|
Harlingen. Den 24 februari uitgezeild het pinkschip (opm: bark) HENRIETTA, kapt. G.H. Noorman, met ballast naar Amsterdam. Den 25 dito binnen gekomen het sloepschip UNION, kapt. W. Atkenson, met ballast van Londen. Den 26 dito uitgezeild de Nederlandse schepen, als het tjalkschip ONRUST, kapt. Jan Kraan, met stukgoederen naar Rouaan (opm: Rouen), laatst van Hamburg; de kofschepen de GOEDE HOOP, kapt. H.W. de Groot, met ballast op avontuur; de ZEELUST, kapt. Albert Sluik, met ballast naar Noorwegen; het smakschip VROUW ZWAANTJE, kapt. Jan Kornelis Hazewinkel, met ballast op avontuur; het brikschip HOSPERUS, kapt. Willem Rijnbende, met ballast naar Rotterdam en het smakschip de TWEE GEBROEDERS, kapt. Jan L. Pinksterboer, met ballast naar Noorwegen. Den 27 dito uitgezeild de smakschepen de WAAKZAAMHEID, kapt. E.M. de Jong, de VROUW KUNERA (opm: VROUW REINERA), kapt. Berend J. Bondrager, beide met ballast naar Noorwegen; en het schoonerschip BRILLANT, kapt.William Hul, met boter naar Londen. Den 28 dito uitgezeild het smakschip de JONGE HENDRIK, kapt. Albert Hazewinkel, met granen naar Londen; het galjootschip HENRICH, kapt. John A. Smidt, met ballast op avontuur en het kofschip de GOEDE VERWACHTING, kapt. Hylke W. Overmeer, met granen naar Leith. Den 1 maart uitgezeild het smakschip HENDRIKA, kapt. Jan Bruins, en het galjootschip EENIGHEID, kapt. John Carseboom, beide met ballast naar Noorwegen.
|