|
Amsterdam, 25 maart. Het schip (opm: smak) de VROUW FENNA, kapt. J.G. Hoetjer, met hout naar Edam gedestineerd, den 5 maart van Arensdahl (opm: Arendal) vertrokken, de volgende dag door storm lek geworden, hetwelk, niettegenstaande aanhoudend pompen, den 10 dito zodanig toegenomen was, dat het vol water liep en kenterde; twee man, waaronder de zoon van de kaptein, waren verdronken, en de vijf overigen genoodzaakt zich op de zijde van het schip te houden; vervolgens de masten gebroken zijnde, kwam het schip weder in deszelfs gewone ligging, doch daar alles van het dek en de kajuit weggespoeld was, hadden deze vijf mensen niets tot voedsel over, dan drie stokvissen en vier beschuiten, zonder enig zoet water, waarmede zij hun leven rekten tot den 15 dito, toen zij door een vaartuig, van Helgoland naar de Hever (opm: waarschijnlijk Jever, ten westen van Wilhelmshaven) gedestineerd, ontdekt en gered werden; zijnde geheel afgemat en aan handen en voeten bevroren, waarvan zij echter door konstmatige hulp beginnen te herstellen.
|