naar Bergen; de VROUW ARENDJE, kapt. A. de Jong, naar Londen; de JONGE PIETER, kapt. J.R. Brons, naar Cork; de JOHANNA CAROLINA, kapt. H. Schlock, naar Newcastle, en L' EMILIE, kapt. A. Berneval, naar Duinkerken; van den 29 meldt men, dat de vorige uitgezeilde schepen wel in zee gekomen zijn; den 28 zeilden de VERWISSELING (opm: hoeker), kapt. A. Schaaf, naar Sevilien; de VROUW FEMMEGINA, kapt. A.K. Braam, de WELTEVREDE, kapt. W. Voois, en de FLORA, kapt. C. Klok, naar Londen, en arriveerden de ANNA REGINA, kapt. J.H. Evert, van Dantzig; de GOEDE VERWACHTING, kapt. H. Wijnstok, en de TWEE GEBROEDERS, kapt. H.H. de Boer, van Kiel; de VRIENDSCHAP, kapt. P.P. Küper, van Christiaansand; de VROUW HIJKINA, kapt. H.H. Arnold, van Alnmouth; de laatste als bijlegger; den 29 zeilden de JONGE CORNELIS, kapt. C. Wapenaar, en de VROUW JANTJE, kapt. T.G. Mellema, naar Hamburg; de ONDERNEMING, kapt. H. den Breems, naar Gibraltar, the ROTTERDAM, kapt. J. Laming, naar Londen, en arriveerden de GOEDE HOOP, kapt. H.H. Pot, van Dramme; die BIENE, kapt. C.F. Groth, van Libau, en de stoomboot KING OF THE NETHERLANDS, kapt. J. Slater, van Londen.
|