|
Rotterdam, 26 januari. Het provinciaal gerechtshof van Zuid-Holland heeft dezer dagen het volgende voor de handel niet onbelangrijk vonnis gewezen: Gezien de stukken; - Overwegende ten opzichte der feiten waaromtrent tussen partijen geen verschil bestaat; - Dat der appellanten schip (opm: fregat) MAAS, kapt. J.N. Lotzow, op de reis van Falmouth naar Kopenhagen, bevracht met een lading suiker, waarin voor des geïntimeerden rekening ter waarde aan R. zes en veertig duizend drie honderd negen en zestig, vier en twintig; of drie en vijftig vier vijfden pct. van het gehele bedrag van het averij-gros, door storm en lekkage, genoodzaakt is geworden, de 9e oktober 1852 te Hellevoetsluis, als naaste haven binnen te lopen, van daar naar Rotterdam is opgesleept, gelost, gerepareerd, vervolgens de reis heeft voortgezet en op de 10e januari 1853 op de Zweedse kust te Caholm is verongelukt. - Dat der appelanten cargadoors de averijkosten te Rotterdam gemaakt, op de 28e dec. 1852 hebben doen verzekeren op behouden varen tot een bedrag van vijf duizend acht honderd guldens, en de 17e januari achttien honderd drie en vijftig nog tot een bedrag van zeven honderd guldens, en alzo ten belope van zes duizend en vijf honderd guldens. - Dat de premie dier verzekering, ad een honderd drie en zestig guldens vijftig cents, op aangifte der appelanten zelve is gebracht in de algemene averij-rekening en van deze averij, ten belope van zes duizend zes honderd zeven en twintig guldens vier en vijftig cents, door het schip te Rotterdam geleden, op de 1e april 1853, door de koninklijke dispatcheur Wessberg te Gothenburg is opgemaakt een behoorlijke dispatche (opm: dispache, een door een dispacheur gemaakte opstelling waarin wordt aangegeven welke kosten onder averij grosse vallen en welke als averij particulier worden aangemerkt), blijkens welke een gedeelte ad vier duizend zeven honderd een en veertig guldens drie en tachtig cents, is gebracht in de averij-gros en daaronder een honderd twaalf NLG negentig cent voor het aandeel der averij-gros en bovengemelde premie, terwijl de overige vijftig guldens zestig cents zijn gebracht onder de achttien honderd vijf en negentig guldens een en zeventig cents particuliere averij ten laste van het schip, en alzo de gehele premie pro rata parte over de gemene en bijzondere averij is verdeeld, terwijl de geïntimeerde voor zijn aandeel in de averij-gros, ad drie en vijftig vier vijfde percent heeft moeten dragen en werkelijk dat bedrag aan de appellanten heeft betaald. - Dat na de ramp en het dus niet behouden varen van het schip, de appellanten door tussenkomst van hun cargadoors van de assuradeurs hebben ontvangen bovenvermelde assurantie penningen ad zes duizend vijfhonderd guldens. - Dat de geïntimeerde, origineel eiser, de appellanten origineel gedaagden voor de arrondisements-rechtbank te Rotterdam, heeft doen dagvaarden en gevorderd betaling ener som van tweeduizend vier honderd twaalf gulden drie en negentig cent, als moetende uitmaken het aandeel, waarop de geïntimeerde pro rata parte van het door hem betaalde gedeelte der premie, gerechtigd zou zijn in de door appellanten, origineel gedaagden ontvangen assurantie penningen. - Dat de arrondisements-rechtbank te Rotterdam bij vonnis van de negen en twintigste mei 1854, die vordering heeft toegewezen en de appellanten, origineel gedaagden, veroordeeld tot betaling dier som aan de geïntimeerde, origineel eiser, en voorts het vonnis verklaard uitvoerbaar bij lijfsdwang en bij voorraad, niettegenstaande verzet, hoger beroep of cassatie, doch alsdan onder borgtocht. - Dat de appellanten van dit vonnis voor dit gerechtshof zijn gekomen in hoger beroep en partijen voorts hebben geconcludeerd, zo als blijkt in hun schriftelijke overgelegde conclusie. En alsnu ten aanzien van het recht: - Overwegende, dat in de polis van assurantie, waarop de appellanten zich beroepen, in de beoordeling van welker aard en strekking hier niet wordt getreden, het interest der assureerden is vermeld te bestaan in voorgeschoten averij gelden. - Dat die assurantie evenzeer als het voorschot zelf, is gedaan, in communem utilitatem (opm: in het algemeen belang) van beide, schip en lading; - Dat immers de wetgever bij art. 699, no 19 en 20, wetboek van koophandel, de bodemerij *) premie van geldsommen opgenomen, tot dekking der onkosten in averij-gros vallende en de premie om die kosten te doen verzekeren, onder averij-gros gebracht heeft, geenszins als waren assurantie premiën onkosten van zelven aan die voorschotten verbonden, – als wanneer de bepaling geheel overbodig zou wezen, – maar omdat de verzekering zelve ten voordele van schip en lading strekt; beschouwing welke alleen, maar dan ook volkomen de anders afwijzende wetsbepaling uitlegt en rechtvaardigt. *) (opm: bodemerij [van bodem = schip] omschrijft Mr. J.A. Molster als eene overeenkomst tussen een geldschieter en een geldopnemer, waarbij eene som gelds wordt opgeschoten, met beding van premie en onder verband van schip of goed of beide, met dat gevolg, dat indien het verbondene, geheel of gedeeltelijk, door toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op de opgeschoten penningen en op de premie verliest, voor zoover dit een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; maar indien het verbondene schip behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, de hoofdsom, benevens de premie moet betaald worden) - Dat de appellanten dan ook de premie van assurantie in de averij-gros gebracht hebben, en dus zelven met der daad hebben erkend, en voor zoveel het van hen afhing bevestigd, het Vinculum juris (opm: rechtsketen) tussen de assurantie en de gemene belangen van schip en lading bestaande. - Dat zij appellanten aan de ene zijde de premie van assurantie met het voorschot van de geïntimeerde, voor zover het aandeel van deze daarin betrof, hebben terug bekomen en aan de andere zijde van de assuradeurs uitbetaling van het bedrag, waarvoor dat voorschot was verzekerd, hebben erlangd. - Dat mitsdien, zowel de beginsels van billijkheid, waarop het in handelszaken zo zeer aankomt, als de uitdrukkelijke bepalingen der wet vorderen, dat de geïntimeerde, te wiens laste de premie van assurantie als gemene averij is gekomen, daarin voor zijn aandeel gedragen, en van dat bedrag uitbetaling heeft gedaan, ook voor zijn aandeel in de bereids aan de appellanten uitbetaalde assurantie penningen dele. O., dat het bedrag van dat aandeel door de geïntimeerde gesteld, aan de zijde der appellanten niet is wedersproken; O., dat het vonnis, waarvan beroep, alzo wel en terecht is gewezen en het hoger beroep daarvan ingesteld is ongegrond; - Gezien de art. 246 en 699, no. 20, wetboek van koophandel, art. 315, 586, 616 en 56 van het wetboek van burg. rechtsvordering; - Rechtdoende in hoger beroep; doet hetzelve te niet, bevestigt het vonnis der arrondisements-rechtbank te Rotterdam op de negen en twintigste mei 1854, tussen partijen gewezen; gelast dat het geheel en volkomen gevolg zal hebben en veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep. Gedaan en gewezen enz.
|